Couperus op bezoek in de havenstad Sabang
'Een ontmoeting, die wij in dankbare
herinnering houden'
![]() |
'Een wondervol rezultaat van het Europeesche effort.' Zo omschrijft Couperus in 1921 de havenstad Sabang op het eilandje Poeloe Weh, gelegen voor de noordwestelijke punt van Sumatra. De auteur werd er hartelijk welkom geheten door de hoofdadministrateur van het havenbedrijf met kolenstation. Een in de familie bewaard gebleven brief getuigt van een levendige ontmoeting. 'Wacht U even, mijnheer van Aerssen, niet zoo vlug, hoe noemt U dat ding… een trans…por… teur, zegt U?'
Door Marnix van Aerssen*
Samen met zijn vrouw is Louis Couperus in het najaar van 1921
begonnen aan een reis die hem als speciaal correspondent van de Haagsche Post
naar het toenmalige Nederlands-Indië, Hongkong en Japan zal voeren. Het is in
Sabang waar hij zijn eerste stappen op Indische bodem zet. Het havenstadje kent
hij nog niet; Java wel, daar woonde hij als schooljongen. De ruim zeventig
brieven van zijn hand, die als reisverslag tussen 22 oktober 1921 en 5 mei 1923
in het weekblad verschijnen, zijn vervolgens samengebracht in de bundel
Oostwaarts.
[1]
Merkwaardigerwijs is een van de eerste afleveringen, waarin hij 'het Europeesche
effort' te Sabang beschreef, niet gepubliceerd. 'Vermoedelijk verloren gegaan,'
schreef hij met spijtbetuiging in de brief waaruit verderop wordt geciteerd.
'Mijne schetsen worden echter tot een bundel vereenigd, en daarin zal het
Sabang-artikel dan zeker een plaats vinden.' Aldus geschiedde.
'De kusten groen en goud' – zo lezen wij in deze bundel – 'de
nog jonge maar tierende havenstad met haar zwart gestapelde kolenloodsen, maken
een bizonderen indruk. Die van het energieke, Europeesche effort, in een land en
klimaat, door de goden bedoeld voor enkel droomvolle loomte en luiheid, maar
voor niets anders.' Wie anders dan Louis Couperus kan een havenstad zó
uitbeelden? 'De mechanische kolentransporteurs, voor het bunkeren van kolen
noodig, verrezen met hunne hypermoderne ijzeren silhouetten en teekenden hunne
brugwerken en kraanarm-gevaarten uit tegen het tropisch hemelazuur.' De
schrijver raakte zó gefascineerd door deze 'tierende havenstad' dat hij er een
uitvoerige beschrijving van gaf.
Bunkeren
Sabang was 130 jaar geleden een klein vissersplaatsje op een eilandje dat bij de
geleidelijke vestiging van het Nederlandse gezag over de Oost-Indische Archipel
over het hoofd leek te zijn gezien. Voor wie foto's van het eiland bekijkt uit
de tijd van Couperus' bezoek, moet dat welhaast onbegrijpelijk voorkomen: de
prachtige, beschutte Sabangbaai aan de noordzijde vormt een natuurlijke haven
voor schepen om er voor anker te gaan, met alle ruimte voor haveninstallaties.
Pas door de opening van het Suez-kanaal
5
in 1869 onderkenden de Nederlanders de mogelijkheden die eiland en baai boden:
de nieuwe scheepsroute naar de Oost voerde er langs. In 1877 nam een
oorlogsschip Poeloe Weh in bezit en pas in 1893 werd de Nederlandse vlag er voor
het eerst gehesen. Aan een kolenstation op het strategisch gelegen eilandje
ontstond vooral behoefte vanwege de blokkade van Atjeh, die toen aan de gang
was. De Atjeh-oorlog (1873- 1904) werd onder meer gevoerd om een einde te maken
aan de door de heersers van dit Sumatraanse gebied gestimuleerde zeeroverij in
Straat Malakka. Hier voer de scheepvaart tussen Europa en Azië door. Het was de
zeestraat tussen Sumatra en het Britse Malakka. Om de blokkade mogelijk te maken
was dus een omvangrijke scheepsmacht in die omgeving gewenst. Dit bracht de
noodzaak om kolen te bunkeren. In 1899 werd de N.V. Zeehaven en Kolenstation
Sabang (kortweg Sabang-maatschappij genoemd) opgericht, mede op aandrang van
generaal Van Heutsz en de nog jonge Amsterdammer Ernst Heldring, later president
van de Nederlandse Handel-Maatschappij. Binnen enkele jaren werd Sabang een
moderne vrijhaven. Het laden en lossen van kolen (deze kwamen vooral uit Sumatra
en Bengalen) werd in het begin door koelies met manden gedaan, maar al gauw werd
dit gemechaniseerd; door enige elektrische kolentransporteurs, waardoor Couperus
zo gefascineerd raakte, ging dit bunkeren veel sneller dan in concurrerende
havens als Singapore en Colombo, waar de Britten de scepter zwaaiden. Er kwamen
aanlegsteigers voor de mailboten, die Sabang wekelijks
6
vanuit Nederland passeerden.
[2]
Verder kwamen er een droogdok en scheepsreparatiebedrijf, sleepboten,
tinbaggermolens, een elektrische centrale en een ziekenhuis. Alles was eigendom
van de Sabang-maatschappij, die ook de haven exploiteerde. Dat was een unicum:
andere bedrijfshavens in Indië waren alle gouvernementshavens.
Aan het hoofd van het bedrijf in Sabang stond, toen Couperus
het bezocht, F.C. baron van Aerssen Beijeren van Voshol.
[3]
Deze was er toen al negen jaren werkzaam. Hij had de gewoonte om geregeld enige
passagiers van de mailboten, ook al kende hij ze niet, bij zich thuis uit te
nodigen. Hij liet ze dan wat van het eiland zien en vertelde hun over het
bloeiende bedrijf dat hij leidde.
[4]
Voor zijn gasten vormde een etentje aan de wal een prettige afwisseling na een
maand lang scheepsvermaak. En zo werden ook Louis en Elisabeth Couperus
uitgenodigd bij de veel jongere, pas getrouwde François en Ima van Aerssen (hij
was 38, zij 25). Ze hadden elkaar nooit ontmoet, maar Van Aerssen had eerder die
dag de naam Couperus zien prijken op de passagierslijst, die hij gewoontegetrouw
van de scheepsagent ontving. Het ijs was snel gebroken, want de Van Aerssens
hadden ook hun kennissen Jan Feith (journalist en schrijver, 1874-1944) en diens
vrouw uitgenodigd en die bleken aan boord grote vrienden van de Couperussen te
zijn geworden. In zijn reisverslag beschrijft Couperus het huis van de Van
Aerssens ('ik zie voor het eerst het nieuwe type der Nederlandsch-Indische
huizen'). Ook gaat hij uitvoerig in op de activiteiten van de
Sabang-maatschappij, waarover die avond gesproken werd. Toen de avond te kort
bleek om alle vragen van de intens geïnteresseerde Couperus te beantwoorden,
werd het gesprek de volgende ochtend voortgezet, toen het echtpaar Couperus aan
boord werd opgezocht vlak voordat het schip vertrok.
Mooi Nederlandsch
In een brief aan haar ouders, baron en barones Van Asbeck-Kluit,
[5]
waaruit het hierna volgende is gelicht, gaf Ima van Aerssen een uitbundige
beschrijving van de ontmoeting met Louis en Elisabeth:
7Sabang, 4 November 1921
We hadden met den loods een briefje meegegeven, om voor ons eenige invitaties te doen voor de boterham: natuurlijk de Feiths & de heer & mevr. Couperus, die we op de passagierslijst hadden ontdekt. Om 7 uur kwam 't hooge bezoek, nadat eerst de Feiths al waren binnengevallen na een heerlijke zwem. Het [echtpaar Couperus] met kind
zijn eenig aardige, hartelijke, enthousiaste menschen. Mevr. Couperus is een oudere dame die heel knap moet zijn geweest, dunkt me, en die nu haar ouderdom niet verstopt. Zij is lang & houdt zich zeer recht & maakt een indruk als persoonlijkheid. Hij is gedeeltelijk kaal, verder grijs. Dadelijk een prettig algemeen gesprek, vermakelijk door de zoo heterogene elementen der beide schrijvers, die zoo eenig met elkaar omsprongen. Zij zijn zeer bevriend geraakt aan boord. Als Couperus praat, spreekt hij in zijn eigen stijl; zoo vroeg hij, waarom we beneden geen velum lieten aanbrengen, toen we 't hadden over 't resonneeren. Als hij begint denk je dat hij een aansteller is, maar hij is eenvoudig zichzelf & anders dan de anderen. Wanneer hij van iets niet op de hoogte is geeft hij zich geen airs alsof, maar vraagt alles. Alles bij elkaar is hij zijn gezelschap overwaard, & genoten wij zoo van een en ander dat we haast niet sliepen 's nachts.
Ter eere der étrangers de marque schonken we een glaasje champy, waarbij François de gasten & deze ons toespraken. Boven hapten we wat koelte op 't balcon. Mevr. Feith vroeg, hoe 'k mijn dag doorbracht. Midden in mijn verhaal zeide Couperus opeens 'Mevr. Van Aerssen spreekt zulk mooi Nederlandsch. En zoo gewoonweg.' 'k Antwoordde, dat 'k dit zeker aan mijn vader zou schrijven, daar deze daar altijd zooveel zorg aan besteedde & 't hem dus een groot plezier zou doen dit te hooren. Na 't afscheid nemen draaide hij zich nog weer eens om, gaf me nogmaals een hand, en zei: 'Ik dank u nog eens van ganscher harte voor uw groote gastvrijheid, en 't heeft me zoo'n genoegen gedaan in de eerste haven van Indië zulk mooi Nederlandsch te hooren spreken'. - Handkus.
Hierop volgde een niet minder uitbundige toevoeging van de hand van François van Aerssen, waarin hij de ontmoeting van de volgende ochtend weergaf:
Toen ik 's morgens vroeg aan boord ging, trof ik den grooten Louis aan, die in een ochtendkleedij liep bestaande uit een combinatie van een lichtlila pyjama met laag uitgesneden hals, waaruit een witte Schillerkraag te voorschijn kwam. Hij was een en al belangstelling, wilde graag nog van alles te weten komen, maar kon ook weer niet over Sabang zoo'n heel groot stuk in de Haagsche Post inzenden. In een etherisch zakboekje werden met gouden potloodje de dingen opgeteekend uit mijn mond. Wij zijn benieuwd hoe dat worden zal; men stelle zich toch goed voor: Couperus, die probeert een groote electrische kolentransporteur te beschrijven! 'Wacht U even, mijnheer van Aerssen, niet zoo vlug, hoe noemt U dat ding… een trans…por…teur, zegt U, maar wat is dan wat ik daar zie, dat lange ding, die… passerelle… ah zoo, is dat de transporteur.' En het gouden stiftje vereeuwigt mijn zeggen. Een oogenblik later, wij treffen het, is er een haai te zien vlak bij het schip. 'Mijnheer Couperus, komt U eens gauw kijken, een echte haai, een klein exemplaar, maar toch een gevaarlijk beest.' 'Ah, daar zie ik hem, en zegt U mij toch, die haai… eet… die… mij… op?'
Ik haal voor grooten Louis een aangeteekend stuk van het postkantoor, breng het hem aan boord bij zijn hut, tegelijk met de uitgepakte deelen voor Ima's verjaardag, die ik hem toonen wil. [6] Ik hoor een zwakke stem ergens uit verborgen diepten:
8
Couperus zit in het bad. Ik wacht wel even buiten, en een zacht gedruisch kondigt den naderenden Meester aan. Hij komt, doch niet verder dan achter het hutgordijn, waarmee hij zich als met een peplum drapeert, en, het illustre hoofd mijwaarts nijgende:
'U neemt mij niet kwalijk, niet waar… ik… heb… héél… weinig… aan.'
Ik neem het hem niet kwalijk, wie zou Couperus, kersversch uit het ochtendbad, iets kwalijk kunnen nemen! Ik laat hem het geschenk aan Ima zien.
'O, hoe bizonder aardig, ik… houd… zooveel... van… Iskander!'Veel van wat hij die twee dagen gezien en beleefd heeft, moet een puzzle voor hem zijn. Toen iemand van het gezelschap bij ons thuis hem [de vorige avond] iets trachtte uit te leggen over de haven van Sabang en mijn werk, vroeg hij mij of ik dus, een internationale positie innemende, Gezant van vele vreemde Vorsten was.
Hij bedacht dat wij een gezamenlijke briefkaart aan zijn zuster, Mevr. Vlielander Hein, die ik ken, moesten sturen. Aan mijn schrijftafel is die bizondere gebeurtenis overkomen, dat Louis zich gezet heeft tot het schrijven van die enkele woorden van vriendelijkheid aan de ververwijderde verwante, en men moet met die dingen maar boffen: de pen, waarmee Louis schreef, was een buitengewoon zachte pen, een pen zoo zacht dat Louis het moest uitroepen van vreugde hoe heerlijk zachte pen die pen was. Wij vonden van die soort den volgenden ochtend nog één enkele pen; kònden wij iets anders doen, dan aan boord, voor het afscheid, die pen, met een lichtblauw zijden draadje gehecht op ons kaartje, als persoonlijk souvenir den Dichter aan te bieden? Tegelijk met een bloemetje natuurlijk, dat hij, na het gracelijk uit Ima's hand aangenomen te hebben, langs lijnen van geleidelijkheid overbracht naar zijn knoopsgat. Een koele dronk bood hij aan, maar toen moest plotseling iedereen van boord, het schip ging vertrekken. Wij stonden op den steiger, wuivende tegen onze gasten, of liever, flauw pogende te wuiven, want wat is ons gebaar, vergeleken bij dat van afscheid-wuivenden Louis... ach, ik kan er niet zonder weemoed aan denken…en dan het gebaar, waarmee hij ons de helaas te laat komende koele dronk van heerlijk framboisesap met ijs uit de verte, met kwijnende wanhoop, toch nog als het ware aanbood…
Hij beloofde, indien de terugreis hierlangs zou gaan, ons te waarschuwen, wij zullen dan trachten zijn vrouw en hem bij ons te logeeren. Maar dan moesten wij ook plechtig beloven, als wij ooit in Italië kwamen, hem te waarschuwen, daar zou hij en niemand anders onze gastheer wezen, in zijn Italiaansche villa, daar was hij thuis.
En terwijl telkens weer al die dwaze en grappige herinneringen aan onze korte kennismaking terugkomen, hebben wij het gevoel van groote oprechte hartelijkheid en heel veel innigheid ontmoet te hebben bij dezen toch heel bizonderen man. Van een eerlijk fond, van groote gemaaktheid in woord en gebaar, maar van telkens aan de oppervlakte komende naieve eenvoud.
Een ontmoeting, die wij in dankbare herinnering houden.
9
Ziek
Het echtpaar Couperus vervolgde zijn reis; Sumatra, Java, Hongkong en Japan
werden bezocht. Bijna een jaar later kreeg Van Aerssen een brief van Couperus
uit Singapore, gedateerd 30 augustus 1922:
Wij zijn alhier wachtende op den 'Johan de Wit', die 8 Sept. arriveert en waarmeê wij naar Nederland vertrekken. Misschien heb ik wel het voorrecht U een oogenblik te Sabang te zien. Ik ben in Japan ernstig ongesteld geweest en nog lang niet bijgewerkt. Ik voel mij zeer zwak en misschien herkent u mij niet dadelijk, zoo mager ben ik geworden. Wat mij zeer spijt, is, dat het artikel – een mijner eerste – dat ik voor de Haagsche Post schreef en waarin iets van Sabang vermeld werd en uw naam werd vermeld, niet geplaatst werd: vermoedelijk verloren gegaan. Mijne schetsen worden echter tot een bundel vereenigd, en daarin zal het Sabangartikel dan zeker een plaats vinden. (…)
Helaas echter kon de toezegging aan Couperus – vermeld in de brief van Van Aerssen aan zijn schoonouders – om hem en zijn vrouw op de terugreis te logeren te hebben, niet worden nagekomen. De grote schrijver was te ziek. Dat weten we door een reisverslag – een in die tijd kennelijk populaire vorm van literatuur! – van de hand van de toentertijd bekende schrijfster Annie Salomons, [7] enige jaren na de reis van Couperus. Ook deze schrijfster wordt door de Van Aerssens thuis ontvangen. Als zij dan het bezoek van de door Annie zeer bewonderde Couperus [8] tijdens diens uitreis ter sprake brengen, leidt dat tot de volgende reactie in Annie's reisverslag:
Onmiddellijk wordt de gesprekstoon warmer: hij was hier ook geweest, één keer, want toen hij weer hier langs kwam, was hij te ziek om van boord te gaan, en toen hadden ze hem slechts in zijn hut kunnen begroeten… Ik kijk naar buiten, naar het stralende, blauwe water tusschen de groene bergen; hoe moet hij hier hebben genoten, die het leven met zooveel teederheid liefhad! En even lijkt het me, of ik nergens in Holland zijn geest weer zoo nabij heb gevoeld, als in dit verre huis, waar hij, als wij maar kort toefde, maar waarover hij zeker zou hebben gezegd, dat hij er 'allercharmantst' was ontvangen.
Tot een bezoek aan Louis en Elisabeth Couperus in 'hun' Italiaanse villa is het evenmin gekomen. Binnen een jaar na de thuisreis, medio juli 1923, overleed Louis. Enige maanden daarna, maar nog in datzelfde jaar, werd Oostwaarts gepubliceerd – een tastbare herinnering aan zijn laatste grote reis. Hij had tot enige dagen voor zijn dood nog de laatste drukproeven ervoor gecorrigeerd.
*Marnix van Aerssen is de zoon van de Sabangse gastheer en gastvrouw van het echtpaar Couperus
| Noten | |
| 1. | Louis Couperus, Oostwaarts. Volledige Werken Louis Couperus, deel 45, hoofdstuk 1, deel IV. |
| 2. | De term mailboot was vooral in de eerste helft van de twintigste eeuw in zwang. Passagiersschepen brachten de post in drie à vier weken uit Nederland naar Indië. Naar hun komst werd verlangend uitgekeken, ook vanwege de leestrommel die een keur van Nederlandse en buitenlandse tijdschriften bevatte! |
| 3. | Van Aerssen (1883-1968) was oud-marineofficier en later onder meer gezant in Australië, ambassadeur in China en lid van de Raad van State. |
| 4. | Zoals bij Indische ondernemingen vaak het geval was, zetelde de directie van deze N.V. in Amsterdam. |
| 5. | W.D.H. van Asbeck (1858-1935), oud-gouverneur van Suriname, had als marineofficier in 1893 de vlaghijsing op Poeloe Weh bijgewoond. |
| 6. | Van Aerssen had zijn vrouw voor haar verjaardag Antiek toerisme en Iskander gegeven. Geheel toevallig was deze bestelling met hetzelfde schip uit Nederland meegekomen. |
| 7. | Reisverslag in De Amsterdammer van 21 februari 1925 (deel CLIX van Bijkomstigheden). |
| 8. | Hoezeer zij hem bewonderde, kan men lezen in Annie Salomons Herinneringen uit de oude tijd aan schrijvers die ik persoonlijk heb gekend. Amsterdam, 1984, p.51-57. Hierin staat ook zijn crematie beschreven, waar Elisabeth Couperus Annie naar zich toetrok en zei: 'Mijn man hield zoveel van u.' |
(Uit: Arabesken 13 (2005), nr.25, p.4-10.)