Noodlot en Wederkeer

Wie van het woord ‘filosofie’ in de ondertitel van Kleins zojuist verschenen grote studie over Couperus leest, zou kunnen denken dat dit woord polemisch gebruikt wordt. Want schreef een andere kenner van Couperus’ werk, te weten Luc Dirikx in zijn Louis Couperus en het decadentisme, niet het volgende over de ‘filosofie’ van de Haagse auteur: ‘Het is niet zonder reden dat het woord filosofie (...) hierboven tussen aanhalingstekens geplaatst werd, want Louis Couperus had geen filosofie.’ En even verder: ‘Couperus was geen denker.’ Wie heeft gelijk, Dirikx of Klein?

Door Ton Anbeek

Klein is natuurlijk geen onbekende in kringen van het Couperus Genootschap. Hij heeft al vele publicaties over zijn geliefde schrijver op zijn naam staan. Het boek dat nu is uitgekomen biedt veel meer dan een samenvatting van het eerdere werk, omdat oude thema’s hier een veel bredere uitwerking vinden. Het gaat Klein in Noodlot en Wederkeer om een systematisch onderzoek naar Couperus’ wereldbeschouwing, zijn ideeën dus, die hier veelal in verband worden gebracht met een aantal obsessies die het fin de siècle beheersten.
    Met deze ideeënhistorische aanpak zet Klein zich af tegen de biografische aanpak die uit het Couperus-onderzoek kennelijk niet weg te branden valt. Kleins betoog krijgt dan iets knorrigs en dat is niet onbegrijpelijk. Want hij heeft gelijk: wij weten over Couperus’ seksuele geaardheid of praktijken (if any) niets maar dan ook niets met enige zekerheid. Alle beweringen daarover zijn niet meer dan nogal sensatiebeluste speculaties die bovendien – en daar gaat het om – afleiden van wat werkelijk van belang is: de schrijver Couperus. Vandaar Kleins nadrukkelijke verklaring aan het eind van het eerste hoofdstuk: ‘Mijn Couperus is de schrijver en niets dan de schrijver.’
    Klein behandelt niet het hele oeuvre van Couperus, maar een aantal teksten die hij representatief acht: Eline Vere, Noodlot, Extaze, Metamorfoze, Psyche, Jahve, De Zonen der Zon, Dionyzos, Aan den weg der vreugde, De berg van licht, Van oude menschen..., Antiek toerisme en Iskander. Van deze teksten geeft Klein een uitvoerige analyse en interpretatie. Daar ligt m.i. ook de grootste waarde van het boek. Deze analyses, al dan niet voorbouwend op eerder onderzoek (onder meer van Lukkenaer, Kralt en Van Vliet) zijn subtiel en uiterst zorgvuldig gedocumenteerd. Zo laat de beschouwing over Iskander overtuigend zien hoe binnen het verhaal over Alexander op de achtergrond de figuur van Dionyzos een rol speelt. Bovendien wijst Klein op de mystieke aspecten van Alexanders tocht. Daarmee maakt hij Couperus’ laatste grote roman doorzichtiger en benadrukt hij nog eens het belang van het thema ‘wederkeer’ in Couperus’ werk. Overtuigend is ook zijn beschouwing over de invloed van het Corpus Hermeticum op Antiek toerisme. En zo vindt de Couperus-liefhebber vele boeiende inzichten in deze rijke studie.
    Natuurlijk zijn er punten waarop men met de auteur van mening kan verschillen. Maar Kleins verdienste is dan wel dat hij zijn stellingen zo scherp formuleert dat een discussie

38
mogelijk wordt. Herhaaldelijk wijst hij op de neerslag van de ideeën van Emerson en Nietzsche in de werken van Couperus. Een lastig probleem bij dit soort onderzoek verwoordt hij zelf op p.235: ‘Wie de invloed van de ene schrijver-filosoof op de andere wil nagaan, moet uiterst beducht zijn de invloed van derden niet te onderschatten.’ Bepaalde opvattingen hangen in een bepaalde tijd in de lucht, dat wil zeggen: ze zijn zo wijd verbreid dat het ‘auteursrecht’ nauwelijks meer valt te achterhalen. Bij voorbeeld dat idee van de eeuwige wederkeer: ‘Zonder overdrijving kan men stellen, dat deze leer in de negentiende eeuw een grote populariteit had’ (p.236). Wanneer je dat toegeeft, wordt het hachelijk zulke ideeën aan Nietzsche of Emerson te koppelen – wat Klein op andere plaatsen in zijn boek wel degelijk doet.
    Soms is het ook niet duidelijk wat we onder zo’n idée recue als dat van de eeuwige wederkeer nu precies moeten verstaan. Nu eens gaat het om een herhaling na eeuwen (Dionyzos-Alexander de Grote), dan weer om een herhaling binnen één tijd (in De boeken der kleine zielen weerspiegelt Addy’s ongelukkige huwelijk dat van zij ouders) of zelfs in het leven van één persoon (De binocle).
    Kortom, ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Klein wel eens zijn meer relativerende opmerkingen vergeet. Zo is er bij voorbeeld de nadruk die hij legt op de ‘compensatiethese’ van Emerson, ‘de wet die het evenwicht wil.’ Die wet is volgens hem werkzaam in heel wat teksten van Couperus. Maar op een zeker moment merkt hij nuchter op dat deze wet ‘in wezen neerkomt op het eenvoudige “na regen komt zonneschijn, en omgekeerd”.’ Tja, dan gaat het in feite om niet meer dan om het Engelse ‘you win a few, you lose a few.’ Dat bepaalde helden van Couperus aan hun overmoed ten gronde gaan, lijkt me eerder in verband te brengen met de klassieke hybris-idee dan met Emersons herformulering van een cliché. Bordewijk schreef ooit over zijn boeken: ‘Van mijn romans, groot en klein, meen ik dit te mogen zeggen: een ondeugd of de overdrijving van een deugd, ofschoon niet zonder een zekere indrukwekkendheid, voert uiteindelijk tot den ondergang.’ Is Bordewijk dan ook al een Emersoniaan?
    Klein draaft nog wel eens door in zijn jacht op ideeën, maar veel kan iemand vergeven worden die door passie voor het oeuvre van Couperus gedreven wordt.
    De vraag blijft: was Louis Couperus nu een filosoof, zoals Klein hem ziet, of had hij helemaal geen filosofie – wat Dirikx beweerde? Ik denk dat Klein overtuigend heeft laten zien hoeveel ideeën uit de Nieuwe Mystiek – alles wat zweverig was in het fin de siècle, dat hele Oibibio van toen – hun weg hebben gevonden in het oeuvre van Couperus. Maar tegelijkertijd – en daar begint het gelijk van Dirikx – moeten we niet vergeten dat Couperus geen schriftgeleerde, maar een eclecticus was. Hij is soms slordig met termen (bij voorbeeld ‘lymfatisch’ in Eline Vere of ‘hysterie’ in Van oude menschen). Hij noemde ‘Over lichtende drempels’ een ‘theosofisch’ sprookje, terwijl het spriritisme veel sterker in de tekst aanwezig is. Hij gaf vaak tegenstrijdige verklaringen voor het gedrag van zijn personages.
    De hele discussie ove het belang van het noodlotsbegrip – waar Klein opnieuw tegenover Dirikx staat – komt m.i. uit de dubbelzinnigheid van de romans voort. Natuurlijk gaat het om een kernbegrip bij Couperus, wie zal het ontkennen, maar de tegenstanders hebben evenzeer gelijk wanneer zij erop wijzen, dat het fatalisme bij Couperus’ helden even vaak dient als makkelijk excuus om iets niet te doen (vergl. Dirikx’ studie,
pp. 334-341).
    Couperus was iemand die goed op de hoogte was van de ideeën die in zijn tijd opgeld deden, maar een filosoof in de zin van: iemand die zijn eigen denksysteem timmerde,

39
kan hij nauwelijks genoemd worden. Hij grasduinde, maar systematiseerde niet. In die zin lijkt hij op latere collega’s als Harry Mulisch (eeuwige wederkeer!), die ooit in een interview uitlegde waarom hij in de hermetische filosofie geïnteresseerd was, zonder zich op enige vorm daarvan vast te leggen. Het zijn losse elementen uit die filosofie die hem inspireren. Wie zich op één theorie vastlegt, loopt volgens Mulisch het gevaar van de fietser die tussen de tramrails gaat rijden: je raakt vast en valt.
    Ook Couperus heeft de tramrails altijd zorgvuldig vermeden...

Maarten Klein. Noodlot en Wederkeer. De betekenis van de filosofie in het werk van Louis Couperus. Maastricht: Shaker 2000, 273 p.: ISBN: 90 42 30109 0. Prijs: ƒ 79,–.    

(Uit: Arabesken 8 (2000), nr.16, p.37-39.)