Over De Schoone Slaapster in het Bosch
Bewaar ons, blanke Fee!

Over de ontstaansdatum van het libretto voor de kinderoperette De Schoone Slaapster in het Bosch bestond geen volledige zekerheid. Een kleine vondst geeft uitsluitsel én vertelt ons bovendien iets over de opvoeringen van dit vroege werk van Couperus, ‘die in dialoog en gedichtjes zoo den juisten kindertoon wist te vatten.’

Door Frédéric Bastet

In deel 49 van Louis Couperus’ Volledige Werken drukten H.T.M. Van Vliet en J. B. Robert onder meer de tekst af van het zangspel De Schoone Slaapster in het Bosch (Ongebundeld Werk, p.681-702). Het oorspronkelijke tekstboekje is zeer zeldzaam, om niet te zeggen nagenoeg onvindbaar. Destijds werd het zonder datum gedrukt en in Den Haag uitgegeven door F.J. Weygand & Co (J.F.A. Muzerie), Hof- Leveranciers. De naam van de auteur staat nergens vermeld, evenmin als die van de componiste. Haar pianomuziek hebben Van Vliet en Robert achterwege gelaten. Als ondertitel in de oorspronkelijke editie lezen wij: ‘Sprookje in Twee Bedrijven en zes Tafereelen voor Zang en Piano. Opgedragen Aan de Kinderen, die deel hebben genomen aan de uitvoeringen van Sneeuwwitje en de Schoone Slaapster in het Bosch.’ – ‘Niet in den Handel’, wordt daar apart aan toegevoegd.
    We blijven zitten met enkele vragen. Waar is Sneeuwwitje gebleven? Wie was bovengenoemde componiste? In welk jaar en op welke dag vond de opvoering plaats, en hoe werd die ontvangen? Wat vond Louis Couperus eigenlijk zelf van dit vroege opus? In hun verantwoording vermelden Van Vliet en Robert als tijdstip van ontstaan op p.1053 alleen maar voorzichtig ‘[1885]’. In een noot verhelderen zij nog: ‘Louis Couperus (tekst) en Virginie la Chapelle (muziek).’ Een en ander gaat in eerste instantie terug op gegevens van Henri van Booven, te vinden in zijn biografie uit 1933 op p.82. Hij vermeldt daar bovendien: ‘Tot de medespelenden behoorden ook de nichten van Couperus de meisjes V.H.’ Lees: Vlielander Hein.
    Over Sneeuwwitje weten wij niets. Daar Couperus alleen zijn tekst van De Schoone Slaapster in druk aan de desbetreffende kinderen heeft opgedragen, zal het wel altijd onduidelijk blijven of hij misschien ook een Sneeuwwitje geschreven heeft. Helaas, de tekst daarvan is tot nu toe nergens opgedoken.

Ambivalent
De vraag hoe hij zelf over De Schoone Slaapster heeft gedacht kunnen wij wel in positieve zin beantwoorden, want nog in 1894 deed hij zijn uitgever L.J. Veen de suggestie aan de hand het libretto in boekvorm te herdrukken. Veen wilde toen alsnog een aantal verspreide gedichten van Couperus bundelen die in vergetelheid dreigden te raken. Dit zou Williswinde worden, waar Couperus op 1 december 1894 zijn uitgever een nog te schrijven voorwoord voor beloofde. [1] Wel vreesde hij misschien over te weinig materiaal te beschikken, want elf dagen later (12 december 1894) schreef hij Veen: [2]

19

Ik denk, dat het een goeden bundel zal worden, zeker grooter dan Lent v. Vaerzen en denkelijk ook dan Orchideeën. Mocht het echter te klein worden, dan kan U er in opnemen de tekst van een kinder operette: De Schoone Slaapster in het Bosch: indertijd hier door 100 kinderen opgevoerd, maar dan is mijn verzenreserve ook heelemaal uitgeput.

In een postscriptum voegde hij daar nog aan toe:

Bereken dus s.v.p. de grootte van den verzenbundel en zie of U de operette nog gebruiken wil: dan zal ik ze U zenden. Maar liever hoû ik den bundel zoo.

Dat wil dus zeggen, zonder De Schoone Slaapster. Zijn opvattingen over het libretto waren dus kennelijk enigszins ambivalent. Natuurlijk kan dat ook gelegen hebben aan het besef dat toevoeging van de toneeltekst Williswinde lichtelijk onevenwichtig zou hebben gemaakt. Hoe dat ook zij, uitgesproken negatief tegenover zijn ondertussen bijna tien jaar oude operette stond hij duidelijk toch niet. Integendeel. – Veel meer valt hier niet over te zeggen.
    Blijft ten slotte het probleem van de precieze datering, waarbij we wel mogen aannemen dat er tussen het schrijven en de uiteindelijke opvoering ongeveer een jaar zal zijn verlopen (men denke aan de hele organisatie, de repetities en meer van dat soort dingen). Daarnaast is er dan de ontvangst van het publiek en die van de kritiek.
    Maar dit probleem is intussen op verrassende wijze opgelost. In een brief d.d. 2 november 1993 deelde een kenner van het Haagse repertoire, F. Boulangé, schrijver dezes het volgende mee: [3]

De Schoone Slaapster in het Bosch (…) werd twee keer door 90 kinderen opgevoerd in de Kon. Schouwburg, nl. op woensdag 20 en 27 oktober 1886. Beide voorstellingen vonden plaats ‘ten voordeele van de Kinderbewaarplaatsen, de Naaischool van “Licht, Liefde en Leven” en het Fonds voor hulpbehoevende werksters van “Arbeid adelt” (afd. Den Haag)’. Ze waren georganiseerd door een Comité van 5 dames, onder leiding van Virg. La Chapelle.

De zaal was door B. en W. gratis beschikbaar gesteld. F. Boulangé vervolgt dan:

Zowel in Het Vaderland als in het Dagblad van ’s-Gravenhage wordt uitvoerig verslag gedaan van de voorstellingen. Over Couperus zegt men dat ‘het sprookje op zoo keurige wijze is bewerkt door onzen stadgenoot, den heer Couperus, die in dialoog en gedichtjes zoo den juisten kindertoon wist te vatten.’

20
Maar dat was nog niet alles!

‘Aan het slot wachtte ons nog een verrassing. Het 6e bedrijf werd gevolgd door een tableau, voorstellende de veranderingen ten goede, die de moderne tijd in de maatschappelijke positie der vrouw heeft gebracht. De goede fee, op een estrade aan den achtergrond geplaatst, stelde met een palmtak in de hand en een gebroken ketting aan de voeten, de overwinning voor van het licht op het vooroordeel, en de gebroken kluisters der kleingeestigheid. Het geheele beeld doelt op de onafhankelijkheid der vrouw, wier hart en gemoed steeds door arbeid, zelfopofferende liefde, trouwe deugd wordt geadeld, maar geenszins, naar wij hopen, op de onafhankelijkheid van de banden door de liefde gesmeed en die zacht zijn te dragen, daar toch de vrouw, die waarlijk haar roeping begrijpt, het zonnetje in het huisgezin moet zijn.’

Gebroken ketenen
Hiermee staan we voor de vraag of de goede fee op haar estrade een idee van Couperus is geweest dan wel van de vijf comitédames. En kan Virginie La Chapelle er iets mee te maken hebben gehad? Dit zal wel altijd een onopgelost raadsel blijven. Hoe dan ook, helemaal onschuldig kan Couperus er niet aan geweest zijn. Zodra de prins de schone slaapster wakker heeft gekust, laat hij in het vijfde tafereel, eerste toneel, de hele hofhouding ontwaken en in koor zingen:

Vreugd vervult ons aller zielen,
Nu de klisters van ons vielen!
Vreugd vervangt nu alle smart! [4]

Er zijn dus gebroken ketenen. Anderzijds is er van palmtakken nergens sprake. Er worden alleen maar rozen gestrooid. En daarmee is het sprookje uit.
    De goede fee op haar estrade symboliseert, als we de recensie mogen geloven, de verbeterde toestand van de moderne vrouw anno 1885/86. Leve de emancipatie! had er ook kunnen staan. Maar zij is er ondanks alles in de Koninklijke Schouwburg toch wel met de haren bijgesleept. En of ‘de vrouw’ daarnaast zo nodig als zonnetje in het huisgezin moest blijven schijnen zal Couperus, die sowieso een grondige hekel had aan ‘de huiskamer’, vermoedelijk worst geweest zijn.

Noten
1. F.L. Bastet (ed.), Waarde heer Veen. Brieven van Louis Couperus aan zijn uitgever. Deel I (1890-1902). Den Haag, 1977, p.85, brief 103.
2. Idem, p.86, brief 104.
3. Brief in bezit van schrijver dezes. De heer F. Boulangé komt bijzondere dank toe.
4. Louis Couperus, Ongebundeld werk. Volledige Werken Louis Couperus, deel 49, p.701.

(Uit: Arabesken 15 (2007), nr.29, p.18-20.)