Couperus en de nieuwe mystiek rond 1900
'Het murmelen van Maeterlinck'
![]() |
Rond 1900 dient zich een nieuwe richting aan in de Nederlandse literatuur. Het naturalisme van Zola heeft inmiddels school gemaakt, maar schrijvers als Van Eeden, Van Deyssel en Henriette Roland Holst slaan andere paden in, op zoek naar een onzichtbare, hogere werkelijkheid. Critici uit die tijd spreken over een nieuw-mystieke mode in de literatuur. Ook Couperus werd door deze nieuwe richting beïnvloed. Vooral Maurice Maeterlinck heeft zijn sporen nagelaten in het werk van de auteur.
Door Jacqueline Bel
Couperus, onze meest Haagse auteur, hield van reizen. Ook zijn romanpersonages zijn vaak onderweg, naar het zuiden, Brussel, Nice, Rome, maar ook naar het hoge noorden, naar de fjorden in Noorwegen. Niet alleen uit Couperus’ reislust blijkt een brede blik. Zijn verlangen over grenzen heen te gaan gold ook de literatuur. Regelmatig komen we buitenlandse auteurs tegen in zijn werken. Via Couperus’ roman Metamorfoze komen we, zoals ik hieronder zal laten zien, iets meer te weten over zijn literaire voorkeuren rond 1900.5
Geklingel van klokjes
Een goede neus voor de onderwerpen van de dag én belangstelling voor de
literaire actualiteit - in dit artikel zal ik ingaan op de combinatie van deze
eigenschappen van Couperus: zijn belangstelling voor buitenlandse auteurs en
zijn neus voor de mode van de dag, in de vorm van de belangstelling die men rond
1900 had voor de nieuwe mystiek, een uiterst populaire richting in literatuur en
kunst in die tijd.
Eerst ga ik kort in op Couperus’ literaire belangstelling
rond 1900. Na een schets van de nieuwe mystiek en een portret van Maurice
Maeterlinck, waarbij ik ook kort de componist Richard Wagner de revue laat
passeren, maken we een rondgang langs enkele werken van Couperus rond 1900,
onder meer
Extaze, De stille kracht en De boeken der kleine zielen.
Tot slot zal ik nog wat opmerkingen maken over ons beeld van de literatuur uit
het fin de siècle.
Zoals gezegd biedt de roman
Metamorfoze uit 1897 inzicht in de literaire voorkeuren van Couperus rond
de eeuwwisseling. Deze roman beschrijft de ontwikkelingsgang van de literaire
auteur Hugo Aylva. Een personage dat sterke gelijkenissen vertoont met de
schrijver Couperus, maar, zoals het motto bij die roman zegt:
En al zoû ik nu eens schrijven een boek, waarvan de held een modern auteur was: al zoû ik dien held laten schrijven werken, die verwant aan de mijne waren, de held zoû ik niet zijn, zijn kunst niet de mijne: en de roman zoû een roman blijven, niets dan een roman, en zich nooit realizeeren tot autobiografie.
Het gaat bij Couperus om kunst om de kunst, l’art pour l’art, het
literair credo dat sinds de Beweging van Tachtig actueel was.
De roman Metamorfoze beschrijft in vijf ‘boeken’ de
worsteling van Hugo Aylva met de literaire materie. Zijn metamorfose van de ene
figuur in de andere, zijn verandering van dichter tot prozaïst, van naturalist
tot symbolist. En zijn tocht van nirwana tot anarchisme. Van Zola tot
Maeterlinck, die uiteindelijk ook opzij worden gezet. Telkens gaat hij een grens
over.
Verschillende namen van bekende auteurs keren terug in de
roman. Emile Zola bijvoorbeeld, de vader van het naturalisme, die een
wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid in de literatuur propageerde.
De mens werd in zijn optiek geregeerd door
race, moment en milieu en dat moest de auteur in zijn
romans beschrijven.
[2] In de roman
Metamorfoze kunnen we lezen dat Aylva als scholier al had gesnuffeld in
een van Zola’s romans, Nana, een roman over een prostituée, ‘voor de
vuiligheid’.
[3] Zola werd wegens
6
zijn onverbloemde weergave van de werkelijkheid vaker om de pikanterie
gelezen. Maar later waren Aylva en een schoolvriend serieus de verschillende
delen van de Rougon Macquart–reeks gaan lezen. Niet zonder gevolgen. ‘De
poorten van een nieuwe kunst gingen wijd voor hen open. (…) Zij lazen in een
koorts, met brandende slapen, met gloeiende oogen. God, wat was dat mooi, en
goed, en waar.’
[4] Later staat er: ‘Zola was hun de immense openbaring, van
groot en gezond levensinzicht, van het leven te moeten zien, zooals het was.’
[5]
Maar niet alleen Zola wordt genoemd, ook een
andere naam wordt regelmatig met nadruk genoemd: die van de Belgische schrijver
Maurice Maeterlinck, soms in combinatie met die van de Noorse schrijver Henrik
Ibsen. Het gaat hier om een auteur die, anders dan Zola, juist níet uit is op
een weergave van de zichtbare werkelijkheid, maar op zoek is naar een
onzichtbare, hogere werkelijkheid. In Metamorfoze kunnen we lezen: ‘Nu
was hij zeer onder den invloed van Maeterlinck, en de symbolisten van het
Théâtre Libre en l’Oeuvre.’
[6] Aylva werkt aan een drama in verzen waar hij niet tevreden
over is. ‘Het beviel hem niet, maar hij schreef er aan voort, soms vervallende
in een toon van “Hamlet” of “King Lear”, soms in een stemgeluid van Ibsen of een
murmelen van Maeterlinck.’
[7] Wanneer de schrijver naar Parijs gaat, komt Maeterlinck
opnieuw ter sprake. Daar ontmoet de hoofdpersoon Aylva de interessante vrouw
Hélène de Vicq die in haar salon de marionettendrama’s van Maeterlinck leest.
Zij vraagt
[8] hem wat hij vindt van zijn poppenkaststukken La mort de
Tintagiles en Palomides et Alladine (1894), namen die in zijn oren
klinken als ‘klokjes’. Daarna volgt een speciaal moment. ‘En hij verwonderde
zich over de vreemde verwantschap, ineensmelting van harmonie, van die namen uit
wreede sprookjes met het timbre van hare stem of ze waren éene zelfde muziek, of
ze klonken uit één zelfde leven.’
[9] Vervolgens heeft hij een ‘sensatie’, een beladen begrip in
die dagen. Hij heeft het gevoel dat alles samensmelt. ‘Het was alles één waas,
en er waren nauwelijks ommelijnen, kleuren of klanken: het was alles een, eene
samenvloeiïng van wat de menschen noemen apart (…).’ Het lijkt hier om een
religieus gekleurde extase te gaan. Hugo heeft ook de neiging te gaan bidden.
Wanneer de vrouw hem iets vraagt, hoort hij haar niet. Wel volgt er een
bijzondere stilte, de stilte waar ook Maeterlinck over schrijft. ‘Toen was er
eene stilte, en het groote Eene dreef als een wolk op in de stille
kameratmosfeer (…).’
[10]
De sprookjesnamen klinken als klokjes en
telkens hoort hij ze weer. Kennelijk heeft het literaire werk van Maeterlinck
een bijzonder effect op de schrijver. Het geklingel van klokjes komen we
overigens ook tegen in de door Bastet duidelijk als minder geslaagd beschouwde
novelle Over lichtende drempels. Hij spreekt van een ‘bui van artistieke
dwaling’. In de novelle wordt het leven van een vrouw na de dood beschreven.
‘Eventuele invloed van Maeterlinck heeft hier,’ zo schrijft Bastet, ‘tot een
twijfelachtig resultaat geleid.’
[11] Ik onderschrijf het oordeel van Bastet over deze novelle,
maar dat betekent niet dat de sporen van Maeterlinck in andere werken van
Couperus ook voor twijfelachtig proza hebben gezorgd. Integendeel.
Nieuwe mystiek
De auteur Maeterlinck kan beter begrepen worden tegen de achtergrond van de
nieuwe mystiek die de literatuur rond 1900 kenmerkt. Lange tijd is er in de
literatuurgeschiedschrijving nauwelijks aandacht aan besteed. Maar wie de
literatuur en de literaire kritiek van het fin de siècle bestudeert, komt met
grote regelmaat opmerkingen tegen over deze nieuwe richting. Men spreekt over
een nieuw-mystieke
7
mode in de literatuur.
[12] Ook bij een auteur als Couperus, maar zeker niet alleen
bij hem. Te denken valt ook aan Van Eeden, Van Deyssel en Henriette Roland
Holst, om slechts enkele nu nog bekende namen te noemen.
In een tijd waarin de natuurwetenschappen grote vorderingen
maken, een auteur als Zola zijn nieuwe wetenschappelijke theorie van de roman
propageert, de kerken leeglopen en mensen hun geloof verliezen, ontstaat er al
snel een tegenbeweging. Een criticus schrijft in 1899:
de menschheid heeft aan niets zoo zeer behoefte (…) als aan een groot, sterkmakend, bezielend geloof. Dat geloof is velen ontvallen; ten minste de uiterlijke vorm er van (...) En het groote misverstand onzer eeuw is geweest, dat men een versleten formuleering heeft gehouden voor een versleten geloof. (…) Onze tijd heeft aan [profeten] niet minder behoefte dan voorgaande eeuwen. [13]
Een andere criticus schrijft in 1900: ‘Want het westen, dat meende in zijn materialisme te zegevieren, gaat al meer en meer, in onze dagen, de leegte voelen van zijn hemelen.’ [14]
8
En dat is precies wat de nieuwe mystiek biedt. Het gaat om een legering
van de verschillende wereldgodsdiensten aangevuld met een beetje spiritisme, wat
theosofie, dát weer gemengd met letterkundige en filosofische ideeën. Dit alles
vaak weer voorzien van een middeleeuws accent en wat estheticisme of zelfs
decadentisme. Vaag en breed is de stroming zeker, een term als ‘de nieuwe
zweverigheid’ zou ook mooi passen, maar toch is het als literaire en artistieke
beweging tegen de wetenschappelijkheid en de op de werkelijkheid gerichte
benadering in de literatuur uit die dagen een significant verschijnsel.
In 1900 verschijnt er een studie van H.M. van Nes, De
nieuwe mystiek, waarin hij een vrij heldere omschrijving geeft van de
stroming.
[15] Men spreekt van nieuwe mystiek om deze richting te
onderscheiden van de middeleeuwse mystiek die vroom is en op de eenwording met
God gericht. De nieuwe mystiek is meer artistiek georiënteerd en heeft niets te
maken met het traditionele geloof. Mystiek is volgens Van Nes het geheel van
pogingen van tijdgenoten om in contact te komen met een hogere werkelijkheid.
Honderd-en-een ‘petites religions’ staan in de belangstelling. Esoterie is
hot. De nieuwe mystiek is een stroming die zich door het gehele geestesleven
manifesteert, maar zich vooral in de letterkunde laat zien. Maar de beeldende
kunst laat zich zeker ook niet onbetuigd. Te denken valt bijvoorbeeld aan het
werk van Toorop of Thorn Pricker. Als vertegenwoordigers van deze stromingen in
de letterkunde noemt Van Nes natuurlijk Maeterlinck, maar ook de Russische
wereldverbeteraar Tolstoj (de schrijver van Oorlog en vrede die rond 1900
ook heel andere boeken schreef), bijgenaamd ‘de mystieke graaf’, en Ibsen, de
beroemde Noorse toneelschrijver. In Nederland vindt hij Couperus en Van Eeden
goede voorbeelden.
Maar daarnaast speelde ook de componist Richard Wagner
(1813-1883) een belangrijke rol. Hij was aan het eind van de negentiende eeuw,
en ook daarna, een cultfiguur die met zijn opera’s onder meer de middeleeuwen
liet herleven. Telkens speelde hij weer een andere rol. In het fin de siècle, de
jaren negentig, zag men hem vooral in samenhang met symbolisme, mystiek,
decadentisme en gemeenschapskunst. Ook Wagners Gesammtkunstwerk, de
samenwerking van verschillende kunsten zoals dat in de opera gebeurt, was rond
1900 in de mode.
9
Wagner had grote invloed op enkele sleutelfiguren van de nieuwe mystiek.
De excentrieke kunstenaar Sâr Péladan richtte onder invloed van Wagner
bijvoorbeeld maar liefst drie ordes op: de Orde van de Graal, de Tempelorde en
de Rozekruizers, een orde die populair was onder kunstenaars. Als een moderne
tovenaar, met lange baard, tovenaarsjas en puntmuts op hield Sâr Péladan in het
fin de siècle een tournee, ook door Nederland. Wagner was ook in Nederland een
belangrijke figuur. In het werk van Couperus komen we hem dan ook tegen. In zijn
prozadebuut Eline Vere en in een van zijn laatste verhalen, ‘De binocle’,
duikt Wagners operamuziek bijvoorbeeld op. Zijn muziek speelt ook een
belangrijke rol in De stille kracht en De boeken der kleine zielen.
Ik kom hier later nog op terug.
Moderne middeleeuwer
Maeterlinck is na Tolstoj en Ibsen de derde buitenlandse auteur die als een
sleutelfiguur in de nieuwe mystiek gezien kan worden. Hij wordt de ‘moderne
middeleeuwer’ genoemd, de ‘apostel van het mysticisme’ en de ‘Belgische
Shakespeare’. Hij was een Belgische schrijver uit Gent (1862-1949), een Vlaming
die in het Frans schreef en die aan het eind van de negentiende en het begin van
de twintigste eeuw buitengewoon geliefd was in West-Europa. Ook in Nederland,
waar hij zo populair was als vandaag de dag een popster. In 1911 ontving
Maeterlinck de Nobelprijs voor literatuur.
Maeterlinck groeide op in de Gentse upperclass, hij studeerde
rechten, maar was al vroeg geïnteresseerd in literatuur. Via het werk van J.-K.
Huysmans A rebours (1884) – vertaald onder de titel Tegen de keer
en beter bekend als de ‘Bijbel der decadenten’
[16]
– leerde hij het werk van de middeleeuwse mysticus Ruusbroec kennen. Ruusbroec
inspireerde hem mateloos. In 1891 vertaalde Maeterlinck zijn werk Die
chierheit der gheestelijke bruilocht in het Frans. In Parijs ontmoette
Maeterlinck ook Villiers de L’Isle Adam, die destijds bekend stond als een
Wagner-fanaat die gruwelijke sprookjes publiceerde (bijvoorbeeld de Contes
cruels, 1883).
Maeterlinck debuteerde in 1889 met de dichtbundel
Serres chaudes, letterlijk vertaald: warme kassen, een bundel broeierige
symbolistische poëzie met een middeleeuws-religieuze inslag. In kassen wordt op
kunstmatige manier iets gekweekt in een afgesloten wereld; de temperatuur is er
hoger dan erbuiten. Maeterlinck keert zich af van de realiteit. Hoewel zijn
poëzie ongetwijfeld een belangrijke rol heeft gespeeld, bijvoorbeeld in de
verspreiding van het symbolisme, was het zijn toneelwerk dat hem werkelijk
beroemd maakte. La princesse Maleine
was voor Mirbeau aanleiding Maeterlinck te bombarderen tot de ‘Belgische
Shakespeare’,
[17] iets wat velen hem hebben nagezegd. Maeterlincks ster
steeg snel, ook in Nederland. In 1891 werd zijn werk enthousiast besproken in
De Gids.
[18]
Ook zijn toneelstuk Pelléas en Mélisande, in 1902 tot opera bewerkt door
Debussy, werd zeer populair.
Maeterlincks toneelstukken zijn sprookjesachtig. Prinsen en
prinsessen bevolken de werken; er is nauwelijks sprake van actie, des te meer
van suggestie. Vaak heerst er een angstige, dreigende sfeer. De personen lijken
nauwelijks op
10
echt levende mensen. Ze zijn geheel passief en spreken een soort
geheimtaal. Meestal speelt de dreiging van de dood een belangrijke rol. Ook
vergeestelijkte of platonische liefde wordt gethematiseerd.
De dialogen zijn bijzonder omdat de personages bijna niets
zeggen, ze stamelen uiterst korte zinnetjes vol uitroepen die voortdurend worden
herhaald. Puntjes moeten de stiltes tussen de woorden en de geheimzinnigheid
benadrukken. In de stilte openbaart zich het ware leven, meent Maeterlinck. Het
gaat hier om de ‘dialogue du second degré’, de dialoog van de tweede graad.
Tweespalt
Belangrijk is ook dat Maeterlinck naast zijn poëzie en toneelwerk, essaybundels
heeft geschreven waarin hij zijn ideeën op heldere wijze verwoordt. Le trésor
des humbles (De schat des harten, 1896) werd al snel vertaald in het
Nederlands en vaak herdrukt (eerste vertaling 1897, herdrukken in 1899, 1903 en
1911). Daarin staan hoofdstukken over de stilte, het zwijgen dat belangrijker is
dan spreken. Ook bevat de bundel opstellen over de filosofie van figuren als
Emerson, waar in de Couperus-studie al vrij veel mee gedaan is.
[19] Via Maeterlinck werd Emerson ook veel breder bekend in
het fin de siècle. Daarnaast bevat de bundel stukken over Novalis, en de
middeleeuwse mysticus Ruusbroec.
Ook de middeleeuwen stonden rond de eeuwwisseling opnieuw in
de belangstelling en niet alleen in Nederland. Maeterlinck, die men beschouwde
als een moderne middeleeuwer, speelde hier op in, maar ook Wagner, die met zijn
graal, zijn Tristan en Isolde de middeleeuwen buitengewoon geliefd
maakte.
In zijn bundel De schat des harten definieert
Maeterlinck de nieuwe mystiek als een mengsel van verschillende stromingen:
middeleeuwse mystiek, neoplatonisme, occultisme, theosofie, spiritisme en een
beetje christendom. Maeterlinck gaat ervan uit dat er tussen de mensen allerlei
geheimzinnige betrekkingen bestaan. Het noodlot treedt bij hem op als een bijna
tastbare macht. Alles draait om het zielenleven. Vrouwen zijn voor hem wezens
van een hogere soort. Ze hebben net als jonge kinderen een ‘schonere’ ziel dan
mannen. Aan hen openbaart het mysterie zich dan ook sneller en beter. Mede door
de heldere en toegankelijke taal in zijn opstellenbundels kan Maeterlincks rol
bij de verspreiding van het nieuw-mystieke gedachtegoed moeilijk onderschat
worden.
Wie de indruk heeft dat Maeterlinck zelf leefde als een
vergeestelijkte middeleeuwse monnik, vergist zich. De Belg hield er juist een
uiterst fysieke en moderne levensstijl op na. En dat was in die tijd, anders dan
vandaag nu iedereen een abonnement op een fitnessclub schijnt te hebben, vrij
ongebruikelijk. Maeterlinck deed bijvoorbeeld aan boksen maar ook aan kanovaren,
gewichtheffen en fietsen, in die tijd een vrij nieuwe tak van sport, zoals we al
zagen. Hij was ook dol op auto’s, iets wat men ook niet direct verwacht van een
mysticus. Verder had de mystieke Maeterlinck nog een andere aardse kant. Hij
hield van mooie vrouwen. Na een wilde jeugd had hij eerst twintig jaar een
relatie met de destijds beroemde zangeres en toneelspeelster Georgette Leblanc.
Weer later, in 1919, trouwde hij met een jonge actrice, Renée Dahon. Hij
verplaatste zich in zijn huis, een gigantisch middeleeuws klooster, per
rolschaats. Hoe dan ook, de mysticus had ook een ander, aards gezicht. En deze
tweespalt tussen het aardse en het hemelse speelt ook een rol in het werk van
Couperus en andere auteurs als Van Eeden en Borel. Criticus Van Nouhuys spreekt
in 1900 in dit verband over ‘sensueel platonisme’.
11
Ontaarding
De nieuwe mystiek stond rond 1900 in binnen- en buitenland in de belangstelling.
Opmerkelijk is dat deze richting door de beruchte figuur Max Nordau in een
uiterst negatief licht wordt geplaatst. In zijn geruchtmakende boek Entartung,
in 1893 in het Nederlands vertaald als Ontaarding, stelt hij dat de
moderne kunstenaar ziek is en ontaard. Mystiek is volgens Nordau een van de
belangrijkste symptomen van ontaarding en hysterie. Volgens Nordau is het
mysticisme een geestestoestand waarin men tussen de verschijnselen allerlei
geheimzinnige en onverklaarbare betrekkingen meent waar te nemen of te voorzien.
Mystici zien, in tegenstelling tot gewone gezonde mensen, in alles iets
geheimzinnigs of verborgens, zo stelt Nordau. Hij ziet de kunst van de
preraphaëlieten, de symbolisten, het tolstoïsme en de Wagner-verering als
verwerpelijk mysticisme. Sâr Péladan, de wagneriaan die met puntmuts en
tovenaarsjas in de jaren negentig Nederland bezocht, wordt bij de ‘parodievormen
der mystiek’ behandeld. Maar het toppunt van nepmystiek is volgens Nordau wel
Maeterlinck.
Hoewel de publicaties van Nordau door de latere
ontwikkelingen in nazi-Duitsland uiteraard zeer discutabel zijn, wordt hier dus
een interessante link gelegd tussen mystiek, ziekte, Wagner en het decadentisme.
Het laat zien dat deze begrippen, hoewel bepaald niet altijd helemaal precies
gedefinieerd, vaak door elkaar lopen en in ieder geval met elkaar in verband
gebracht worden.
Vertaler Maurits Smit haalt in een noot nog uit naar
Couperus. ‘Algemene Zenuwuitputting is de verklaring van de populariteit van
Tolstoj,’ zo meldt Nordau in zijn boek. Vertaler Maurits Smit voegt daaraan toe,
sprekend over Extaze van Couperus:
Op die grond laat zich ook verklaren het tegenwoordige succes van de ziekelijke geschriften van Couperus. De geschriften van Couperus konden alleen voortgebracht worden in een tijd, waarin de heerschende zedelijke temperatuur, van de omgeving die is van verfijnde overgevoeligheid, van zwevende adspiraties, van een weeke en dromende ziel, van vage verlangens en mystische gedachten. [20]
In hogere sferen
In het werk van Couperus zijn veel sporen van Maeterlinck en de mystiek
aanwijsbaar. In
Metamorfoze (1897) hebben we al wat directe aanwijzingen kunnen zien.
Zijn naam viel
12
verschillende keren in verband met zijn marionettenspelen, en
veroorzaakte een soort extase-ervaring toen Aylva de hoofdpersoon en madame de
Vicq een gesprek begonnen over het werk van Maeterlinck. Hoe staat het in de
andere werken? Worden ze met mystiek en/of met Maeterlinck in verband gebracht
door de kritiek? Of kunnen we zelf sporen van Maeterlinck in zijn werk vinden?
Ik zal een korte blik werpen op zijn romans Extaze,
Psyche en
Fidessa, De stille kracht, De boeken der kleine zielen en
tot slot Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... Bijna al deze
werken worden door de kritiek mystiek genoemd. Hoewel het discutabel is, dringen
zich hier en daar ook parallellen op tussen personages bij Couperus en de figuur
van de immens populaire Maeterlinck zelf, met zijn dubbelnatuur – die van
sportman en mysticus. In een aantal gevallen worden Maeterlinckse elementen
gecombineerd met de muziek van Wagner. Daar zal ik dan even kort bij stil staan.
1892, het jaar waarin Extaze verschijnt, is ook het
jaar waarin de mystiek goed doorbreekt in Nederland. In datzelfde jaar wordt
bijvoorbeeld Maeterlincks toneelstuk
Pelléas en Mélisande jubelend ontvangen in Nederland en verschijnt de
mystieke roman Johannes Viator van Van Eeden. Een jaar later verschijnt
de mystieke poëzie van Henriette Roland Holst in De nieuwe gids.
In Extaze, Een boek van geluk, staat het
conflict tussen ziel en zinnen centraal: het boek beschrijft de ‘reine
zielenliefde’ tussen de jonge weduwe Cecile en de vrijgezel Quaerts. Cecile is
een gevoelige jonge vrouw die af en toe déjà vu’s heeft. Quaerts voelt zich
enerzijds een sportman en een manbeest, die zo nu en dan een weekendje naar
België moet om uit te razen en zijn lusten bot te vieren. Tegelijkertijd is hij
iemand met een reine ziel. Cecile verlangt ook naar aardse liefde, maar Quaerts,
in wiens borst twee zielen huizen, ziet in haar alleen de madonna – niet te
verwarren met onze huidige popster. Op een avond hebben ze samen een mystieke
ervaring. In een moment van extase vinden ze elkaar in hogere sferen. Van aardse
liefde kan tot verdriet van Cecile geen sprake zijn en zo eindigt het boek.
Veel critici vinden de personages in Extaze ziekelijk.
Het is opmerkelijk dat de kritiek slecht kan tegen ‘plat realisme’ en expliciete
seksualiteit, maar niet minder hinderlijk, zo formuleert De Nederlandsche
Spectator, is:
(…) de precieuse ziekelijke kunst, zooals we die nu weder leerden kennen uit Couperus Exstase [sic]. (…) de verregaande ziekelijkheid van Couperus’ schets, doet haken naar iets dat natuur verraadt in fysiek-gezonde menschen als Quaerts en Cecile. In ‘s Hemels naam, dan had het maar wat ruw moeten uitvallen. Alles liever dan dit gekwezel, alleen geschikt om overspannen vrouwtjes en meisjes volmaakt krankzinnig te maken. [21]
Niet alle critici zijn overigens negatief. Schrijfster Cornélie Huygens is lovend en ook Lodewijk van Deyssel bewondert Extaze. Hij vindt het prachtig omdat het boek volgens hem past in het sensitivisme, in zijn ogen dé Nederlandse literaire stroming van de toekomst, het moment waarop ‘de mensch zijne ziel voelt leven, het ontijdelijke, bovenzintuigelijke in hem bewust voelt worden’. [22] Wat vinden we hier nu terug van Maeterlinck? Emerson, een figuur die Maeterlinck propageert in zijn bundel essays, is duidelijk aanwezig, zoals Klein heeft laten zien. Letterlijk als geliefd boek, maar ook in de thematiek. Opmerkelijk is dat in deze roman zich ook een parallel tussen Quaerts en de biografische figuur van Maeterlinck opdringt.
13
De man die enerzijds een van het leven afgewende mysticus is en aan de
andere kant een sportman die ook van vrouwen houdt. Quaerts zegt hierover: ‘Ik
ben een man van beweging. Ik voel altijd drang naar beweging in me. Ik troost me
nu maar met veel sport.’
[23] Cecile houdt daar niet van. Later staat er: ‘Zij voelde
reeds, dat achter dien sportman een ander school, dien zij zocht te kennen.’
[24] En: ‘Hij had daar regelmatig behoefte aan, aan een leven
van sport en woest plezier; het hield hem in evenwicht met het andere (…).’
[25]
Metamorfoze hebben we al bekeken,
met de letterlijke aanhaling van Maeterlincks poppenspelen. Interessant is dat
de kritiek juist de mystieke passages in het werk mooi vindt. Prachtig vindt men
het mysterie der stilte beschreven : ‘(…) hier straalt de diamant in haar
montuur van goud,’ meldt De Nederlandsche Spectator. De criticus noemt
het een ‘mystisch’ boek, ‘hoog en rein gedacht, exquise kunst, wel ragfijn en
teer, maar hecht, kunst voor alle tijden, wortelend in het diep van het
geestelijk bestaan, in het ideale. (…) Daar zit mystiek in Metamorfoze’.
[26] Ook voor
De Amsterdammer is de episode met Madame de Vicq het mooiste; de passage
waarin Maeterlinck aan bod komt. Couperus oogst dus succes met zijn verwijzingen
naar de auteur.
[27]
‘Ben je doof, Fidessa?’
In 1898 en 1899 verschijnen er twee sprookjes van Couperus, Psyche en
Fidessa, die ook in de traditie van Maeterlinck geplaatst kunnen worden. De
figuren vinden hun geluk in een leven na de dood. Sprookjes waren in het fin de
siècle natuurlijk al geliefd, zoals al was gebleken uit de zeer populaire De
kleine Johannes van Frederik van Eeden uit 1885, maar de sprookjes van
Maeterlinck ademen toch een andere, middeleeuwse sfeer. Ook hier ziet de kritiek
een relatie met Maeterlinck. Volgens schrijver en criticus I. Querido is
Psyche weliswaar mystiek, maar het gaat om een ‘geheel op niets steunend
metaphysiekje.’
[28] Ook hier is er weer bezwaar tegen de zogenaamde kuisheid
van de zinnelijke Psyche. Het tijdschrift Nederland legt een verband met
Maeterlinck en Ibsen.
[29]
Querido ziet ook in de dialogen van Fidessa overeenkomsten met
Maeterlinck, een auteur die hij overigens belachelijk vindt. Zo schrijft
Querido:
Nu zweeft een Maeterlincksche schim voor de nevelen van Couperus’ wereldbeschouwing.
‘- Dat kan mijn doel niet zijn Fidessa!’
‘- Je doel?’ ‘-
Niet mijn levensdoel…’
‘- Doel van je leven…?’
Drommels ja! hoor je dan niet, ben je doof Fidessa, zou je willen roepen. Maar ach, hoe ruw zou je dan ’t teere weefsel van dit geheimzinnig zacht kruisgevraagd stukscheuren… [30]
Andere critici zijn minder venijnig, maar deze recensie laat wel zien dat die
Maeterlinckachtige elementen bij Couperus werden waargenomen door contemporaine
critici.
Ook De stille kracht (1900) zit vol echo’s van
Maeterlinck, al benoemt de kritiek ze niet expliciet. Wel wordt het boek mystiek
genoemd. Dat is niet zo gek, temeer daar het woord mystiek vele malen valt in de
roman. Ook de titel verwijst er al naar. Dit keer gaat het om Indische mystiek.
Van Deyssel is bepaald niet enthousiast en spreekt van een ‘would be
geheimzinnig en would be mystiek’ boek, net als Langs lijnen van
14
geleidelijkheid dat ook in 1900 verschijnt.
[31] Maar op
sommige andere critici maakt het boek grote indruk. Vooral de mystieke ziel van
de oosterling vindt men mooi. De spookeffecten doen het wat minder.
In De stille kracht - het verhaal is bekend -
beschrijft Couperus de geschiedenis van een krachtige bestuursambtenaar in
Nederlands-Indië, resident Van Oudijck, die uiteindelijk ten onder gaat door de
stille kracht. De beschrijving van spiritistische seances, tafeldans en
geheimzinnig werkende krachten voegt er een extra, mystieke dimensie aan toe.
Maar Couperus veroorzaakt ook een schandaal omdat hij in zijn roman een echte
femme fatale laat optreden, de mooie en sensuele Léonie van Oudijck voor wie
geen man veilig is. De Nederlandsche Spectator schrijft over haar: ‘Voor
de theetafel is Léonie misschien te exotisch, maar overdreven is dit type niet.’
[32] De
katholieke Schaepman denkt daar heel anders over. Voor hem is het duidelijk dat
het hier toch gaat om ‘pornographie’.
[33]
De mystiek van het oosten komt regelmatig aan
bod in de roman. Ook onverklaarbare zaken als sirihspuwen en stenenregens. De
scène waarin de badende Léonie bespuwd wordt door rode sirih uit onzichtbare
monden zou zeventig jaar later, in een tv-bewerking van De stille kracht,
in de vertolking van een poedelnaakte Pleuni Touw, nog steeds opzien baren. Veel
in de roman is spookachtig en het zijn vooral die elementen die aan Maeterlinck
doen denken. Voortdurend komt het ‘mysterie aandonzen’. Er hangen dode
kinderzieltjes aan de bomen die een naargeestig gehuil laten horen. Ook duikt er
regelmatig een spookachtige witte hadji op. Net als bij Maeterlinck spelen
angsten en geheimzinnigheid een belangrijke rol. Al op de eerste bladzijde van
de roman van Couperus wordt ook een sfeer van angst gecreëerd. ‘De huizen,
zonder geluid, doken weg, doodstil in het loover van hunne tuinen (…).’ (p.5)
Wanneer de resident in sombere stemming, (p.8) naar de zee loopt, staat er ‘die
groote stevige man, praktisch, koel van denken (…), voelde misschien niet die
donkere geheimzinnigheid drijven over de Indische avondstad ‘(…) .(p.9) Hij
ademt de frisheid en de weemoed van de zee in, ‘(...) de weemoed, die aanruischt
van verre als op suizende wieken van geheimzinnigheid.’ (p.10)
Maeterlinck schreef, zoals we gezien hebben, ook een stuk
voor poppenkastpoppen en zijn toneelfiguren hebben daar ook wat van weg. In
De stille kracht past de beschrijving van de Javaanse regent goed in dit
stramien. Naar Maeterlinks model wordt hij steevast beschreven als bewegingloos,
als een soort wajangpop. De gestileerde strakheid van zijn optreden herinnert
aan zijn marionetten. Ook een enkele dialoog in de roman doet denken aan de
teksten van Maeterlinck.
Interessant is wel dat hier in deze roman opnieuw Wagner een
rol speelt… en dat in de tropen! Wanneer Eva, een van de personages die het
westerse estheticisme vertegenwoordigt in de roman, bevangen wordt door
melancholie en spleen, speelt ze Wagner. Een onheilspellend onweer knalt door de
muziek.
Dreigende stormen
Hetzelfde geldt voor De boeken der kleine zielen. De vierdelige roman die
aan het begin van de twintigste eeuw verschijnt, lijkt op Zola’s romanreeks
geïnspireerd, maar ook hier zien we sporen, al direct in de titel, van
Maeterlinck en Wagner. De ‘zielenschemering’ – de titel van het derde deel –
bijvoorbeeld wijst op Wagner. En de ‘kleine zielen’ duiden niet alleen op
kleinzieligheid, maar ook op kleine zielen in de meer letterlijke, Maeterlinckse
zin.
15
Het eerste boek, De kleine zielen, begint met de terugkeer van
Constance, de centrale figuur in het boek, bij haar familie in Den Haag na
vijftien jaar. Constance had op jonge leeftijd een goed huwelijk gedaan met een
veel oudere diplomaat. Maar na een affaire met een jonge diplomaat moest ze
scheiden en is ze met Henri van der Welcke hertrouwd. Het resultaat was een
zoon: Addy, een opgebroken carrière en een slecht huwelijk. Zoon Addy gedraagt
zich, ondanks zijn jonge leeftijd, als een soort coach en bemiddelaar tussen de
ouders. Hij is een bijzonder kind dat veel wijzer is dan de ouderen. En hiermee
hebben we opnieuw te maken met een Maeterlincks gegeven: het kind als wijze.
Zeker wanneer hij zich later in de roman ook nog ontpopt als een soort ziener,
een magnetiseur, een arts die geneest door hypnose, past hij in een mystieke
context. Een echo van de aardse Maeterlinck zien we met een beetje goede wil
terug in de man van Constance, Henri, die bezeten is van fietsen en dol is op
auto’s.
De terugkeer van Constance bij haar familie valt tegen.
Wekelijks zijn er familiebijeenkomsten bij de oude moeder. Constance ziet de
familie als een soort mystieke eenheid. Maar al snel blijkt dat er onder de
broers en zussen veel haat en nijd is. De kleinzieligheid regeert. Het eerste
boek eindigt in een ruzie waarbij Constance naar het zuiden vertrekt. Constance
voelt zich in de roman af en toe een indringer, een directe referentie aan het
gelijknamige toneelstuk van Maeterlinck.
In het tweede boek, Het late leven, ontdekt Constance
dat haar ziel ook op latere leeftijd - ze is begin veertig - nog tot bloei kan
komen. Er ontvouwt zich een mooie - uiteraard geestelijke - liefde tussen haar
en de idealist Brauws die lezingen houdt en haar inspireert. Parallel daaraan is
er sprake van liefde tussen nichtje Marianne en Henri. Even heeft Constance de
illusie dat het iets moois kan worden tussen hen allemaal. Maar als blijkt dat
Henri op advies van zoon Addy niet wil scheiden, gaat het feest niet door. Dat
is een zware tegenvaller, maar toch blijft Constance blij met de illusie die ze
een tijd heeft kunnen koesteren. Maeterlinck is in dit deel, Het late leven,
vooral aanwezig in de dreigende stormen die waaien om het huis. Uiteraard ook
door het accent op het leven van de ziel die kan groeien en bloeien.
Intussen blijken er langzaam maar zeker steeds meer barstjes
door de familie te lopen. In elk gezin gaat iets mis. Aan iedereen mankeert wel
iets. Wanneer Bertha, getrouwd met de minister, opeens weduwe wordt, blijft ze
bijvoorbeeld achter met een grote schuldenlast. Haar dochter loopt weg bij haar
man en vertrekt met haar broer naar Parijs. Een broer van Constance, Ernst, is
gek: hij denkt dat er zielen zitten in zijn vazen. Uiteraard horen we hier weer
echo’s van Maeterlinck. Een andere broer, Paul, de estheet, heeft last van
smetvrees. Gerrit, weer een andere broer, de militair die aanvankelijk vrolijk
lijkt, schiet zich uiteindelijk een kogel door het hoofd. Moeder wordt langzaam
seniel. Addy, die een gezonde vrouw trouwt uit een lagere klasse om de familie
zo fris bloed te geven, besluit in het laatste deel van haar te scheiden omdat
het huwelijk niets voorstelt.
In het laatste deel van de roman, wanneer de hele clan Den
Haag heeft verlaten en naar Driebergen is verhuisd, naar het huis van de
schoonouders van Constance, waart het spook van de calvinistische vader nog rond
door het huis. De scènes waarin de geheimzinnige donkere kelder onder het huis
centraal staat is een tafereeltje met een hoog Maeterlinck-gehalte. Criticus
W.G. van Nouhuys gaat hier in zijn recensie ook uitvoerig op in.
[34] En als
de moeder uiteindelijk sterft dan wordt de dood ook bijna tastbaar. Deze lijkt
een soort schim, net als bij Maeterlinck. Ook hier zien we weer een koppeling
met Wagner. Paul, de estheet en de man met smetvrees, speelt dan aan het slot
een fragment uit Wagner op de piano.
16
Ook Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan... (1906) bevat
veel Maeterlinckse elementen, zoals Ina Giard-Kramer
[35] en Mary
Kemperink hebben laten zien. De oude mensen die wachten op de dood, op de
verlossing uit het leven, doen onder meer denken aan de personages uit
Maeterlincks toneelstuk L‘Intruse (1890), de indringer. Het staren van de
oude Ottilie, haar glazige blik, herinnert aan de slaapwandelende figuren van
Maeterlinck. Temidden van de drukke familie vormt de stil wachtende oude vrouw
de passieve hoofdpersoon, net als dat bij Maeterlinck vaak het geval is. Op een
bepaald moment denkt ze de dood ook werkelijk te zien, net als de oude man in
De Indringer. Ook hier komen we weer de bekende Maeterlinckse dialogen
tegen.
Tot slot
Couperus’ verwerking van het nieuw mystieke gedachtegoed en in het bijzonder de
literatuur en ideeën van Maeterlinck, laat zien dat hij niet alleen een groot
schrijver is die vele latere generaties heeft weten te boeien, maar dat hij ook
een kind was van zijn tijd. Hij liftte mee op de populariteit van de
Nobelprijswinnaar zonder daarbij zijn eigen identiteit te verliezen. Couperus
maakte duidelijk zijn eigen verhalen met een geheel eigen inkleuring. Het
mystieke element in zijn literatuur, waarin veel meer actie zit dan in de werken
van Maeterlinck, is ook niet in alle gevallen zo opdringerig dat lezers er niet
omheen kunnen.
Couperus is ook los van mystieke interpretaties nog heel goed
leesbaar. Wel is het interessant dat - wanneer je een contemporaine bril opzet,
wanneer je probeert te kijken door de ogen van de lezer uit 1900 - er heel wat
mystiek en heel wat Maeterlinck in Couperus’ werk blijkt te zitten. Opvallend is
ook dat die mystiek vaak gekoppeld werd aan het idee van decadentie, ziekte en
verval. Dat geldt ook voor Wagner: rond 1900 is zijn naam en zijn muziek ook
verbonden met decadentisme en mystiek.
Lange tijd is gezegd dat de Nederlandse literatuur rond de
eeuwwisseling nauwelijks decadent te noemen is. Alleen De berg van licht
(1905-1906) van Couperus zou de eer in dat opzicht hooghouden. Maar wie het werk
van Couperus rond 1900 nauwkeurig bekijkt en de commentaren van tijdgenoten
erbij betrekt, ziet een heel ander verhaal. Via die mystiek, de fascinatie voor
het ‘ziekelijke’ en het verval, maar ook in die de wagneriaanse elementen komt
juist een decadent beeld naar voren. De stille kracht thematiseert de
neergang en past met de fatale vrouw Léonie ook goed in een decadente context.
De boeken der kleine zielen is het verhaal van het verval van een deftige
familie.
[36] Aan het
eind is er wel een sprankje hoop in de figuur van Addy, de nieuwe mens, maar er
zijn wel vier delen vol zachte decadentie aan voorafgegaan, al worden er
inderdaad geen orgieën en bacchanalen naar Romeinse stijl beschreven. Ik denk
dat het tijd is om het beeld van het Nederlandse fin de siècle enigszins bij te
stellen. Niet alleen Couperus’ werk,
[37] ook dat
van Van Eeden en van verschillende naturalistische auteurs bevat veel decadente
elementen, in de beschrijvingen of in de stijl ‘van ontbinding’, de écriture
artiste.
Ik begon mijn verhaal met de reislust van Couperus en zijn
verlangen grenzen te doorbreken. Misschien moeten we dat ook eens proberen in de
beschrijving van de Nederlandse literatuur van het fin de siècle, een beeld
waarin meer ruimte is voor decadentie en mystiek.
Deze tekst is een enigszins aangepaste versie van de lezing die Jacqueline Bel gaf op 2 april 2006 in de Waalse Kerk in Den Haag.
17| Noten | |
| 1. | Louis Couperus, De stille kracht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 17, p.213. |
| 2. | Zie Ton Anbeek, De naturalistische roman in Nederland. Amsterdam, 1982 en Jacqueline Bel, Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Proza en prozaopvattingen in Nederland 1885-1900. Amsterdam, 1993. |
| 3. | Louis Couperus, Metamorfoze. Volledige Werken Louis Couperus, deel 13, p.15. |
| 4. | Idem, p.17. |
| 5. | Idem, p.29. |
| 6. | Idem, p.66. |
| 7. | Idem, p.67. |
| 8. | Idem, p.112. |
| 9. | Idem, p.113. |
| 10. | Idem, p.114. |
| 11. | Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.270. |
| 12. | Zie Jacqueline Bel, Nederlandse literatuur in het fin de siècle. |
| 13. | W.G. van Nouhuys, ‘Lyrisch proza.’ In: De Nederlandsche Spectator 1899, p.243. |
| 14. | F.L, ‘Van de redactie. Couperus’ “Stille kracht”.’ In: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 1900, II, p.570. |
| 15. | H.M. van Nes, De nieuwe mystiek. Rotterdam, 1900. |
| 16. | Zie Jaap Goedegebuure, Decadentie en literatuur. Amsterdam, 1987. |
| 17. | In Le Figaro 1890, 24 augustus. |
| 18. | Anoniem, ‘Letterkundige kroniek. Maurice Maeterlinck.’ In: De Gids 1891, II, p.563-576. |
| 19. | Te denken valt aan studies van Maarten Klein, Noodlot en wederkeer. De betekenis van de filosofie in het werk van Couperus. Maastricht, 2000; Jan Fontijn, Leven in extase. Opstellen over mystiek en muziek, literatuur en decadentie rond 1900. Amsterdam, 1983 en Mary Kemperink, ‘Uit de toverdoos van Maeterlinck. Maeterlinck-sporen bij Couperus en andere Nederlandse fin de siècle-schrijvers.’ In: Elisabeth Leijnse en Hans Vandevoorde (red.), Maeterlinck in de Nederlanden. Speciaal nummer van Annales Fondation Maurice Maeterlinck 33 (2003), p.155-185. |
| 20. | Geciteerd in: Jacqueline Bel, Nederlandse literatuur in het fin de siècle, p.117. |
| 21. | Flanor, [recensie van Extaze]. In: De Nederlandsche Spectator 1892, 9 januari, p.16-17. |
| 22. | L. van Deyssel, ‘Over Louis Couperus.’ In: Tweemaandelijksch Tijdschrift 1 (1895), nr.4, p.16. |
| 23. | Louis Couperus, Extaze. Volledige Werken Louis Couperus, deel 5, p.22. |
| 24. | Idem, p.41. |
| 25. | Idem, p.65. |
| 26. | Wolfgang [van der Mey], ‘Burgerjongen of artiest?’ In: De Nederlandsche Spectator 1897, 25 december, p.420. |
| 27. | Anoniem, [recensie van Metamorfoze]. In: De Amsterdammer nr.1041 (1897, 6 juni), p.4. |
| 28. | I. Querido, [recensie van Psyche]. In: De Jonge Gids 1898, nr.2, p.958. |
| 29. | Anoniem, [recensie van Psyche]. In: Nederland 1898, III, p.495. |
| 30. | I. Querido, Couperus fantasmagorist? In: Nederland 1900, p.345. |
| 31. | Anoniem [= Lodewijk van Deyssel], [recensie van Langs lijnen van geleidelijkheid]. In: Tweemaandelijksch Tijdschrift 1901, nr.7, p.315-321. |
| 32. | Wolfgang [van der Mey], ‘Stille Krachten.’ In: De Nederlandsche Spectator 1901, 12 januari, p.15. |
| 33. | H.J.A.M. Schaepman, ‘Donzen.’ In: Chronica over Staatkunde en Letteren. Eerste reeks. Utrecht, 1901, p.14-15. |
| 34. | W.G. van Nouhuys, Nederlandsche Belletrie 1901-1903. Amsterdam, 1904, p.245-246. |
| 35. | Ina Giard-Kramer, ‘Maurice Maeterlinck bij Louis Couperus. Waart de schim van Maeterlinck door Couperus’ Psyche?’ In: Literatuur 12 (1995), nr.3, p.159-165. |
| 36. | Zie ‘Het zit in de familie. Couperus’ Boeken der kleine zielen.’ In: Jan Fontijn, Leven in extase. Opstellen over mystiek en muziek, literatuur en decadentie rond 1900. Amsterdam, 1983. |
| 37. | Zie Luc Dirikx, Louis Couperus en het decadentisme. Een thematologische confrontatie. Gent, 1993. |