Een geval van fictieve receptie van Majesteit
‘Al die sjieke prinsen en keizers die je en jou tegen mekaar zeggen…’

In een eerdere aflevering van Arabesken duikelde Sander Bink een obscure roman op, waarin Couperus figureert als literair personage. Het was een weinig vleiend portret van de auteur als een al te precieuze, verwijfde aansteller – precies zoals de goegemeente hem dikwijls zag. Maar ook zijn werk werd door romanpersonages gelezen en bekritiseerd.

Door Sander Bink

Van Couperus’ zogenaamde koningsromans (Majesteit, Wereldvrede en Hooge Troeven) kan gerust gesteld worden dat deze tegenwoordig tot een minder gewaardeerd deel van zijn oeuvre behoren. Dat zij bij verschijnen juist het meest gelezen werden, getuige de vele herdrukken en vertalingen, wordt wel eens aangevoerd als bewijs dat Couperus tijdens zijn leven onderschat of om de ‘verkeerde redenen’ gewaardeerd werd. De koningsromans waren immers maar pulp die alleen het grote publiek aansprak.
    Pulp of niet, om dit meer lichte deel van Couperus oeuvre hing destijds ook een aura van moeilijk en vreemd. Althans, wanneer men mag afgaan op een wat obscuur geval van ‘fictieve receptie’ van Majesteit. In de roman Het Liefdeleven van Leo Trelong van L. de Rooy van Heerlen (Valkhoff & Co. Amersfoort, z.j. [1905]) wil de titelheld zijn nogal ‘volkse’ geliefde enigszins vormen door middel van de juiste lectuur:

Waar was Majesteit, dat hij haar geleend had? Hij wou haar langzamerhand wennen aan betere lektuur, zoals hij reeds allerlei deed om haar te beschaven: vreemde woorden die ze verkeerd had uitgesproken, ekspres telkens zelf gebruikte, tot ze opeens uitviel:
- Hé, zeg jij katálogus? Ik zeg altijd katalógus,... zoals hij haar veel dingen verklaarde en vertelde op hun wandelingen.
Maar vaak bemerkte hij dat ze zijn uitleggingen schoolmeesterachtig-vervelend vond; dan zweeg hij, teleurgesteld, als een steile muur plots haar onverschilligheid wanhopig ziende oprijzen voor zijn ogen.
Waar was Majesteit nu? Hij zocht ‘t, maar vond het niet. Dáár op ’t tafeltje bij haar bed lagen kranten en boeken. Daaronder misschien? Hij vond niet Majesteit, maar wèl Helena of de gedenkschriften eener diep gevallene vrouw. Beroerd, zeker weer zo’n prul van juffrouw Witte. Wat ’n lektuur!’ (p.70)

Leo Trelong leest vervolgens een spannende passage uit deze spektakelschriften:

35

- Wat ’n sadisme, proestte hij uit.
- Waarom lach je zo? Ik vind dat boek niks gek, en jufrouw Witte ook niet. En ’t is tenminste niet zo gemeen als dàt, viel ze boos uit, wijzend op Majesteit. Daarin heb ik zulke gemene dingen gelezen, van die prins met een gravin. Die verplettert hem an ‘r blote borst. ’t Staat er net zo! En geloof jij nou dat al die sjieke prinsen en keizers en zo je en jou tegen mekaar zeggen? Dat kàn immers niet. Die praten toch niet as gewone mensen. En ze vloeken in dat boek! De keizer zegt tegen z’n zoon: verdomde jongen, lammeling… ’n Fijn boek, hoor! Ik moet er niks van hebben.
Hij glimlachte bij haar driftige tirade, trachtte toen nog even wat te zeggen ter verdediging en verklaring van Majesteit, maar ze luisterde niet meer. (p.74)

En zo wordt er nog wel meer moderne literatuur (Gorter, Van Looy, Aletrino) gelezen in Het Liefdeleven van Leo Trelong. Desondanks worden Leo en zijn geliefde uiteindelijk nog best gelukkig.
    L. de Rooy van Heerlen was het pseudoniem van Pieter Valkhoff (1875-1942). Onder dit pseudoniem had hij al eerder de novellebundel Droomliefde (Valkhoff & Co. Amersfoort, z.j. [1902]) laten verschijnen. Ondanks dat beide boeken heel niet onaardig zijn, heeft hij het er verder bij gelaten wat eigen scheppend werk betreft. Vooral is hij bekend geworden als bijzonder hoogleraar Fransche Letterkunde te Utrecht, in welke functie hij een groot aantal veelgelezen studies over dit onderwerp liet verschijnen. Couperus heeft hem echter nooit helemaal losgelaten. Zo was hij de eerste die de overeenkomst tussen De berg van licht en Lombards l’Agonie opmerkte (De Gids 100 (1936), dl. 1, p.357-372) en tevens een van de oprichters, in 1928, van het oorspronkelijke Couperus Genootschap.

(Uit: Arabesken 13 (2005), nr.25, p.34-35.)