Een reconstructie van een vergeefse zoektocht
De verloren brieven van Couperus aan vriend Wagenvoort

Maurits Wagenvoort (1859-1944)

In het Letterkundig Museum bevindt zich een aantal brieven van een zekere Dick Riegen aan zijn oom Maurits Wagenvoort. In een daarvan bedankt Riegen zijn oom voor een bijzonder cadeau: ‘prachtige brieven’ van Couperus. Waar zouden deze gebleven zijn? Het spoor leidt naar de Verenigde Staten, waar Riegen sinds 1947 woont.

Door Sander Bink

Dat er zo nu en dan nog steeds onbekende Couperiana, hoe klein ook, boven water komen is natuurlijk verheugend. Couperus stierf meer dan tachtig jaar geleden en allen die hem, hoe vaag ook, gekend hebben zullen reeds lang overleden zijn. [1] De banden die wij nu nog hebben met de wereld van Louis Couperus zijn ondertussen vanzelfsprekend uiterst indirect, maar leveren soms nog wel aanknopingspunten voor het speuren naar onbekende gegevens. Maar ook die banden verdwijnen.
    Zo prettig als het is om gegevens en documenten boven water te halen, zo frustrerend is het om vrijwel zeker te weten dat bepaald materiaal bestaan heeft, maar hoogstwaarschijnlijk verloren is gegaan. Eind 2004 schreef ik in De Parelduiker over een opgedoken briefje dat Couperus schreef tijdens de reis door Spanje die hij in 1913 samen met zijn vrouw en ‘Orlando’ maakte. [2] Het is een reis waarover weinig bekend is en het deed mij daarom deugd een onbekend detail toe te kunnen voegen aan de Couperusbiografie. Ik dacht aanvankelijk echter over meer dan één onbekend briefje te schrijven. Die hoop heb ik ondertussen zo goed als opgegeven. Maar het is misschien aardig om te weten waarop ik mijn verwachtingen baseerde.

In de schaduw van Couperus
Een van Couperus’ schaarse vrienden was de schrijver en journalist Maurits Wagenvoort (1859-1944). Hij is wel getypeerd als ‘een mislukte Couperus’ [3] en als een epigoon van de auteur. Volgens Jan Greshoff was er echter wel sprake van ‘literaire verwantschap’ en schreef Wagenvoort zijn werk ‘in de schaduw van Couperus’. [4] Een groots schrijver als Couperus was Wagenvoort zeker niet, maar Greshoff constateert ‘dat Wagenvoort gedurende zijn leven wellicht niet bewonderd, maar zeer zeker gewaardeerd werd. Men dweepte niet met hem als met Couperus, maar hij had een eigen kring van ernstige lezers.’ In een nogal inconsequente beschouwing over Wagenvoorts bijzondere roman Het koffiehuis met de roode buischjes (1916) schrijft Greshoff ‘dat enkel formeel beschouwd Wagenvoort wat zwaarder, ik zou zeggen solider schrijft dan Couperus, en toch ook wat eenvoudiger in weerwil van al het oneenvoudige dat ons telkens hindert. De stylistische ondeugden van Couperus aanvaarden wij toch vollediger en liefdevoller, dan het onaannemelijke zoals men dat bij Wagenvoort in overdaad ontdekt.’ [5] De eventuele artistieke of literaire waarde van Wagenvoort daargelaten: hij heeft in ieder geval enkele curieuze boeken op zijn naam staan. Behalve bovengenoemde roman

45
die over het Italiaans futurisme handelt en is opgedragen aan Marinetti, [6] schreef hij De droomers (1900) over anarchisme, mystiek en decadentie in het Parijs van het fin de siècle, en de toekomstroman Een huwelijk in het jaar 2020 (1923). [7] Hij vertaalde als eerste Walt Whitman in het Nederlands (Grashalmen, 1898). Daarnaast reisde hij als journalist de hele wereld rond en was hij niet alleen, samen met Couperus, in Florence getuige van het ontstaan van het futurisme, maar had hij ook contact met de artistieke voorhoede van een eerdere generatie in Parijs, waar hij rond 1889 ondermeer Le Chat Noir [8] bezocht. Daar sprak hij met de toen beroemde Francois Coppée over ‘den “ouden” Gids en De Nieuwe Gids, over mr. Van Hall en Van Deyssel, over Allard Pierson en Baudelaire, over Agar en den Eiffeltoren.’ [9] Hij was een redelijk interessante figuur dus. En nog homoseksueel ook.

Vriendschap
Binnen de Couperus-Forschung is Wagenvoort het bekendst als mogelijk model voor ‘vriend Jan’. Voor deze discussie en de voor- en tegenargumenten verwijs ik naar wat er hier en daar reeds over geschreven is. [10] Enkele voor zover mij bekend nog niet opgemerkte details kunnen echter nog aan deze discussie toegevoegd worden.
    Men heeft opgemerkt dat Wagenvoort ‘het wel zou weten’ als Couperus hem in zijn werk opvoerde: bekend is dat Wagenvoort nogal trots was op zijn vriendschap met de grote schrijver en niet naliet hier uiting aan te geven. Waarom rept Wagenvoort dan met geen woord over ‘vriend Jan’ in zijn autobiografie De vrijheidzoeker (1930)? Mogelijk uit discretie of respect voor een van Couperus’ beminnelijke geheimen? De mogelijk homoseksuele connotatie? Orlando? Of omdat een autobiografie nu eenmaal altijd een subjectieve selectie is uit eigen levensfeiten? Wagenvoort is in zijn autobiografie nu bepaald niet altijd even exact. Het boek is zelfs in de derde persoon geschreven! Maar we moeten ook rekening houden met de mogelijkheid dat hij gewoon echt alles heeft beschreven.
    In het ongeordende Wagenvoort-archief in het Letterkundig Museum bevindt zich een briefje dat Wagenvoort schreef aan Fred Batten die hem in 1931 vroeg om een bijdrage voor het speciale Couperus-nummer van het scholierenblad De Schakelaar. [11] Wagenvoort antwoordde:

Ofschoon uw verzoek van 14 dezen mij zeer aangenaam was en ik de bedoeling mijn gestorven vriend Louis Couperus te eren zelfs toejuich, kan ik er tot mijn grooten spijt geen gevolg aangeven. Indien het uw bedoeling kan dienen geef ik u echter volledige vrijheid om de passages uit mijn bij JM Meulenhoff te A’dam verschenen autobiografie, welke LC betreffen over te nemen. Ik wens u alle succes. [12]

Een ander antwoord van Wagenvoort is zover mij bekend helaas niet overgeleverd.
    Op 29 februari 1913 schreef H[enry?] Stratemeyer aan Wagenvoort: ‘In de laatste tijd krijgt Couperus ook op zijn gesoigneerden kop, voornamelijk om zijn “Herakles”. Hij doet zijn reputatie geen eer aan door die nooit eindigende feuilletons in ’t Vaderland.’ [13] Eventuele uitspraken van Wagenvoort over Couperus’ feuilletons zouden in deze context interessant kunnen zijn; in deze periode gingen Wagenvoort en de Couperussen in Florence immers veel met elkaar om. En dan nog dit detail: ‘Vriend Jan’ zou volgens Couperus een amateurschilder zijn. In het Letterkundig Museum staat een doos met

46
tekeningen van Wagenvoort waaruit blijkt dat hij inderdaad een niet onverdienstelijk tekenaar was; schilderijen van zijn hand zijn voor zover bekend echter niet overgeleverd.
    Hoe het ook zij: Couperus en Wagenvoort waren goed bevriend. Waarschijnlijk beter dan opgemaakt kan worden uit de ons overgeleverde documenten. ‘Er is in ieder geval geen andere, niet-zakelijke briefwisseling van hem bekend die zo’n lange tijd bestrijkt,’ schrijft Jan Robert bij de uitgave van de correspondentie Couperus- Wagenvoort: [14]

Deze brieven vormen, met een bewaard gebleven kladversie van een brief van Wagenvoort aan Couperus en een enkel optreden in elkaars werk, de enige overgebleven getuigenissen van hun contact. (…) Het staat niet vast dat de hier gepubliceerde brieven ook werkelijk alle brieven van Couperus aan Wagenvoort zijn, hoewel de bewaarde kaartjes uit 1895-96 aangeven dat Wagenvoort zelfs de geringste krabbel van Couperus koesterde. [15]

Ik durf te stellen dat er zeker meer brieven zijn geweest en de twee vrienden dus meer contact hebben gehad dan wij tot nu toe hebben kunnen reconstrueren.

Brieven
Medio 2003, tijdens de voorbereiding voor een artikeltje dat met Couperus en Wagenvoort geheel niets te doen had, ontdekte ik min of meer toevallig dat er nog iemand leek te leven die de laatste mogelijk goed gekend had. Interessant natuurlijk. Wie weet wat Wagenvoort hem allemaal verteld of geschreven zou kunnen hebben: over zijn bezoek aan Le Chat Noir, zijn kennismaking met Marinetti en Papini of Van Eeden, Kloos,Van Deyssel. En over Couperus natuurlijk...
    In het Letterkundig Museum bleek zich een vijftigtal brieven te bevinden die Dick Riegen (geboren 1915) tussen 1934 en 1942 aan Wagenvoort schreef. Uit de briefwisseling bleek dat Riegen een neef van Wagenvoort was. De brieven gaan naast de alledaagse familiepraat over Riegens jonge schrijfambities. Riegen vraagt zijn oom om raad en advies om het als schrijver te maken. Later zouden zijn ambities min of meer vervuld worden: onder het opvallende pseudoniem Hanno van Wagenvoorde publiceerde hij onder meer enige dichtbundels en theaterstukken. [16] Zelf speelde hij ook toneel. Later werd hij historicus. De brieven die neef aan oom Wagenvoort, literator in ruste, schreef geven op zichzelf een aardig beeld van de strubbelingen van een jonge poëet, maar ik hoopte ook wat meer te vernemen van of over Wagenvoort.
    Ik veerde dan ook lichtjes op toen ik las wat Riegen schreef op 10 maart 1941:

Inderdaad is het schandelijk lang geleden, dat ik die prachtige brieven van Couperus kreeg, waar ik erg blij mee was. Eerlijk gezegd, was ik al lang van plan U te bedanken (...) Neemt u mij dus niet kwalijk dat het wat lang duurde, ik bedank U

47

bij deze hartelijk voor de mooie manuscripten. Ik ben blij dat U deze nog niet aan het Haagsch archief gegeven had, zodat zij een plaatsje bij mijn kleine verzameling kregen.

Als de brieven waarover Riegen hierboven rept aan Wagenvoort zijn gericht dan zou dat mogelijk de lacunes in de briefwisseling tussen Couperus en zijn vriend kunnen verklaren. Het is daarbij verleidelijk om te denken dat Wagenvoort niet zomaar wat kattebelletjes aan zijn neef schonk, maar juist bijzonderder brieven. Het zou de betrekkelijk grote aanwezigheid van ‘gekoesterde’ ‘geringste krabbels’ in de nalatenschap van Wagenvoort kunnen verklaren. Wagenvoort was in 1941 de tachtig reeds gepasseerd en in nogal slechte gezondheid: wat moest hij er nog mee? En waar zouden die brieven nu zijn? De in het Letterkundig Museum aanwezige brieven van Couperus aan Wagenvoort zijn in ieder geval afkomstig uit de nalatenschap van de laatste, en niet uit die van Riegen. [17]

Spoorloos
‘Uw hypothese van onbekende brieven uit het bezit van een raadselachtige Riegen, ergens in Amerika? doet iemand vanzelfsprekend watertanden,’ schreef Couperus-biograaf Bastet me. [18] ‘Ergens in Amerika’: in Nederland waren aanvankelijk weinig sporen van Dick Riegen te vinden. Rico Bulthuis wist mij echter te vertellen dat Riegen in 1947 met een Amerikaanse was getrouwd en zich in New York had gevestigd. [19] Uit navraag bij de familie bleek dat Riegen daar anno 2003 – onder de naam Deric Wagenvort Regin – nog steeds woonde. Ik schreef hem een brief waarin ik niet alleen, op beleefde wijze natuurlijk, informeerde naar de Couperus-brieven en zijn oom Maurits, maar ook naar zijn eventuele andere herinneringen aan het (vooroorlogse) Nederlandse literaire leven. Op 17 februari 2004 antwoordde Riegen mij:

Uw verrassende brief heeft in mij een stuk in slaap gevallen verleden wakker geschud! (...) Couperus was een grote figuur, wiens werk ik in mijn jeugd zeer bewonderde. Wat oom Maurits betreft, ik weet (vagelijk) dat hij de meeste Tachtigers kende. In mijn geheugen leeft echter voornamelijk de indruk van een oom Maurits, die toen ik 18 jaar was mijn vroege sonnetten aan Willem Kloos ter beoordeling gaf. Wat mij bijblijft is Kloos’ uitspraak: ‘je neefje heeft talent’, een oordeel dat mij uiteraard een extatische vreugde bezorgde. (...) Terugkerend tot uw hoofdzakelijk verzoek, ik herinner me nu dat ik eens een mini-collection van manuscripten bezat, maar wat er mee gebeurd is, is mij nú een raadsel. Ik vermoed dat dit in de verwarde en klein-behuisde oorlogsjaren verdwenen, of (meer dan mogelijk) weggegeven is. Het spijt me dat ik u moet teleur stellen: ik begrijp wat een meer positief antwoord voor u zou hebben betekend!

Dat Riegen een manuscriptenverzameling heeft gehad blijkt niet alleen uit de brieven aan zijn oom maar ook uit een brief aan Marja uit november 1940 waarin hij in een p.s. vraagt: ‘Kun je nog handschriften voor me op de kop tikken?’ [20]

48
En kort daarvoor had Riegen aan zijn oom geschreven: ‘Hartelijk dank voor de manuscripten van Pierre Loti en de italiaansche schrijver Marinetti.’ Schrijvers die Wagenvoort beiden gekend heeft.
    De mooie manuscripten en brieven die toch echt bestaan hebben en ooit in Riegens bezit zijn geweest zijn spoorloos verdwenen. In juni 2004 schreef hij:

Wat echter N.Y.C. betreft, ik heb ijverige moeite gedaan om tussen oude paperassen iets op te duiken dat voor u van belang zou kunnen zijn. Ik heb helaas zover geen briefwisseling aangaande Couperus en mijn oom Maurits gevonden. Ik vermoed dat in die chaotische tijd, 50 jaar geleden van mijn verwisseling van wereld-deel het meeste van documentele waarde werd geschonken aan bekende verzamelingen. Haagsch archief? Amsterdams archief? Of misschien persoonlijke collecties. (…) Het spijt mij dat ik u blijkbaar zo weinig van dienst kan zijn. [21]

Op geen van deze locaties zijn echter brieven van Couperus aan Wagenvoort aanwezig (geweest), al dan niet uit Riegens bezit. Riegen opperde nog dat hij misschien het een en ander geschonken heeft aan het archief van de Stichting Familie Wagenvoort, maar ook dat blijkt niet het geval. Deze stichting had slechts een ansichtkaart van Couperus. [22] Aan wie zou Riegen de brieven dan hebben kunnen geschonken? Aan familie of vrienden misschien?
    Op 1 maart 2005 schreef Riegen mij het definitieve(?) antwoord:

Om maar meteen uw hoofdvraag te beantwoorden, ik heb herhaaldelijk naar die manuscripten gezocht, maar helaas niets gevonden. Na verder nadenken moet ik echter betwijfelen of de verzameling, behalve Maurits Wagenvoort’s, ook Couperus’ brieven bevatte. De verzameling zelf?… Misschien naar het Haags archief? De U.B.? De Wagenvoort Vereniging? Ik kan het me niet herinneren. (…) In ieder geval het beste met uw Couperus studie!

Noten
1. De waarschijnlijk laatste van deze mensen overleed in 1993: Joanna Funke. Zie: ‘In memoriam Joanna Funke (1897-1993).’ In: Frédéric Bastet, Al die verloren paradijzen… Van en over Louis Couperus. Amsterdam, 2001, p.331-335. Daarnaast heeft Rico Bulthuis (1911) als jongeling Couperus nog eens zien lopen in Den Haag.
2. Sander Bink, ‘Couperus’ nasi goreng in Sevilla.’ In: De Parelduiker 9 (2004), nr.4, p.71-72.
3. Rob van de Schoor (red.), Tegen het leven is niet te strijden. Christien Vierhout & Maurits Wagenvoort, briefwisseling 1889-1910. Nijmegen, 1999, p.7.
4. Jan Greshoff, ‘Verslag van een teleurstelling. Bij de herlezing van werk van Maurits Wagenvoort.’ In: Het Vaderland Weekjournaal 1964, 10 oktober.
5. Jan Greshoff, ‘Over een epigoon van Couperus. Ten onrechte vergeten auteur.’ In: Het Vaderland Weekjournaal 1964, 17 oktober.
6. Zie Gerrit Komrij, ‘Futurisme op pantoffels.’ In: Bezonken boeken. Amsterdam, 1986, p.70-76.
7. Zie Gerrit Komrij, ‘Een huwelijk in het jaar 2020.’ In: Averechts. Amsterdam, 1980, p.112-114.
8. Vosmeer de Spie [pseudoniem van Maurits Wagenvoort] ‘Le Chat Noir.’ In: Veertig Zwervers. ’s-Gravenhage, 1890, p.207-215.
9. Vosmeer de Spie, ‘Een bezoek aan Francois Coppée.’ In: Veertig Zwervers, p.189-192. Ook met Baudelaires werk was Wagenvoort blijkbaar betrekkelijk vroeg vertrouwd. Zie J.D.F. van Halsema, ‘Wie heel goed kijkt, die

49
kan hem bijna zien. Baudelaire bij de Tachtigers.’ In: M. van Buuren (red.), Jullie gaven mij modder, ik heb er goud van gemaakt. Over Charles Baudelaire. Groningen, 1995, p.66-110.
10. Het meest uitvoerig vooralsnog: Marijke Stapert-Eggen, ‘“De Waarheid, die ik haat.” Op zoek naar Couperus’ vriend Jan.’ In: De Parelduiker 1 (1996), nr.2, p.19-25.
11. Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.694.
12. Brief, gedateerd 24 mei 1931.
13. De brief bevindt zich in het Letterkundig Museum te Den Haag.
14. Jan Robert, ‘“Een beetje originele vriend.” Brieven van Louis Couperus aan Maurits Wagenvoort.’ In: Jaarboek Letterkundig Museum 6 (1997), p.129-160; p.130.
15. Idem, p.131.
16. Onder andere: Opnieuw. Verzen van Hanno van Wagenvoorde (1939), Vlinders op een mandolien (1942), Karillon van november (1946, onder de naam Deric Wagenvort Regin), Reflections from a prison (1971) en recent nog een toneelstuk: Moeders en zonen (2003).
17. Daar is in ieder geval geen aanwijzing voor (bevestigd door Sjoerd van Faassen).
18. Brief, gedateerd 27 september 2003.
19. Brief, gedateerd 22 augustus 2003, plus enige telefoongesprekken in dezelfde tijd.
20. De brief bevindt zich in het Letterkundig Museum te Den Haag.
21. Brief, gedateerd 7 juni 2004.
22. Overigens door de ontvangster geschonken aan de initatiefnemer van de Stichting, Herman Wagenvoort (1910-2004). Telefonische mededeling, zomer 2003.

(Uit: Arabesken 14 (2006), nr.27, p.44-49.)

Redactionele ingreep:
- In de oorspronkelijke publicatie is de auteursnaam Sander Bink weggevallen. Die is hier alsnog toegevoegd