‘Keutelland’s meest gevierde romancier’ bespot
‘Ik ben Louis Poepjes’

Dat Couperus door zijn ‘on-Hollandsche’ doen en laten vaak mikpunt van spot en karikatuur was, is algemeen bekend. Nop Maas heeft hier eens een vermakelijk artikel aan gewijd, waarin hij een groot aantal van deze spotprenten en karikaturen de revue laat passeren. Van een bijzonder verfijnd gevoel voor humor getuigen deze meestal niet. Maar dat het altijd extremer kan blijkt uit een vergeten en uiterst curieuze Haagsche roman.

DOOR 

Hij hield stil voor ’n winkel, zonder ’t te weten. Z’n verfijnde kop met ’t pruimemondje, dat enkel fondant leek te savoureeren en caramel en praline, met de lichte hoogere-regionen-oogen, ’t blanke, eventjes bepoeierde vel en de weerstrevende snor-ontluiking, weerkaatste zich in den etalage-spiegel. En als hij dan zichzelf ontwaarde, dien persoon daar in ’t correcte wandelcostuum, ’n bloem in ’t knoopsgat, woordjes-reeg-ie zachtkens met ‘n egale verwondering: ‘Dat ben ik. En toch, het is me, als was ik het niet. Ja, ben ik het wel? Neen, ik ben het niet. Het is mijn dubbel-ik, waarachter ik schuil ga altijd, altijd. Mijn wezen is een geheim, een groot geheim. Wat daar schimt in dien spiegel-glans ... Maar heb ik dat niet al eens gezegd in een roman? Ik geloof ’t wel. ’k Heb er al zoovele geschreven, twee en veertig of daaromtrent. En er komen er nog meer, nog meer. Het houdt niet op, ik kan het niet helpen. Altijd weer zingt ’t en neuriet en sprankelt ’t in me. Ik moet, ik moet. Is ’t niet vreeslijk? Ik ben ’n wonder van leste subtiliteit, ’n porseleinen vaas, waarin ’t telkens en telkens opnieuw weer bouquet, ’n zomerwolkjes-hemel, ’n zachte avond-gloed, ’n puissante wel van subtiliteit. Ik ben... ik ben Louis Poepjes.’ [1]

Over the top
Dit fragment is afkomstig uit Hofstad, een bij zijn verschijnen in 1909 schandaalwekkende sleutelroman, geschreven door ‘niemand minder dan’ de grootvader van Remco Campert (1929), Johan Wouter Broedelet (1877-1946): ‘’t Was een extremiteit, een nieuwe verschijning, iets ergs. Er werd over gesproken – bijvoorbeeld achter op de tram, of aan de bittere klets-tafel ’s middags tussen vier en zesse.’ [2]
    Hoewel tegenwoordig vrijwel vergeten, heeft deze Johan Broedelet wel hard zijn best gedaan om de eeuwige literaire roem te vergaren: vanaf 1899 schrijft Broedelet naast vele toneelstukken en kritieken, ook een tiental, heden ten dage slechts met enige moeite vindbare en leesbare, romans. Willem Kloos schreef over Broedelets artistieke merites: ‘Als men de recensies, die over hem verschenen, achter elkander naïefweg, leest, dan moet men wel haast de indruk krijgen, of er een reeks van kranige mannen, die ieder voor zich een speciale studie van de dramatische kunst hebben gemaakt, tot het eenstemmig resultaat zijn moeten komen, dat de heer Broedelet geen verdienste
bezit.’ [3]

13
Kloos’ eigen mening over het werk van Broedelet is echter opvallend positief. Heeft dit mogelijk een biografische reden? Er is wel gesuggereerd dat Kloos meer dan amicale gevoelens voor de jonge Broedelet had. [4] Ook het literaire gehalte van Hofstad is weliswaar discutabel maar de roman is curieus genoeg om er even bij stil te staan, daar Broedelet in Hofstad – uit rancune om zijn eigen literaire falen misschien? – de Haagsche artistieke en literaire wereld van het fin de siècle op groteske wijze op de hak neemt. Zijn Couperus-parodie is behoorlijk over the top:

Louis Poepjes, Keutelland’s meest gevierde romancier, wandelde, in gecadanceerde heup-wieging, door de winkelstraten. Het hoofd met den glimmenden, kreukeloozen cylinder hield-ie ietwat gebogen, naar rechts, als in peinzing. Z’n kleeding was gansch correct zonder één schreeuwend kleurtje of ’n lijn van onvolkomenheid. ’n Witte bloem in ’t knoopsgat acheveerde ’t geheel. Z’n wandelstok droeg-ie wat hoogjes, als ’n fragiel bouquet dat-ie zoo dadelijk ’n prinses der phantasie aanbieden moest, tikte er niet mee op den grond. Z’n gang had dan ook ’t zwevende van een, die de aarde nauw voelt. Poepjes wandelde zo al ’n poosje. Hij was uitgegaan, ’n hoofdstuk te overdenken van z’n nieuwen roman, ‘Eline Verhaeghen’. Hij kon er geen zinsbouw voor vinden voor ’t moment, die hem rank genoeg voorkwam en toch sterk, onbreekbaar. Het kostte ’m moeite deez’ maal. En dat irriteerde ’m, o, affreuslijk! Anders schoten de zinnen bij ’m op als lijnen van licht, serpentinende woord-reeksen, die vanzelf hun weg vonden in de koele, geämberde ruimten, waarheen hij ze slingerde met licht gebaar. Anders vuurpijlden z’n woorden, vonken-schietend, in sierlijke lijn tot de sterren, die ze kusten met zoet lippen-gelonk en weening van geluk in de geëxtasieerde oogen, om dan weer, boog-beschrijvend, neer te dalen als lelie-treurnis, vol van onzeglijken weedom, die op zichzelf weer een ’n zaligheid was. Anders parelden z’n zinnen als champagne in fijn geslepen fluit, rankten z’n beelden zich als wezens van droom in morgennevel, ontwiekten blanke klank-trossen z’n stamelenden mond lijk duiven, die ’t hemel-hoog bestormen. Anders, anders, ja, anders. Maar nu wilde ’t niet zooals hij wilde, stuitte-ie telkens op moeilijkheden, die ’m beletten voort te gaan. Dat vervulde ‘m met ’n donszachte melancholie, waarin zich te verdiepen ’m ’n zoete weelde was. In die stemming lag z’n ziel als op watten, gleed z’n heele zijn in ’n étui van gecapitonneerde satijnigheid, waarin hij zich veilig gevoelde voor de ruwheden der wereld. Poepjes weende binnenwaarst ’n juweelen traan. [5]

‘Den Gezegende, den Groote, den Eenige!’
Alle clichés en vooroordelen over Couperus worden door Broedelet keurig ‘behandeld’: zijn zogenaamd vrouwelijk voorkomen, zijn verfijnde aristocratische persoonlijkheid, zijn mystieke sympathieën, zijn estheticisme:

’t Niet groote, ietwat kantige hoofd op ’n geel-zijden kussen, dat Jacobi expresselijk voor z’n gast had doen vervaardigen, lag daar, in ’n hoogst ongemakkelijke houding, welke meer had van ’n zitten, ’t wonder van subtiele stileering, Louis Poepjes. Z’n pruime-mondje blies regelmatig den nauw-hoorb’ren adem uit, welke ’t ontastelijke had van iets, dat niet van de aarde was. Als Jacobi aandachtig toekeek, ging ’t ’m lijken, of daar ’n menschlijke ziel langzaam ’t lichaam verliet. En dit was in zekeren

14

zin waar. Poepjes onttoog aan zichzelf. (…) Z’n teint, toch al van ‘n ivorigen matheid, welke zoo goed paste bij z’n aristocratischen persoon, verbleekte tot ’n wasachtige kleurloosheid, alsof alle bloed van ’m week. Z’n niet onvol gelaat viel in, in z’n wangen zat iets van geklepper, zooals blaadjes door wind worden bespeeld. Hij lag geheel ineengezakt en z’n weerstrevende snorontluiking gaf blijkbaar allen verderen bloei op. ’t Merkwaardigste echter aan ’m was wel hoe z’n vel door eigenaardige, zij ’t nog vage lijnen beteekend werd, welke zich vormden als tot bloemen, vogels, vlinders. Dat waren de lotussen van z’n ziel, die braken uit, z’n zangen, z’n gevleugelde gedachten, die werden gaandeweg zichtbaar buiten z’n omhulsel om. Als dit zoo door ging, werd Poepjes niets als ’n in de lucht zwevend wonder van subtiele levendheden, welke z’n ziel stukje voor stukje naar ’t hemelruim droegen. Tenzìj-ie verstarde in die opbloeiing van fijnlijnige figuren, als wanneer-ie ’t meest ’n kostbaar porceleinen vaas zou gelijken, hij, die toch al ’t broze van zulk ’n rank weelde-ding in zich had. [6]

Een groot bewonderaar van ‘Poepjes’ blijkt ‘George Kapel’ te zijn, waarin de door Couperus zeer gewaardeerde schrijver Henri Borel (1869-1933) te herkennen is, schrijver van de destijds zeer populaire mystieke romans Het Jongetje (1898) en Het Zusje
(1900): [7]

’n Rare, die George Kapel! Hij schreef: ‘Ik ben maar een klein menschje. O, dat te weten, doet soms pijn, heel intens. Ik word nooit groot als ’n Louis Poepjes. ’t Is wel hard. Maar is ’t al niet veel, George Kapel te zijn? In mij is ’t ook schoonheid, doch heel teere, zòo fijn, dat ik er zelf vaak bang voor ben. ’t Zal nog breken. En wie repareert ’t dan? Ja, ‘k ben maar ’n klein, zwak menschje, dat enkel om wat schoonheid schreit. Ik snak er naar, o God, zoo vreselijk, dat snapt geen mensch. Snap ik ’t zelf wel? ’t Gaat me soms te hoog. Ik moest een bloem zijn, geloof ik. Uw been, mademoiselle Paulin! Ik adoreer ’t. (…) Denk niet, dat ik u om die gewone aardsche liefde smeek. O, neen, zo ben ik niet! Ik zoek slechts ’t diepste-innerste van de menschelijke ziel. En daar zijt gij heel rijk aan, mademoiselle. Misschien weet ge dat zelf niet? O, ik wist ’t vroeger ook niet van hem, die zich George Kapel noemt. Maar nu ben ik er zeker van, nu ik mijn eigen boekjes lees. Wilt ge bijgaand eens inzien? ’t Zou me zoo gelukkig maken, mademoiselle! “’t Menschje”. Er staat veel van mezelf in. (…) ’t boekje gaat al heel aardig. De Hofstadsche jongemeisjes dwepen met mij.’ [8]

Na dat zijn ‘kuise’ adoratie van mademoiselle Paulins been ‘George Kapel’ in enige moeilijkheden heeft gebracht (wordt hier gezinspeeld op een werkelijk gebeurd schandaal?), weet hij naar wie te vluchten: ‘Poepjes’, doch deze blijkt spoorloos verdwenen te zijn:

Smartelijkst gewond was-ie toen op den zoek gegaan naar Louis Poepjes, Die zou ’m weer den weg van ’t Schoone insturen, (…) En hij had gehold, gedraafd, gezocht, geroepen. Vergeefs! Nergens ’n Poepjes. Heel hofstad was reeds doodelijk ongerust om dien eminenten romancier, over wiens plotse verdwijning de zonderlingste geruchten gingen. (…) Tòt-ie gevonden had, door ’n wonderlijk toeval. Bij Jabobi! Hij wist, Kapel, dat de meester dien coiffeur met z’n gunsten vereerde. Hij vond den vermaarden krullebol alleén, in z’n salon [‘de Lijn van Geleidelijkheid’ geheten, SB],

15

peinzend. En toen-ie ’m opeens de vraag stelde, of hij niet begrijpen kon, waar z’n cliënt gebleven was, toonde die zich diep ontroerd, liep ’m zevenmaal voorbij, nam ’m dan, in ’n oogenblik van groote mededeelzaamheid èn wijl-ie ook Kapel ’n penvoerder wist, in z’n vertrouwen. En hij had Poepjes gezien, in ‘De Nieuwe Krul’. Welk ’n ontmoeting! Om z’n leven lang niet te vergeten. Daar stond-ie tegenover ’m, eerbiedig, alleen wat onvast op de beenen, omdat alles om ’m zoo draaide. Poepjes, die juist ’n twintigtal pagina’s volgestort had, keek ’m droomerig aan, als zag-ie ’m niet. Wat zat-ie daar beklemd, als in ’n gevangenis! En dat vreemde gelaat met die reine, hoogere-regionen-oogen en den hopjes-mond! Z’n vel was gebloemd, deed denken aan kostbaar porselein. Trouwens, over ’t geheel maakte-ie ’n indruk van strakheid, verstijving, of-ie ’n voorwerp werd, aan ’t ontmenschen ging. Diepst ontroerd had-ie ’m aangesproken in welgekozen bewoordingen ten einde ’t fijngevoelige oor des terecht beroemden woordkunstenaars niet te smarten. [9]

‘O, groote d’Annunzio!’
Alsof Broedelet het nog niet bont genoeg heeft gemaakt, laat hij ‘Poepjes’ uiteindelijk ook nog, nadat deze zijn laatste meesterwerk heeft voltooid, sterven!:

Poepjes leefde enkel van – ja, wàarvan? – van verbeelding, ziel, Eline! (…) En fluisterend deelde-ie z’n haar-vriend mee, ‘oef, oef!’, dat z’n roman voltooid was. (…) De roemruchtige schrijver kraakte geweldig, z’n oogen sloten zich. Nog even riep-ie: ‘O, groote d’Annunzio!’ – in z’n laatste oogenblik herinnerde-ie zich dus den Italiaanschen collega, van wien-ie wel eens iets gelezen had? [10] – en daarop zakte-ie in elkaar, kromp zoo snel, dat van z’n hoofd dra niets meer zichtbaar was. [11]

Heel de Hofstad is toegestroomd om getuige te zijn van de laatste momenten van de grote schrijver:

Doch van Poepjes [stoffelijk overschot, SB] nog altijd niets! De aanwezigen werden tot één staring. Met stroomen gutste ’t zweet van Jacobi, die in doodsangst stond. (…) Wat zag-ie daar? Iets blauws! Hij bukte zich, tastte toe. Men drong om hem heen, datie zich verdedigen moest. En, met bevende handen, terwijl-ie opeens begrèep en ’t ’m ’n moment voor kwam, dat z’n hart niet langer klopte, haalde-ie ’n heel precieuse vaas voor den dag van ’n teer-blauw, dat weenen deed. ’t Was een wonderstuk van kunst, ’n craquelé, dat z’n weerga niet had. Bloem- en vlinder-figuren maakten ’t oppervlak tot ’n droom. Dàt was er dus van Poepjes geworden, ’n kostbaar porselein! Dàarin had-ie zich opgelost, de boven allen voortreffelijke romancier! [12]

Schrijversbloed
Niet alleen Couperus en Borel zijn doelwit van Broedelets spot: Hofstad wordt enkel door karikaturen bevolkt. De identiteit van degenen die hiervoor ‘model hebben gestaan’ is heden ten dage slechts met veel moeite te achterhalen. Vooral veel adellijke dames en heren moeten het ontgelden en worden opgevoerd onder ‘geestige’ namen als Barones Liktum Priktum of Madame de Patapouffe. Enkele personages zijn gemakkelijker thuis te brengen: bijvoorbeeld ene Wim Pielewiet (de destijds beroemde journalist en schrijver Frits Lapidoth, 1861-1932) en zijn ‘tante’ Thérèse Pielewiet (Lapidoths echtgenote de dichteres Hélène Swarth, 1859-1941) of ‘de groote zeeschilder Leefdaag’, een venijnige karikatuur van Hendrik Mesdag (1831-1915).

16
Johan Broedelet was overigens niet Remco Camperts enige familielid in wiens aderen ‘schrijversbloed’ vloeide: zijn vader was natuurlijk de bekende verzetsdichter Jan Campert (1902- 1943). En in de achtste en negende jaargang van De Nieuwe Gids zijn gedichten van ene Stella Violantilla te vinden, onder welk pseudoniem Camperts oudtante Lucie Broedelet (1876-1969) schuilgaat. Zij verkeerde in de marge van de beweging van Tachtig. Willem Witsen maakte enkele mooie portretfoto’s van haar en haar enige boekpublicatie [13] werd door Kloos zeer geprezen:

Zoo is de naïeve natuurpoëzie, zooals die opwelt in onze ziel, bij deze schrijfster breeder en klassieker dan bij Herman Gorter, en zij zal zich alleen, met de jaren, wat hebben te concentreren en diep-in te bestendigen, om misschien te worden onze eerste, maar zeker onze fijnste en subtielste, en tegelijkertijd onze ruimste dichteres. [14]

Camperts moeder Wilhelmina, ‘Joeki’, Broedelet (1903-1996) schreef weliswaar niet, maar was een succesvolle actrice.
    Johan Broedelets literaire werk is artistiek minder succesvol gebleken: in hedendaagse literatuurgeschiedenissen zal men zijn naam niet vinden, maar als groteske spotprent is Hofstad nog steeds amusant.

Noten
1. Johan Wouter Broedelet, Hofstad, 2 delen. Zeist, 1909 (tweede deel, volgens de Brinkman, 1910), deel I, p.8.
2. Johan Everts in De Amsterdammer 1910, 21 augustus.
3. Willem Kloos, Nieuwere literatuurgeschiedenis, deel 3. Amsterdam, 1905, p.139.
4. Jaap Harten schrijft (aan Campert) over Kloos: ‘Deze “god in ’t diepst van zijn gedachten” heeft in de tachtiger jaren [moet zijn: negentiger jaren, SB] nog liefdesgedichten aan jouw grootvader geschreven (…)’. (Jaap Harten, Garbo en de broeders Grimm. Amsterdam, 1969, p.110). Campert zelf heeft het in een ‘Camu’ (de Volkskrant 2002, 27 maart) over ‘Mijn opa’s oude vriend Willem Kloos’ en elders schrijft hij: ‘[Broedelet, SB] was een vriend van Kloos. Er zijn nog brieven van Kloos aan hem, ook veel Sinterklaasrijmen, een beetje verliefderig. Je denkt: hadden ze iets met elkaar?’ (HP/De Tijd 1990, 26 oktober). Een aantal van deze gedichten is door Joekie Broedelet afgedrukt in een artikel in De Groene Amsterdammer (1955, 18 februari) en twee van deze vervolgens in: L. van Heijningen, ‘Een onaangenaam mens in de hofstad’. [s.l.], [s.n], 1985.
5. Joh.W. Broedelet, Hofstad, deel I, p.6-7.
6. Idem, deel I, p.209-210.
7. ‘Het ligt in de lucht af te keuren tegenwoordig. En er is zoo bitter, bitter weinig in ons landje: misschien alleen Borel; dat is prachtig.’ Geciteerd naar: Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.182-183.
8. Joh.W. Broedelet, Hofstad, deel I, p.78-79.
9. Idem, deel II, p.181-182.
10. Deze, blijkbaar voor de hand liggende vergelijking tussen Couperus en d’Annunzio is opvallend, daar niet bekend is in hoeverre Couperus met het oeuvre van zijn ‘Italiaanschen collega’ vertrouwd was. Zie hierover: Erik Löffler, ‘Couperus en d’Annunzio. Een kleine stilistische vergelijking’. In: Arabesken 9 (2001), nr.17, p.30-35.
11. Joh.W. Broedelet, Hofstad, deel II, p.226-227.
12. Idem, deel II, p.233.
13. Lucie Broedelet, Idylle. Amsterdam, 1898; Jessica Voeten, ‘‘t Dunkt me zoo eene décadence van mij: brieven van Lucie Broedelet aan Anette Versluys-Poelman, 1892-1895’. In: Jaarboek Letterkundig Museum, nr. 9 (2000), p.39-60.
14. Willem Kloos, Nieuwere literatuurgeschiedenis, deel 3, p.97.

(Uit: Arabesken 11 (2003), nr.22, p.12-16.)