Louis Couperus, Sint-Nicolaas en Charivarius

Tekening door Laura van den Hengel  

Wie een hekel heeft aan oudejaarsavond en dit gevoel levend wenst te houden, zou elk jaar De avonden van Gerard Reve moeten herlezen. Anderzijds, wie de traditionele familieviering van Sinterklaas een warm hart toedraagt en zich daar af en toe in wil koesteren, herleze begin december hoofdstuk acht uit Eline Vere.

Door Eugenie Boer

Het beeld dat Couperus daar schetst van Sint-Nicolaas’ bezoek aan het huis van mevrouw Van Erlevoort aan het Lange Voorhout is van een hartverwarmde, tijdloze levendigheid. Weliswaar worden er tegenwoordig geen afsluitende soupeetjes
meer gehouden, noch horen we een kind vragen waarom oma toch op de canapé blijft zitten bij de binnenkomst van de hoge gast, maar de chaos in huis, de spanning, de surprises, dat alles zal menig lezer aangenaam bekend voorkomen.

Geurtjes, kleurtjes en stofjes
Couperus kwam, zoals we weten, graag bij zijn oudste zus Catharina in de Molenstraat. Catharina had negen kinderen; het is goed voorstelbaar dat Louis sinterklaasvieringen bij zijn zuster thuis in gedachten had toen hij het feest bij Mevrouw van Erlevoort in Eline Vere beschreef.

Ik herinner me een St. Niklaasavond bij mij thuis; mijn man was 2 December jarig, en de oudste kinderen hadden een toast op hun vader uitgebracht. Op Sint verraste Louis met een lang gedicht in antwoord op die toast. Daar had hij zijn tijd en zijn werkkracht voor over gehad. [1]

Dat zal in de jaren tachtig geweest zijn, voor zijn huwelijk.
    Veel later, in 1915, zou Couperus zelf, publiekelijk, met een sinterklaasgedicht verrast worden. De toon daarvan was alles behalve mild. Charivarius, pseudoniem van de letterkundige Dr. Gerard Nolst Trenité [2], verlustigde zich in een opsomming van decadente geurtjes, kleurtjes en stofjes om de verwijfdheid die hij Couperus toeschreef te accentueren.

Charivarius
In 1915 was Couperus begonnen met zijn voordrachten. Misschien heeft Charivarius een van die voorlezingen bijgewoond, die van 26 oktober in het Amsterdamse Arti en Amicitiae bijvoorbeeld. Wat hij zag en hoorde moet hem tegengestaan hebben: te veel dandyisme naar zijn zin, te veel zorg voor het uiterlijk.
    Op 13 november stond in De Nieuwe Amsterdammer het volgende gedicht van zijn hand:

33

(Raad van Charivarius aan Couperus-vereersters die niet weten, wat ze hem met St.Nicolaas sturen zullen.)

Koopt een aantal mooie dassen,
Zacht van stof, van kleuren teer,
Sokken, die er goed bij passen;
Damessokken voor een heer,
Caca du dauphin, vieux rose,
Vert malade, bleu turquise,
Cuiss’ de nymph’, vieil or, ardoise,
Fraise écrasée, en zoo meer.
Zoekt een fijn exquis odeurtje,
Van Pivert of van Pineaud;
Peau d’Espagne’s weezoet geurtje,
Chrysanthème de Tokio,
Héliotrope of Azuré-e,
Kiss me quick, Brise embaumé-e,
Chèvrefeuille, Giroflé-e,
Jockey club, Duchesse, of zoo.

Jolimousse, Lait d’Amandes,
Vélivole, Foin coupé,
Espéris, Duvet, Lavande,
Aubepine, Rose thé.
Lariette, Floramye,
Guy nouveau, Cuir de Russie,
Chypre, Senteur des Prairies -
Doet het hier voorloopig mee.

Koopt de rozigste robijnen,
Diamanten, schitter-schel,
Adular of cornalynen,
Paarlen, jaspis of spinel,
Amber, onyx, chrysolieten,
Labrador of oxinieten,
Emerald of cordirieten,
(Doet het maar - hij draagt ze wel!)

Koopt de kostbre kwartskarbonkel,
De pyroop in purpren pracht,
Of verkiest gij ‘t fel gefonkel,
Van sapphieren- of smaragd?
Amethyst, beryl, granaten,
Bezoar, zirkoon, agaten...
(‘k Ken geen steenen meer op -aten.)
Maar dat heb ‘k te laat bedacht.)

Al die goede gaven pak je
In een wolkig watten-waas,
Of een zeegroen zijden zakje,
Geel-gevoerd met gulden gaas,
Bindt het met satijnen linten,
In die zachte rose tinten,
Die Couperus zoo bemint,
en Stuurt hem dát met Sinterklaas!

Echt geestig is het gedicht niet, het ontleent zijn aardigheid vooral aan de opstapelingen van termen. Maar het schiet daarin zijn doel voorbij; de aandacht gaat uit naar de vondsten van Charivarius waarbij de boodschap, kritiek op Couperus, een beetje uit het zicht raakt. De laatste dwingende regel haalt de lezer als het ware weer bij de les.
    Het meeste plezier heeft Charivarius misschien wel zelf gehad. ‘’k Ken geen steenen meer op –aten’ schrijft hij, maar daarvóór heeft hij al een grapje uitgehaald. Temidden van de overdaad aan kleurrijk, fonkelend gesteente smokkelde hij bezoar binnen. Bezoar is de benaming voor puimsteenachtige harde klontjes (samengesteld uit onder meer onverteerbare plantendelen en haren) in maag en darmkanaal van herkauwers. Ze werden in de oude geneeskunde als wondermiddel beschouwd en daarom wel als amulet gedragen. Het is voor Charivarius te hopen geweest dat zijn ‘surprise’ niet onopgemerkt is gebleven.

Noten
1. W. van Itallie-Van Embden, Sprekende portretten. Leiden 1928, p.89.
2. Gerard Nolst Trenité (1870-1946) kreeg vooral bekendheid door zijn humoristische stukjes die hij onder het pseudoniem Charivarius publiceerde.

(Uit: Arabesken 9 (2001), nr.18, p.32-33)