Het leven van Couperus-biograaf Henri van Booven
Cricket, Congo en Couperus
![]() |
Dat Henri van Booven (1877-1964) de eerste biografie van Couperus schreef en daarmee pionierswerk heeft verricht is bekend. Daarnaast was hij echter ook een veelzijdig schrijver, journalist, sportman en dandy. Dankzij een niet eerder bestudeerd particulier archief kan ook deze kant van Van Booven belicht worden. Sander Bink, die een biografie van Van Booven voorbereidt, licht alvast een tipje van de sluier op.
Door Sander Bink
Van Boovens Leven en werken van Louis Couperus (1933) is één van de belangrijkste bronnen van het Couperus-onderzoek. Als Van Booven zich niet zo immens had ingespannen om zijn ‘ontzagwekkende hoeveelheid materiaal’ te verzamelen dan ‘zouden wij over Couperus’ leven bijna niets meer weten.’ [1] Desondanks wordt vaak verzucht dat Van Booven veel meer van Couperus heeft geweten dan in zijn biografie van de auteur staat. [2] Recent is echter zijn nalatenschap boven water gekomen en bestudering hiervan – en van de reeds beschikbare, maar nooit goed onderzochte documenten – kan duidelijk maken in welke mate deze verzuchting gerechtvaardigd is. [3] Tegelijkertijd kan het verhaal worden verteld van een boeiende figuur van wie wij tot op heden eigenlijk weinig weten. [4]
Leven
Hendrik Alexander Cornelis van Booven wordt op 17 juli 1877 in Haarlem geboren
uit het huwelijk van Hendrik van Booven sr. (1852-1882), oud-secretarisconsulaat
van de
5
Verenigde Staten, en Adriana Johanna van Weel (1847-1917). Hij groeit op
in het kasteeltje Warmelo in Diepenheim, en later in Den Haag en Leiden, in een
welvarend milieu. Zijn vader overlijdt op jonge leeftijd en zijn moeder
vertrouwt na zijn achtste jaar de opvoeding van Henri toe aan familie en
kostscholen. Begin jaren 1890 begint Van Booven aan een opleiding tot
marineofficier, maar voltooit deze niet. Vervolgens besluit hij zich op de
journalistiek en – zelf een fanatiek sporter – sportverslaggeving toe te leggen.
De sport waarmee hij de meeste faam zou verwerven, cricket, leert hij van Herman
Gorter. Dit is het begin van een levenslange vriendschap: ‘Reeds in 1894 groeide
mijn zeer vriendschappelijke omgang met Herman Gorter (…). Onze vriendschap werd
bestendigd in 1900, tijdens mijn wonen bij Frederik van Eeden op Walden.’
[5] Gorter is Van Boovens teamgenoot, maar ook een huisvriend ‘die
prachtige verhalen vertelde in verband met zijn propaganda voor de sociaal
democratie in Groningen.’
[6] Het is een opvallende, in Gorters biografie tot nu toe onbekend
gebleven vriendschap tussen Van Booven die het socialisme al een ‘verderfelijk
verschijnsel’ vond, en de dichter die tevens communist was, maar daar ‘later wel
van terug [kwam].’
[7] Behalve met Van Eeden en Gorter was Van Booven bevriend met grotere
en kleinere literatoren van zijn tijd, zoals Adriaan en Henriette Roland Holst,
Lodewijk van Deyssel, Maria Dermoût, Hendrik de Vries, Arij Prins, Ina
Boudier-Bakker en Jan Greshoff.
In 1898 gaat Van Booven voor de Nieuwe Afrikaansche
Handelsvennootschap naar Belgisch Congo, maar door ernstige malaria ziet hij
zich gedwongen in 1899 alweer terug te keren. In Van Eedens beroemde kolonie
Walden doet hij een poging om te herstellen. Dat bevalt hem echter slecht. Het
was een ‘beroerdste tijd… laten we daarover verder voorlopig zwijgen – tegenover
het publiek namelijk.’
[8] Van Eeden zou niet te vertrouwen zijn, want ‘hoe kwam die aan zijn
geld om aan die grote gronden te komen?’
[9] Later zou Van Booven zijn verblijf in Walden beschrijven in de
autobiografische roman Van de vereering des leevens (1906). Hoe de dandy Van
Booven het leven in de kolonie ervoer, blijkt ook uit een ongepubliceerd
typoscript over de belevenissen van ene ‘Rik’ aldaar: ‘Torsend zijn zwaar
valies, begon hij de wat moeizame wandeling door Bussums kronkelige wegen naar
“Walden”, waar Frederik van Eeden hem omstreeks vijf uur zou ontvangen.’
[10]
De Nerée tot Babberich
Rond 1900 is Van Booven bevriend met de dandykunstenaar Carel De Nerée tot
Babberich (1880-1909), de hyperindividualistische tegenpool van de idealisten
Gorter en Van Eeden. Het symbolistisch-decadente werk van de jonggestorven De
Nerée tot Babberich neemt in de Europese kunstgeschiedenis een bijzondere,
‘onnederlandse’ plaats in.
[11] Van Booven typeert De Nerée’s kunst als het product van ‘eener
donkere misdadige verbeelding’
[12] en stimuleert deze verbeelding door De Nerée
The early work (1899) van Aubrey Beardsley te schenken. Dit boek opent
een geheel nieuwe wereld voor de kunstenaar. Op zijn beurt zorgt De Nerée’s
stimulerende voorbeeld ervoor dat hij op diens kamer begint met schrijven:
[13]
En samen lazen zij de reuzen-decadenten en wel in het tijdperk toen een ferm cynisme onder hen ‘très à la mode’ was; Wilde en Aubrey Beardsley werden door hen de beste schrijvers genoemd die ooit geleefd hadden; Verlaine, Raimbaud [sic], Mallarmé, Rossetti, Rodenbach, Poe, Ibsen en Nietzsche werden als goden aanbeden. [14]
6
In Van Boovens literaire debuut – het bundeltje proza(gedichten) en
schetsen
Witte Nachten (1901) – is een curieuze, vage weerspiegeling van deze
lectuur terug te vinden.
[15] Natuurlijk lezen de jonge kunstenaars ook Couperus: ‘In de onbewogen
tijden van Couperus’ jeugd en van de onze waren de eerste romans van Louis
Couperus schrikwekkende zedebedervende boeken, verfoeilijk deterministisch
genoemd!’
[16]
Couperus inspireert De Nerée tot het tekenen van Jules uit Extaze:
wellicht één van zijn bekendste tekeningen.
Hoewel Van Booven later als schrijver een andere, minder
decadente en meer ‘psychologisch-realistische’ richting zou inslaan, heeft de
lectuur van Couperus blijkbaar een dusdanige indruk op hem gemaakt, dat hij
decennia later zich geroepen voelde om het leven van de Haagse auteur te
beschrijven.
Tropenwee
Zijn in Afrika bijgehouden dagboek werkt Henri van Booven om tot de sombere,
Conradachtige en ook nu nog indrukwekkende roman Tropenwee (1904). Het is
het aangrijpende verslag van de reis van de protagonist, ‘de witte’, in de
binnenlanden van Belgisch Congo. Niet alleen is het één van de zeer weinige
Nederlandstalige romans over deze kolonie, er spreekt bovendien een kritische
houding uit:
Omwille van de onaangepastheid van de blanke aan Afrika wijst Van Booven elke vorm van aanwezigheid in Afrika resoluut af. Europa heeft Afrika niets anders te bieden dan schraapzucht, Afrika Europa niets meer dan ziekte en dood. Deze ontnuchterende vaststelling laat voor koloniaal triomfalisme hoegenaamd geen ruimte en haalt het alibi voor de koloniale inmenging in Afrika volledig onderuit. (…) Dat van de roman overtuigingskracht en geloofwaardigheid uitgaan, bevestigen volgens Verthé en Henry [in hun Geschiedenis van de Vlaams-Afrikaanse letterkunde uit 1961, SB] ‘... wel de tientallen, misschien wel honderden jonge krachten die toen wellicht van een koloniale loopbaan droomden en nadien huiverend de idee hebben laten varen, na Tropenwee te hebben gelezen.’ [17]
De roman vestigde Van Boovens literaire reputatie en zou tot 1950 achttien maal herdrukt worden. Vestdijk schreef lovend in Forum:
Een der weinige zakelijk doorleefde Hollandsche boeken, die een romantische sfeer konden suggereeren zonder romantische trucjes, zonder intrige of liefdesverwikkeling, zelfs zonder die dreigende-wolk-op-den-achtergrond, die het slot van de bekende Congo-novelle van Joseph Conrad toch altijd nog ontsiert. [18]
Naast de vorm wordt overigens ook de vent gewaardeerd. Du Perron: ‘Ik moet dat Tropenwee van Van Booven dan toch eens lezen, als het zoo goed is. De man zelf is me nogal sympathiek, ook dat hij Couperus er weer “in” tracht te brengen.’ [19]
De schrijver
Van Booven schrijft na Tropenwee vlijtig door, maar kan het succes van
deze roman niet overtreffen en blijft aldus de auteur van ‘dat ene boek’. Hij
publiceert echter nog enkele onverhuld autobiografische romans, zoals De
Bruidegom en een romanreeks met de ondertitel De opvoeding waaraan ‘zorg’
wordt besteed, waaruit blijkt dat zijn jeugd hem
7
maar niet loslaat. Noemenswaardig is ook zijn korte ‘dandyroman’ De
fraaie comedie. Een Haagsch verhaal uit 1912. Bijzonder aardig zijn verder
zijn bundel Sproken (1907), ‘contes fantastiques’ à la Poe en Villiers de
l’Isle Adam, Een Liefde in Spanje (1928), een sleutelroman over Carel de
Nerée tot Babberich, en het bundeltje Kinderleven (1919) dat overigens,
zoals meer werk van Van Booven, ook door Couperus wordt gewaardeerd:
Ik kreeg gister een briefkaart van Louis Couperus waarin deze mij zeide dat hij graag werk van mij zal ontvangen en dat hij [het] heel mooi vond. (…) Hij herkende mijn werk al hoewel hij het niet ondertekend zag. [20]
Ook blijft Van Booven actief als (sport)journalist en schrijft hij nog
talloze artikelen en boeken – speciaal ‘voor jongens’ – over cricket en rugby.
In 1906 trouwt Van Booven met jonkvrouw Selima Lopes Suasso
(1885-1970). Een jaar later krijgen zij een dochter, Mima, die in 1985 zou
overlijden. Selima is de dochter van Couperus’ vriendin Anna
Lopez-Suasso-Aletrino en telg uit een aristocratisch Portugees-Joods geslacht.
Van Booven wordt hierdoor schoonfamilie en goede vriend van de kunstenaar David
Bueno de Mesquita (1889-1962) en Arnold Aletrino (1858-1916), beroemd
letterkundige, arts en homo-emancipator, met wie hij het echter minder goed kan
vinden.
In hetzelfde jaar gaat Van Booven schrijven voor de NRC
(waarschijnlijk dankzij zijn oom, hoofdredacteur Johan Zaaier) en diverse
tijdschriften, uiteenlopend van Buiten. Geïllustreerd weekblad aan het
buitenleven gewijd en Het weekblad voor Stand en Land tot
Elsevier’s en
De Nieuwe Gids. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog vertrekt hij als
oorlogscorrespondent naar België, waar hij door verslechterde toestanden aan het
front niet lang kan blijven. Wel legt hij zijn indrukken en ervaringen
gedetailleerd vast in zijn ‘dagboek van de grooten oorlog’, een uniek
ooggetuigenverslag van ‘al dat helsche’ dat de moderniteit aan de
negentiende-eeuwer laat zien.
[21] In deze jaren komt Van Booven in contact met Vlaamse
literatoren als Ernest Claes, Karel van de Woestijne en Cyriel Buysse.
Louis Couperus
Ten huize van Buysse ontmoet Van Booven eind 1915 de door hem al lange tijd
bewonderde Louis Couperus. Meer dan tien jaar later beschrijft Van Booven deze
ontmoeting als volgt in zijn biografie:
(…) en toen kwam Louis zelf, hoog, voornaam, de vorst onder onze intellectueelen. Groot, slank rechtop, gerokt, de handen beringd, rekkend een langen, gouden fijnen ketting, neerlijnend van zijn lorgnon over zijn witte vest. Eigenaardig waren zijn donkere oogen achter groote brilleglazen. Nog zie ik dat traag overwogen gebaar dier enorme handen. [22]
Direct na thuiskomst die avond herinnert hij zich echter nog meer details:
(…) en dan de Meester zelf. Het begin was bepaald wonderlijk, nog nooit heb ik zo’n eigenaardig gemaakt (en toch weer niet gemaakt [‘man gezien’ doorgehaald, SB] want het is zijn natuur) man gezien. Hij kwam al dandinerend binnen geschoven, met groote brilleglazen, gouden ketting om zijn hals, aan linkerhand vele schoone ringen, hoofd kaal, behalve twee krullige lokken booven ooren, niet te hoog boord, zwarte das met
8
wit randje. Hij was iets groter als ik[,] ik denk 1.85[.] Gelaatskleur roze (misschien gepoeierd). In smoking was hij, zonder plooi die hij ook niet verbrak door te gaan zitten, hij bleef staan. Hij zag er nog slank uit[,] helemaal geen buik met zijn 52 jaren. Groote handen (teeken van komend succes in de wereld) met lange welverzorgde nagels. [23]
Kort daarna – op 20 december – houdt Couperus in Hilversum een voordracht en dineert hij daar samen met Van Booven en enkele andere genodigden. Van Booven schrijft in zijn biografie over het karakter van deze lezing, zogenaamd uit zijn eigen dagboek citerend:
Hij gaf ons dien avond iets heel afzonderlijks, bijna heidensch getint, maar dat toch ook weer niet volkomen. Hij stond daar met iets spellends in zijn wezen, alsof hij reeds een deel was van den nieuwen tijd, van tijden der toekomst, die er zullen zijn wanneer deze oorlog, deze rampjaren van wanhoop en rouw tot de voorbije, vergeten dingen behooren. [24]
9
In Van Boovens dagboek is Couperus echter niet zozeer ‘bijna heidensch’,
alswel eerder een gereïncarneerde Griekse god: ‘Couperus gaf (…) dien avond zijn
evangelie een vreemde heidensche bloem (…), de dionysos in een atmosfeer van
rouw.’
[25]
Zo zijn er in Van Boovens dagboeken meer bijzondere, aardige
details te vinden die bekende feiten nader inkleuren. Schrijft hij in zijn
biografie over Couperus’ bezoek als een ‘heel feestelijke’ avond, over de
jubelende voorspanning en napret leest men daar niet: ‘Naarmate de ontmoeting
van de huisgenoten en buren nadert met den heer Couperus is een steeds
koortsachtiger stemming waar te nemen, de polsen slaan sneller.’
[26] Men is bang dat de meester in een slecht humeur zou zijn. Dat
blijkt echter niet het geval en Van Booven doet jubelend en uitvoerig verslag
van het geslaagde souper:
Ja Couperus heeft bij ons gesoupeerd. Hij was vol jeugd ondanks 52 jaren, een groot schrijver, onze éénige en uitnemende romancier (…) Het was heel feestelijk en tinkelend en het amuseerde mij enorm (…). Onvergetelijke avond[,] vivat Louis. Marie. Anne Couperus. [27]
Dat Van Booven vol was van Couperus is bekend, maar er blijkt haast geen
brief of aantekening van zijn hand te zijn waarin Couperus niet wordt
genoemd. Dat gaat soms vrij ver. Toen Van Boovens echtgenote bijvoorbeeld een
keer op pad was en hij alleen thuis achterbleef, schreef hij aan zijn goede
vriendin en Couperiaan Joanna Funke (1897-1993) dat hij dan maar zelf ‘a la
Couperus behoorlijk voor thé en zelf voor de koekjes [moest] zorgen’.
[28]
Naast deze trivialiteiten spreekt uit deze documenten, ondanks Van Boovens
vermeende ‘blinde bewondering’ voor zijn subject, soms ook een kritischere
houding tegenover zijn held: ‘Couperus moge klaarblijkelijk en ook
overeenkomstig zijn bekentenissen, bovenmenschelijk ijdel geweest zijn en voor
alles een Narcist (…).’
[29]
De biograaf
Nu Van Boovens nalatenschap beschikbaar is, doet de unieke kans zich voor om de
biograaf aan het werk te zien terwijl hij materiaal verzamelt, er vorm aan geeft
en aan het schrijven slaat. Op maandag 24 december 1923 schrijft hij een brief
aan Elisabeth Couperus, waarin hij haar op de hoogte stelt van zijn biografische
plannen en een bezoek voorstelt:
Ben in de Steeg enkele van de rijkste dagen van mijn leven gaan zien bij Elisabeth Couperus Baud, de rampzalige weduwe. Het waren steenkoude dagen met zon. Heel veel heb ik met haar besproken voor het boek, vooral over Couperus jeugd gaf zij mij interessante dingen. Ik deed maar niets dan aantekeningen maken. [30]
Nadere bestudering van deze aantekeningen en notities bieden wellicht een beter zicht op de feitelijke juistheid en betrouwbaarheid van zijn biografie; welke gegevens neemt hij niet op of negeert hij, wat citeert hij wel en wat juist niet? En wat voor consequenties heeft dat gehad voor het beeld dat wij van Couperus hebben?
Laatste levensfase
Na zijn Leven en werken van Louis Couperus verschijnen er van Van Booven
uitsluitend nog sportboeken. Zijn literaire werk krijgt hij niet meer
gepubliceerd. Zo schrijft hij na de
10
oorlog nog de roman Aan Stille Wateren, maar als haast vergeten
auteur kan hij er geen enkele uitgever voor interesseren, hoewel hij als ‘geen
ander dan Couperus (…) zóó de atmosfeer van 1900 in Den Haag heeft weer
gegeven’.
[31]
Inmiddels is Van Booven, mogelijk onder invloed
van zijn nogal ‘foute’ schoonzoon, lid van de NSB geworden. Hoe hij zich ook met
het steeds nadrukkelijker wordende antisemitisme kan verenigen – hij is met een
Joodse vrouw getrouwd en verkeert veel in Joodse kringen – is niet helemaal
duidelijk.
[32]
Omdat hij steeds meer last krijgt van reuma
vestigen Van Booven en zijn gezin zich in 1937 in Rome. Als de Tweede
Wereldoorlog uitbreekt, verblijven zij tijdelijk in Abbazia: ‘Wij leven als
tussen verschillende werelden en alles kan nog gebeuren. Maar wij verliezen hoop
niet, al nadert ouderdom met gebreken, en vaak zwaarmoedigheid.’
[33] Als ongewenste vreemdeling en als zodanig verdacht van
spionage wordt hij met zijn vrouw, zijn schoonmoeder, zijn dochter, zijn
kleinkind, zijn schoonzoon en diens moeder in Milaan vastgezet. In oktober 1943
zien ze echter kans om uit een brandend Milaan te vluchten en na een
‘onwaarschijnlijke zwerftocht’ weten ze Rome te bereiken, waar ze op
verschillende adressen onderduiken. Ook in deze jaren houdt Van Booven trouw
zijn dagboek bij en deze zwerftocht is aldus op de voet te volgen. De Van
Boovens zouden tot 1962 in Italië blijven wonen waar het Henri, net zoals zijn
beroemde Haagse vriend, eigenlijk beter beviel dan in het kille noorden. Na de
oorlog vindt Van Booven weer emplooi bij de
NRC
en is hij van 1946 tot 1953 als letterkundige verbonden aan het Ministerie van
Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Tot op het laatst blijft Van Booven zich bezighouden met
Couperus; hij zoekt door naar gegevens en schrijft essays, die echter niet
geplaatst worden. Ook probeert hij een
11
tweede druk van zijn biografie gepubliceerd te krijgen, maar uitgevers
zien er in deze jaren geen brood in. Inmiddels tracht hij, voor wie twee
generaties eerder de Tachtigers en Couperus de literaire avant-garde waren, hard
maar tevergeefs de nieuwe lichting schrijvers te begrijpen: vooral de waarde en
noodzaak van de ‘lesbische zotternijen’ van Blaman en de ‘smerigheid’ van Reve
ontgaan hem.
De laatste fase van zijn lange leven bracht Van Booven door
op landgoed Rosenburg te Den Haag, waar hij ‘uitmuntend [werd] verpleegd,
aanvankelijk tusschen zwakzinnigen, hele en halve krankzinnigen!’
[34] Krankzinnig was Van Booven zelf allerminst, maar eerder
gewoon ‘oud en op’. Op 31 januari 1964 overlijdt de 87-jarige
negentiende-eeuwer. Tien dagen later zouden The Beatles op Ed Sullivan
verschijnen en Time zou korte tijd later verklaren dat ‘the revival of Art
Nouveau had arrived’, gevolgd in de zomer van 1966 door de eerste moderne
Beardsley-expositie in het Victoria & Albert-museum.
[35] Daarover heeft hij helaas niet meer in zijn dagboek
kunnen schrijven.
| Noten | |
| 1. | Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.15 en idem, ‘Nawoord’ in: Henri van Booven, Leven en werken van Louis Couperus. Den Haag, 1981, p.297. |
| 2. | Aleid Truijens, ‘Couperus hielp mij de oorlog door.’ In: de Volkskrant 2001, 31 augustus [interview met Frédéric Bastet]. |
| 3. | Van Boovens nalatenschap is via zijn kleinzoon Jacob in particulier bezit gekomen en is een immens rijke bron: hij hield zijn hele leven dagboeken bij en schreef uitvoerige brieven aan vele letterkundigen, maakte aantekeningen en schreef memoires. Verder bevat zijn nalatenschap vele foto’s en tekeningen. |
| 4. | Veel was er in ieder geval niet bekend. Zie F.L. Bastet, ‘Nawoord’, p.300-302, idem, De grote wandeling. Schoorl, 2005, p.32-34; ‘Henri van Booven’ in: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Amsterdam, 1938 of zijn lemma in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (zie www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=boov001). Bastet: ‘Toen ik na de dood van Van Booven, die ik goed heb gekend, inzage kreeg in zijn nalatenschap, trof ik daarin een mapje aan over Couperus, het bevatte tien-twaalf velletjes met aantekeningen, niet meer. Niet bepaald een rijke vondst dus.’ (Cees van Hoore, ‘Een dandy tegen wil en dank.’ In: Leidsch Dagblad 1987, 3 oktober. En in een brief aan de auteur dezes dd. 9 februari 2006 schreef hij: ‘Wat Albert Vogel en ik door zijn dochter onder ogen hebben gehad stelde oprecht niet veel voor. Zij bezwoor [sic] ons destijds dat er werkelijk verder niets meer was.’ |
| 5. | Memoires van Henri van Booven in het Van Booven-archief. |
| 6. | Dagboek 1919, 1 december (Van Booven-archief). |
| 7. | Brief S. de Vries-van Booven aan dr. Scheffer dd. 4 juli 1977 (Van Booven-archief). |
| 8. | J. Greshoff, ‘Gesprek met Henri van Booven.’ In: Den Gulden Winckel, nr. 9 (1910), p.66-69. |
| 9. | Brief S. de Vries-van Booven aan dr. Scheffer dd. 4 juli 1977 (Van Booven-archief). |
| 10. | Van Booven-archief. |
| 11. | Vergelijk D. Veeze, Carel de Nerée tot Babberich. [Den Haag], 1982; Carel de Nerée tot Babberich, De inkt is horribel. Brieven en tekeningen. Amsterdam, 1980; C. Blotkamp e.a., Kunstenaren der idee. Symbolistische tendenzen in Nederland ca. 1880-1930. Den Haag, 1978. |
| 12. | ‘Laura en Laetitia.’ In: Henri van Booven, Sproken. Tweede vermeerderde druk. Amsterdam [1915], p.132. |
| 13. | D. Veeze, Carel de Nerée tot Babberich. |
| 14. | Henri van Booven, Van de vereering des leevens. Bussum, 1906, p.41-42. |
| 15. | M. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en cultuur van het Nederlandse fin de siècle. Amsterdam, 2001, haalt het verscheidene malen aan. In 1896 had hij reeds de brochure Dieet en sociaal belang gepubliceerd. In een brief aan Van Eeden 28 januari 1903 (U.B.A.) en in brieven aan Van Dishoeck uit dezelfde tijd is sprake van een dichtbundel Keerkringen. Het is niet duidelijk is of deze ooit is verschenen. |
| 16. | Memoires van Henri van Booven (Van Booven-archief). |
| 17. | L. Renders, ‘De wrede tropen. Kritisch Nederlandstalig Kongo-proza.’ In: Tydskrif vir Nederlands & Afrikaans 3 (1996), nr.2, p.176-195. Recent over Tropenwee: J. Bel, ‘Eén koloniaal systeem, twee visies? Notities bij de literatuur van Congo en Nederlands Indië rond 1900-1930.’ In: ZL. Literair Historisch Tijdschrift 6 (2007), nr.2, p.14. |
| 18. | S.V. [ = Simon Vestdijk], ‘Regeneratie door deportatie’ In: Forum 3 (1934), nr.3, p.40-41. |
| 19. | Brief van Du Perron aan Donkersloot dd. 29 mei 1929. In: Piet Delen e.a. (ed.), Du Perron. Brieven I. Amsterdam, 1977, p.378. |
| 20. | Dagboek Van Booven, 15 november 1919 (Van Booven-archief). De brieven van Couperus aan Van Booven, waarvan zeker is dat het er meer zijn geweest dan het ene briefkaartje in de collectie-Eekhof, zijn vooralsnog niet opgedoken. |
| 21. | A. v. W., ‘Een interview met Henri van Booven’ in: De Ploeg 8 (1930), nr.3. |
| 22. | Henri van Booven, Leven en werken van Louis Couperus. Den Haag, 1981 (tweede druk) p.222. |
| 23. | Dagboek Van Booven, 16 november 1915 (Van Booven-archief). |
| 24. | Henri van Booven, Leven en werken van Louis Couperus, p.225-226. |
| 25. | Dagboek Van Booven, 21 december 1915 (Van Booven-archief). |
| 26. | Idem, 19 december 1915. |
| 27. | Idem, 21 december 1915. |
| 28. | Brief aan Joanna Funke, 12 oktober 1928 (Van Booven-archief). |
| 29. | Memoires Van Booven (Van Booven-archief). |
| 30. | Dagboek Van Booven, 9 januari 1924 (Van Booven-archief). |
| 31. | Greshoff aan Stols, 9 september 1954 (Salma Chen en S.A.J. van Faassen (ed.), Ik ben overbodig geworden! Briefwisseling J. Greshoff – A.A.M. Stols. 1952-1956 (deel 3). Den Haag, 1992, p.164. |
| 32. | Zie C. Vergeer, ‘Een foute broek.’ In: De Parelduiker (1998), nr.4-5, p.144; A.A. de Jonge, Het Nationaal- Socialisme in Nederland. Den Haag, 1968, p.113. Brief aan Reyneke van Stuwe, 27 februari 1939 (Van Booven-archief). |
| 33. | Dagboek Van Booven, 1 januari 1942 (Van Booven-archief). |
| 34. | Brief aan Joanna Funke 1 februari 1962 (Van Booven-archief). |
| 35. | Anoniem, ‘A New Look at Art Nouveau.’ In: Time 52 (1964), p.62. |