Een kleine stilistische vergelijking
Couperus en D'Annunzio
![]() |
Als het om decadentisme gaat, worden ze vaak in
één adem genoemd: Louis Couperus en Gabriele d'Annunzio. Wie zich echter verdiept in hun
persoonlijkheden en oeuvre zal eerder grote verschillen dan nauwe verwantschap ontdekken.
Er zijn zeker overeenkomsten in hun werk, vooral op het stilistische vlak. Aan dat aspect
is tot nog toe weinig aandacht besteed.
Door Erik Löffler
Dat Couperus tot de decadentistische schrijvers gerekend zou mogen worden, is sinds
de publicatie van Louis Couperus en het decadentisme door Luc Dirikx [1] niet meer
zo vanzelfsprekend. Het noodlot dat zijn personages treft, zo betoogt Dirikx, is geen
blind 'fatum', maar kan veelal herleid worden tot erfelijke of sociale factoren die hun
karakter en persoonlijkheid bepaald hebben. Hun wereldvreemdheid, excentriciteit, hang
naar verfijning of levensmoeheid overschrijden bovendien zelden een bepaald burgerlijk
kader. De typische 'Héros décadent' treffen we in Couperus' werk eigenlijk slechts
éénmaal aan, en wel in De berg van licht, een roman die door Mario Praz
omschreven is als 'the only [...] thoroughly decadent novel, which by all standards is
great
literature'. [2] De hoofdpersoon, keizer Heliogabalus, kan een vergelijking
doorstaan met Des Esseintes, Dorian Gray, De Fréneuse en Gabriele d'Annunzio's Andrea
Sperelli. [3]
Superuomo
De Italiaanse schrijver Gabriele d'Annunzio kan met meer recht een decadentist worden
genoemd. Zijn meest geslaagde creatie was zijn eigen persoon, zoals onmiskenbaar blijkt
bij een bezoek aan zijn huis of bij lezing van een van de vele bio(soms welhaast:
hagio)grafieën. Zijn halsbrekende wapenfeiten als vliegenier, met als hoogtepunt zijn
propagandavlucht over Wenen in 1915, en zijn herovering in 1919 van Fiume (tegenwoordig
het Joegoslavische Rijeka) met driehonderd vrijwilligers hebben sterk aan zijn roem
bijgedragen. Zijn poging om zich te ontwikkelen tot een 'superuomo', de alles kunnende en
alles veroverende Nietzscheaanse Übermensch die we eveneens in zijn romans tegenkomen
(bijvoorbeeld Stelio Effrena in Il Fuoco, 1898), was helaas minder overtuigend,
mede door zijn aanhoudende gebedel bij de overheid om medailles.
Couperus wist van het bestaan van zijn tijdgenoot, maar in welke mate
hij zijn oeuvre kende, is niet duidelijk. Eén van de grote liefdes van de schrijver heeft
hij persoonlijk ontmoet: de actrice Eleonora Duse. Ook heeft hij tijdens een verblijf in
Florence D'Annunzio's Fedra voorgelezen aan een aantal hotelgenotes. [4] Misschien
was zijn kennis van het Italiaans niet voldoende voor het zeer ontoegankelijke taalgebruik
van de schrijver, maar hij kan er kennis van hebben genomen door middel van toen reeds
bestaande Franse vertalingen.
Het verschil tussen de persoonlijkheid van Couperus, uiteindelijk toch
aimabel, misschien als een dandy gekleed maar zich niet werkelijk zo gedragend, en de
excentrieke D'Annunzio wordt gereflecteerd in hun beider oeuvre: de soms duizelingwekkende
hoog-
31
te- en dieptepunten (ook in morele zin) die we in D'Annunzio's werken tegenkomen,
ontbreken bij Couperus. Beide schrijvers hebben in veel van hun personages iets van
henzelf gelegd, hetgeen het verschil in karakter van beide oeuvres verklaart. Toch zijn er
ook overeenkomsten in hun werk, en wel in de eerste plaats op het stilistische vlak. Tot
nog toe is daar weinig of geen aandacht aan besteed. Zo hebben ze beiden de grenzen van de
taal verkend. Waar Couperus bijvoorbeeld speelde met inversie van de woordvolgorde en met
ongebruikelijke woordvormen of -samenstellingen ('triltintelen'), lag bij D'Annunzio de
nadruk op archaïsmen (of archaïserende neologismen) en gezocht woordgebruik. Ook
letterlijk: hij maakte bijvoorbeeld graag gebruik van technische vakwoordenboeken om met
specialistische termen te kunnen strooien. Beide schrijvers worden verder gekenmerkt door
een sterk esthetiserend, gekunsteld, in wezen onnatuurlijk taalgebruik.
Wulps, vruchtbaar en zinnelijk
Ter vergelijking worden hier tweemaal twee passages naast elkaar geplaatst. De
overeenkomsten tussen beide schrijvers komen met name naar voren in teksten waarin ze
behoorlijk 'op dreef' zijn. Eerst volgen hier twee idyllische, welhaast zinnelijke
beschrijvingen van een tuin. De hang naar het esthetische van beide schrijvers komt er
duidelijk tot uiting. De eerste passage komt uit Couperus' Eline Vere: Eline
wandelt met haar verloofde Otto in de tuin van de Horze.
Zij nam zijn arm in den hare en zij dwaalden een oogenblik zwijgend in de groote lanen van het park, onder het zwoele loover der hooge eiken, stovende in de Juli-ochtendzon. Groote varens hieven hunne lange waaierbladen op aan de boorden der slooten, die, blauwend groen, zich overglansden met tinten van metaal en email, en spinnen hadden van stengel tot stengel hare fijne webben geweven als uit draden van zilverig glas. Hier en daar schemerde, vergeeld wit en fluweelig van een woekerend mos, een verminkt beeld op een voetstuk, een Flora of een Pomona. Een adem van vuur scheen van boven uit het geblaârte neêr te zinken over de paden, waarlangs als onkruid de wilde kamperfoelie, zoet van geur, bloeide en hare verwarde stengels van heester op heester slingerde, terwijl uit het broeiende groen de dolle kervel hoog opschoot, met tal van blanke zonneschermpjes. [5]
De volgende passage komt uit D'Annunzio's Il fuoco. Tijdens een feest in een Venetiaans stadspaleis begeeft een deel van de gasten zich in de tuin, in de duisternis.
Na hun afdaling in de tuin waren de gasten verspreid over de lanen en onder de pergola's. De nachtelijke bries was vochtig en lauw zodat de gevoelige oogleden haar op hun wimpers voelden, bijna als een wispelturige mond, die nadert om ze licht te beroeren. De verborgen sterren van de jasmijn geurden krachtig in de schaduw; en de vruchten geurden ook, als in de tuinen van de eilanden, sterker. Een felle, krachtige vruchtbaarheid dampte op uit dat kleine lapje levende grond, dat een balling leek, zo strak ingeklemd in het keurslijf van waterwegen. Zo wordt een ontheemde ziel in haar gevoelen versterkt. [6]
Beide passages gaan over de natuur, maar weerspiegelen tegelijkertijd de stemming van geliefden die deze natuur ondergaan. Bij Couperus zijn het de dromerige Eline en haar weinig hartstochtelijke Otto, bij D'Annunzio dient de beschrijving van de tuin als inleiding op een zeer hartstochtelijke ontmoeting tussen Stelio en Foscarina, waarbij de bijna
32
ontembare gevoelens van Foscarina als het ware ingeleid worden door de zinnelijke
beschrijving van de tuin. Door middel van een welhaast tastbare (zo men wil: ruikbare)
beschrijving van de natuur geven beide schrijvers de gevoelens van hun personages weer,
alsof we de natuur door hun ogen ondergaan. Dat het in de tuin van D'Annunzio donker is
zal niemand verbazen: de wulpse, vruchtbare, zinnelijke 'stemming' van deze tuin zou het
daglicht zeker niet kunnen verdragen.
Compositie
In de twee volgende passages verdringt een mensenmassa zich in en rond een heilige ruimte.
In de eerste passage, uit Couperus' De berg van licht, stroomt een uitzinnige
menigte de tempel van Heliogabalus binnen:
33
Buiten boènghden de razende gongs, alles tegelijk en heel snel; een spatteren van klanken daverde over den tempel en om den tempel en als van een zee werd het bruischen der Menigte: plòts golfde zij met een stormslag heen en weêr, heen en weêr, of aardbeving den tempelgrond schudde, kreten galmden, schreeuwen overgìlde, handen hieven zich, vingers wrongen hysteriesch uit boven de dicht geplakte koppenmassa, hongerende van hun verlangen; wie viel, werd niet meer geacht, werd vertrapt; een kind was onder den voet gekomen, en hoe de moeder ook gilde, vertrapt werd het tot moes, tot bloed en wat krakende beendertjes, dadelijk weggevaagd door de schuifelgolvende massa. Niemand achtte meer, zelfs de moeder niet: de immense poorten van den Hoofdingang sloegen metaalklaterende open, zongen koperschel in hare hengsels, en te gelijker tijd
34
schoven de bronszware gordijnen des Allerheiligste plechtstatiglijk uit een en werden de in schaduw gebaade oogen der Menigte verbijsterd, verblind zoowel hièr als daar, door de zonnefelte van het lucht-opene heiligdom, waarin oprees de Zwarte Steen, als door den brutalen gloed, die binnengoot, door de poorten. Een hymne vanuit het heiligdom heerlijkte òp, falsetzang van priesters en fluitgepijp van speelsters, onderbroken door cymbelgekletter, pogende òp te klateren tegen de stervende gongslagen van buiten, en een tweede hymne antwoordde als met antistrofe van de poorten af, waar boven-uit de verschrikte paarden der kavallerie tot hoorbaar in den tempel toe hinnikten. Eén razende golf, deinde de Menigte naar de poorten toe, aan tegen de wacht der veliten, die dreigen moesten met speerpunt en dolk zelfs; eén razende golf, om den Optocht te zien binnenvloeien, van uit den brutalen poortengloed in de apadaña-schemering, toe naar de zonnefelte des heiligdoms. [7]
Uit Gabriele D'Annunzio's roman Il trionfo della morte (1894) volgt hier een bezoek aan een plaatselijk Maria-heiligdom, op de dag van het jaarlijkse Maria-feest. Zieken en gebrekkigen verdringen zich massaal rond de kerk, met ijdele hoop op genezing. In de menigte mengen zich ook acteurs, kwakzalvers, zwervers en zakkenrollers.
Nieuwe scharen naderden, trokken voorbij. Een aanhoudende, steeds weer nieuwe mensenstroom hield aan in de verwarde menigte; een onveranderlijke cadens overheerste het geraas. Langzaam maar zeker onderscheidde het oor alleen nog maar de naam van Maria als doffe ondertoon van alle rumoer. De hymne overwon het lawaai. De aanhoudende potige vloedgolf beukte tegen de door de zon in vlam gezette muren van het heiligdom. 'Leve Maria! Leve Maria!'. Nog even bekeken Giorgio en Ippolita verward en verdwaasd de afschrikwekkende menigte waar een weerzinwekkende stank uit opsteeg, waar af en toe de opgemaakte gezichten der mimespelers, de ingezwachtelde hoofden van de sibillen in opdoken. De walging greep hen naar de keel, noodde hen te vluchten; maar de aantrekkingskracht van het menselijk schouwspel was sterker, hield hen vast in het gedrang van de mensenmassa, bracht hen daar waar de ellende het meest zichtbaar was, waar de excessen van wreedheid, onwetendheid, bedrog het ergst leken, waar het gekrijs het doordringendst was, waar de tranen stroomden. [...] Ze doolden en doolden zonder ooit halt te houden, hun pas versnellend, hun stemmen verheffend, verdoofd door de zon die op hun hoofden beukte, opgezweept door de kreten van de bezetenen en door het lawaai dat ze van binnen hoorden komen als ze voorbij de deur kwamen, bezeten van een woeste razernij die hen rijp maakte voor bloederige offers, vleselijke kwellingen, onmenselijke beproevingen. Ze doolden en doolden, met als enig verlangen naar binnen te gaan, zich te kunnen werpen op de heilige vloer, met hun tranen de groeven te kunnen vullen die duizenden en duizenden knieën er hadden uitgesleten. Ze doolden en doolden, in aantal zich steeds vermeerderend, wringend en dringend, met zo'n eensgezinde woestheid dat zij niet meer een samendringen van individuen geleken, maar veeleer een uniforme massa van een of andere blinde materie die voortgestuwd werd door een wervelende, kolkende kracht. [8]
Ook de overeenkomsten tussen deze twee passages zijn opmerkelijk. Om een bepaalde stemming op te roepen wordt de taal tot in haar uitersten benut, niet alleen door opmerkelijk woordgebruik maar ook door de 'compositie' als geheel die, als ware het muziek,
35
de lezer stap voor stap naar een hoogtepunt leidt. Wel ontbreekt bij D'Annunzio in dit
geval het esthetiserende element; het gruwelijke en afstotende lijkt bij hem hoofdzaak te
zijn.
Distantie
Slechts nader onderzoek zou kunnen uitwijzen of er in deze citaten of elders in de oeuvres
van deze taalkunstenaars sprake is van een wederzijdse beïnvloeding, dan wel of beide
schrijvers eenvoudigweg doordrenkt waren van eenzelfde tijdsgeest. Vast staat dat de
scheidslijn tussen decadentisme, heroïsme, estheticisme en andere -ismen ook in de
literatuur niet scherp getrokken kan worden. Men vergelijke hierbij ook Huysmans, die
weliswaar een van de beroemdste decadente romans heeft geschreven, maar die in andere
werken minsten even sterk door de vele andere negentiende-eeuwse -ismen beïnvloed blijkt
te zijn.
Tot slot wil ik nog iets opmerken over de zin 'Niemand achtte meer, zelfs
de moeder niet' (mijn cursivering, EL), in de passage uit De berg van licht.
Hoewel waarschijnlijk niet zo bedoeld, lokt zij toch een glimlach uit: deze overdrijving,
een moeder die zo onder de indruk is dat ze haar verpletterde kind gelijk al weer vergeten
is, lijkt mij iets te ver doorgeschoten. En een glimlach, zelfs bij lezing van zijn meest
gevoelige passages, zou Couperus ons mijns inziens niet kwalijk hebben genomen. Want
Couperus bezag zijn onderwerpen, zichzelf, ja het leven met een knipoog. D'Annunzio
daarentegen nam zijn personages en zichzelf bloedserieus. Dit verschil in distantie tot de
eigen persoon en tot de eigen literaire scheppingen is in de eerste plaats een
weerspiegeling van twee verschillende persoonlijkheden, maar misschien ook wel een beetje
een verschil tussen twee culturen, of tussen Noord en Zuid.
| Noten | |
| 1. | Luc Dirikx, Louis Couperus en het decadentisme. Een thematologische confrontatie. Gent, 1993. |
| 2. | Idem, p.16. |
| 3. | Personages uit respectievelijk: A rebours (1884 ) van J.-K. Huysmans, The picture of Dorian Gray (1891) van Oscar Wilde, Monsieur de Phocas (1901) van Jean Lorrain en Il fuoco (1900) van Gabriele d'Annunzio. |
| 4. | Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.329. |
| 5. | Louis Couperus, Eline Vere. Volledige Werken Louis Couperus, deel 3, p.435-436. |
| 6. | Gabriele D'Annunzio, Il fuoco. In: F. Roncoroni (ed.), Gabriele d'Annunzio. Prose. Milano , 1983, p.221 (vertaling Erik Löffler). |
| 7. | Louis Couperus, De berg van licht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 24, p.54-55. |
| 8. | Gabriele D'Annunzio, Il trionfo della morte. In: F. Roncoroni (ed.), Gabriele d'Annunzio. Prose. Milano, 1983, p. 163-164, 167 (vertaling Erik Löffler). |
(Uit: Arabesken 9 (2000), nr.17, p.30-35.)