Drama van de ‘aangenaamste schrijver van de Nederlandse literatuur’
De stille kracht op toneel
De naam van schrijver/regisseur Ger Thijs lijkt zo langzamerhand
onlosmakelijk verbonden met Louis Couperus. Met De stille kracht
brengt hij zijn derde toneelstuk dat is gebaseerd op een roman van de
Haagse auteur op de planken. Een impressie van een repetitie en een
gesprek met Thijs over de voorbereidingen, de bewerking, kolonialisme
en Couperus.
Door Rémon van Gemeren
In de repetitieruimte van Hummelinck Stuurman Theaterbureau, gevestigd aan de fraaie
Da Costakade in Amsterdam, werkt een gezelschap van elf mensen aan de opvoering
van het toneelstuk, begeleid door het onstuimige gedreun van drilboren die het
naastgelegen grachtenpand aan een nieuw leven moeten helpen. Regisseur Ger Thijs, die
tevens de bewerking maakte, leidt met losse hand. Men is zojuist de vierde repetitieweek
ingegaan. Over ruim een maand, op 28 oktober, zal de première plaatsvinden in de Leidse
Schouwburg. De acteurs kennen hun tekst grotendeels uit het hoofd, zodat de regieassistente
niet al te vaak meer hoeft bij te springen. In het bestek van een uur worden
drie scènes herhaaldelijk geoefend, één waarin resident Otto van Oudijck onder druk gezet
wordt om het ontslag van de regent ongedaan te maken, één waarin Eva Eldersma tegen
haar man Onno zegt dat ze Indië wil verlaten, en de laatste scène waarin verwijdering
ontstaat tussen de donkere Ida en de blanke Frans van Helderen.
Het repeteren, zo constateert Thijs tevreden na afloop, is die dag heel prettig
verlopen. Het meeste ‘priegelwerk’, waarbij men soms urenlang bezig was met enkele
zinnen, is zo goed als voorbij. ‘Wij zijn zojuist aan de tweede fase begonnen. Vrijdag en
zaterdag hebben we een doorloop gehad, en nu kunnen we wat losser werken. Je moet
acteurs ook de ruimte geven om het te leren uitvoeren. Die mensen gaan het 78 keer
spelen. Er moet een soort openheid in zitten.’
Openheid
Van die openheid is tijdens het repeteren veel te merken. Er heerst een ontspannen
sfeer; er wordt gelachen, gegrapt door acteurs die toekijken. Nu en dan wordt er wat
gegeten en koffie gedronken. Tegelijkertijd is er, vooral bij hen die op dat moment bezig
zijn, een bijna voortdurende intensiteit, een ernst. Alle negen acteurs reageren veelvuldig
op elkaar, overleggen vaak, soms achter de rug van de regisseur om. Thijs vindt het
prima: uiteindelijk moet het hún toneelstuk worden. ‘In het begin van het proces is mijn
voorsprong op de acteurs heel groot. Ik heb immers de bewerking gemaakt. Bovendien
is het nogal een ingrijpende bewerking. Maar op een bepaald moment halen ze je in en
gaan ze ermee verder. Je kijkt er naar, maar eigenlijk is je werk gedaan. Je wordt ook
door de acteurs op een bepaalde manier uitgestoten, in de zin dat de acteur nu speelt
voor mijn goedkeuring. Straks speelt hij voor de goedkeuring van het publiek. Dan is
er een derde partij die op dat moment machtiger is dan ik, en dat levert vrijwel altijd
misverstanden op. De interactie verandert. De interactie met het publiek is altijd wat
5
grover dan met de regisseur, omdat de groep groter is. Maar dat is
eigenlijk de grap.’ Thijs ziet het om die reden als zijn taak iedereen
verantwoordelijk te maken voor het toneelstuk, in een open werkproces, zodat de
acteurs elkaar later in de gaten kunnen houden. Enkelen onttrekken zich daar
enigszins aan en moeten gedwongen worden er aan mee te doen. ‘Maar het is een
fantastische groep. Iedereen is heel erg dol op het stuk, er is mooi werk voor
iedereen. Alle personages ontwikkelen zich op een mooie manier.’
Actualiteit
De acteurs hebben de roman van Couperus gelezen, de meesten weliswaar pas in de
zomervakantie. Ze waren verbaasd over de bewerking, want Thijs heeft veel
‘bijplots’ verwijderd. Er is het nodige samengevoegd en gecomprimeerd. Zo komen
Doddy en Addy niet in het stuk voor. ‘Je hebt de driehoek de resident, Theo, de
stiefzoon, en de stiefmoeder. Je kunt die fataler maken door de andere minnaar
weg te laten. Ik heb Addy gecombineerd met Eldersma.’ Léonie van Oudijck krijgt
in plaats van met Addy een affaire met Onno Eldersma, die zo een extra ‘functie’
vervult.
6
Het toneelstuk begint met de aankomst van Eva en Onno Eldersma, de secretarisresident.
Hierdoor kan Thijs de toeschouwer een blik in de Indische wereld en een
exposé verschaffen, aangezien zij als vreemden arriveren. Het echtpaar, en met hen
het publiek, krijgt dan bijvoorbeeld al te horen dat Léonie van Oudijck overspel pleegt.
Het negental personages bestaat verder uit Ida en Frans van Helderen en de regent en
diens moeder. Thijs laat Ida enigszins radicaliseren, islamitischer worden, waarbij ze
vervreemdt van haar man. Het Indische personeel is omwille van de overzichtelijkheid
beperkt gebleven tot twee mensen.
Het kleine aantal personages is voor Thijs voldoende om het verhaal te
vertellen. Iedere rol behelst een bepaald politiek standpunt. Naast Ida, de inlandse
die radicaliseert, is er Frans, die een politiek voorstaat van begrip tonen voor en
samenwerken met de bevolking, terwijl Van Oudijck wars is van empathie, omdat dit
volgens hem het begin van het einde is, van een onvermijdelijk vertrek uit het land.
Thijs: ‘Toen de compagnie werd gesticht, begon men met de knop erop, niet met begrip.
Dat is de enige manier waarop je een kolonie kunt regeren. Al die standpunten worden
in het stuk uitgesproken. Die politieke lading heb ik naar boven gehaald en door de
radicalisering van Ida geactualiseerd.’
Kolonialisme
De actualiteit schemert door in alle toneelstukken van het vierluik dat Thijs over
Nederlands-Indië/Indonesië maakt. Max Havelaar, uit 2005, was het eerste deel. ‘Dat was
een ingrijpende bewerking, omdat Multatuli geen romanschrijver is, maar een pamflettist.
Dat was dus lastig, maar het had diepte. Je zou kunnen zeggen dat Max Havelaar niet
zozeer gaat over de legitimiteit van het kolonialisme, maar over de manier waarop men
ermee omgaat. Multatuli zei alleen maar: “luister goed naar mij. Doe het zoals ik wil, dan
gaat het beter. Laat die mensen wat meer van hun koffie houden.”’
In De stille kracht, het tweede deel, ligt dat anders. ‘Couperus laat op het eind door
Van Oudijck zeggen: mensen komen hier om rijk te worden en als ze dat niet lukt, beginnen
ze te schelden. Uiteindelijk wensen ze dat ze waren thuisgebleven. En Van Oudijck zegt dan
ook: we hebben hier niets te zoeken. Daar begint het terugtrekken eigenlijk al.’
Hierna wil Thijs Van oude menschen… op toneel brengen. In 1999 regisseerde
hij reeds een bewerking van Willem Jan Otten ter gelegenheid van de heropening van
de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. ‘Dat was niet echt gelukt, dus ik heb nu een
nieuwe bewerking gemaakt. Die is eigenlijk nog radicaler dan die van De stille kracht,
want die speelt in het tijdsbestek van de nacht dat de oude mevrouw Dercksz sterft.
Heel gecomprimeerd. In Van oude menschen… is de verbinding met Indië nog sterk door
het misdrijf dat daar gepleegd is, en doordat de familie er nog een fabriek heeft die een
noodlijdend bestaan leidt. Dat heb ik ook iets naar boven gehaald.’
In het vierde en laatste deel wil Thijs het Nederlandse standpunt over het koloniale
Indië helemaal loslaten. In dat verhaal staat de koloniale geschiedenis centraal zoals die
door Indonesische ogen wordt bekeken. Thijs denkt aan een bewerking van een roman
van de in april overleden Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer. ‘Die heeft in
Nederlandse gevangenschap gezeten en heeft daar een prachtig boek over geschreven
dat In de fuik heet. Een heel mooie schrijver. Het lijkt me fantastisch om het werk af te
sluiten met een verhaal vanuit Indonesisch standpunt.’
Wat Thijs met name interessant vindt aan het kolonialisme is dat het doordringt in
de actualiteit. De nadruk in zijn stukken ligt op de onoplosbaarheid van de problemen die
7
met het koloniseren gepaard gaan. ‘Het vreemde is natuurlijk, en misschien zou daar het
laatste deel over moeten gaan, dat alle ellende waar we nu mee zitten toch begonnen is
met die koloniale systemen. De arrogantie waarmee we in de negentiende eeuw rechte
lijnen trokken door Afrika, daar zitten we nu mee, want daar barsten nu stamoorlogen
los. Het continent is voorgoed verpest, doordat het onze waarden heeft opgedrongen
gekregen, onze systemen.’
Rationaliteit
Om actualisering in De stille kracht tot stand te brengen heeft Thijs deze roman van
Couperus meer bewerkt dan bijvoorbeeld De boeken der kleine zielen. ‘Bovendien,
wat heel lastig is en waar Couperus zelf ook een beetje mee knoeit, is die stille kracht
zelf. Het is een beetje boebeleboe met glazen die springen en natuurlijk de beroemde
sirihspugerij met Pleuni Touw. Ik dacht dat iedereen zou vinden dat dat erin moest. Het
zit er ook in. Maar wat de stille
kracht nou eigenlijk is, dat weet
Couperus ook niet zo goed. Dus
hij laat een paar rare dingen
gebeuren. Voor de bewerking
voor toneel moest ik daar iets
voor vinden, want op toneel zijn
dit soort dingen altijd heel flauw.
Ik dacht toen: de stille kracht is
eigenlijk niets anders dan dat die
kolonialen aan zichzelf ten gronde
gaan, omdat ze met elkaar
aan het knoeien zijn, omdat ze
het niet meer weten. En dat is
eigenlijk in het boek ook zo. Ze
willen de Indiërs niet naderen, ze
willen geen omgang met hen. De
resident heeft als standpunt: ik ben eerlijk, wie goed doet, goed ontmoet. Maar daar redt
hij het niet mee. Dan weet hij het niet meer, hij raakt in volledige verwarring. Hij zegt op
het einde dan ook: er zijn dingen gebeurd die ik niet snap en daarom dring je nooit tot ze
door. Met zijn rationaliteit komt hij er niet meer.’
De onverenigbaarheid van twee culturen is volgens Thijs de
essentie van de koloniale problemen. ‘Er is het standpunt van de compagnie: hak
er een paar duizend in de pan en zeg tegen de rest: werk. Gruwelijk, maar
duidelijk. Langzaam komt zo’n geknecht volk tot zichzelf en verzet zich dan op
eigen manieren, met al het gedoe dat daar het resultaat van is. Maar onze
generatie zegt dat we dat anders moeten gaan proberen. Zij doet een poging tot
begrip.’ Die poging kan met niets anders eindigen dan loslaten. Echt respect
tonen voor een gekolonialiseerd volk betekent het helpen om voor zichzelf te
zorgen. ‘De tijd kan misschien nog iets goed maken, hoewel het op een continent
als Afrika niet opschiet. Maar in andere landen zie je wel dat er ruimte is, dat
het beter gaat. De islam is natuurlijk ook een emancipatiebeweging die, als die
niet gepaard ging met zoveel ellende en geweld, misschien hartstikke goed zou
kunnen zijn. Door die beweging krijgen ze een nieuw zelfbewustzijn. In deze
vreemde overgangsperiode is zij echter iets gevaarlijks, iets griezeligs.’
8
Beetje cheap
Los van de geëngageerde lading in het stuk, en misschien wel in de eerste plaats, vindt
Thijs het een genot om met Couperus bezig te zijn. ‘Het is de aangenaamste schrijver
uit de Nederlandse literatuur. In zijn betere boeken hoef je niet door die tijdgebonden brij
heen, zoals van de naturalisten, die vonden dat het allemaal zo vreselijk echt moest zijn.
Dat heb je in de moderne literatuur ook: bij Mulisch moet je door de metafysica heen.
En bij De avonden van Gerard Reve moet je door die heel bewuste gebeurtenisloosheid
heen. Al dat gezeur over haaruitval! Couperus is een echte negentiende-eeuwer, hij
durft ook een beetje cheap te zijn. Als ik op een bepaald punt het voorgevoel krijg dat
er op het einde van een hoofdstuk iets zal gebeuren, dan krijgt iemand bijvoorbeeld
een hartaanval, zoals in de Kleine zielen bij die oom gebeurt. Dat is het lekkere van de
negentiende-eeuwse literatuur, wat je ook terugziet in de hedendaagse musicals. Het
is niet voor niets dat ze Les Misérables of Het Spook van de Opera nemen. Dat zijn
gewoon lekkere verhalen. Bovendien is Couperus een theatrale schrijver in de zin dat elk
hoofdstuk een scène is en dat hij goede dialogen schrijft. Hij zegt alles drie keer. Dat is
typisch voor die tijd, maar hij dacht natuurlijk ook: dat is weer een bladzijde.’
Bij de bewerking van de Kleine zielen heeft Thijs niets anders gedaan dan dialogen
uit het boek halen en alles groeperen. Dit zegt veel zegt over het vermogen van Couperus
om drama te maken, over de theatraliteit van het boek. Dat geldt ook voor De stille
kracht. ‘De figuren zijn mooi, die kun je op een heel eenvoudige manier van elkaar
loszetten. Het is sterk materiaal. Het is objectief. Het is verbazend dat Couperus dat
kon. Dat is denk ik de reden waarom het boek zo populair gebleven is en waarom er een
goed stuk van te maken is.’
Conflict
Inmiddels heeft Thijs De stille kracht ook bewerkt tot een filmscenario. Wanneer de
opnames voor de film zullen aanvangen is nog niet zeker. Druk van de legendarische
serie uit 1974 voelt hij niet. Hij heeft zelfs profijt van de serie gehad. Aangezien, naar
9
zijn zeggen, de meeste acteurs nauwelijks lezen, heeft hij ze aangeraden eerst de serie
te bekijken. De meesten hebben dit gedaan, waardoor ze hun rol voor de repetities
begonnen beter kenden en hij sneller kon werken. Over de kwaliteit van de serie is Thijs
positief. ‘Wat langzaam, dat wel. Ik kon heel goed zien dat het pas spannend begon
te worden op het moment dat Van Oudijck de regent aanpakt. Daar ben ik dus ook
begonnen, daar begint mijn stuk. En de speelstijl is heel modern. Eigenlijk acteert Pleuni
Touw nog het meest ouderwets. Maar de resident bijvoorbeeld, is fantastisch in beeld
gebracht. De bewerking verschilt echter totaal van de mijne.’
Eén van de vele dingen die Thijs veranderd heeft, is het einde. ‘Het nadeel van het
boek is dat het einde een beetje onhelder is, dat het een beetje wegloopt. Dat heb ik
veranderd.’ Op het dieptepunt, als de resident in zijn huis zit en zijn vrouw weg is, komt
Eva Eldersma naar hem toe. Ze vraagt hem het voorgedragen ontslag van de regent
in te trekken, maar hij weigert. Ten slotte zegt ze dat Batavia mogelijk op eigen gezag
Van Oudijcks oordeel naast zich zal neerleggen. Dan wordt de resident gedwongen de
voordracht in te trekken, en daarmee is de vrede getekend. ‘Dat is een scène waarmee
je het beëindigen kan. In het boek is het einde wat rommeliger.’
Thijs heeft gedurfd de romans van Couperus tamelijk vrij te bewerken, en zijn boeken
staan hem dat volgens hem ook toe. Dat gevoel heeft hij bij lang niet alle Nederlandse
schrijvers. ‘Bij Couperus heb je een conflict. Het probleem met veel Nederlandse literatuur
is dat het conflictloos is. Hier heb je te maken met wrijving tussen twee culturen die
worden gerepresenteerd in twee persoonlijkheden die met elkaar botsen. De één zegt: ik
heb je gewaarschuwd, tweemaal, driemaal, nu ga je er aan. En de ander zegt: als je dat
doet, dan gebeuren er rare dingen. En er gebeuren rare dingen. Dan heb je toneel.
De
aanslag van Harry Mulisch, bijvoorbeeld, heeft een goed begin. Vervolgens vraag je je af
hoe het toch eigenlijk zo gekomen is. Dan krijg je onderzoek, en dan wordt het saai. Zo
heb je dat in veel Nederlandse literatuur, er zijn geen drama-auteurs. Couperus is dat wel,
hij is een negentiende-eeuwer. Hij is niet bang voor dikke effecten.’
De stille kracht is een voorstelling van Hummelinck Stuurman Theaterproducties. Bewerking en regie: Ger Thijs
(Uit: Arabesken 14 (2006), nr.28, p.4-11.)