Feit en fictie in Langs Lijnen van geleidelijkheid
Een kasteel bij Rome
![]() |
Door Eugenie Boer
In het najaar van 1900 verscheen Couperus’ roman Langs lijnen van geleidelijkheid. Zoals vaker bij zijn romans gebeurde, werd het verhaal eerst in afleveringen in een krant of tijdschrift gepubliceerd; in dit geval in het gerenommeerde blad De Gids. Vanaf mei 1900 waren in drie opeenvolgende afleveringen de lotgevallen van Cornélie de Retz van Loo te lezen, maar niet tot ieders genoegen. Protestants of katholiek, gelovig of niet-gelovig – dat deed er even niet toe: critici van uiteenlopende signatuur vonden elkaar in hun afkeer van de scandaleuze inhoud. Tal van abonnees reageerden hun ergernis af door hun abonnement op De Gids op te zeggen. [1]
Een ‘onkuisch boek’ [2] met mooie passages
Na de publicatie in boekvorm werden de pennen opnieuw geslepen. Een enkele
recensent verdedigde het boek, [3] maar het was een eenzame stem in het koor van
hen die hun onvrede en zelfs walging uitspraken: een gescheiden vrouw, in Rome in
een zogenaamd vrij huwelijk samenlevend met een nietsnut van een kunstenaar, keert
uiteindelijk, gedreven door het bloed, terug bij de man die haar van maagd tot vrouw
gemaakt had.
Als Couperus al geprezen werd, dan was het omdat hij het allemaal zo mooi kon verwoorden
en de lezer en passant van die alleraardigste tafereeltjes wist voor te zetten.
Opvallend genoeg werd één bepaalde episode vaak aangehaald: de scène midden in de
roman waarin Cornélie een bezoek brengt aan een groot, oud kasteel
even buiten Rome: het kasteel van San Stefano.
‘Wie nu vragen mocht, waarom ik, ondanks dit alles [zijn voorafgaande
woorden van kritiek, EB] Couperus zo hoog blijf stellen, dien verzoek
ik, om maar iets te noemen, in het IIe deel blz 4-8 te lezen, het reisje
van Cornélie naar San Stefano!,’ zo schreef Van Nouhuys. [4] L. Knappert
noteert in zijn bespreking van de roman:
(…) ook in Langs lijnen van geleidelijkheid dan schildert Couperus met de taal. Hij heeft Rome goed gezien en goed op het doek
14
geworpen, een persoon, eene kerk, een trein door de Campagna, heel het Italiaanse leven. Vooral ook San Stefano met den Lombardischen Dom en het slot van de jonge, sympathieke Prinses di Forte-Braccio, geboren Urania Hope. Hier ligt vanouds de kracht van den schrijver; men ontkomt niet aan de bekoring van die rondwandeling in het prinselijke slot. [5]
Kennelijk heeft Couperus zich met bijzonder veel plezier en een groot evocatief vermogen gewijd aan de weergave van juist deze omgeving.
Feit en fictie
Frédéric Bastet heeft erop gewezen dat de romancier Couperus in zijn boeken veelvuldig
eigen ervaringen verwerkte. [6] Werkelijkheid en fictie lopen gemakkelijk in elkaar over.
En wat in het bijzonder de verhaalelementen uit Langs lijnen van geleidelijkheid betreft,
constateerden, behalve Bastet, ook andere onderzoekers als H.T.M. van Vliet en Maarten
Klein duidelijke overeenkomsten tussen Couperus’ eigen ervaringen en situaties in
het boek. Zo is er de geschiedenis van Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk, die
schuilgaat achter die van Cornélie. Er is het Hôtel du Sud, het Romeinse hotel in de Via
Lombardia waar Couperus vele malen de winter doorbracht. Hij gebruikte het als basis
voor het pension Belloni in Langs lijnen van geleidelijkheid. Er is het beroemde Casino
dell’Aurora in Rome, met de plafondschilderingen van Guercino. Couperus bouwde het
om tot de eetzaal van pension Belloni. Er zijn de kennissen van Couperus, de dames –
moeder en twee dochters – Boon Hartsinck; Couperus transformeerde hen in zijn roman
tot de dames Van der Staal, in eenzelfde familieverhouding.
Maar het kasteel San Stefano, dat zo’n – ook letterlijk – centrale plaats inneemt in
het boek en dat de toenmalige critici en lezers zo behaagde, was nog niet eerder onderwerp
van vergelijking. Het heeft er alle schijn van dat het kasteel niet simpelweg een
fantasiebouwsel van Couperus is geweest, maar dat het samenvalt met het eeuwenoude
kasteel van Bracciano, dat een kleine veertig kilometer ten noorden van Rome ligt en
met de trein in een uurtje te bereiken is. Een stadje, onder het patroonschap van San
Stefano, flankeert het slot. Kasteel en stadje tezamen bieden een spectaculair uitzicht
op het oude kratermeer en de bergen op de achtergrond.
15
Het kasteel van San Stefano
In Langs lijnen van geleidelijkheid neemt Cornélie in hoofdstuk XXXII de trein uit Rome
naar het voorvaderlijke kasteel van Gilio, hertog van San Stefano, prins van Forte-Braccio. Hij verblijft daar met Urania, zijn kersverse, schatrijke, Amerikaanse echtgenote.
Zij hadden elkaar onder de ogen van Cornélie in het pension leren kennen en ze waren
getrouwd, geenszins uit liefde maar om aan te vullen – ieder voor zich – wat zij misten:
de een simpelweg geld, fortuin uit de Nieuwe Wereld, de ander geschiedenis en een
eeuwenoude titel.
Urania reisde soms in één dag op en neer om in Rome het dejeuner met Cornélie te
gebruiken. Gecompliceerd was het tochtje dus niet. Van de locatie geeft Couperus verder
niets prijs, of beter gezegd: hij zet de lezer op een (dwaal)spoor door Urania te laten
beweren dat Gilio’s familiekasteel in de Abruzzen ligt. [7] Toch is er reden genoeg om aan te
nemen dat het kasteel bij het plaatsje Bracciano de inspiratiebron geweest is voor de zo
geprezen passage in Langs lijnen van geleidelijkheid.
Wie nu de trein neemt vanaf het station Rome-Trastevere ziet
het slot op een gegeven ogenblik liggen op een rotsachtige hoogte, precies zoals
Couperus het Cornélie laat ervaren als de trein met een bocht komt
aangeslingerd. Eenmaal aangekomen kan de huidige reiziger vertellen hoe
bijzonder de binnenkomst is: ‘over een hof, onder een gewelf een tweede hof
binnen, door een tweede gewelf een derde hof in.’ [8]
De gids geeft hem uitleg over een paus die hier gelogeerd heeft, toont hem de zalen
met de cassetteplafonds, wijst op de fresco’s van Antoniazzo Romano met de verschillende
belangrijke gebeurtenissen uit het voorgeslacht van de familie. Hij zal de bezoeker
vast ook attenderen op de kamer waar de tapijten gehangen hebben. Couperus’ beschrijvingen
sluiten hier prachtig op aan. Men vergeve het hem dat hij de fresco’s toeschrijft
aan Giulio Romano en niet aan Antoniazzo Romano, en dat hij van de passerende paus
een lid van de familie maakt.
Het grote fresco van Romano hangt sinds 1966 niet meer in de open gang, zoals
Couperus beschrijft, maar is losgemaakt van de muur en naar de grote zaal gebracht,
waar het beter beschermd is tegen de weersinvloeden. Maar de bezoeker zal nog steeds
de bekoring ondergaan van de loggia’s met het uitzicht op het meer waar Cornélie zo van
genoot, en van de inderdaad ondoorgrondelijke ‘warreling van galerijen’ waar Couperus
haar haar weg laat zoeken.
Capriccio all’ italiana
In de schilderkunst is het een bekend begrip dat met name in de achttiende-eeuwse
schilderkunst veel voorkwam: het capriccio. De kunstenaar zette de werkelijkheid naar
zijn hand en componeerde naar eigen believen een stadslandschap, mooier dan het
werkelijk bestaande. Hij voegde elementen samen: een klassieke tempel bij een rustiek
vervallen triomfboog, een fontein of een kerk daar weer naast. Couperus past deze
werkwijze met flair toe in zijn eigen vorm van kunst: de literatuur. In Bracciano zoekt men
tevergeefs naar de dom van Lombardisch-Romaansche snit in mooi verkleurd rood, wit
en zwart marmer, zoals Couperus die presenteert. Er staat weliswaar een dom, gewijd
aan San Stefano, pal naast het kasteel, maar deze heeft een totaal ander aanzien. Voor
de kerk van Couperus, met een battistero en campanile uit de elfde eeuw, ‘wonderen van
bouwkunst’, moet men elders in Italië zijn: in Siena, Bergamo, Cremona of Pisa.
Maar hoe fraai ook getekend, de kerk blijft buitenkant, is niet meer dan een decorstuk,
terwijl het kasteel in het boek een essentiële plaats van handeling is. Daar worden
16
de relaties tussen de vier belangrijkste personages uit de roman –
Cornélie, Duco, Urania en Gilio – nog eens aangescherpt. De aanwezige
kunstvoorwerpen wekken Duco voor enige tijd op uit zijn lethargie; Urania toont
zich volwassen geworden in haar zorg voor anderen. En wat Cornélie en Gilio
betreft: hun conflict maakt pijnlijk duidelijk dat van de macho Gilio niet veel
verbetering verwacht mag worden. Cornélie schittert nog één keer in de diverse
facetten van haar karakter: koket en zelfverzekerd ten opzichte van Gilio,
zusterlijk en kameraadschappelijk tegenover Urania, en serieus in haar oprechte
liefde voor Duco. Daarna neemt de roman een wending en zien we Cornélie in een
andere gedaante, op de weg terug naar haar exechtgenoot Rudolf Brox.
De werkelijkheid achter de woorden
Het geval Urania – rijke Amerikaanse bindt zich aan verarmde Europese adel –
stond in Couperus’ tijd niet op zichzelf. Ook hier weefde Couperus bestaande
situaties in zijn verhaal. Toen hij in de jaren negentig in het Hôtel du Sud
verbleef, werd er met man en macht gebouwd aan een opvallend luxueus palazzo van
maar liefst negentien ramen breed, aan de Via Merulana, hoek Largo Brancaccio,
niet ver van Stazione Termini. Nieuw Amerikaans geld maakte dit mogelijk.
Elizabeth Field, dochter van een uiterst gefortuneerde zakenman uit New York,
was getrouwd met een Romeinse prins, Salvatore Brancaccio. Couperus heeft er
ongetwijfeld weet van gehad; het was the talk of the town. Brancaccio,
Bracciano, (Forte-) Braccio; de namen liggen opvallend dicht bij elkaar.
Ook het geval Brancaccio-Field was maar één voorbeeld van de
hausse op het einde van de negentiende eeuw in het uitwisselen van
Amerikaanse dollars tegen Europese titels. Een Amerikaans meisje met geld – zo
heette het – kon elke Europese titel kopen die zij maar wilde.
In Palazzo Brancaccio zetelt tegenwoordig het Museo Nazionale
d’Arte Orientale. Die publieke functie biedt een mooie gelegenheid even naar
binnen te lopen en een indruk te krijgen van de rijkdom. Alleen al het
trappenhuis is van een imponerende omvang.
Langs lijnen van geleidelijkheid is niet alleen een
roman over de gevoelens van Cornélie de Retz van Loo, het is ook een roman over
Rome, over de schoonheid van de stad en de liefde voor die schoonheid. Cornélie
keert zich daar uiteindelijk van af, maar de lezer zal haar daarin
waarschijnlijk niet volgen. Integendeel. En dat is te danken aan de vertelkunst
van Couperus. Bovendien benutte hij de eigentijdse sfeer en gegevens op zo’n
natuurlijke en evocatieve wijze in zijn verhaal, dat daar geen officiële
reisgids tegenop kan. Natuurlijk, zonder inzicht in busroutes en openingstijden
komt de reiziger nergens; beschrijvingen van collecties of gebouwen zijn al even
onontbeerlijk. De lezer ziet dan vooral het Rome zoals dat zich aan hem
voordoet. Met Langs lijnen van geleidelijkheid in de hand ervaart hij ook
de werkelijkheid daarachter.
| Noten | |
| 1. | Frédéric Bastet, Al die verloren paradijzen… Van & over Louis Couperus. Amsterdam, 2001, p.287. |
| 2. | L. Knappert, ‘Twee tegenvoeters.’ In: Tijdspiegel 1900, p.424-430. |
| 3. | Wolfgang, ‘In het labyrinth der lijnen.’ In: De Nederlandsche Spectator 1900, 13 oktober, p.330-331. |
| 4. | W.G. van Nouhuys, ‘Langs lijnen van geleidelijkheid.’ In: W.G. van Nouhuys, Uren met schrijvers. Studiën en critieken. Amsterdam 1902, p.44-59. |
| 5. | L.Knappert, ‘Twee tegenvoeters’, p.424-430. |
| 6. | Frédéric Bastet, Al die verloren paradijzen… Van & over Louis Couperus, p.203. |
| 7. | Wilde Couperus hiermee de aanvankelijke onnozelheid van Urania benadrukken? Zelf gaf hij als verteller van het verhaal duidelijk aan dat het slot slechts een korte boemeltreinreis van Rome verwijderd was. |
| 8. | Louis Couperus, Langs lijnen van geleidelijkheid. Volledige Werken Louis Couperus, deel 16, p.136. |