Feit en fictie in Langs Lijnen van geleidelijkheid
Een kasteel bij Rome

Eén jaar geleden, op 18 november 2006, beloofden twee Hollywoodsterren, Tom Cruise en Katie Holms, elkaar eeuwige trouw op een buitengewoon romantische locatie: een eeuwenoud kasteel op een steenworp afstand van Rome, in het plaatsje Bracciano. Maar de acteurs waren niet de eersten die de charme van het kasteel ontdekten. Al in de negentiende eeuw was Bracciano, gelegen aan het gelijknamige meer, een veelgekozen bestemming voor wie de drukte van Rome even wilde ontvluchten. En zeer waarschijnlijk hebben ook Louis Couperus en zijn echtgenote Elisabeth hier rondgelopen, zij het minder glamourous en opvallend dan Tom en Katie.

Door Eugenie Boer

In het najaar van 1900 verscheen Couperus’ roman Langs lijnen van geleidelijkheid. Zoals vaker bij zijn romans gebeurde, werd het verhaal eerst in afleveringen in een krant of tijdschrift gepubliceerd; in dit geval in het gerenommeerde blad De Gids. Vanaf mei 1900 waren in drie opeenvolgende afleveringen de lotgevallen van Cornélie de Retz van Loo te lezen, maar niet tot ieders genoegen. Protestants of katholiek, gelovig of niet-gelovig – dat deed er even niet toe: critici van uiteenlopende signatuur vonden elkaar in hun afkeer van de scandaleuze inhoud. Tal van abonnees reageerden hun ergernis af door hun abonnement op De Gids op te zeggen. [1]

Een ‘onkuisch boek’ [2] met mooie passages
Na de publicatie in boekvorm werden de pennen opnieuw geslepen. Een enkele recensent verdedigde het boek, [3] maar het was een eenzame stem in het koor van hen die hun onvrede en zelfs walging uitspraken: een gescheiden vrouw, in Rome in een zogenaamd vrij huwelijk samenlevend met een nietsnut van een kunstenaar, keert uiteindelijk, gedreven door het bloed, terug bij de man die haar van maagd tot vrouw gemaakt had.
    Als Couperus al geprezen werd, dan was het omdat hij het allemaal zo mooi kon verwoorden en de lezer en passant van die alleraardigste tafereeltjes wist voor te zetten. Opvallend genoeg werd één bepaalde episode vaak aangehaald: de scène midden in de roman waarin Cornélie een bezoek brengt aan een groot, oud kasteel even buiten Rome: het kasteel van San Stefano.
    ‘Wie nu vragen mocht, waarom ik, ondanks dit alles [zijn voorafgaande woorden van kritiek, EB] Couperus zo hoog blijf stellen, dien verzoek ik, om maar iets te noemen, in het IIe deel blz 4-8 te lezen, het reisje van Cornélie naar San Stefano!,’ zo schreef Van Nouhuys. [4] L. Knappert noteert in zijn bespreking van de roman:

(…) ook in Langs lijnen van geleidelijkheid dan schildert Couperus met de taal. Hij heeft Rome goed gezien en goed op het doek

14

geworpen, een persoon, eene kerk, een trein door de Campagna, heel het Italiaanse leven. Vooral ook San Stefano met den Lombardischen Dom en het slot van de jonge, sympathieke Prinses di Forte-Braccio, geboren Urania Hope. Hier ligt vanouds de kracht van den schrijver; men ontkomt niet aan de bekoring van die rondwandeling in het prinselijke slot. [5]

Kennelijk heeft Couperus zich met bijzonder veel plezier en een groot evocatief vermogen gewijd aan de weergave van juist deze omgeving.

Feit en fictie
Frédéric Bastet heeft erop gewezen dat de romancier Couperus in zijn boeken veelvuldig eigen ervaringen verwerkte. [6] Werkelijkheid en fictie lopen gemakkelijk in elkaar over. En wat in het bijzonder de verhaalelementen uit Langs lijnen van geleidelijkheid betreft, constateerden, behalve Bastet, ook andere onderzoekers als H.T.M. van Vliet en Maarten Klein duidelijke overeenkomsten tussen Couperus’ eigen ervaringen en situaties in het boek. Zo is er de geschiedenis van Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk, die schuilgaat achter die van Cornélie. Er is het Hôtel du Sud, het Romeinse hotel in de Via Lombardia waar Couperus vele malen de winter doorbracht. Hij gebruikte het als basis voor het pension Belloni in Langs lijnen van geleidelijkheid. Er is het beroemde Casino dell’Aurora in Rome, met de plafondschilderingen van Guercino. Couperus bouwde het om tot de eetzaal van pension Belloni. Er zijn de kennissen van Couperus, de dames – moeder en twee dochters – Boon Hartsinck; Couperus transformeerde hen in zijn roman tot de dames Van der Staal, in eenzelfde familieverhouding.
    Maar het kasteel San Stefano, dat zo’n – ook letterlijk – centrale plaats inneemt in het boek en dat de toenmalige critici en lezers zo behaagde, was nog niet eerder onderwerp van vergelijking. Het heeft er alle schijn van dat het kasteel niet simpelweg een fantasiebouwsel van Couperus is geweest, maar dat het samenvalt met het eeuwenoude kasteel van Bracciano, dat een kleine veertig kilometer ten noorden van Rome ligt en met de trein in een uurtje te bereiken is. Een stadje, onder het patroonschap van San Stefano, flankeert het slot. Kasteel en stadje tezamen bieden een spectaculair uitzicht op het oude kratermeer en de bergen op de achtergrond.

15
Het kasteel van San Stefano
In Langs lijnen van geleidelijkheid neemt Cornélie in hoofdstuk XXXII de trein uit Rome naar het voorvaderlijke kasteel van Gilio, hertog van San Stefano, prins van Forte-Braccio. Hij verblijft daar met Urania, zijn kersverse, schatrijke, Amerikaanse echtgenote. Zij hadden elkaar onder de ogen van Cornélie in het pension leren kennen en ze waren getrouwd, geenszins uit liefde maar om aan te vullen – ieder voor zich – wat zij misten: de een simpelweg geld, fortuin uit de Nieuwe Wereld, de ander geschiedenis en een eeuwenoude titel.
    Urania reisde soms in één dag op en neer om in Rome het dejeuner met Cornélie te gebruiken. Gecompliceerd was het tochtje dus niet. Van de locatie geeft Couperus verder niets prijs, of beter gezegd: hij zet de lezer op een (dwaal)spoor door Urania te laten beweren dat Gilio’s familiekasteel in de Abruzzen ligt. [7] Toch is er reden genoeg om aan te nemen dat het kasteel bij het plaatsje Bracciano de inspiratiebron geweest is voor de zo geprezen passage in Langs lijnen van geleidelijkheid.
    Wie nu de trein neemt vanaf het station Rome-Trastevere ziet het slot op een gegeven ogenblik liggen op een rotsachtige hoogte, precies zoals Couperus het Cornélie laat ervaren als de trein met een bocht komt aangeslingerd. Eenmaal aangekomen kan de huidige reiziger vertellen hoe bijzonder de binnenkomst is: ‘over een hof, onder een gewelf een tweede hof binnen, door een tweede gewelf een derde hof in.’ [8]
    De gids geeft hem uitleg over een paus die hier gelogeerd heeft, toont hem de zalen met de cassetteplafonds, wijst op de fresco’s van Antoniazzo Romano met de verschillende belangrijke gebeurtenissen uit het voorgeslacht van de familie. Hij zal de bezoeker vast ook attenderen op de kamer waar de tapijten gehangen hebben. Couperus’ beschrijvingen sluiten hier prachtig op aan. Men vergeve het hem dat hij de fresco’s toeschrijft aan Giulio Romano en niet aan Antoniazzo Romano, en dat hij van de passerende paus een lid van de familie maakt.
    Het grote fresco van Romano hangt sinds 1966 niet meer in de open gang, zoals Couperus beschrijft, maar is losgemaakt van de muur en naar de grote zaal gebracht, waar het beter beschermd is tegen de weersinvloeden. Maar de bezoeker zal nog steeds de bekoring ondergaan van de loggia’s met het uitzicht op het meer waar Cornélie zo van genoot, en van de inderdaad ondoorgrondelijke ‘warreling van galerijen’ waar Couperus haar haar weg laat zoeken.

Capriccio all’ italiana
In de schilderkunst is het een bekend begrip dat met name in de achttiende-eeuwse schilderkunst veel voorkwam: het capriccio. De kunstenaar zette de werkelijkheid naar zijn hand en componeerde naar eigen believen een stadslandschap, mooier dan het werkelijk bestaande. Hij voegde elementen samen: een klassieke tempel bij een rustiek vervallen triomfboog, een fontein of een kerk daar weer naast. Couperus past deze werkwijze met flair toe in zijn eigen vorm van kunst: de literatuur. In Bracciano zoekt men tevergeefs naar de dom van Lombardisch-Romaansche snit in mooi verkleurd rood, wit en zwart marmer, zoals Couperus die presenteert. Er staat weliswaar een dom, gewijd aan San Stefano, pal naast het kasteel, maar deze heeft een totaal ander aanzien. Voor de kerk van Couperus, met een battistero en campanile uit de elfde eeuw, ‘wonderen van bouwkunst’, moet men elders in Italië zijn: in Siena, Bergamo, Cremona of Pisa.
    Maar hoe fraai ook getekend, de kerk blijft buitenkant, is niet meer dan een decorstuk, terwijl het kasteel in het boek een essentiële plaats van handeling is. Daar worden

16
de relaties tussen de vier belangrijkste personages uit de roman – Cornélie, Duco, Urania en Gilio – nog eens aangescherpt. De aanwezige kunstvoorwerpen wekken Duco voor enige tijd op uit zijn lethargie; Urania toont zich volwassen geworden in haar zorg voor anderen. En wat Cornélie en Gilio betreft: hun conflict maakt pijnlijk duidelijk dat van de macho Gilio niet veel verbetering verwacht mag worden. Cornélie schittert nog één keer in de diverse facetten van haar karakter: koket en zelfverzekerd ten opzichte van Gilio, zusterlijk en kameraadschappelijk tegenover Urania, en serieus in haar oprechte liefde voor Duco. Daarna neemt de roman een wending en zien we Cornélie in een andere gedaante, op de weg terug naar haar exechtgenoot Rudolf Brox.

De werkelijkheid achter de woorden
Het geval Urania – rijke Amerikaanse bindt zich aan verarmde Europese adel – stond in Couperus’ tijd niet op zichzelf. Ook hier weefde Couperus bestaande situaties in zijn verhaal. Toen hij in de jaren negentig in het Hôtel du Sud verbleef, werd er met man en macht gebouwd aan een opvallend luxueus palazzo van maar liefst negentien ramen breed, aan de Via Merulana, hoek Largo Brancaccio, niet ver van Stazione Termini. Nieuw Amerikaans geld maakte dit mogelijk. Elizabeth Field, dochter van een uiterst gefortuneerde zakenman uit New York, was getrouwd met een Romeinse prins, Salvatore Brancaccio. Couperus heeft er ongetwijfeld weet van gehad; het was the talk of the town. Brancaccio, Bracciano, (Forte-) Braccio; de namen liggen opvallend dicht bij elkaar.
    Ook het geval Brancaccio-Field was maar één voorbeeld van de hausse op het einde van de negentiende eeuw in het uitwisselen van Amerikaanse dollars tegen Europese titels. Een Amerikaans meisje met geld – zo heette het – kon elke Europese titel kopen die zij maar wilde.
    In Palazzo Brancaccio zetelt tegenwoordig het Museo Nazionale d’Arte Orientale. Die publieke functie biedt een mooie gelegenheid even naar binnen te lopen en een indruk te krijgen van de rijkdom. Alleen al het trappenhuis is van een imponerende omvang.
    Langs lijnen van geleidelijkheid is niet alleen een roman over de gevoelens van Cornélie de Retz van Loo, het is ook een roman over Rome, over de schoonheid van de stad en de liefde voor die schoonheid. Cornélie keert zich daar uiteindelijk van af, maar de lezer zal haar daarin waarschijnlijk niet volgen. Integendeel. En dat is te danken aan de vertelkunst van Couperus. Bovendien benutte hij de eigentijdse sfeer en gegevens op zo’n natuurlijke en evocatieve wijze in zijn verhaal, dat daar geen officiële reisgids tegenop kan. Natuurlijk, zonder inzicht in busroutes en openingstijden komt de reiziger nergens; beschrijvingen van collecties of gebouwen zijn al even onontbeerlijk. De lezer ziet dan vooral het Rome zoals dat zich aan hem voordoet. Met Langs lijnen van geleidelijkheid in de hand ervaart hij ook de werkelijkheid daarachter.

Noten
1. Frédéric Bastet, Al die verloren paradijzen… Van & over Louis Couperus. Amsterdam, 2001, p.287.
2. L. Knappert, ‘Twee tegenvoeters.’ In: Tijdspiegel 1900, p.424-430.
3. Wolfgang, ‘In het labyrinth der lijnen.’ In: De Nederlandsche Spectator 1900, 13 oktober, p.330-331.

17
4. W.G. van Nouhuys, ‘Langs lijnen van geleidelijkheid.’ In: W.G. van Nouhuys, Uren met schrijvers. Studiën en critieken. Amsterdam 1902, p.44-59.
5. L.Knappert, ‘Twee tegenvoeters’, p.424-430.
6. Frédéric Bastet, Al die verloren paradijzen… Van & over Louis Couperus, p.203.
7. Wilde Couperus hiermee de aanvankelijke onnozelheid van Urania benadrukken? Zelf gaf hij als verteller van het verhaal duidelijk aan dat het slot slechts een korte boemeltreinreis van Rome verwijderd was.
8. Louis Couperus, Langs lijnen van geleidelijkheid. Volledige Werken Louis Couperus, deel 16, p.136.

(Uit: Arabesken 15 (2007), nr.30, p.13-17.)