Een kijkje in de keuken van Couperus
Door Peter Hoffman
|
Natuurlijk: wetenschappelijke methodes en opvattingen komen en gaan in de
letteren, maar het moet wel heel raar lopen, willen de nu volledig uitgegeven
Volledige Werken
van Louis Couperus ooit aan verbetering toe zijn. Afgezien van de kwaliteit van
de uitgave, die mij moeilijk te overtreffen lijkt, zou waarschijnlijk geen
enkele subsidiebron nóg eens zo rijkelijk vloeien voor een dergelijke, kostbare
editie waarvan toch zo'n - pakweg - veertig van de vijftig delen in principe
onverkoopbaar zijn. Maar het project is gerealiseerd: een prop van prestige in
de mond van de schreeuwende commercie.
In zekere zin is het zilveren monument voor Couperus (en zijn
lezers) zelf een correctie op een vroegere editie die zo'n slordige veertig jaar
geleden ontstond. Reeds vóór de verschijning van het twaalf delen tellende
Verzameld Werk, onder redactie van Garmt Stuiveling, werd al duidelijk dat
er eigenlijk zo goed als niets deugde van deze uitgave: veel werk (vooral veel
poëzie, feuilletons en verhalen) werd zonder duidelijke reden geweerd, er werd
met de chronologie geknoeid, een goede en weloverwogen (wetenschappelijke)
verantwoording ontbrak, er was geen variantenonderzoek gepleegd en waar nog de
grootste commotie over ontstond: de spelling werd aangepast aan de toen
heersende regels. De nieuwe editie is een goedmaker op alle genoemde fronten. En
degene die zijn naam voor 'eeuwig' met deze standaarduitgave mag verbinden is
H.T.M. van Vliet, onder wiens leiding een van de mooiste literaire projecten van
de afgelopen jaren verwezenlijkt is.
Door de jarenlange, intensieve omgang met de teksten en
manuscripten van Couperus, die de totstandkoming van de Volledige Werken
vergde, heeft Van Vliet een enorm inzicht kunnen verkrijgen in de verhouding
tussen de handschriften, tijdschriftpublicaties en publicaties in boekvorm. Met
dat inzicht is natuurlijk méér te doen dan een keurig overzicht geven van alle
varianten aan het eind van ieder deel. Van Vliet heeft dan ook een aantal
artikelen gebundeld waarin hij tracht door middel van vergelijking van de
overgeleverde manuscripten met de gedrukte teksten enig inzicht te verschaffen
in de werkwijze van Couperus. Dit type onderzoek ziet Van Vliet als een nieuwe
fase in de Couperus-studie; was de interesse na de herwaardering van Menno ter
Braak voornamelijk gericht op de persoon van Couperus, in de jaren zestig en
erna stond de structuuranalyse voorop. De laatste jaren heeft het werk van
Couperus ook een literair-historisch kader gekregen, terwijl '[...] in Nederland
het belang van handschriftelijk materiaal voor een analyse van het gepubliceerde
werk en voor een inzicht in de werkwijze van de auteur en daardoor in zijn
poetica sterk [wordt] onderschat.' Dat laatste klinkt misschien, gezien het
bestaan van de prestigieuze reeks Monumenta Literaria Neerlandica - een
reeks waarop Van Vliet overigens mede zijn stempel heeft gedrukt - een tikje
overdreven. Dat neemt niet weg dat Van Vliet met een aantal zeer gedegen
beschouwingen op een overtuigende manier de waarde van deze bezigheid heeft
aangetoond.
Het beeld van de werkwijze van Couperus dat uit de bundel
naar voren komt, zou men als volgt kunnen beschrijven. De auteur werkte vrijwel
altijd zonder strak schema; hij had doorgaans slechts de grote lijn in zijn
hoofd. Dat Couperus zijn romans en verhalen zonder doorhalingen in één keer
neerschreef, blijkt een fabeltje; zijn manuscripten bevatten veel wijzigingen,
verbeteringen en toevoegingen die, zo toont Van Vliet keer op keer aan, vooral
werden aangebracht ter verduidelijking of versterking van de verhaalmotieven of
het centrale thema. Daarentegen wijzigde Couperus bijna nooit de hele opzet en
bracht hij slechts zelden werkelijk structurele veranderingen aan.
De uitzonderingen op deze regel, bijvoorbeeld de romans
Langs lijnen van geleidelijkheid en De stille kracht, hebben Van
Vliet dan ook tot de boeiendste beschouwingen uit de bundel geïnspireerd. Bij
het schrijven van de eerstgenoemde roman kwam Couperus na twaalf hoofdstukken
vast te zitten en gaf hij het verhaal een andere wending, mede ingegeven, zo
suggereert Van Vliet, door de maatschappelijke en literaire actualiteit. De
hoofdpersoon, Cornélie de Retz, verandert van een meisje dat haar verloving
heeft verbroken en in Italië enige verpozing zoekt in een zelfbewuste jonge, pas
gescheiden vrouw die zich aldaar bekeert tot het feminisme en een vrije relatie
aangaat met een Nederlandse kunstenaar. Maar toch ook hier blijkt Couperus trouw
aan het eenmaal geschrevene; hij begon niet helemaal opnieuw, maar bewerkte de
voltooide hoofdstukken zó, dat ze bij de nieuwe opzet aansloten.
Ook De stille kracht is niet zonder problemen
ontstaan; het manuscript van de roman, één van de slordigste die van Couperus
zijn overgeleverd, geeft de indruk van grote haast en een moeizame genese. Een
opmerkelijk aspect van de ontstaansgeschiedenis van de roman is de invloed van
de ziekte van Couperus' vrouw, Elisabeth, op het uiteindelijke resultaat.
Elisabeth was namelijk gewoon de nagenoeg onleesbare manuscripten van haar
echtgenoot in het net over te schrijven. Aangezien Elisabeth na terugkomst uit
Indië, waar de roman is ontstaan, nogal eens ziek was, heeft Couperus het zo nu
en dan moeten overnemen. Terwijl de gedeelten die Elisabeth voor haar rekening
nam ongewijzigd bleven, bracht Couperus hier en daar nogal ingrijpende
wijzigingen aan, met als resultaat dat de roman aan kracht en essentie won.
Tijdnood echter belette Couperus de laatste helft van de roman door te werken,
zodat hij alleen nog maar wat kleine veranderingen in de drukproeven kon
aanbrengen. Het is een even boeiende als onbeantwoordbare vraag in hoeverre
De stille kracht, toch beschouwd als één van Couperus' beste romans, nog
aan kwaliteit had kunnen winnen zonder al die haast en hoe de rest van zijn
oeuvre, immers niet altijd van heel grote kwaliteit, zonder Couperus'
ijverige en toegewijde echtgenote met een duidelijk leesbaar handschrift, er uit
zou hebben gezien.
Andere wijzigingen zijn van louter stilistische aard. Daarbij
valt vooral op dat Couperus niet erg veel schrapte bij het reviseren, maar juist
woorden toevoegde, vooral adjectieven en bijzinnen die de stijl van Couperus
haar beroemde of beruchte, geprezen of verguisde, maar immer even omstreden als
kenmerkende cachet gaven. Een duidelijk voorbeeld van deze werkwijze biedt een
zin uit het bekende verhaal De binocle. De zin: 'Daar was de Opera,
daar stroomde reeds het publiek over het plein, de ingangen binnen' wordt
uiteindelijk: 'Daar was de Opera, daar stroomde reeds het zwartsilhouetteerende
publiek over het avondplein de wijde, verlichte ingangen binnen.' Het adagium
'less is more', voor zoveel auteurs een ijzeren leidraad, heeft voor Couperus
niet veel betekend. Uit een ander, door Van Vliet uitgelicht detail, blijkt dat
'more' niet altijd een stilistisch of inhoudelijk doel diende. Toen Couperus
merkte dat een bepaald deel van zijn romancyclus De boeken der kleine zielen
wat betreft het volume iets te mager zou uitvallen - het honorarium dat uitgever
Veen de auteur toezegde was immers gebaseerd op de verwachting dat alle delen
het formaat van een grote roman zouden hebben - voegde Couperus een flink stuk
dialoog in. Aangezien elke spreekbeurt op een nieuwe regel placht te beginnen,
leverde weinig tekst relatief aardig wat extra bladzijden op.
Het zijn deze aardige anekdotes en de degelijke analyses die
deze bundel tot boeiende lectuur maken. Gelukkig wordt het begrip
'bronnenonderzoek' door Van Vliet prettig ruim genomen - ook de door Couperus
gebruikte en verwerkte literaire en historische bronnen vallen daaronder -,
zodat het betoog bijna nergens, op een enkel artikel na, in een saaie,
opsommerige toon vervalt. Hier en daar veroorlooft Van Vliet zich ten faveure
van de levendigheid een polemische uitval. Zijn zijdelingse aanvallen op
Lukkenaer en Dirikx, auteurs van recent verschenen dissertaties die een
afwijkend, niet onaanvechtbaar licht laten schijnen op de rol van het noodlot in
Couperus' werk, verdienen wat mij betreft een uitbouw tot een zelfstandig
artikel. Deze bundel essays zou in ieder geval bij iedere Couperusliefhebber,
althans bij degenen die de inrichting van hun bibliotheek niet laten bepalen
door het dictoriale bewind van het alfabet, direct áchter het vijftigste deel
van de Volledige Werken gestald dienen te worden.
H.T.M. van Vliet. Eenheid in verscheidenheid. Over de werkwijze van Louis
Couperus. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij L.J. Veen, 1996; 407 pp., ƒ 44,50
(Uit: Literatuur 14 (1997), nr.1, p.54-56.)