Couperus: fatalist of anti-fatalist?

Fatalisme (1893) van Jan Toorop

Over Couperus en het noodlot is al veel geschreven, maar het laatste woord is nog niet gezegd. Zal het ooit gezegd worden? Het begrip wisselt bij Couperus nogal eens van betekenis. Bovendien is zijn houding tegenover het noodlot niet altijd gelijk. Het is allemaal zo ongewis dat de commentatoren in hun uitleg soms recht tegenover elkaar staan. Het lijkt het beste het onderzoek voorlopig kleinschalig te houden, dat geeft de meeste kans op zekerheid. In dit artikel worden drie romans uit de begintijd van Couperus’ schrijverschap met elkaar vergeleken. Daaruit wordt duidelijk hoe Couperus omstreeks 1890 tegenover het noodlot stond.

DOOR 

Er bestaat een interessante discussie tussen W. J. Lukkenaer en R. Marres over de betekenis van het begrip ‘noodlot’ in de roman Eline Vere (1890). [1] Interessant, omdat ze laat zien dat het noodlot bij Couperus geen eenduidig gegeven is, waarvan de betekenis helder en afdoend geformuleerd kan worden. Want dat is inderdaad niet het geval. In zijn studie Van gedroomd minnen tot ons dwaze bestaan maakte Marc Galle dat al duidelijk. Hij noemde drie betekenissen: een macht die de gebeurtenissen

5
vooraf vaststelt, de gebeurtenissen zelf en een duistere macht die de ondergang van alle dingen bewerkt. [2]
    Er zijn naar mijn opvatting vier complicerende factoren die de omschrijving van Couperus’ noodlotsidee moeilijk maken. Ten eerste is in zijn werk het noodlot bijna altijd verbonden met een of andere vorm van fatalisme: een negatief fatalisme dat het noodlot als een dreiging ziet of een positief fatalisme dat de onvermijdelijkheid der dingen aanvaardt als een richtsnoer voor het leven. In de tweede plaats is het noodlot vaak gekoppeld aan een psychische aandoening, aan een depressie of een persoonlijkheidsstoornis. In dat geval heeft het uiteraard geen algemene geldigheid: het gaat dan niet op voor gezonde mensen. Ten derde is de uitwerking van het noodlot niet altijd gelijk: het kan de mens gunstig gezind zijn, het kan ook zijn ondergang bewerkstelligen. En ten slotte blijft het onduidelijk of in Couperus’ visie de mens zich tegen zijn noodlot kan verzetten of dat hij er volledig aan onderworpen is. Al met al reden genoeg de zaak nog eens nauwkeurig te bezien, vooral ook omdat er na het debat tussen Lukkenaer en Marres enkele publicaties verschenen zijn die een nieuw licht op de kwestie werpen.
    Van belang is bovendien dat Couperus in zijn twee koningsromans het noodlotsthema bijna op dezelfde manier behandelde als in Eline Vere. Die twee romans zijn Majesteit (1893) en Wereldvrede (1895). In alle drie de boeken komen zieke, respectievelijk karakterzwakke figuren voor aan wie het noodlot zich voltrekt of die het met succes weerstaan. Ook ontvouwt in alle drie de boeken iemand een fatalistische levensvisie die al dan niet gelogenstraft wordt. Daarbij komt dan nog dat Couperus zowel in Eline Vere als in Majesteit werkte met de tegenstelling tussen het mondaine stadsleven (respectievelijk het pompeuze hofleven) en het eenvoudige buitenleven, waarbij van dat laatste een heilzame invloed uitgaat. De vraag is hoe deze vier elementen (ziekte, karakterzwakte, fatalisme en heilzame werking) in de drie romans op elkaar betrokken zijn en welke conclusie we daaruit kunnen trekken ten aanzien van Couperus’ eigen overtuiging.

Eline Vere (1889)
Eline Vere is een jonge vrouw, niet zonder artistiek talent maar behept met wat in Couperus’ tijd een nerveuze aanleg heette en wat de tegenwoordige psychiater een persoonlijkheidsstoornis noemt. Zij verlooft zich met Otto van Erlevoort, een man met een kalm en evenwichtig karakter. Ze is een tijdlang gelukkig met hem, speciaal wanneer ze op het landgoed de Horze zijn waar het leven sober en eenvoudig is. Maar terug in Den Haag gaat zijn eeuwige kalmte haar op de zenuwen werken en ze verbreekt hun verloving. Haar toestand verergert tot een depressie. Ze ontmoet dan Lawrence St. Clare, een figuur als Otto, zelfs nog krachtiger. Hij doet haar een aanzoek, ze weigert niet, maar vraagt om uitstel. Dat uitstel blijkt fataal: als St. Clare op reis is, zinkt ze steeds dieper weg en uiteindelijk sterft ze doordat ze om in slaap te komen te veel morfine neemt.
    Het belangrijkste thema van de roman is ongetwijfeld de tegenstelling ziekte – gezondheid, of, in Couperus’ woorden: nervositeit – evenwicht. Deze antithese heeft Couperus’ denken een tijdlang beheerst. De roman confronteert de gezonde met de zieke mens en laat zien hoe machteloos de eerste tegenover de problemen van de laatste staat. Het gezonde heeft geen vat op het zieke. Eline is ten ondergang gedoemd. Zij kan haar noodlot niet ontlopen.
    Lukkenaer betwijfelt dit laatste. Hij stelt dat weliswaar sommige personages voortdurend het woord ‘noodlot’ in de mond nemen, maar dat dat nog niet wil zeggen dat de verteller het met hen eens is. Nee, eigenlijk kritiseert Couperus zijn romanfiguren door hen dat woord te laten gebruiken. Ze praten er namelijk hun eigen foute beslissingen mee

6
goed. Eline had zich nooit met Otto moeten verloven. Die beslissing – uit verkeerde motieven genomen – luidde haar ondergang in. Met noodlot heeft dat niets te maken. De lezer moet dit alles doorzien. Hij moet St. Clare gelijk geven die op een gegeven moment tegen Eline zegt dat noodlot maar een woord is en dat ieder mens zijn eigen noodlot maakt. [3]
    Marres meent daarentegen dat Couperus wel degelijk een fatalist is, ook al gelooft hij niet in het noodlot als een geheimzinnige, boven de mens gestelde macht. Maar Couperus is een karakterfatalist. Hij is er namelijk van overtuigd dat het karakter van een mens niet kan veranderen. Dat geldt in de eerste plaats voor Eline die daardoor onvermijdelijk haar ondergang tegemoet gaat. Marres veronderstelt dat zij misschien had kunnen blijven leven wanneer ze Otto had getrouwd. Maar ze kon zichzelf niet verloochenen: ze verbrak de relatie en ging ten onder.
    Het aardige is dat beide opponenten in essentie gelijk hebben. Marres stelt terecht dat Elines ondergang onontkoombaar is. Lukkenaer heeft het bij het juiste eind als hij zegt dat de personages het woord ‘noodlot’ als een excuus gebruiken voor hun gebrek aan daadkracht. Tegelijk hebben de twee tegenstanders op onderdelen ongelijk. Lukkenaers conclusie is te algemeen en gaat zeker voor Eline niet op. Marres verzuimt te vermelden dat Eline aan een depressie lijdt. Die ziekte, constateert psychiater Frans de Jonghe, heeft haar het leven gekost. [4] Het is dus geen kwestie van karakter, tenzij men de vatbaarheid voor depressies een karaktertrek noemt. Maar dat lijkt mij niet juist.
    Natuurlijk had Couperus niet de medische kennis van de huidige psychiater. We kunnen aannemen dat hij bij de conceptie van de figuur Eline Vere is uitgegaan van de in zijn dagen in zwang zijnde temperamentenleer. M.G. Kemperink heeft over de invloed van die leer op Couperus’ werk een belangwekkend opstel geschreven. Men onderscheidde toen vier temperamenten, aan de basis van elk ervan veronderstelde men een fysiologische eigenschap. [5] Het nerveuze temperament, bijvoorbeeld, kende men een overgevoelig zenuwstelsel toe. Eline Vere hoorde tot die categorie; bijna alles wat over haar gezegd wordt – over haar uiterlijk, haar manier van doen, haar artistieke aanleg, haar reacties op anderen – is tot dit nerveuze type te herleiden. Couperus ging dus uit van wat de toenmalige ontwikkelde leek over deze mensen dacht te weten. Maar er is meer. Door zijn groot psychologisch inlevingsvermogen bleef Elines beeld niet steken in deze medische sjablone, maar werd het een waarachtig portret, zo goed als echt. Daardoor kon in 1991 De Jonghe stellen dat Couperus het ziektebeeld van de depressie had omschreven een eeuw voor de medici dat naar behoren konden doen. Daarom: als Eline het woord ‘noodlot’ in de mond neemt, is dat geen uitvlucht, zoals Lukkenaer meent. Haar depressieve aanleg is inderdaad haar fatum. Nogmaals: de essentie van de roman is de vergeefse bemoeienis van het gezond-krachtige met het nerveuze, van de sterke mens met de waarachtig zwakke mens. Het verblijf op de Horze hielp Eline niet wezenlijk. Otto van Erlevoort en Lawrence St. Clare waren onmachtig.
    Dit blijkt vooral uit wat er met Vincent Vere gebeurt, een neef van Eline, wilszwak als zij. Hij is

7
iemand uit de categorie van Lukkenaer: een man die zijn onvermogen camoufleert met fatalistische redenaties. Tegen Eline zegt hij dat zij

(…) het zelve ook wel eens [zou] ondervinden; men kon zich zijn leven zoo maar niet maken; het een hing af van het andere, alle omstandigheden schakelden zich samen, van het minste schijnbare toevalligheidje af, tot de verpletterendste catastrofe, en het leven was een keten, die het noodlot van al deze toevalligheidjes en catastrofes smeedde…daar was niets aan te doen…
- Je gelooft dus, dat alles voorbeschikt is, en dat als ik denk mijn eigen wil te volgen… ja, hoe zal ik zeggen?… vroeg zij, verward in hare gedachten, toen zij op een namiddag een dergelijk gesprek met hem voerde, in haar kamer.
- Je slechts schijnbaar je zin volgt, en het uitvloeisel van dien wil inderdaad het uitvloeisel is van honderdduizende vooraf gebeurde, zoogenaamde toevalligheden… Ja, dat geloof ik zeker.
[6]

Luc Dirikx rekent Vincent Vere tot de zeven ‘zuivere’ Noodlotpersonages in het werk van Couperus: mensen (heel duidelijk niet alleen maar allegorische figuren) die een incarnatie of instrument zijn van het noodlot dat de hoofdfiguur achtervolgt. Ze richten zowel zichzelf als hun slachtoffer ten gronde; dat wil zeggen: twee van de zeven ontkomen aan eigen ondergang: Hamet de Abenceraag uit De ongelukkige en …Vincent Vere. [7] De vraag in ons geval is hoe het komt dat Vincent Vere het redt.
    Wel, hij komt zijn zwakte te boven door toedoen van dezelfde St. Clare die op Eline geen vat had. Couperus geeft bij monde van St. Clare ook precies aan waarom deze in het geval van Vincent wel slaagt: de neef is lichamelijk zwak en dat belemmert hem iets tot stand te brengen, maar er schuilt energie en werkkracht in hem. Ondertussen is zijn levensinstelling wel radicaal veranderd, – en dat lijkt tegen Marres’ theorie van Couperus als karakterfatalist te pleiten, al ligt het er natuurlijk aan hoe men het begrip ‘karakter’ interpreteert.
    Naar mijn idee kunnen we bij Couperus twee soorten nervositeit onderscheiden: de diepe en ongeneeslijke nervositeit, zoals die van Eline, en de meer oppervlakkige, geneesbare nervositeit, die van de man of vrouw die weliswaar zwak is, maar die toch iets standvastigs in zich heeft, een verborgen kracht, en die daardoor bij juist ingrijpen gered kan worden. Het Eline-type is altijd ten ondergang gedoemd, het Vincent-type niet.

Majesteit (1893)
Majesteit gaat over het innerlijk conflict dat kroonprins Othomar van het denkbeeldige Liparië uit te vechten heeft. Hij is een dromer, melancholiek van aard, het tegendeel van zijn daadkrachtige vader Oscar. Omdat hij meent dat de ideale keizer iemand als zijn vader is, denkt hij van zichzelf dat hij geen goed vorst zal zijn. Hij wil daarom afstand doen van zijn rechten ten behoeve van zijn broertje Berengar. Othomar wordt echter niet alleen getekend als een weifelmoedig man, maar ook als iemand die zijn volk liefheeft, wars is van onderdrukking en de mensen recht wil doen. Het samengaan van deze twee: psychische zwakte én een hoge taakopvatting, maakt voor hem juist de zwaarte van het keizerschap uit.
    De roman is een navolging van de zogenaamde Franse koningsromans; men treft er dezelfde soort types in aan: de zelfverzekerde oude koning en zijn weifelende opvolger. [8] Dat duo is op zijn beurt een onderafdeling van het mannenpaar dat vrij algemeen in het fin de siècle voorkomt en dat door Mary Kemperink is omschreven als de zinnelijke heman tegenover de vergeestelijkte, vaak artistiek begaafde man: een parallel dus van het

8
veel bekendere vrouwelijke paar: de femme fatale en de femme fragile. [9] Ook in Majesteit treedt een figuur op die een fatalistische levensvisie uitdraagt. Het is Othomars moeder, de keizerin. Othomar bezoekt haar vaak, in zijn twijfel en mismoedigheid.

Zijne oogen tuurden dan onder op door hunne wimpers, met hunne zwarte melancholie; zijne stem klaagde en vroeg om troost. En zij bemoedigde hem; zij zeide, dat niets gebeurde, dan wat gebeuren moest, dat alles noodzakelijk was in de groote, schalm aan schalm aaneengeschakelde, wereldorde; dat hij af moest wachten, maar tegelijkertijd naar zijn eigen gevoel zijn plicht moest doen, en dat hij zich niet ontzenuwen moest, door zulk eindeloos, niets oplossend gepeins. [10]

De woorden van de keizerin lijken sterk op die van Vincent Vere. De één zegt dat de omstandigheden zich schakelen tot een keten, de ander spreekt van een schalm aan schalm aaneengeschakelde wereldorde. Toch is er een wezenlijk verschil. Het fatalisme van Vincent Vere leidt tot apathie, tot afwachtend nietsdoen, terwijl de keizerin vindt dat men moet doen wat men als zijn plicht ziet. Verderop in de roman noemt de verteller deze instelling ‘gelovig fatalisme’, omdat de keizerin gelooft dat het goed is dat alleen dat gebeurt wat gebeuren moet en men zich in het leven dus daarnaar moet richten.
    Othomar lijkt op het eerste gezicht een mannelijke dubbelganger van Eline Vere: zwak en weifelmoedig, geneigd tot tobberig gepeins, wordt hij geconfronteerd met de fatalistische visie van een familielid. Bovendien heeft de situatie waarin hij zich bevindt veel weg van Elines situatie: hij verkeert aan het hof met zijn pracht en strenge etiquette, zij in het mondaine Den Haag met zijn diners en soirees. Zij gaat naar het landgoed de Horze waar men eenvoudig leeft en waar ze een zomer lang gelukkig is. Othomar logeert enige tijd bij de koninklijke familie van Gothland, op hun zomerresidentie in Altseeborgen waar men zonder etiquette, in de grootste eenvoud leeft. Die leefwijze ondergaat hij als een kuur.
    Maar Othomar mag op Eline Vere lijken, in werkelijkheid is hij iemand van het Vincent Vere-type. Couperus is daar heel duidelijk in. De prins is lichamelijk zwak, maar beschikt over een geheime taaiheid. Hij heeft, zo heet het verderop, hoge kwaliteiten van gemoed. [11] Professor Barzia die hem behandelt, weet deze verborgen kwaliteiten op te wekken, – hij is dus iemand als St. Clare, die Elines neef er bovenop bracht. Als om aan te geven hoe belangrijk het is dat iemand met een nerveus temperament over dergelijke onbewuste krachten beschikt wil hij aan zijn noodlot ontkomen, laat Couperus nog een tweede figuur van dit type in de roman optreden, namelijk Valérie, Othomars verloofde, later zijn vrouw. Zij heeft zelfmoordneigingen, een trek die in haar familie zit. Maar haar eigenlijke natuur is een onbewuste vitaliteit en daardoor overwint ze zichzelf. [12]
    Zo weet Othomar uiteindelijk aan zijn noodlot te ontkomen: door het gelovig fatalisme van zijn moeder die hem op zijn plicht wijst, door de heilzame invloed van het eenvoudige leven op Altseeborgen en door de therapie van Barzia die hem bewust maakt van zijn innerlijke kracht. Als dan zijn broertje Berengar sterft, vindt er een ommekeer in hem plaats en als zijn vader door een aanslag om het leven komt, is hij bereid en in staat hem op te volgen.

Wereldvrede (1895)
Hoe het Vincent Vere is vergaan nadat hij zijn zwakte overwonnen had, weten we niet, want de roman geeft daarover geen uitsluitsel. Vincent is in Eline Vere een bijfiguur wiens optreden er alleen toe dient het lot van zijn nicht Eline sterker te doen uitkomen. Maar in de twee koningsromans staat het nerveuze type van zijn soort in de persoon van Othomar centraal. Daardoor is het veel meer uitgewerkt en komen we te weten hoe zo

9
iemand het volgens Couperus na zijn ‘genezing’ kan vergaan. Het zal bij voorbaat duidelijk zijn dat Othomar nooit een man kan worden als zijn vader Oscar, sterk en daadkrachtig. De strijd tegen zijn eigen, nerveuze natuur (tegen zijn noodlot, zou men kunnen zeggen) zal nooit ophouden. Van die strijd geeft de roman Wereldvrede een beeld.
    Othomar is sinds vijf jaar keizer. Hij heeft een groots ideaal: hij wil door algehele ontwapening de vrede tussen de volken bewerkstelligen. In zijn ‘Gedenkschriften’ noteert hij dat hij dit levensdoel te danken heeft aan zijn vrouw. Hij was zonder idealen en bang voor zijn noodlot, maar door haar eenvoud en levensberusting voelde hij het ideaal in zich ontwaken. Overigens gebruikt Othomar, net als de verteller zelf, het woord ‘illusie’ in plaats van ‘ideaal’, als om aan te geven dat hij niet echt in de verwerkelijking ervan gelooft. Wie een ideaal nastreeft, legt zich niet neer bij de loop der gebeurtenissen, maar wil het leven of de maatschappij in de door hem gekozen richting sturen. Een idealist is het tegendeel van een fatalist. Othomar heeft echter zijn geloof in het noodlot niet helemaal afgezworen. Als hij zijn leven van de afgelopen vijf jaar overpeinst, komt hij tot de conclusie dat het ‘was voortgerold op zijne raderen van noodlot langs een weg van onvermijdelijkheid; een gunstig noodlot langs een gladden weg.’ [13] Dat klinkt niet pessimistisch, maar bepaald ook niet idealistisch. Iemand die hoopt de vrede tot stand te brengen, dient nu eenmaal niet in de onvermijdelijkheid der dingen te geloven.
    Dit Vincent Vere-achtige geloof in het noodlot breekt hem dan ook op zodra het misgaat. Terwijl hij met zijn grootse internationale plannen bezig is, groeit in zijn eigen rijk de onrust. Er heersen daar namelijk veel misstanden. Othomar ziet die wel, maar doet er niets aan, laat het over aan het voortstuwen van de tijd, aan ‘wat komen moest en worden moest en zijn moest.’ [14] Deze Othomar is een personage dat het gedeeltelijke gelijk van Lukkenaer bewijst: hij is een zwakkeling voor wie het geloof in het noodlot een excuus is om alles op zijn beloop te laten. Het wordt nog erger. Als er eindelijk een opstand uitbreekt, raden zijn adviseurs hem aan hard tegen de rebellen op te treden. Hij is het niet met hen eens, maar hij doet toch wat ze zeggen, omdat het naar hij meent fataal moet. Tegelijk walgt hij om die houding van zichzelf.
    Er kan geen twijfel over bestaan dat Couperus dit fatalisme verwierp. Dat bewijst de afloop van de geschiedenis. De opstand breidt zich meer en meer uit en wordt steeds heftiger. Volksmassa’s drommen om het paleis en bedreigen het leven van de keizerlijke familie. Dan neemt Othomar eindelijk het heft in eigen hand. Tegen het advies van al zijn raadgevers in vertoont hij zich op het balkon. Dat brengt de menigte tot bedaren en daarmee verzandt de revolutie. De scène is natuurlijk hoogst onwaarschijnlijk, maar dat doet er in dit verband niet toe. Het gaat erom dat Othomar eindelijk iets onderneemt en niet langer afwacht. Hij grijpt in en de gebeurtenissen volgen niet langer hun eigen loop, maar richten zich naar hem. Door de zaken zo te arrangeren, maakte Couperus zijn standpunt duidelijk: misschien bestuurt een noodlot ons leven, maar dat mag geen excuus zijn voor een fatalistisch niet-doen.

10
Conclusie
Geloofde Couperus in een noodlot? Was hij een fatalist, in welke vorm dan ook? Het is niet met zekerheid te zeggen. Zijn romanpersonages verschillen op dit punt radicaal van mening. St. Clare zegt dat noodlot slechts een woord is en dat ieder mens zijn eigen noodlot maakt. Othomar noteert (na zijn optreden op het balkon!) dat een onbekende macht ons in het leven plaatst en met ons schaak speelt. Vincent Vere geloofde in de dwingende kracht van allerlei toevalligheden. De oude keizerin belijdt een gelovig fatalisme: alles gebeurt zoals het gebeuren moet en daarom moet men doen wat men zijn plicht acht.
    Natuurlijk is de mening van een romanpersonage niet gelijk aan de opvattingen van de auteur. We kunnen Couperus niet vereenzelvigen met St. Clare, Vincent Vere, Othomar of de oude keizerin. Toch hoeven we niet helemaal met lege handen te staan. Uit het arrangement van een roman is zeker een en ander af te leiden. Wereldvrede eindigt met een epiloog. Op aanraden van zijn nieuwe adviseur zal Othomar een reis door zijn rijk maken om zijn volk te leren kennen. Zijn vrouw, keizerin Valérie, zal hem vergezellen. Zij neemt – schrijft Couperus – het leven weer op.

En dat zij dit deed, trots alles, was een fierheid, een trots: de trots van een mensch tegen het noodlot. Zij nam het op, om de onvermijdelijkheid ervan. Zij hoopte niet heelemaal en zij twijfelde maar even, en het was in haar dat spel van halve tinten, als onze eerste intense levend-levende emoties zich afgestompt hebben in den weemoed om de ontzettende onverbiddelijkheid, die voortgaat als meêdoogenlooze triomftocht… [15]

Het is het gelovig fatalisme van de oude keizerin dat hier in andere woorden omschreven wordt. Nogmaals: over Couperus’ eigen gedachten omtrent het noodlot kunnen we niets met zekerheid zeggen. Maar uit het feit dat keizerin Valéries levenshouding tegen het eind van de roman, bijna als een sluitstuk, geformuleerd wordt, plus het feit dat Couperus daarbij woorden als ‘fierheid’ en ‘trots’ gebruikt, mogen we afleiden dat deze overtuiging de zijne dicht benaderde.
    Dat wil zeggen: in de eerste helft van de jaren negentig dicht benaderde. Want uitspraken over het gehele werk zijn in dit verband al gauw te algemeen. In ‘De ring en de prins’, een vertelling uit 1910, staat de zin: ‘Ik ben dus wel fatalist, maar mijn fatalisme is eer mij een wijsgerige troost geweest, dan een naar het verderf sleepende , booze macht.’ [16] Dit citaat lijkt de uitkomst van het verrichte onderzoek te bevestigen. Maar Luc Dirikx, die de passage ook bespreekt, merkt terecht op dat zij hoogst dubbelzinnig is en dat men er moeilijk conclusies uit kan trekken. [17] Hij meent dat Couperus met de roman Noodlot (1890) de somberte van zich afgeschreven heeft; daarna verdwijnt het noodlot weliswaar niet uit zijn oeuvre, maar wel wordt het steeds duidelijker dat de mens potentieel vrij is en dat zijn geluk afhangt van de mate waarin hij die vrijheid weet te veroveren. [18]
    Zo ruim gesteld, is Dirikx’ conclusie aanvaardbaar. Ik meen echter dat nuancering nodig is. Couperus’ gedachten over het noodlot zijn hoogst gevoelsmatig en allerminst consistent. Voor een juist inzicht zal men op zijn minst aan de hand van groepen romans, verhalen, feuilletons de diverse vormen van fatalisme die hij beleed, moeten vaststellen. Ik vermoed dat het geen enkelvoudige lijn wordt, van hier naar daar, maar dat voortdurend oude vormen terugkeren om opnieuw te verdwijnen. Zelfs dat tegengestelde vormen tegelijk kunnen voorkomen.

Noten
1. Pim Lukkenaer, ‘Eline Vere na 100 jaar. Couperus en het noodlot.’ In: Bzzlletin 17 (1987/1988), nr.151, p.26-31. En R. Marres, ‘Naturalisme en karakterfatalisme. Het fatalisme bij Couperus.’ In: Bzzlletin 20 (1990/1991), nr.183, p.38-52.
2. Marc Galle, Van gedroomd minnen tot ons dwaze bestaan. Het noodlot in het werk van Louis Couperus. Hasselt, 1973, p.20.
3. Louis Couperus, Eline Vere. Volledige werken Louis Couperus, deel 3, p.509.
4. Frans de Jonghe, Eline Vere bij de psychiater. Bloemendaal, 1991, p.28.
5. M. G. Kemperink, ‘Louis Couperus en de temperamentenleer.’ In: Literatuur 9 (1992), nr.1, p.2-7.
6. Louis Couperus, Eline Vere. Volledige werken Louis Couperus, deel 3, p.266.
7. Luc Dirikx, Louis Couperus en het decadentisme. Een thematologische confrontatie. Gent, 1993, p.81-90.
8. Jeanette E. Koch, De koningsromans van Louis Couperus. Achtergronden. Napels, 1989, p.295-297.
9. Mary Kemperink, Het verloren paradijs. De Nederlandse literatuur en cultuur van het fin de siècle. Amsterdam, 2001, p.192.
10. Louis Couperus, Majesteit. Volledige werken Louis Couperus, deel 7, p.95.
11. Idem, p.189 en 228.
12. Idem, p.166 en 226.
13. Louis Couperus, Wereldvrede. Volledige werken Louis Couperus, deel 9, p.62.
14. Idem, p.145.
15. Idem, p.195.
16. Louis Couperus, Korte arabesken. Volledige werken Louis Couperus, deel 28, p.48.
17. Luc Dirikx, Louis Couperus en het decadentisme. Een thematologische confrontatie. Gent, 1993, p.339.
18. Idem, p.338.

(Uit: Arabesken 11 (2003), nr.22, p.4-11.)

Zie voor een reactie op dit artikel: Karakterfatalisme bij Couperus. Een reactie op Piet Kralt van René Marres, gepubliceerd in Arabesken nr.23, p.32-35.