Het favoriete fragment van... Piet Kralt
Over een stil kamertje en de gutsende regen

DOOR 

Favoriete passages heb ik te over in die vijftig delen Volledige werken en het is dus moeilijk kiezen. Er zijn zinnen die om hun elegante ritme in mijn geheugen zijn blijven hangen. Zoals deze uit Schimmen van schoonheid over de Eros van Praxiteles: ‘Het schijnt, dat hij glimlacht door zijn weemoed en peinzing heen; het schijnt, dat zijn ziel opglanst door hare eigene aarzeling en niet weten wàt en waarom...’
    Couperus is op zijn best als zijn elegantie gekleurd is met melancholie. Daarom is de passage waarin hij de dood van Eline Vere beschrijft zo bijzonder. Flaubert heeft het sterven van Madame Bovary zakelijk en op afstand beschreven; Prousts beschrijving van het sterfbed van Marcels grootmoeder is even kunstig als huiveringwekkend; maar die driekwart bladzijde waarin Couperus in zijn sierlijke stijl, vol ingehouden ontroering, de door een depressie geteisterde Eline in de dood laat wegglijden, overtreft naar mijn smaak zowel de één als de ander.
    Elegantie en melancholie, sierlijkheid en ontroering, – ze passen eigenlijk niet bij elkaar, maar bij Couperus gaan ze toch op een of andere wonderlijke manier samen. Zoals hij ook zijn zwaarmoedigheid met gratie en een vleug ironie kan vertolken. Onder zijn journalistieke bijdragen heb ik veel favoriete stukken. ‘De spreeuwen’ in de derde bundel Van en over mijzelf en anderen is er zo één. Couperus vertelt dat vanuit de bergen in de omgeving de spreeuwen naar Florence komen en de mussen in zijn tuin verjagen. Dat is ongewoon en hij vraagt zich af aan welke oorzaak die spreeuweninvasie is toe te schrijven. Hij denkt aan het Noodlot, met een hoofdletter, want het is hem ernst. En tegelijk schertst hij. Niet het één én het ander, maar beide onnavolgbaar met elkaar verweven. Lees maar deze zin: ‘Want de spreeuwen hadden daar ginder hun Noodlot ondervonden en ontvluchtten het naar den hangenden tuin en zij werden er zelve een dreigend Noodlot, een Noodlot voor onnoozele musschen.’
    Ja, het is moeilijk kiezen. Als er dan toch gekozen moet worden, dan maar voor de eerste keer, voor de kennismaking. Het zal in 1954 of 1955 geweest zijn. Aan de Breestraat in Leiden was toen de Bibliotheek Reuvens gevestigd. Rechts van de brede gang bevond zich achter een deur waarvoor je de sleutel bij de bibliothecaresse moest vragen, een klein kamertje. Drie wanden met boeken en een stoffig raam dat op een rommelige binnenplaats uitkeek. Er kwam nooit iemand; ik heb er tenminste menig uur doorgebracht en ben nooit gestoord. Daar heb ik Nescio ontdekt en Erflaters van onze beschaving van Jan en Annie Romein en die prachtige biografie over Erasmus van Huizinga. En daar las ik de eerste bladzijden van De komedianten, meegenomen uit de grote zaal, want in dat stille kamertje stonden alleen boeken over geschiedenis. Nu, geschiedenis waren deze bladzijden van Couperus ook; en wat voor geschiedenis! Het was alsof ik in die Romeinse straat liep en de gutsende regen me doorweekte. Ik zag de gekapte meiden dringen in de deur van Taurus’ huis en ging de benauwde, overvolle taveerne van Nilus binnen. En voor eens en voor al was ik in de ban van deze grandioze stilist. Waarom ik juist door deze bladzijden zo gepakt werd, heb ik nooit geanalyseerd. Nu zou ik dat kunnen doen, dit is een mooie gelegenheid. Maar ik heb er geen zin in; het zou een herinnering bederven en een betovering verstoren.

26

De stortregen stroomde reeds den geheelen dag. Langs de goten van de Suburra golfde het water als met twee klotsende rivieren, links en rechts, snel vlietend, de nauwe, hellende, kronkelende straat over, haar groot, gebarsten plaveisel overstroomende, mede voerende allerlei afval, tot juichend pleizier der straatjongens, die naar welbehagen beenderen en graten en groente-overblijfselen er uit op vischten en er elkander meê om de ooren kletsten. De straatjongens, zij hadden dien regendag geheerscht in de Suburra, om die overstrooming der goten, gescholden door hunne moeders, die hen van uit de donkere deuren der kleine winkeltjes en kroegen terug wenkten en allerlei vervloekingen der goden riepen over de hoofden harer onbetrouwbare boefjes. De deerne Gymnazium – zoo bijgenaamd, omdat zij in jeugdiger dagen een leerschool geweest was voor jonge athleten en gladiatoren – had een blik naar buiten gewaagd, een paar woorden toe schreeuwende aan haar slavin, de kapster, die zij over haar huisje in haar kapwinkeltje had geïnstalleerd, als tonstrix, om zoo meer profijt van haar te trekken, en zich daarna op haar breede rustbank gevlijd, genietende den zwoelen Aprildag van regendoorruischte rust. Vreemdelingen, om rond te leiden, dien middag, zouden de Suburra met dàt weêr immers niet door trekken.
De avond viel, vroeg reeds en somber. De ondoordringbare, grauwe, smalle hemelreep boven de lage en hoogere huizen, duisterde. Het regende door. De straatjongens waren verdwenen en voor het lange, lage huis van den leno, Taurus met den stierennek, keken de gekapte meiden even uit maar zetten zich niet op hare gewone plaatsen langs den muur – naam, prijs, opschrift boven zich – te kijk en te huur, voor een nacht. Het was te gek met dien regen daar te gaan zitten. Wel bleven zij, door den grimmigen leno gedrild, dringen in de deur maar er ging niemand voorbij om tegen te lonken.
Het regende, het regende door. De taveerne van Nilus, den Egyptenaar – zoo bijgenaamd, omdat hij toch van den Nijl kwam, – over het huis van Taurus, was vol. De wijde, lage ruimte was, in het weifelend licht der walmende oliepitten, overvuld van een saâm gedrongene, roezemoezende menigte, eters en drinkers. De lage, gepleisterde, smookgrauwe pilaren droegen de houten zoldering, zwart; aan iederen pilaar walmde in een ijzeren nap een oliepit. De lucht was onadembaar voor wie binnen kwam, om zoo veel walm van olie, smook van pitten, wazem uit ademen en wadem, die uit de keuken drong, om dien damp uit natte kleêren, om dat zweet van zoo veel zwoele, samen klompende lijven, maar eenmaal binnen, voelde wie at of dronk het welbehagen hem door gloeien. Geene taveerne toch was er beter dan die van Nilus, in de Suburra; hier at men goed en voor weinig en was het Nomentumwijntje waarlijk nooit vervalscht. Hier was het maar lekker en prettig, onder de blikken van de godin Isis, wier beeldje, daar, boven de lange, breede schenkbank, in de wolk van walm, neêr blikte over de gasten, de kuische, goede godin, nooit geschandalizeerd door alles wat zij beneden zich hoorde en zag en duldde.


Openingsfragment van De komedianten (1917), geciteerd uit de editie Volledige Werken Louis Couperus, deel 37, p.5-6.

Dit is het eerste deel uit een nieuwe serie ‘Het favoriete fragment van…’, waarin verschillende auteurs hun licht zullen laten schijnen op de mooiste, ontroerendste of opmerkelijkste passage uit het werk van Louis Couperus.

(Uit: Arabesken 10 (2002), nr.19, p.25-26.)