Het favoriete fragment van... Peter Hoffman
Het lichaam als landschap
Natuurbeschrijvingen zijn uit. Nou ja, schrijvers willen heus nog wel eens, als
het zo uitkomt, een enkele bladzijde opsmukken met wat struweel hier of een
boompje daar, maar alinea’s vol met zonnegoud dat langs de loveren vloeit, met
melodieën van ruisende regenzang, met maandauw overdropen bloemen – nee, die kom
je niet veel meer tegen. Het is showing wat de klok slaat; telling staat in het historische
verdomhoekje. Men wil er niet meer aan; het duurt allemaal te lang, het houdt de
handeling én de lezer op. En: voegt het nou echt iets wezenlijks toe aan het verhaal?En dat het gelaat van de schoonheid sommigen nog steeds afkeer inboezemt, blijkt uit
een recente oprisping van letterkundig iconoclasme door literatuurprofessor Thomas
Vaessens. In zijn boek De revanche van de roman breekt hij een lans voor een ethische
en maatschappelijke dimensie in de literatuur, terwijl de gemiddelde Nederlandse
schrijver zijns inziens nog steeds op veel te mooie wijze verslag doet van het staren
naar zijn navel. Vaessens vindt engagement belangrijker dan een goede stijl, en ziet
de schrijver liever strijdbaar op de barricaden dan woordpunnikend in zijn ivoren toren.
De voortschrijdende marginalisering van de literatuur valt vooral de producenten zelf
te verwijten. Word je nauwelijks gelezen? Eigen schuld! Laat je zien en horen, bespeel
de media, meng je in het maatschappelijke debat, en verschaf jezelf aldus een nieuw
publiek! Niet lullen, maar poetsen – dat werk.
Het is niet verrassend dat de literaire kritiek door Vaessens dezelfde maat wordt
genomen. In een vraaggesprek met De Groene Amsterdammer stelt hij:
[Literaire kritiek] is veel te esthetisch georiënteerd. Mijn bezwaar tegen esthetische kritiek is dat ze doet alsof schoonheid en kwaliteit objectief vastgesteld kunnen worden. Ze zeggen: ‘Het is niet mooi geschreven, kijk maar’, en dan volgt een citaat van een paar regeltjes. Maar over wat dat dan precies is, ‘mooi’, daarover lees je vervolgens niets. Een criticus zou in debat moeten gaan met het boek.
Even afgezien van de kwestie hoe je als criticus in godesnaam met een boek moet debatteren, kun je je afvragen of niet juist het bijzondere van een literair auteur – dat wat hem onderscheidt van anderen – is dat hij schrijft, en niet dat hij er een mening op nahoudt. Zou een literair criticus zich derhalve niet in de eerste plaats met stijl dienen bezig te houden? Enfin, je kunt met deze discussie, die overigens verre van nieuw is, om de zoveel tijd weer de kop opsteekt en veel weg heeft van het klassieke vorm-of-ventdebat, vele bladzijden vullen. Dat is overigens ook gebeurd, want een geruststellend
19
groot deel van publicerend Nederland is inmiddels boos over Vaessens heen gevallen.
Wie geïnteresseerd is in deze oude wijn in nieuwe zakken, verwijs ik naar het internet,
waar de meeste polemieken gemakkelijk terug te vinden zijn.
Bedenkelijker is dat Vaessens in feite een bommetje legt onder de charmantste
rubriek van Arabesken. Nu moet ik toegeven dat er niets lastiger is dan uitleggen waarom
iets mooi of – in wat mindere mate – niet mooi is aan een bepaald citaat of fragment.
Maar dat doet niets af aan het grote belang dat schuilt in het behoedzaam of, voor
mijn part, moeizaam omcirkelen van wat vermoedelijk de schoonheid van een literair
werk uitmaakt, en daarvan weer anderen te overtuigen. De esthetische waarde van
een kunstwerk is immers niet een vaststaand gegeven, maar altijd afhankelijk van haar
archeologen en pleitbezorgers.
Nu ter zake. Eén van Couperus’ sympathiekste helden is een Held. Een tragische Held, die
door een wrange speling van het Lot gedoemd is tot een boetedoening van onmenselijke
omvang en zwaarte. Een dankbaar onderwerp voor een romancier zou je zeggen, ware
het niet dat het personage een mythologische halfgod is met bovennatuurlijke kracht, die
om de haverklap de bewoners van de Olympus tegen het lijf loopt, en – al dan niet met
hun mede- of tegenwerking – allerlei gruwelijke monsters een kopje kleiner moet maken.
Gesneden koek voor een gemiddelde Hollywood-regisseur van superheldenfilms, maar
toch niet bepaald een gangbaar onderwerp in serieuze literatuur van de twintigste eeuw.
Toegegeven: Herakles (1913) is misschien niet Couperus’ allerbeste werk geworden, maar
een roman met een dergelijk onderwerp had zich geen betere auteur kunnen wensen. Aan elke
zin merk je dat Couperus op dreef was en geïnspireerd zijn antieke stokpaarden bereed. Zijn
‘zooveelste’ is dan ook een schatkamer met prachtige, dus potentieel favoriete fragmenten:
De Held lag tegen de glooiïng van het eikenwoud, dat hellende af liep met zijne laatste, dunnere, ijlige tronken, loten, wortels toe naar de Aegeïsche wateren, die, wijd en bijna roereloos blauw, uit breidden onder den milden, gouden middag. De saffieren zee teekende ten einder haar cirkelenden horizon tegen de opalen luchtdom aan, de kimmewelving verbleekt in het overdadige zonnelicht. De hooge zon zeefde door de laatste takken der laatste boomen hare groote, gouden looveren neêr op het strand, op het zand, op de bijna schuimloos, zijde-achtig ruischende, verblauwende aanrimpeling; de zon zeefde de looveren over den Held, wiens groote lichaam zwaar gestapeld lag tegen den breeden voet eens eiks en wiens godenspieren edel forsch en brons uit zwollen tegen de grove, bruine spieren des booms, of goddelijke broeder rustende lag bij aardschen broeder, die stond.
Herakles, in wellust van ruste, leunde het hoofd in de palm, den vierkanten elboog gesteund in het geurige, groene mos.
Uit gras en kruid, uit blad en bloem, uit aardschen grond en hemellucht, uit zondoorgloeide zand, zon-overgoten zee, stegen de goede aromen, de weldadige geuren en wolkten, trillende zichtbaar, in wierook op naar de goden; krekelen trillerden en torren zoemden en vogelen orgelden, terwijl uit de diepte des wouds, gedempt, de droppeling af tinkelde van de verteederde fluiten der faunen...
Tegenwoordig zijn er nogal wat lezers, weet ik uit ervaring, die het land hebben aan dergelijke lappen tekst en deze het liefst integraal overslaan. Lezen zij nog wel hetzelfde
20
boek als ik? Natuurlijk niet, net zo min als iemand die de synopsis van
Così fan tutte
leest, een opera van Mozart hoort.
Hoewel ik helemaal niets heb tegen schoonheid omwille van zichzelf, is een goede
natuurbeschrijving altijd meer dan louter tierelantijn. Couperus mag dan wel een matig
dichter zijn geweest, zijn evocaties van landschappen hebben vaak een grote poëtische,
soms bijna hypnotiserende zeggingskracht. Het bovenstaande fragment vergt dan ook
dezelfde soort aandacht als die hoort bij het lezen van poëzie. Het vertraagt weliswaar
de handeling (en dus ook de leessnelheid), maar na enig geduld en aandacht voltrekt
zich het wonder in het hoofd van de lezer: wat zich aanvankelijk als een stroom
‘mooie’ woorden aandient, transformeert zich langzaamaan tot beeld, en van beeld tot
werkelijkheid. En dat is een heel andere werkelijkheid dan die wordt opgeroepen door
de mededeling: ‘Herakles lag vlakbij zee tegen een boom uit te rusten.’ Couperus reeg
niet de ene zin aan de andere om de lezer te pesten, maar om zijn personages in een
overtuigende wereld te plaatsen. Zelfs als het gaat om een Griekenland waar niet alleen
vogels, maar ook faunen blijken te fluiten. Dat kost nu eenmaal wat tijd en ruimte.
Couperus was geen loze woordstapelaar, maar een realist in hart en nieren, óók in
Herakles.
Overigens moet ik bekennen dat als ik alle tijd van bladeren zou hebben, ik misschien
nog wel een veel fraaiere proeve van Couperiaanse natuurbeschrijvingskunst had kunnen
vinden. Maar wat dit fragment zo speciaal maakt, is dat Herakles niet zozeer in het
landschap wordt beschreven, maar als onderdeel daarvan. Het benadrukt het moment
van rust en passiviteit die de held is vergund, nadat hij zijn tweede werk, het doden
van een negenkoppig monster, heeft voltooid. Zijn grote lijf ligt ‘zwaar gestapeld’ tegen
een boom, alsof hij een pakket hout is dat daar werd neergelegd. En zijn spieren zijn
als boomnerven, terwijl de boomnerven zijn als de spieren van Herakles: ‘goddelijke
en aardse broeder’ vloeien in elkaar over ‘onder den milden, gouden middag’. Zo’n
beschrijving is geen koekje bij de thee, maar het door Couperus bezielde verband tussen
hemel en aarde, mens en natuur. Je reinste engagement als je het mij vraagt.
Elders in de roman wordt het lichaam van Herakles nog nadrukkelijker met landschappelijke termen tot leven gewekt:
De mannen bewonderden hem, om de heuvelen zijner schouders; de vertakte rivieren zijner volle spieren, die verliepen langs zijn wichtige armen; zijne breede, vierkante borsten, hoog boven de wèg slankende ribben, om de builende dijen en de ballende kuiten, om den zwaar uit breidenden tred van zijn goeden, breeden voet, om den wijd uit grijpenden greep van zijn goede, breede hand, die hellend den knots hield in den arm geheven.
Couperus’ stijl is hier even krachtig en fors als de held die hij beschrijft. Zijn inspiratie voor dit kordate spierballenproza haalde hij uit de antieke beeldhouwkunst. Op 7 februari 1912, vier maanden voordat de eerste hoofdstukken van Herakles in Groot Nederland verschenen, schreef hij in Het Vaderland over het bezoek dat hij bracht aan het Museo Nazionale in Napels. Daar stuitte hij op het beroemde en imposante beeld van zijn toekomstige romanheld:
21
Liever zien wij naar den reuzigen Held, den rustenden Herakles. De ommelijn van zijn spierlijf, dat, staande, leunt op den, in den oksel geklemden knots, is als de prachtige silhouet van een berglandschap. In den kalmen mannekop, die in de rust helt naar den schouder, over den knots zich welvende, is het goddelijke van een dalende zon... Langs nek en schouderen, en massalen rug, die zijn als een stapeling van bergen, vloeien de volle stroomen der spieren. Hunne rivieren vertakken zich langs de heuvelen der borsten en de valleien van den buik. Als boomwortelen zijn breed de voeten geplant en de grootschheid van het spierlandschap verheuvelt langs de zwelling der kuiten, de welving der dijen. In de, over den knots afhangenden, arm en openvingerige hand vervloeit alle heldenkracht tot harmonische rust. Want het werk is volbracht; in de andere palm, die steunt op den onderrug, liggen de appelen der Hesperiden.
Zeer waarschijnlijk ligt in deze ontmoeting van schrijver en beeld de kiem van Couperus’
tweede mythologische roman. Het duizelingwekkende verhaal over de twaalf werken
van een halfgod vindt zijn oorsprong in de metamorfose van het koude,
harde marmer in een gloedvol, zinnenprikkelend landschap.
Ondanks of misschien wel dankzij deze toch wel heel
bijzondere vorm van natuurbeschrijven, haalden critici en
publiek hun neus op voor de avonturen van de onfortuinlijke
held; anderhalf jaar nadat Herakles was verschenen, waren
er maar 451 exemplaren van de roman verkocht. Wie
nu klaagt over de marginalisering van de literatuur zou
eens de verkoopcijfers moeten bestuderen van Neerlands
beroemdste schrijver van dat moment.
Eigen schuld of niet, professor Vaessens, met die valleien
van Herakles’ buik heeft Couperus wat mij betreft het navelstaren
tot eenzame hoogte gebracht.
Dit is het vijftiende deel in de serie ‘Het favoriete fragment van...’, waarin verschillende auteurs hun licht laten schijnen op de mooiste, ontroerendste of opmerkelijkste passage uit het werk van Louis Couperus. De eerste twee citaten zijn afkomstig uit Herakles. Volledige Werken Louis Couperus, deel 34, p.40 en p.28-29. Het laatste citaat is terug te vinden in Uit blanke steden onder blauwe lucht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 33, p.328.
Peter Hoffman is bestuurslid van het Louis Couperus Genootschap, redacteur van de websites louiscouperus.nl en rond1900.nl en was hoofdredacteur van Arabesken van 2001 tot en met 2008.
(Uit: Arabesken 17 (2009), nr.34, p.18-21.)