Het favoriete fragment van... Jan van Luxemburg
Priesters van de nacht en priesters van de zon

DOOR 

Er zijn bij Couperus aanleidingen en redenen genoeg om van een passage te houden. De scherpe en geestige karaktertekeningen van Karel, Cateau en Dorine in de beginpagina’s van De boeken der kleine zielen, het ongeluk en verdriet van Eline Vere, of de even ongegeneerde als geestig beschreven hoereerderei van Bassianus en zijn moeder in De berg van licht.
    De aankomst van de Mekka-gangers op het station van Garoet - op een van de laatste pagina’s van De stille kracht - verleidt me meer door de gebruikte retorische en intertekstuele middelen: de exuberante stijl en tegelijk de subtiele vooruitwijzing naar later werk. Uit de trein stijgen ‘plechtig, langzaam, vol wijding en bewust van hunnen waarde’, de hadji’s uit, ‘rijk geel en wit getulband het hoofd’. Hadji’s - dat zijn pelgrims die Mekka bezocht hebben - spelen in De stille kracht een mysterieuze rol. Ze verschijnen steeds ’s nachts en worden dan maar kort en niet altijd even duidelijk waargenomen. Ze zijn vertegenwoordigers van de ongrijpbare Indische cultuur die voor de Europese ‘bovenlaag’ een bedreigend karakter heeft. Door hun nachtelijk karakter doen ze mee aan de oppositie tussen licht en donker, die in de roman de oppositie Europees versus Indisch begeleidt. Ze passen bij de bedreigende en onverklaarbare verschijnselen, zoals een plotseling naar binnen gegooide steen, een whiskyglas dat breekt en de bloeddruppels die Léonie van Oudijck in haar bad bespatten.
    Hier op het station van Garoet treden de hadji’s in het daglicht. Ze worden daar gadegeslagen door een ‘golvende en gonzende menigte’ met terzijde Van Oudijck en Eva Eldersma. Maar Van Oudijck en Eva zijn geen outsiders meer; beiden zijn open gaan staan voor het Oosten. Ze voelen beiden tegelijkertijd wat Couperus ‘Hèt’ noemt, het ongrijpbare van Indië. Op dat moment van Oosterse overwinning wordt de waardigheid en de ernst van het gebeuren onderstreept, maar eigenlijk ook ondermijnd door de stilist, door de retoricus Couperus. Bijvoorbeeld als hij lustig allitererend vertelt hoe de priesters ‘laatdunkend de lippen zich dicht trokken.’ En de menigte kust ‘die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat zij hun bracht iets van het heilige Mekka.’ Alliteratie, herhaling en verdere exuberantie zijn troef.
    Dan heten de priesters een tweede maal ‘laatdunkend’ en dat woord brengt je opeens op gedachten. Dat is ook het woord in de excessieve retoriek rond de androgyne priesters die in De berg van licht de jonge aanstaande keizer Bassianus omringen en ook zíj zijn zelfbewust. De hadji’s worden met dezelfde retorische krullen omgeven als de Priesters-der-Zon, van wie gezegd wordt dat ze zijn ‘voornaam jeugdig, laatdunkend heupwiegend, zelfbewust androgyniesch, minachtend het plebs, dat was òf man òf vrouw.’ (De berg van licht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 24, p.55)
    Dat brengt je tot vragen: wat is precies de relatie tussen de erotische schrijversdroom over de jonge heupwiegende priesters, die spoedig de publieke onthulling van Bassianus’ lid zullen begeleiden, en hun zo’n vier jaar eerder beschreven Moslimcollega’s? Zijn die hadji’s in een roman waar de mannelijke blik op de vrouw vaak een mannelijke blik op de man lijkt te verheimelijken ook een heimelijke droom? Keren daarmee de priesters vanuit de helle dag van het station van Garoet toch weer terug naar

23
de nacht? En niet meer naar de nacht van het Oosterse mysterie, maar de nacht van de verborgen homoseksuele fantasie die pas in De berg van Licht in het licht treedt. De retoriek suggereert het.
    Zulke verbanden opsporen of bedenken is deel van mijn leesplezier.

De trein hield stil, en uit de lange wagens der derde klasse, plechtig, langzaam, vol wijding en bewust van hunne waarde, stegen de hadji’s uit, rijk geel en wit getulband het hoofd, waarin trotsch de oogen glansden, laatdunkend de lippen zich dicht trokken, in nieuwe glanzende jassen, goudgele en purperen samaren, die vielen aanzienlijk bijna neêr tot de voeten. En, gonzend van verrukking, soms met een opstijgenden kreet van onderdrukte extaze, drong nader de uitziende menigte, bestormde de nauwe uitgangen van de lange wagons... De hadji’s, plechtig, stegen uit. En hun broeders en hun vrienden grepen om strijd hunne handen, de zoomen van hunne goudgele en purperen samaren, en kusten die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat het hun bracht iets van het heilige Mekka. Zij vochten, zij verdrongen elkaâr om de hadji’s, om het allereerst den kus te geven. En de hadji’s, laatdunkend, zelfbewust, schenen den strijd niet te zien, waren als voornaam rustig en plechtig aanzienlijk te midden van den strijd, te midden van de golvende en gonzende menigte, en overlieten hun hand, overlieten hun tabbaardzoom aan den dweepkus van al wie hen nakwam.

Uit: De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus, deel 17, p.224-225)

Dit is het tweede deel in de serie ‘Het favoriete fragment van…’, waarin verschillende auteurs hun licht laten schijnen op de mooiste, ontroerendste of opmerkelijkste passage uit het werk van Louis Couperus.

(Uit: Arabesken 10 (2002), nr.20, p.22-23.)