Het verhaal 'Jahve'
Couperus en de theosofie
In 1903 verscheen een merkwaardig boekje bij L.J. Veen te Amsterdam, getiteld God en goden. Louis Couperus bundelde hierin twee mythologische verhalen, die eerder in Groot Nederland van dat jaar waren gepubliceerd: 'Jahve' en 'De zonen der zon'. Vooral het eerste verhaal, dat eigenlijk vrij onbekend is, blijkt een interessant perspectief te openen op het schrijverschap van Couperus, omdat hier onverhulder dan in andere werken de invloed van de rond 1900 opkomende nieuwe mystiek blijkt. Bij nauwkeurige lezing blijkt het scheppingsverhaal 'Jahve' namelijk een aantal theosofische en gnostische ideeën en motieven te bevatten.
Door Danny Habets
Omstreeks 1900 is er in de Europese cultuur een ware revival van spiritualisme en mystiek waarneembaar: het boven-natuurlijke oefent een grote aantrekkingskracht uit op kunstenaars en intellectuelen. Allerlei 'alternatieve' levensbeschouwingen, waaronder theosofie en anthroposofie, maar ook verschijnselen als spiritisme en occultisme, komen in het middelpunt van de belangstelling. Kort gezegd: esoterie was 'in'. In 1875 werd te New York de Theosofische Vereniging opgericht door Henry S. Olcott (1832-1907) en Helena P. Blavatsky (1831-1891). Olcott werd de eerste president van deze beweging, maar Blavatsky had vanaf het begin de spirituele leiding in handen. Van haar ging een grote invloed uit. Haar hoofdwerk, The Secret Doctrine (De Geheime Leer), verscheen in vier delen tussen 1885 en 1889. Een ander belangrijk werk van haar hand is Isis Unveiled (Isis ontsluierd). Tegen het eind van de 19e eeuw had de Theosofische Vereniging talloze aanhangers over de hele wereld. Een van de belangrijkste aanhangers was de Engelse Annie Besant (1847-1933), die een aantal voordrachten heeft gehouden 'in verschillende steden van ons land (...) in den loop der maand Januari 1898'. Louis Couperus moet op een of andere wijze in aanraking zijn gekomen met de theosofie. Zeker is wel, dat dit al ruim voor de lezingen van mevrouw Besant is geweest, aangezien al in Extaze uit 1892 duidelijk theosofische elementen zijn aan te wijzen (zie Klein 1983). Dit is des te opmerkelijker gezien het feit dat van The Secret Doctrine, dat slechts drie jaar eerder was verschenen, de Nederlandse vertaling pas voor het eerst verscheen in 1899, onder de naam De Geheime Leer. Dat Couperus bekend was met het theosofische gedachtegoed, blijkt het duidelijkst uit het slot van Metamorfoze (1897), waar de hoofdfiguur Hugo Aylva bekent zich verwant te voelen aan theosofen.44
Het eerste betekent dat men uit allerlei religieuze en filosofische
stelsels datgene neemt naar eigen keuze en goeddunken; het tweede betekent dat
men deze elementen, die uit heel verschillende culturen genomen kunnen zijn, tot
één nieuwe eenheid probeert om te vormen. Zo worden in de theosofie elementen
uit hindoeïsme, boeddhisme, christendom en allerlei oude 'duistere' leringen
samen genomen. Van een godsdienst mogen we volgens theosofen niet spreken; zij
spreken liever van 'Goddelijke Kennis of Wetenschap' (Blavatsky 1906:1), hetgeen
de vertaling is van θεοσοφια.
De Geheime Leer biedt als het ware een zo volledig mogelijke
beschrijving van de 'geheime leer' die achter alle godsdiensten van de mensheid
verborgen zou liggen. Elke godsdienst zou vervolgens (ten dele) bekend zijn met
die leer. Het boek bevat een 'cosmogenesis' (over het ontstaan van ons heelal),
een 'anthropogenesis' (over het ontstaan en de wording van de mens) en 'een
sleutel voor alle heilige boeken'. Het zou te ver voeren hier de hele
theosofische ideeënwereld uiteen te zetten. Ik beperk mij tot die elementen die
in het verhaal Jahve van belang zijn.
Het geheime Begin
De passage waarmee het
verhaal van Couperus opent, bevat eigenlijk al een belangrijk deel van de
theosofische scheppingstheorie in een notedop: 'Het was de staâge nacht, waarin
sluimerden de stille eeuwen - nog niet zijnde in den nacht, die al was; alléen
waren de ruimte en de eeuwigheid: nacht was ruimte, een eeuwigheid der trage
stille tijden sluimering, en wèl was er niets dan de vèrstrekkingen der
tijd-eeuwige leêgte, - eeuwigheid overgoddelijk, en overgoddelijk ruimte, beiden
geboren uit zich: begin, dat nooit was begonnen........'
Het zal duidelijk zijn dat deze
passage niet meer te verklaren is vanuit de joods-christelijke versie van de
Schepping. De theosofie - en de gnosis, waarvan zij gedeeltelijk
een herneming is - biedt echter een kader waarin bovenstaande gegevens wel te
interpreteren zijn. Zoals het verhaal zelf twee zinnen verderop meldt, betreft
het hier een 'duizelende onbegrijpelijkheid voor eerste goden en allerlaatste
mensen'. Ook dit laatste behoeft uitleg. Centraal in het eerste deel van De
Geheime Leer, dat enkele concrete aanknopingspunten biedt, staan Zeven Stanza's
uit het boek van Dzyan, die in de rest van het deel 'Cosmogenesis' worden
toegelicht door Blavatsky. 'De geschiedenis der Cosmische Ontwikkeling, zooals
die in de Stanza's wordt geschetst, is om zoo te zeggen de afgetrokken,
stelkundige formule van die ontwikkeling', zo merkt zij zelf op. 'De Stanza's
geven daarom een abstracte formule, die mutatis mutandis kan worden toegepast op
alle ontwikkeling: op die van onze nietige Aarde, op die van de Keten van
Planeten waarvan de Aarde er een uitmaakt, op het Zonne-Heelal (...),
enzoovoorts in stijgende reeks, totdat het verstand duizelt en bij de poging
uitgeput raakt.' (Blavatsky 1907:58). Een van de belangrijkste uitgangspunten
van de theosofie is het bestaan van vele werelden en van vele zonnestelsels,
waar ontwikkelingen plaatsvinden aan onze wereld en ons zonnestelsel.
Dat is zo groots dat de menselijke geest dit niet kan bevatten, laat staan
beschrijven. Dit is ook wat Couperus hierboven bedoelde met de 'duizelende
onbegrijpelijkheid'. En ook in zijn scheppingsverhaal blijken talloze werelden
te bestaan. In het geciteerde fragment uit Couperus komen enkele opvallende
ontkenningen voor. De stille eeuwen sluimerden,
45
maar waren er tegelijk ook weer niet: het waren nog geen eeuwen,
want dit veronderstelt een (lineaire) tijdrekening. Verder is er niets dan de leegte, is er een begin
dat nooit is begonnen. Het lijken nietszeggende paradoxen, maar ook deze zijn nadrukkelijk
ontleend aan de theosofische kosmologie. In haar voorrede tot De Geheime Leer spreekt
Blavatsky van 'den toestand van het EENE AL (...) vóór de eerste trilling der wederontwakende
Openbaring'. Ze merkt hierover op dat beschrijven onmogelijk is, de situatie kan alleen verzinnebeeld
worden, 'niet anders (...) dan door ontkenningen', en dat is precies wat Couperus heeft
gedaan. De situatie moet men zich volgens de stanza's voorstellen als een rusten in niet-zijn, dat
tegelijkertijd 'het Eene Zijn' is (Stanza I,7). Ook bij Couperus is dit Begin een niet-zijn.
Er zijn nog meer aanknopingspunten. In Stanza I lezen we onder meer: 'De Eeuwige Moeder
had, gehuld in haar Immer-Onzichtbare Gewaden, wederom Zeven Eeuwigheden lang gesluimerd.'
Letterlijk heeft Couperus deze formulering nergens overgenomen; hij heeft niet een
kopie van De Geheime Leer proberen te maken, maar naar de geest en in de formulering van het
sluimeren der stille eeuwen is de overeenkomst duidelijk. Evenals in het vervolg van de stanza:
'De Tijd was niet, want hij lag in slaap in den Oneindigen Schoot van de Duur', en:
'Duisternis
alleen vulde het Grenzeloos Al, want Vader, Moeder en Zoon waren wederom één, en de Zoon
was nog niet ontwaakt' (Stanza I,5). Couperus is overigens in het algemeen heel eclectisch (!) te
werk gegaan bij zijn keuze van elementen uit de stanza's: namen, getallen en concretiseringen
laat hij weg. Daardoor ontstaat een veel abstracter en kernachtiger verhaal dan het met namen
strooiende en breedsprakige boek van Blavatsky; alle toespelingen bij Couperus zijn verhuld.
Adem en Jahve
Uit de verre, geheime oorsprong is Adem geboren, 'die de eindeloosheid overstreek' (Couperus
1989:7): 'De Adem streek eeuwig: hij kwam, waarheen...? Hij ging, waarheen...?' Verder
wordt van Adem gezegd dat hij geslachteloos en vormeloos (en dus boven- of overgoddelijk) is.
Adem is zelf slechts een trilling, een siddering waarin het leven vormloos beeft. Dit is een echo
van wat in De Geheime Leer is te lezen: 'Alleen, strekte zich de Eene Vorm van Bestaan,
grenzeloos, oneindig, oorzaakloos, in Droomlozen Slaap, uit; en het Leven polsklopte onbewust
in de Algemeene Ruimte' (Stanza I,8). En de tweede stanza: 'er was noch Stilte, noch Geluid;
niets behalve Onophoudelijke Eeuwige Adem die zichzelven niet kent' (Stanza II,2)
Zijn zoon, de hoogmoedige Jahve, rebelleert tegen zijn vader. Adem waarschuwt Jahve
'dat
[er] véle Ademen zijn en dat grooter Adem is: het Geheim, ondoorgrondelijk voor mij als voor
u' (Couperus 1989:9). Ook De Geheime Leer spreekt van meerdere Adems (Stanza V,1).
Jahve is de eerste echte scheppergod (in de gnosis demiurg genoemd), die welbewust vormen
schept naar zijn eigen beeld; dat beeld wordt namelijk weerspiegeld in het licht dat hij denkt
geschapen te hebben. Jahve pleegt echter deels zelfbedrog: 'Het licht streed uit de duisternis
zich stralende los, en Jahve meende dat hij het licht had geschapen. En hij wist niet, dat, hem
barmhartig, het licht was gevloeid uit de Bron, het ondoorgrondelijk Geheim, dat was vóor
Jahve en Adem waren.' Hij denkt, door zijn macht tot scheppen, dat hij zelf Begin is, maar dat
is onjuist.
46
Dit is belangrijk, want het veronderstelt een heel andere theologie. Met hun scheppen
zijn Adem en Jahve, in de termen van Blavatsky, 'de Voortbrengers van Vorm uit Geen-Vorm'
(Stanza II,1). Zij zijn echter niet het absolute Ene, het Al, het oerprincipe van alle leven: zij
hebben slechts bewust een aantal vormen voortgebracht.
Dit idee, dat er een boven-goddelijk principe bestaat, dat god en goden overtreft, is ook terug
te vinden bij de oude gnosis, waaraan de theosofie veel ontleend heeft. Volgens de gnostiek kan
de God van het Oude Testament nooit het uiterste principe van alles zijn. Er moet iets zijn dat
geheel volmaakt is, anders dan zo'n jaloerse en wrekende Jahwe. Omdat geen sterfelijk wezen
die oerbron ooit aanschouwd heeft, wordt wel gesproken van de Onbekende God. Bij Couperus
heet dit het ondoorgrondelijk Geheim of het 'overgoddelijke' Begin. Een bekend gnostisch
werk, Het Geheime Boek van Johannes, geeft het als volgt weer: 'Het is niet juist zich hem, de
Geest, als een god of iets dergelijks voor te stellen, want hij overtreft de goden. Hij is begin
zonder begin, want voor hem was er niets' (Slavenburg 1990:19). Dit 'begin zonder begin'
hadden we al gezien in het geciteerde beginfragment van 'Jahve'.
God en goden
Opvallend is dat uit 'Jahve' een zeer open en tolerant wereldbeeld spreekt: geen enkele
godsdienst kan er aanspraak op maken de waarheid in pacht te hebben. De strekking gaat zelfs
verder: al die verschillende godsdiensten aanbidden in feite hetzelfde Goddelijke principe; ze
zijn eenvoudigweg diverse uitingen van hetzelfde. Dit idee van de gezamenlijkheid van alle
godsdiensten, waarvan het hele verhaal doordrongen is, is eveneens ontleend aan de theosofie.
Zo merkt Annie Besant in een van haar voordrachten op: 'bij alle volkeren vinden wij dezelfde
leeringen, steeds weer door de groote leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft slechts ééne bron,
en die bron is het Goddelijk Weten' (Besant 1902:6). Dat is waar het in de theosofie om gaat.
Couperus stelt in zijn verhaal nadrukkelijk positie van de joods-christelijke God als enige en
hoogste god ter discussie. Jahve meent dat de andere goden niet meer zijn dan verbeelding van
de starrelingen, schimmen die aanbeden worden, maar Adem antwoordt hem: 'gij zijt... als die
goden daar' (Couperus 1989:28). Als Jahve hun existentie niet aanvaardt, dan aanvaardt hij dus
ook zijn eigen bestaan niet. Dan is ook hij slechts schim. Adem was bovendien niet de enige
adem; de schepping bestaat uit een veelheid aan werelden. Misschien is hij zelf ook slechts verbeelding
van starrelingen (de mensen). Adem houdt hem een spiegel voor: 'Doet gij meer dan
schemeren... door een sfeer, die u grooter lijkt, zoo groot, dat gij haar noemt het heelal?'
(ibidem). En Kronos, de Griekse oergod, houdt Jahve voor: 'Maar bestaan zij [d.w.z. de andere
goden], zoo bestaan zij naast ons.'
We komen hier aan de kern van het verhaal: niet onze, christelijke God of welke andere
goden ook vormen het belangrijkste principe, maar een geheim, onkenbaar oerbegin, de Bron
van al het leven. Dat is de echte 'God' die boven en tegenover alle goden staat. In dit licht
wordt ook de titel van de bundel duidelijk: God en goden. De laatsten zijn waarschijnlijk slechts
schimmen, afschijnsels van dat hogere en bovengoddelijke.
Aardig is dan ook dat Couperus de bekende wereldgodsdiensten in verhulde vorm laat
optreden naast en na elkaar. Ze leveren aan de wereld de verschillende 'heilige middela-
47
-ren',
mensen die van het hogere Geheim weten en die de mensen heiligheid komen brengen. In de
gnosis en de theosofie heten deze mensen avatars. Zij zijn de goddelijke gezanten die de mens
hulp moeten bieden in zijn zoektocht naar de kennis van het Al. Couperus gebruikt niet de term
avatar, maar hij laat wel Boeddha en Christus als heilige bemiddelaren tussen mens en God
optreden. Dat Jezus de Zoon van God zou zijn, berust volgens Jahve zelf dan ook op een
misverstand.
Besluit
Ik heb hierboven slechts een aantal aan de theosofie ontleende elementen uit 'Jahve' kunnen
bespreken. Grondiger studie naar theosofische motieven in 'Jahve' is dan ook nodig, zoals in
het algemeen onderzoek naar het religieuze denken in het werk van Couperus dringend nodig is.
Ook 'Jahve' bevat nog zoveel andere elementen, die hier nog geen plaats hebben gekregen: de
zeer rijke symboliek in het verhaal, de ontleningen aan gnosis en andere mystieke leringen, de
talloze referenties aan de Bijbel en de menselijke geschiedenis. Verder is ook in het andere verhaal,
'De zonen der zon', de invloed van theosofie duidelijk aanwijsbaar. Het kan ook geen
toeval zijn, dat in De Geheime Leer te lezen is: 'De Zoon-Zonnen zijn talloos' (Stanza IV,6).
In een vroegere studie (Habets & Van den Oever 1995) is weliswaar al aandacht besteed aan
deze andere aspecten uit God en goden, maar ook dat is slechts een begin: begin, dat (n)ooit was
begonnen...
Door de redactie ingekort
Geraadpleegde literatuur
Besant, Annie, Vier voordrachten over theosofie. Amsterdam, 1902.
Blavatsky, H.P., De sleutel tot de theosofie, Amsterdam, 1906. Vert. van
The key to
theosophy. London, 1889.
Blavatsky, H.P., De Geheime Leer: de samenvatting van wetenschap, godsdienst en
wijsbegeerte. Deel 1: Cosmogenesis. Amsterdam, 1907.
Blavatsky, H.P., De Geheime Leer: de samenvatting van wetenschap, godsdienst en
wijsbegeerte. Deel 2: Anthropogenesis. Amsterdam, 1908.
Blavatsky, H.P., De Geheime Leer: de samenvatting van wetenschap, godsdienst en
wijsbegeerte. Deel 3. Amsterdam, 1908.
Blavatsky, H.P., Isis ontsluierd: een sleutel op de mysterien van de oude en de hedendaagsche
wetenschap en godgeleerdheid (2 delen). Den Haag, 1911-1914. Vert. van
Isis Unveiled. New York, 1877.
Couperus, Louis, God en goden. Utrecht/Antwerpen, 1989 (Volledige Werken; 22).
Habets, D.J.H.W. & Van den Oever, R.C.L.W., Genesis herschreven: de schepping van
Couperus. Nijmegen, 1995 (ongepubliceerd werkstuk).
Klein, M., 'Het verborgen leven van Cecile van Even', in De Revisor 1983.
Slavenburg, Jacob, Gnosis: de esoterische traditie van het oude weten. Deventer, 1990.
Bijlage: samenvatting van de inhoud van 'Jahve'*
1. Uitgangspunt is een ondoorgrondelijk en geheim begin, onbegrijpbaar voor goden en
mensen. Dat begin is tijdloos en vormloos, een niet-zijn. Uit die geheime, onkenbare oorsprong
wordt door onbekende oorzaak Adem geboren. Hij is de eerste die 'vorm denkt' en daarmee
leven schept: Jahve ontstaat. Dat is het eerste scheppen en het eerste zijn. Uit angst voor zijn
schepping probeert hij deze te vernietigen, maar het is al te laat. Jahve is trots en rebelleert tegen
Adem. Eeuwen zwerft hij door de nachtelijke en vormloze ruimte. Uit goddelijke hoogmoed
denkt Jahve zichzelf als Begin. Hij strekt de armen uit en schept het licht, niet wetende dat dit
niet van hem komt maar rechtstreeks uit de Bron (het geheime Begin). Vervolgens schept hij
aartsengelen en stelt hij een tijdrekening in. Voor de engelen schept hij zonnewerelden, die daar
zelf vormen moeten scheppen die meewerken aan het Doel. Zo is de schepping in gang gezet.
2. Als Adem in paniek Jahve en zijn scheppingen probeert te vernietigen, buigt Jahve hem
om tot Wiel en stuwt hem van zich af. De sfeer van het Wiel wordt echter bij elke wenteling
groter, dwars door alle zonnestelsels heen, en draagt een schaduw mee over Jahve's scheppingen
van licht. Iedere vorm zal de druk van de willoze wenteling van het Wiel ondergaan, tot hij
eenmaal geen vorm meer zijn zal. Jahve wordt een grijsaard vol zorgen.
3. Alle engelen doen wat Jahve hen heeft opgedragen: hun zon doen wentelen, sterren
eromheen gezaaid en Deugden en de starrelingen geschapen, alles voor het Doel. De starrelingen
(de aardbewoners), die de sterren bij de zonnewerelden bevolken, worden geacht de
Deugden en daarin Jahve te aanbidden. Er is echter een vreemd element bij gekomen dat de
eerste zielen van de starrelingen 'verbijstert'. Daardoor morren zij, lasteren ze Jahve en
vergeten ze de Deugden. De sterfelijke schepsels scheppen zich afschijnselen van slechtheid en
aanbidden ze in de vorm van beelden van goud en juweel in tempels. Als Jahve daarop in
woede met een orkaan de zonnewereld wil vernietigen, smeken de engelen hun werelden te
sparen, omdat zij er toch van houden. Ze beloven beterschap. Jahve houdt van zijn engelen en
laat zich vermurwen.
4. Dan doet Adem weer van zich spreken, met als gevolg de grote twijfel van Jahve. Adem
vraagt Jahve of dat wat de starrelingen doen beelden scheppen en die liefhebben en
'naar hun
zielkleinte ze aanbidden in tempels' iets wezenlijks anders is dan Jahve zelf heeft gedaan.
Zoals Jahve hun God is, zo was Adem zijn God. Adem waarschuwt Jahve dat zijn schepping
zich tegen hem kan keren, zoals Jahve zich ooit keerde tegen Adem. Jahve is behoorlijk van zijn
stuk gebracht. De 'onvermijdelijke Twijfel' neemt nog toe, wanneer Adem hem laat zien dat er
nog andere goden zijn. Net als Jahve menen ook deze andere goden dat zij alomtegenwoordig
zijn en hun oog alles ziet. Jahve wordt verscheurd door twijfel en kan moeilijk aanvaarden dat
indien hij en zijn engelen bestaan, ook de andere schimmen bestaan. Jahve is bijzonder
'ijverzuchtig' op de andere goden. Als hij neerdaalt in de goddelijke verwolkingen van de
starrewerelden, ziet hij een blauw heelal en ontmoet hij een glansgod Baäl met zijn gemalin
Astarte. Die is net als Jahve afgunstig en beweert de enige god te zijn. Het ontaardt in een
wedijver over wie nu wezenlijker is. Beiden blijken uit dezelfde bron (het Licht) voortgekomen
en beiden hebben hetzelfde voortgebracht (zonnewerelden, sterren, Deugden). Als Jahve na een
heftige maar vergeefse strijd woedend door de ruimte stormt, komt hij in de 'sfeer' van Isis en
Osiris en de piramiden, 'een gouden driehoek'. Het land bevindt zich op Azral's ster (die in
alles lijkt op onze aarde en verderop ook 'groene aarde' wordt genoemd). De goden worden
nauwelijks bewogen door Jahve's stormachtige komst. Zelfs als Jahve de goddelijkheid van
Osiris ter discussie stelt en het echtpaar wil aanvallen, blijft het tweetal onbewogen, uit zekerheid
en diepe wijsheid. Jahve durft hen niet verder lastig te vallen. Alleen vraagt hij nog naar het
geheim achter Isis' sluier, hetgeen onbeantwoord blijft. Op zijn verdere tocht over Azraël's ster
komt Jahve in de noordelijke streken in aanraking met de baardige goden en blonde godinnen
van de Asgard, en in zuidelijke streken met goden van de Griekse mythologie. (Dit alles wordt
door Couperus overigens niet met naam en toenaam genoemd.) De stralende heerlijkheid van de
Griekse goden ergert Jahve, en nog steeds is hij hoogmoedig, maar de twijfel houdt aan. De
engelen moeten hem sussen. Een 'nederig volk, in tenten levend' aanbidt Jahve met wierook;
dit zijn de joden (Abraham).
5. Jahve is in sombere bespiegeling, eeuwenlang. Het heelal is met goden
'volgewemeld', en
iedere god acht zich uniek. Om allen zit echter de ring van het Noodlot. De schepping wordt als
een veelheid van sferen beschreven, paradijzen omgeven door Wee-wielen. Onder de stervelingen
heerst smart, de Deugden zijn onzichtbaar geworden. Elke ster taant, dooft tot aarde. Als
aan een grote boom ontstaan en vergaan werelden als vruchten. Werelden en mensheid
verzinken en de mensen klagen. De andere goden en paradijzen zijn 'verbleekt'; uit de wereld
klinkt nu een reuzekreet op naar Jahve. Er zijn ook 'heilige middelaren'; zij herinneren zich de
engelen en de Deugden en worden zonen Gods genoemd. Jahve is mild geworden. De aarde
kent verschillende van die heiligen: een kind uit een lotosbloem dat koning wordt en dan weer
bedelaar (= Boeddha), die reïncarneert tot een python die zich in zijn staart bijt. Vele aardelingen
aanbidden hem. Vervolgens krijgen we beknopt, wederom in bedekte termen, het evangelieverhaal
verteld: Maria, Jozef, de ster, Herodes en de kindermoord, doornenkroon en kruisdood.
Jahve ziet een misverstand ontstaan: de heilige middelaar waartoe het kind uitgroeit wordt
gezien als Jahve's eigen zoon. De geschiedenis wijst zich vanzelf uit: apostelen, martelaren in
arena's, kathedralen en kerken. Door de wanhopige aanbidding van hem door de mens, geraakt
Jahve zelf tot aanbidding. Ook Jahve vouwt de handen, biddend tot het goddelijk Geheim. Hij
erkent nu, in tegenstelling tot eerder, dat alleen dat Geheim werkelijk is. Al het andere is schim.
*Niet opgenomen in de oorspronkelijke publicatie in Louis Couperus Genootschap Nieuwsbulletin
(Uit: Louis Couperus Genootschap Nieuwsbulletin 5 (1997), nr.10, p.42-47.)