Een vraaggesprek met Bas Heijne
Couperus, visionair premodernist

Bas Heijne. Foto: Marco Bakker  

Bas Heijne (1960) is auteur van de romans Laatste woorden en Suez, de verhalenbundels Vreemde reis en Vreemd bloed, en de essaybundels Het verloren land en De wijde wereld. Daarnaast schreef hij diverse stukken over Louis Couperus, waaronder Angst en schoonheid. Over Louis Couperus en Indië (1996), het tweede Couperus Cahier. Heijne is als essayist verbonden aan NRC Handelsblad.

DOOR 

‘Toen ik een jaar of zeventien, achttien was, lange krullen had en fluwelen jasjes droeg, had ik het gevoel dat ik een heus dandybestaan zou leiden. Maar met Couperus had dat niet zoveel te maken. Ik heb me nooit zo met hem vereenzelvigd. Oscar Wilde heeft als persoon een grotere invloed op mij gehad dan Louis Couperus.
    ‘Ik ben Couperus pas later echt gaan lezen, toen ik een jaar of drieëntwintig was. Toen ik De stille kracht las dacht ik meteen: “dít is een meesterwerk”. De vrijmoedige, seksuele kant van Couperus heb ik pas veel later ontdekt.’

Somber
‘Je zou denken dat Couperus vroeger een omstreden auteur was vanwege zijn zinnelijkheid en geaardheid. Maar dat was volgens mij het probleem niet. Het werkelijke bezwaar was dat zijn werk veel te somber was. Hij benadrukte de nietigheid en zinloosheid van

17
het bestaan. Eigenlijk werd hem hetzelfde verweten als Gerard Reve, toen hij De avonden had gepubliceerd. Ik vind dat niet terecht, maar het is een begrijpelijker verwijt dan de bedenkingen tegen zijn vrijmoedigheid. Men vond zijn werk mistroostig en onchristelijk, en dat is het ook vaak. Van oude menschen… en Iskander gaan over vergankelijkheid en de zinloosheid van het menselijk streven. Deze thematiek maakt Couperus tot een groot schrijver, niet dat hij mooi en onbevangen over seks schrijft. In alles wat ik over Couperus heb geschreven, heb ik dat aspect willen benadrukken, want deze visie op de menselijke conditie maakt hem tot de beste romancier die Nederland ooit gekend heeft. Wanneer je zijn boeken herleest, dan is het altijd anders dan je het je herinnerde, ze gaan steeds weer over andere dingen dan je dacht. Couperus is in zijn beste werken een visionair: hij kijkt dwars door de alledaagse werkelijkheid heen.
    ‘Dat is vooral in De stille kracht het geval. Het boek gaat niet alleen over de blote borsten van Leonie van Oudijck. Het gaat ook niet over goena-goena, maar over twee verschillende culturen, waarbij de ene in de ander probeert door te dringen. Dat blijkt niet te kunnen. De koloniale cultuur is ten dode opgeschreven. Zo’n roman, over de onmogelijkheid van mensen uit verschillende achtergronden om elkaar te begrijpen, had ik in Nederland nog niet gelezen, dat was een verrassing voor me.’

Integratie
De stille kracht is geen politieke roman, zoals bijvoorbeeld Max Havelaar dat wel is, met al zijn aanklachten. Maar Max Havelaar zet niet echt vraagtekens bij de rechtvaardigheid van het kolonialisme. De misstanden worden wel aan de kaak gesteld, maar nergens wordt gezegd dat de hele onderneming op een vergissing berust. Couperus doet dat wel, niet door moralistisch te zeggen “het is fout”, maar door aan te tonen dat het westerse rationalisme niet samengaat met de oosterse mystiek.
    ‘De resident gaat ook niet ten onder aan de krachten die hij niet kan beheersen, want hij beheerst ze wel degelijk, maar hij begrijpt ze niet. Dat maakt hem zwak en daardoor is hij verloren. Hij heeft geen oog, zoals Couperus schrijft, voor “de mystiek der zichtbare dingen”. Hij moet erkennen dat er buiten zijn wereldbeeld dingen zijn die hij, als rationele westerling, niet kan begrijpen. Dat is de tragedie van de westerse mens.
    ‘Het is gebleken dat Couperus gelijk had in zijn pessimisme: van de Nederlandse cultuur is in Indonesië niets meer over. Mengeling van culturen, intergratie is gecompliceerder dan veel mensen denken. Bij een schrijver als Naipaul gaat vrijwel het hele werk over hoe moeilijk het is om te aarden in een vreemde cultuur. Dat is veel te lang onderschat. Je kunt wel zeggen “schaf je eigen cultuur maar af”, maar dan houden mensen juist met dubbele energie aan hun eigen cultuur vast. Dat is een normale reactie. Zoiets zie je bij Indische Nederlanders ook wel, maar dan meer als folklore; bij het integratieproces wordt de culturele eigenheid gefolkloriseerd. Zo’n festival als de Pasar Malam is daar een goed voorbeeld van.
    ‘De Nederlandse samenleving bestaat niet meer uit één stuk, er zijn andere krachten bijgekomen zoals globalisering, waardoor men geneigd is zich terug te trekken in eigen kring. Nederlanders die zogenaamd hun eigen cultuur herontdekken, maar ook islamieten

18
die zich plotseling druk maken over zaken waarvan niemand in Marokko nog wakker ligt: het maakt integratie tot een moeizaam proces.
    ‘Aan de andere kant: de integratie is al verder gevorderd dan velen willen toegeven, maar de botsingen zullen des te heviger zijn. Het is ontzettend naïef om te denken dat je integratie kunt afdwingen. Men denkt dat als mensen de taal leren ze ook wel hun eigen cultuur zullen inruilen. Zo werkt dat natuurlijk niet. Hoe meer eisen je stelt des te meer je het tegenovergestelde bewerkstelligt. En dat is nu precies waar Couperus in De stille kracht een goed oog voor had.’

Nostalgie
‘Ik heb me altijd verzet tegen de sfeer van nostalgie die rond Couperus hangt. Hij is voor mij veel meer dan de schrijver van “tempo doeloe, goena-goena en oe-lala”. Qua stijl was hij natuurlijk een typisch negentiende-eeuwse verteller, maar zijn boeken zijn moderner dan Couperus-fans vaak denken. Ik beschouw een groot deel van zijn werk als twintigste-eeuws, als premodernistisch. Van oude menschen… en De boeken der kleine zielen spelen zich af in de nieuwbouwwijken van die tijd. Het waren dus moderne romans, net zoals bijvoorbeeld E.M. Forsters Howard’s End geschreven vanuit de actualiteit.
    ‘Natuurlijk sloeg Couperus ook de plank wel eens mis. Zo vind ik Eline Vere eigenlijk een zwakkere roman. Het begint sterk, als Eline geconfronteerd wordt met een dode, eendimensionale werkelijkheid die niets anders is dan wat zij om zich heen ziet, een werkelijkheid waar niet doorheen te boksen valt, net zoals in De avonden van Gerard Reve. Maar halverwege gaat Couperus, waarschijnlijk door het succes dat hij oogstte met zijn feuilleton, zijn publiek behagen. Dan krijg je die leuke uitjes naar De Horze en zwelgt hij in wat hij eerst zo genadeloos blootlegde: de niksigheid van het leven.’

Muziek
‘Typerend voor Couperus’ stijl is zijn kwistig gebruik van bijvoeglijke naamwoorden, maar je kunt hem zelden betrappen op zomaar wat loos adjectieven stapelen. Elk woord heeft een betekenis en draagt bij aan het beeld dat hij wil oproepen. Dat vind ik heel erg knap. Het is iets heel anders dan krampachtig woord aan woord te rijgen om zo een sfeer op te roepen. Couperus is vaak mooischrijverij verweten. W.F. Hermans vond dat hij met een parfumkwast schreef. Zijn stijl is weliswaar instinctief, maar nooit hol, zoals Hermans dacht, die zelf overigens helemaal geen groot stilist was.
    ‘Ik hou van ritmisch-muzikaal proza. Meestal schrijf ik zelf op muziek, heel ordinaire muziek. Normaal gesproken luister ik alleen naar klassiek, maar daar kan ik niet op werken. Ritmische muziek maakt iets los waardoor ik niet ga zitten puzzelen op mijn eigen zinnen, maar me kan overgeven aan het onbewuste. Klank en ritme kunnen bepaalde woorden afdwingen. Dat is het leukste, wanneer zinnen muzikaal kloppen. Ik hou van een vloeiende stijl die toch precies is. Maar je moet er nooit over nadenken, het moet vanzelf gebeuren, anders gaat het nooit goed. Haast is goed voor een schrijver. In zijn feuilletons bijvoorbeeld, waar hij met een deadline te maken had, geeft Couperus zichzelf meer bloot dan in andere boeken. Hij had eenvoudig geen tijd om zichzelf te censureren.’

19
Fris
‘Ik merk nu pas hoe homoseksueel het werk van Couperus eigenlijk is. Zoals bijvoorbeeld het stukje waarin hij beschrijft dat hij door Groningse studenten voor een voordracht werd uitgenodigd. Alles is fris, het platteland is fris, de stad is fris, maar vooral ook de studenten zijn frisse jongens. Halverwege zijn feuilleton schrijft Couperus: “Ik geloof vast, o vriend Jaap, dat ik nog eens in uw tent mede kom overzomeren te Terschelling, om de omelet te proeven, die gij zoo goed weet te bereiden.” Ontzettend camp is dat, de homo-erotiek druipt er vanaf. Erg ontroerend ook: Couperus, een man van middelbare leeftijd, ineens temidden van die onschuldige, bewonderende jongens.
    ‘Achteraf merk je dat het eigenlijk nauwelijks verholen is. Je moet wel heel erg een bord voor je kop hebben om het niet te zien. Maar goed, mijn vroegere dandyisme, dat in werkelijkheid niets anders was dan gebrek aan seksuele ervaring, richtte zich zoals gezegd eerder op Oscar Wilde, die vond ik veel geiler dan Couperus, om het zo maar te zeggen. Later zag ik in dat erotiek in het werk van Couperus wel degelijk een grote rol speelt, veel groter dan zijn dwepende bewonderaars wilden erkennen. Zij schiepen een beeld van hem als een aseksueel wezen, maar daar sprak geloof ik vooral hun eigen angst voor seks en homoseksualiteit uit.
    ‘Tijdens mijn middelbare schooltijd las ik Metamorfoze, een verbluffend boek. Er zit alleen een denkfout in: Emilie zou eigenlijk een man moeten zijn. Anders klopt het boek niet. Het boek gaat onmiskenbaar over homoseksualiteit. Kijk maar naar de jeugdherinneringen van Hugo Aylva aan Kareltje.
    ‘De homoseksualiteit in Couperus’ werk is van een smakelijke soort. Hij wist wel degelijk wat er te koop was. Men zegt wel dat hij zich tot “geestelijke onanie” beperkte, maar dat hou je toch niet je hele leven vol? Zo beschrijft Couperus hoe hij in Rome met jongetjes naar de bioscoop ging. Hij moest ze waarschijnlijk van zich afhouden, want voor een ijsje zaten ze in je broek in die tijd. Dat was toen volkomen normaal, die manier van je geld verdienen. Couperus zal in ieder geval alle gelegenheid hebben gehad, zeker in Italië. Of hij daar hartstochtelijk op ingegaan is, dat weten we natuurlijk niet. Er valt niets te bewijzen, maar vooral zijn feuilletons zitten vol met campachtige dubbelzinnigheden.
    ‘Maar er zit ook tragiek in. Reve heeft over Couperus gezegd dat het niet zozeer gaat om de vraag of Couperus ooit seks gehad heeft met een man, maar of hij zijn leven had kunnen delen met een andere man. Dat was uitgesloten. Uit wat hij over zijn vriendschap met Orlando schrijft, blijkt wel dat hij zijn grote liefde was. Sommige van de feuilletons die hij over deze onuitgesproken driehoeksverhouding schreef, ademen een diep verdriet. Uiteindelijk is dat de grondtoon van zijn adembenemende oeuvre: het vergeefse streven naar geluk, de onverbiddelijke vergankelijkheid van alles. Alleen schoonheid schept de illusie dat je daar aan kunt ontsnappen – heel even.’

Dit is het derde deel van een serie vraaggesprekken met literaire auteurs over de betekenis van Couperus voor hun werk.

(Uit: Arabesken 12 (2004), nr.23, p.16-19.)