Beelden van Heliogabalus bij Couperus en Lombard
L’Agonie versus De berg van licht

In 1888 publiceerde Jean Lombard de roman L’Agonie, waarin beschreven wordt hoe Rome onder keizer Heliogabalus verwordt tot een losbandig oord. De jonge keizer doet zijn best om ‘het Westen onder te dompelen in het pompeuze Oosten om het er stralender uit te laten komen, als uit een bad van wellusten, misdaden en goud’. Louis Couperus was onder de indruk van L’Agonie, maar was minder tevreden met de manier waarop Lombard de oosterse keizer presenteerde. In welke opzichten verschilt de Heliogabalus van Couperus van de Heliogabalus van Lombard? [1]

Door Martijn Icks*

Tusschen de keizers heeft mij het meest altijd getroffen de figuur van het mooie zonnepriestertje, dat tot keizer werd uitgeroepen, omdat het Leger verliefd op hem was en omdat hij zoo mooi kan dansen. (…) Niemand die over hem schreef, of hij heeft hem gelasterd, zelfs Lombard. Het jongetje was een bedorven Kind en zeker hysteriesch in zijn man-vrouwelijkheid, maar hij was niet enkel ‘liederlijk’ en meer niet. Hij was geniaal, en artiest in alles wat hij deed. [2]

Met deze woorden, afkomstig uit een promotiefolder die op naam van zijn vrouw stond, probeerde Louis Couperus het Nederlandse publiek in 1905 warm te maken voor zijn aanstonds te verschijnen roman, De berg van licht. Hierin wordt het wonderlijke verhaal verteld van Heliogabalus, een Syrische zonnepriester die reeds op veertienjarige leeftijd op de Romeinse troon belandde. Onder de naam Marcus Aurelius Antoninus regeerde hij vier jaar lang over het Romeinse rijk.
    Antieke auteurs beschrijven het bewind van Heliogabalus als een aaneenschakeling van extravagante orgieën en seksuele uitspattingen, een tijd waarin de heilige Romeinse tradities met voeten werden getreden en alles op zijn kop werd gezet. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Cassius Dio leidde de keizer ‘van begin tot eind een zeer losbandig leven’. Hij zou bijvoorbeeld als prostitué langs de herbergen van de stad zijn getrokken en zich uiteindelijk zelfs in zijn eigen bordeel in het paleis aan voorbijgangers hebben aangeboden. [3] Een andere geschiedschrijver, Herodianus, vermeldt dat Heliogabalus zich vertoonde ‘met getekende ogen en rood gemaakte wangen. Zo bedierf hij zijn van nature aantrekkelijk gezicht met ontsierende make-up’. [4] Het liep dan ook slecht met de jonge heerser af: toen hij achttien was, kwamen zijn soldaten in opstand en regen hem aan de speren. Zijn lijk werd onthoofd, door de straten gesleept en uiteindelijk in de Tiber geworpen. De Vita Heliogabali, een vierde-eeuwse biografie, achtte dit een passend einde, ‘want wie de genegenheid van senaat, volk en soldaten niet wint, zal ook geen graf krijgen.’ [5]
    Vijftien eeuwen later velde Couperus een aanzienlijk gunstiger oordeel. In zijn ogen was Heliogabalus ‘de laatste weerschijn van de Antieke Schoonheid en de Antieke (Egyptisch, Chaldeeuwse) Wijsheid’, zoals hij in zijn folder schrijft. Sterker nog, ‘Wat

15
wij nu alleen als “liederlijk” en “immoreel” beschouwen, was in den zonnegodsdienst even natuurlijk, gewoon, en lofrijk, als op dit oogenblik, voor de Roomsch-Katholieken, het opdragen van de Mis.’ [6] Of deze opmerking de verkoopcijfers van De berg van licht veel goed heeft gedaan, valt overigens te betwijfelen.
    Een minder tegendraadse kijk op de verguisde keizer vinden we in L’Agonie, een roman die in 1888 werd gepubliceerd door Jean Lombard. Deze Franse schrijver, geboren te Toulon in 1854, groeide in armoede op. Hoewel hij niet oud werd – hij overleed reeds in 1891 – leidde Lombard een uiterst productief leven. [7] Nadat hij enkele jaren in loondienst had gewerkt, besloot hij de politiek in te gaan, eerst als lid van het Congrès de Marseille, later als secretaris-generaal van het Congrès de Lyon. In beide functies betuigde hij zich een fervent socialist. Lombard was hoofdredacteur van twee socialistische tijdschriften, redacteur van de Marseille Républicaine en publiceerde artikelen in verscheidene tijdschriften en bladen. Alsof dat nog niet genoeg was, schreef hij ook nog gedichten en romans – waaronder dus L’Agonie, wat we kunnen vertalen met ‘de doodsstrijd’. In deze roman beschrijft Lombard hoe Rome onder keizer Heliogabalus verwordt tot een losbandig oord waar iedereen zich aan zijn laagste driften onderwerpt. De jonge heerser doet zijn uiterste best om ‘het Westen onder te dompelen in het pompeuze Oosten om het er stralender uit te laten komen, als uit een bad van wellusten, misdaden en goud’. [8] Door voortdurend te refereren aan het Bijbelse Babylon en de Apocalyps, roept Lombard een sfeer van naderend onheil op. Aan het slot van zijn roman worden Heliogabalus, zijn getrouwen en vrijwel elk ander personage wiens wederwaardigheden de lezer heeft gevolgd, door de opstandige soldaten op bloedige wijze van het toneel gevaagd. De doodsstrijd waaraan L’Agonie zijn titel ontleent, kan worden opgevat als de doodsstrijd van het bandeloze heidense Rome, dat ten langen leste bezwijkt onder het gewicht van zijn zonden.
    Hoewel Couperus en Lombard de regering van Heliogabalus allebei verbinden met het einde van een tijdperk, staan ze diametraal tegenover elkaar in hun evaluatie van zijn bewind. Terwijl Lombard de Syrische keizer voorstelt als het hart van de verrotting waaraan Rome ten prooi is gevallen, beschouwt Couperus hem als een ‘laatste weerschijn’ van antieke schoonheid en wijsheid. Waarom zette de Haagse schrijver zich zo af tegen de interpretatie van Lombard, die hij als laster van de hand wees? Wat bezielde hem om een keizer die in de antieke geschiedschrijving als ‘niet alleen de smerigste van alle tweevoeters, maar zelfs van alle viervoeters’ wordt veroordeeld, [9] te beschrijven als ‘geniaal, en artiest in alles wat hij deed’? Om een antwoord op deze vragen te vinden,

16
moeten we de visies van beide auteurs tegenover elkaar zetten. In welke opzichten verschilt de Heliogabalus van Couperus van de Heliogabalus van Lombard?

Heliogabalus in decadente kunst en literatuur
Couperus en Lombard waren niet de eerste moderne schrijvers die zich door keizer Heliogabalus lieten inspireren. Met name in Frankrijk werd in de negentiende en vroege twintigste eeuw een opmerkelijk aantal gedichten, toneelstukken en romans aan de beruchte heerser gewijd. De auteurs van deze werken werden in meer of mindere mate beïnvloed door het decadentisme, een literaire stroming die zich tegen de burgerlijke moraal keerde en haar inspiratie zocht in het kwaadaardige, het verguisde en het ziekelijke. Zoals de naam al zegt, speelde de notie van verval in decadente werken een grote rol. In een wereld die in razend tempo van aangezicht veranderde door de aanleg van spoorlijnen en de bouw van fabrieken, een wereld waarin de machine een steeds grotere rol opeiste en arbeiders een armoedig bestaan leidden in sombere metropolen, was het einde van de beschaving volgens velen nabij. De mens zou niet geschikt zijn om in zo’n onnatuurlijke omgeving te leven en zou spoedig ten onder gaan aan de kwalen die er onvermijdelijk het gevolg van waren: toenemende misdaad en corruptie, goddeloosheid, hysterie, verwijfdheid en homoseksualiteit. Het Romeinse rijk gold als het model bij uitstek voor een samenleving die in verval was geraakt. Reeds in 1734 had de baron De Montesquieu zijn invloedrijke werk Considérations sur les causes de la grandeur des Romains et de leur décadence gepubliceerd. Sindsdien werd het woord ‘décadence’ met de neergang van het Romeinse rijk geassocieerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat decadente schrijvers en kunstenaars zich voor deze samenleving – en dus ook voor keizer Heliogabalus – interesseerden.
    Een van de bekendste decadente werken waarin de keizer ter sprake komt, is de roman À Rebours uit 1884, geschreven door Joris-Karl Huysmans. De hoofdpersoon van deze roman, de aristocratische dandy Des Esseintes, voelt zich zeer aangesproken door Heliogabalus, die leefde in een tijd ‘toen het Romeinse Rijk op zijn grondvesten schudde, toen de waanzin van Azië en de vunzigheden van het heidendom erin overliepen’. [10] De ‘waanzin van Azië’ slaat op de Syrische afkomst van de heerser, die in decadente werken vaak breed werd uitgemeten. ‘Oost’ en ‘West’ stonden in de negentiende-eeuwse verbeelding lijnrecht tegenover elkaar, waarbij het Westen de ratio en gematigdheid vertegenwoordigde, terwijl het Oosten geassocieerd werd met zinnelijkheid, weelde en mystiek. [11] Zo spreekt Louis Jourdan in zijn roman La Dernière nuit d’Héliogabale, gepubliceerd in 1889, over ‘Heliogabalus, (…) deze jonge Syriër die, de Aziatische zeden en gewoonten in zijn gevolg meeslepend, zijn entree in de hoofdstad van het rijk had gemaakt in een praalwagen die fonkelde van de edelstenen en het verguldsel, getooid met de mijter van de satrapen, gekleed in een vrouwengewaad, en in zijn handen de symbolische representatie van de god Helios, de zwarte steen van Emesa, dragend’. [12] De tegenstelling tussen Oost en West wordt zelfs nog sterker aangezet in het toneelstuk Héliogabale, dat werd geschreven door Auguste Villeroy en in 1902 op de planken werd gebracht.

17
Als de burgeroorlog uitbreekt waarin Heliogabalus door rebellerende troepen op de troon wordt gezet, spoort een Romeinse commandant zijn manschappen aan dit koste wat kost te verhinderen: ‘Het mag niet zo zijn / Dat een Barbaar een stap op de Heilige Weg zet. / Dan zouden we haar compleet prijsgeven aan de slavernij. / Aan de zonden van het afschuwelijke Oosten!’ [13]
    Een mooi beeld van de stereotiepe oosterling wordt gegeven op het schilderij Heliogabalus, High Priest of the Sun, in 1866 geschilderd door Simeon Solomon. [14] We zien de keizer afgebeeld in een weelderig oosters priestergewaad, terwijl hij zijn hoofd op zijn rechterhand laat rusten en lusteloos voor zich uitstaart. Hij lijkt ten prooi te zijn gevallen aan ennui, ook wel spleen, een staat van verveling en melancholie die in de negentiende eeuw werd opgevat als een symptoom van de uitgeblustheid van het menselijke ras. Verder valt op dat Solomon de keizer zeer androgyn afbeeldt; alleen het beginnende snorretje verraadt dat het hier om een man, niet om een vrouw, gaat. Ook andere negentiende- en vroeg-twintigste-eeuwse kunstenaars en schrijvers interpreteren Heliogabalus als androgyn. Villeroy, de reeds eerder aangehaalde schrijver van Héliogabale, beschrijft de keizer bij monde van Romeinse soldaten als ‘zacht en blank als een meisje’. [15] In zijn toneelstuk verklaart Heliogabalus de oorlog aan de Liefde, omdat hij heeft ontdekt dat hij, ondanks al zijn macht, niemand kan dwingen van hem te houden. De woedende heerser roept daarbij uit:

Slaven van Venus, het Universum is dood! Maak plaats
Voor de Androgyn, voor de Hermafrodiet, voor het ras
Dat de Liefde niet zal kennen.

De koppeling van Heliogabalus met androgynie is niet verwonderlijk. Antieke auteurs beschuldigden de keizer reeds van verwijfd gedrag en het dragen van vrouwenkleren. Volgens Cassius Dio zou hij zijn artsen zelfs hebben verzocht om door middel van een incisie een vagina in zijn lijf aan te brengen. [16] Naar alle waarschijnlijkheid betreft het hier een apocrief verhaal, bedoeld om de vermeende verwijfdheid van de heerser extra kracht bij te zetten. Zo werd karaktermoord gepleegd op een keizer die de Romeinse elite tegen zich in het harnas had gejaagd. In de negentiende eeuw werd de verwijfdheid van Heliogabalus door velen echter uitgelegd als een streven naar androgynie, een staat van evenwicht tussen de seksen. Dit streven werd bovendien vaak verbonden met de cultus van de zonnegod Elagabal, een koppeling die in de oudheid nergens wordt gemaakt. [17]
    Overigens was Couperus niet de eerste die Heliogabalus in een positief daglicht stelde. In 1892 had de Duitse dichter Stefan George de gedichtencyclus Algabal gepubliceerd, waarin hij de keizer voorstelde als een verfijnde estheet die zijn dagen slijt in een volkomen kunstmatige tuin, die zich onder het zeeoppervlak bevindt. Algabal is wel geïnterpreteerd als een alter ego van de schrijver. Hij is een kunstenaar volgens het l’art pour l’art-principe; kunst omwille van de kunst, losgekoppeld van de moraliteit en de maatschappij – een credo dat George ook zelf onderschreef. Acht jaar later toonde Maurice, de hoofdpersoon in de roman La Destinée van Louis Didier, zich nog veel explicieter gecharmeerd van Heliogabalus. Vol vuur beschrijft hij ‘deze wonderbaarlijke keizer, deze onvergelijkbare

18
artiest’ aan zijn hospita, hem prijzend als de grootste kunstenaar van zijn tijd. [18] Net als Couperus verwerpt Maurice het negatieve beeld dat Lombard van Heliogabalus had geschetst; volgens hem was de keizer – ‘zo bekoorlijk! zo sympathiek!’ – het slachtoffer van onbegrip. [19] Natuurlijk is het moeilijk te zeggen in hoeverre de auteur de visie van zijn personage deelde, al lijkt van openlijke ironie geen sprake te zijn.
    Ten slotte is er het merkwaardige verhaal ‘Un empereur’, geschreven door Jean Richepin en gepubliceerd in 1876. Hierin lezen we hoe een jonge man, die make-up draagt en zich heeft uitgedost als vrouw, zelfmoord pleegt op een openbaar toilet. In zijn zelfmoordbriefje staat:

Ik ben achttien jaar en heb buitengewone hartstochten. Ik was geboren om keizer te zijn in de tijd van de Romeinse decadentie. Maar het huidige tijdperk is niet geschikt voor fantasten. Het is om die reden dat ik vertrek. Aangezien ik niet zoals Heliogabalus heb kunnen leven, wil ik op zijn minst zoals hem sterven, in de latrines. [20]

Hoewel het bizarre karakter van deze zelfmoord het waarheidsgehalte van dit verhaal twijfelachtig maakt, mogen we niet uitsluiten dat het een kern van waarheid bevat. Het is goed mogelijk dat er in de late negentiende en vroege twintigste eeuw inderdaad transseksuelen en homoseksuelen waren die zich in Heliogabalus herkenden. Voor het eerst sinds vele eeuwen kon de keizer als rolmodel worden beschouwd.

Icoon of persoon
Nu ik de verschijningsvormen van Heliogabalus in de literatuur en kunst van de negentiende en vroege twintigste eeuw heb geschetst, zal ik mij richten op de interpretatie van deze figuur in de werken van Couperus en Lombard. Het eerste dat daarbij aangetekend moet worden, is dat de keizer in beide romans zeer verschillende rollen vervult. In L’Agonie blijft Heliogabalus op de achtergrond. Voor zover het verhaal een centraal personage heeft, is dat Madeh, een jonge Elagabal priester die met zijn meester Atillius van Syrië naar Rome is gereisd. Daarnaast beschrijft Lombard de lotgevallen van een grote groep heidenen en christenen die in de hoofdstad wonen. Hoewel deze figuren met leden van het keizerlijke hof in aanraking komen, gaat de belangstelling van de auteur duidelijk vooral naar het ‘gewone volk’ uit. Voor deze lieden van eenvoudige komaf is Heliogabalus een verre figuur met wie zij niet of nauwelijks in contact treden. De weinige keren dat de keizer op het toneel verschijnt, gebeurt dat met veel pracht en praal. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passage:

(…) onder een overspannend baldakijn van een zware gouden stof, geschraagd door vier in de aarde gestoken en scheefstaande speren, zit ineengezakt een weelderig onbeweeglijke menselijkheid, een luisterrijke figuur van vijftien jaar, getooid met een rechte tiara, gemaakt van parels, edelstenen en metalen, gedragen op lange haarlokken, zwart, waaronder een blankheid van vrouwelijke schouders doorschijnt onder een rijke ondertuniek van zijde die iriseert als parelmoer. En het is daar, waar Elagabalus met naakte gespreide benen op pantervellen ligt en zijn jeugdige mannelijkheid toont, dat een zwarte eunuch met een bruinige huid, witte tanden en dom rollende witte ogen hem rustig koelte toewuift met een flabellum dat is gemaakt van een groot, aan de punt gekruld lotusblad. [21]

19
Lombard beschrijft Heliogabalus uitsluitend van een afstand, in een zeer gestileerde omgeving, in zeer gestileerde kledij, alsof hij de lezer een soort tableau vivant wil voortoveren. Omdat we meekijken door de ogen van het gewone volk, zien we de keizer nooit in privé-situaties, maar uitsluitend in het openbaar. Bovendien geeft Lombard hem nauwelijks gesproken tekst. Als gevolg daarvan wordt de jonge heerser in L’Agonie nooit een mens van vlees en bloed. Dat is ook niet de bedoeling: de auteur wil hem niet als een driedimensionaal personage neerzetten, maar veeleer als een icoon van de weelde en decadentie die Rome tijdens zijn bewind beheersen. Hoewel Heliogabalus nog een tiener is, liggen zijn beste jaren reeds achter hem. In een treffende scène wordt beschreven hoe de jongeling op zijn bed ligt uitgestrekt, ‘met, op zijn gewaad van purperen zijde, de vochtige tekenen van schending; een tiara op het hoofd; de ogen omcirkeld met zwart, verschrikkelijk, verveeld; de gelaatstrekken fijn, vermoeid.’ [22] Rome zelf is er net zo aan toe: uitgeput, lusteloos en geschonden door de vele uitspattingen van seks en geweld die binnen haar muren plaatsvinden.
    Louis Couperus was onder de indruk van L’Agonie, maar toonde zich niet tevreden met de manier waarop Lombard Heliogabalus presenteerde. In de eerder aangehaalde promotiefolder zet de Haagse schrijver zijn indrukken uiteen:

Toen las ik l’Agonie van Jean Lombard (…). Gedurende die lectuur dacht ik: Nu schrijf ik zeker mijn boek niet: het is al geschreven en mooier dan ik het doen kan… Maar na de lektuur dacht ik: neen; Lombard geeft den roman van Rome in dien tijd, en niet den roman van het keizertje; niet de ziel van het priestertje, dat zoo mooi dansen kon. En zoo ben ik er toe gekomen het boek te schrijven, en die ziel te geven, zoo goed ik kon. [23]

In De berg van licht is Heliogabalus – eerst Bassianus, later Antoninus genoemd – de onbetwiste hoofdpersoon. De lezer wordt deelgenoot gemaakt van de gedachten en gevoelens van de jongeling, van wie een gedetailleerd psychologisch portret wordt geschilderd. In het eerste deel van de roman, dat opent in Emessa, wordt Bassianus beschreven als een beeldschone, charismatische knaap die de menigte compleet uitzinnig maakt met zijn rituele dansen voor Elagabal. Hij is ‘sierlijk (…), talentvol, geniaal en goddelijk’, maar wordt ook beschreven als ‘de uiterste bloem eener ùitbloeiende overbeschaving’. [24] ‘De hysterie zijner sensualiteit was fel in zijn bloed medegeërfd en verscherpt door te veel kleur-geurige weekheid en weelde, te veel adoratie, en zelfs te veel mystiek, om de mannelijkheid niet voor altijd te hebben geknakt in zijn al van nature weifelende sekse’, aldus Couperus. [25] Enerzijds is Heliogabalus dus erfelijk belast met hysterie en verwijfdheid, anderzijds zijn die kenmerken door zijn opvoeding nog versterkt.
    Zoals reeds eerder is aangestipt, werden neuroses en afwijkingen in de negentiende eeuw vaak aan de slechte invloeden van de moderne beschaving toegeschreven. Tegelijkertijd zat er, net als bij Couperus, een deterministisch element in de diagnose. Homoseksuelen, hysterici en andere gekwelde individuen waren weliswaar het product van ‘overbeschaving’, maar hadden ook een natuurlijke aanleg voor deze afwijkingen. Zo zouden mannen die zich tot het eigen geslacht aangetrokken voelden volgens veel artsen vrouwelijke lichaamskenmerken vertonen, zoals zachte, ronde vormen en een gebrek aan baardgroei. [26] Het instabiele, hypergevoelige gestel van ‘overbeschaafde’ lieden stimuleerde bovendien hun artistieke talenten en verleende hun een zeer verfijnd gevoel

20
voor esthetiek. Ook Heliogabalus bezat deze kwaliteiten, zoals Couperus regelmatig benadrukt. Zo bewondert de Romeinse senator Gordianus het keizertje om de vele rollen die hij speelt, van ‘godschoon idool’ tot lustknaap tot veldheer. De jonge heerser is ‘geen knaap en geen keizer, maar (…) geniaal-weg, àlles’; ‘een levensartiest, die voortging met zijn eindelooze herscheppingen’. [27] Als een orgie in het paleis uit de hand loopt, roept Heliogabalus woedend uit:

Ze zijn als zwijnen… de vuilikken! Ze braken achter de zuilen… Ze breken glaswerk, waarvan de minste schaal meer waard is, dan hun smerige koppen zouden zijn, wanneer ik ze als slaaf liet verkoopen… Ze zijn noch geestig, noch lekkerbekkig, noch vroolijk; ze zijn zelfs niet wellustig zinnelijk opgezweept om tot de hoogste genieting, die der goden, te raken: ze zijn eenvoudig treurige zwijnen, die hikken en hokken en kòtsen… [28]

De keizer, met andere woorden, verwacht een zekere mate van decorum van zijn gasten. Voor hem is een orgie geen laag-bij-de-grondse schrans- en vrijpartij, maar een verheffend ritueel, dat de deelnemers niet alleen dichter bij de goden moet brengen, maar waar ook een zekere verfijning bij komt kijken.
    Het meest extreme voorbeeld van Heliogabalus’ gevoel voor esthetiek zijn wellicht de voorbereidingen die hij treft voor een ‘luxe zelfmoord’. Couperus beschrijft hoe de keizer gouden dolken, edelstenen met vergif en zijden strengen laat bezorgen, zodat hij zich indien nodig op een esthetisch verantwoorde manier van het leven kan beroven. [29] De oorsprong van dit verhaal ligt reeds in de vierde eeuw, in de Vita Heliogabali, waarin wordt beschreven hoe de keizer zulke voorbereidingen treft. Hij zou zelfs een toren hebben laten bouwen met daaromheen gouden, met edelstenen ingelegde platen, waarop hij zich in geval van nood te pletter kan storten. [30] Ook in L’Agonie overweegt de keizer een luxe zelfmoord, ‘zozeer dat zijn buitengewone leven een buitengewoon einde zou hebben, zonder weerga in de eeuwen die zouden volgen’. [31] Hier zien we het typisch decadente verlangen naar het grootse en het fantastische, de wens om iedereen te overtreffen en iets unieks tot stand te brengen. Lombard legt echter veel minder dan Couperus de nadruk op de kunstzinnige aspiraties van de keizer. Zijn Heliogabalus omringt zich weliswaar met overdadige weelde, maar wordt nergens expliciet als kunstenaar of estheet geroemd. In dat opzicht roept de hoofdpersoon uit De berg van licht eerder associaties op met Algabal, de kunstenaar-keizer uit de gedichtencyclus van George, of met de keizerlijke artiest waar Maurice in La Destinée zo lyrisch over spreekt.

De oosterling
Net als de meeste auteurs uit de periode 1850-1914 leggen Couperus en Lombard veel nadruk op de oosterse afkomst van de keizer. In L’Agonie wordt de regering van Heliogabalus voorgesteld als de onderwerping van het Westen aan het Oosten, dat wordt geassocieerd met ‘wellusten, misdaden en goud’. [32] Van meet af aan gruwen de Romeinse burgers van de ‘oosterse zeden’ van hun onderdrukker en beschouwen zij oosterlingen als lieden met ‘inferieure geesten’. [33] Heliogabalus profileert zich duidelijk als oosterling: zoals we al zagen, draagt de keizer geen Romeinse toga, maar dost hij zich uit in weelderige oosterse kledij. Bovendien doet de jonge heerser zelfs geen poging zich rationeel te gedragen: zijn leven lijkt slechts te bestaan uit een eindeloze reeks

21
seksuele uitspattingen en wreedheden, zoals het loslaten van leeuwen en gladiatoren op een menigte die zich in het paleis heeft verzameld. [34] Wanneer het volk van Rome in het circus zijn protest tegen hem uitschreeuwt, licht hij zijn gewaad op en toont vol minachting zijn geslacht; een duidelijk signaal hoe weinig hij zich aan de wensen van zijn onderdanen gelegen laat liggen. [35]
    Ook in De berg van licht staat het Westen tegenover het Oosten. Als de jonge Bassianus, na zijn kinderjaren in Rome te hebben doorgebracht, voor het eerst in Emesa komt, heeft hij onmiddellijk het gevoel dat hij daar thuishoort:

En dadelijk, te Emessa, had Bassianus gevoeld, dat hij geen Romein was in bloed, maar Syriër, Aziaat en Oosterling. Nauwlijks ontwassen der prilheid van kinderjeugd, had hem dadelijk in Emessa verrast een lucht, atmosfeer, vreemd bekend, die hij glimlachend inademde; het bloed zijner grootmoeder, Moeza, DE Moeder, het bloed zijner eigene moeder jubelde dadelijk in hem met eene blijdschap, en hoe onbezorgd zijn kinderjaren ook waren heengebloeid in de kameren dier twee vrouwen op het Palatium, (…) tòch was het hem in Emessa, of hij in Rome altijd iets gemist had: een zoele glimlach, die in de lucht om hem aandreef, glimlach van sympathie en begroeting; warme kus van bekende wellusten; omhelzing, mysterieus en mystiek, of hij, onbewust, kind, iets gemist had, dat hem nu zoo overdadig overstelpte… [36]

Bloed, aldus Couperus, laat zich niet loochenen; het is niet de omgeving waarin hij is opgegroeid, maar de genetische erfenis van zijn voorouders die Heliogabalus tot oosterling maakt. Wanneer de jongen als keizer naar Rome is teruggekeerd, zal hij altijd naar het Oosten blijven verlangen, als naar een verloren paradijs dat hem voorgoed is ontzegd. Alleen in de atmosfeer van het ‘sensueel-mystiek-geurige Oosten’, weet de magiër Hydaspes, zou de bloem van Heliogabalus’ ziel ‘nog in pracht hebben kunnen ontluiken in de toegestane vervolmaking van hoe ook bizondere eigenschappen: òvergeplant zoû zij noodlottig, kort maar hevig, vergiftigen zìch, en allen, die zij bekoorde…’ [37]
    Couperus geeft in De berg van licht een minder afkeurende interpretatie van het Oosten dan Lombard in L’Agonie. Hoewel ook hij de oosterse cultuur met wellust associeert, staat hij niet per se afwijzend tegenover haar lossere zeden. Bovendien beschrijft hij het Oosten ook als ‘mysterieus en mystiek’. In de roman van Lombard zuchten de westerse Romeinen onder het juk van een oosterse tiran; in De berg van licht wordt Heliogabalus aanvankelijk met open armen in de stad ontvangen. Het volk staat hem rijendik toe te juichen bij zijn aankomst. Zelfs de gematigde senator Gordianus denkt: ‘Gelukkig, dat Rome weêr schitterend zoû zijn en lichtend en vroolijk en kleurig, na vele sombere, eentonige jaren’ en voelt ‘in zich zwellen een behoefte te juichen, te bewonderen, te

22
aanbidden, te leven in maar even tactvol gematigd fèl levensgenot van alle zijn zinnen’. [38] Rome, kortom, wordt door de jonge keizer weer tot leven gewekt na een doodse periode.
    Toch krijgt de magiër Hydaspes gelijk met zijn sombere toekomstvisie. Na een korte periode van extase raken de Romeinen verzadigd van de oosterse uitbundigheid van Heliogabalus en de cultus van Elagabal. Ze beginnen terug te verlangen naar hun eigen goden en naar een ernstigere, meer ingetogen levensstijl. Maar niet alleen Rome ondervindt de gevolgen van de confrontatie met een andere cultuur; ook de keizer zelf blijft niet onberoerd. Dat blijkt meteen als we hem, aan het begin van het tweede deel, na een intermezzo van enkele maanden voor het eerst als keizer in Rome zien:

Hoe weinig, hij scheen veranderd; hij was niet meer het dansende kind van Emessa. (…) Toen was hij zoo wel Hoogepriester als een onbezorgd kind geweest; nu, eenige maanden ouder, nauwlijks zestien, scheen als met haastigen bloei zijn mystieke manvrouwelijkheid, te Emessa extatiesch ernstig en devoot, zich ontwikkeld te hebben tot eene, wie dit niet verwachtte, zeer treffende perversiteit. (…) Overgeplant sedert zoo korten tijd, vergiftigde al de daar, in Emessa, hem eigene bloem zijner in incarnatie geweifeld hebbende ziel. [39]

23
Couperus laat er geen twijfel over bestaan dat deze verandering in het karakter van de keizer een direct gevolg is van zijn ‘overplanting’ naar Rome. Het Noodlot van Heliogabalus – dat later gepersonifieerd zal worden in de wrede wagenrenner Hierocles – kondigt zich hier al aan. Zodra hij het Oosten verlaat, is de keizer ten dode opgeschreven.

Het evenwicht der seksen
Een laatste aspect dat onze aandacht verdient, is de rol die androgynie speelt in de romans van Couperus en Lombard. Net als in veel andere werken uit het fin de siècle wordt deze eigenschap in zowel L’Agonie als De berg van licht aan Heliogabalus toegedicht. De keizer streeft ernaar om in zijn lichaam een evenwicht tussen beide seksen te vinden. De motivatie voor dit streven is religieus van aard. Lombard interpreteert de zwarte steen van Elagabal als een fallisch symbool, dat het principe van het Leven representeert.

Aan het begin van Alles verwekte het eenslachtige Leven zichzelf en bracht zichzelf voort; de wereld was niet in staat tot Geluk na de scheiding der seksen; ook bestond de Perfectie eruit de voortbrengende kracht in de Eenheid op te lossen. [40]

Het Leven, met andere woorden, was van oorsprong androgyn en splitste zich in een mannelijke en een vrouwelijke sekse. Alleen door hun hereniging zal de mens kunnen terugkeren naar de oorspronkelijke, transcendente staat van seksuele harmonie. Dergelijke ideeën vinden we in de werken van vele negentiende-eeuwse mystici terug – bijvoorbeeld in La Décadence latine, het veeldelige oeuvre van de Franse goeroe Sâr Péladan (1858-1918), die betoogde dat Adam van oorsprong androgyn was geweest, maar door God in twee seksen was gesplitst. [41] In De berg van licht geeft de Syrische magiër Hydaspes zijn pupil Bassianus een soortgelijke uitleg. Hij spreekt over de androgyne oermens, ‘Adam-Heva (…), onze Vader; Man-Maagd (…), tweeslachtig en enkel-dubbel…’ Bassianus zou de Uitverkoren Ziel kunnen zijn, aldus de magiër; degene die is voorbestemd het mannelijke en het vrouwelijke in evenwicht te brengen. In extase roept de wijze man uit:

Het Enkel-Dubbele… O, Bassianus, zoû je de Uitverkoren Ziel zijn… (…) in een lichaam, als een kostbare vaas vol schoonheid; rank de efebe-leden, maar rond de schouders en borsten, de leest dun en de heupen breed, de beenen krachtig, maar luchtig de voeten van zweving, het gelaat zuiver gesneden en vlekkeloos, de mond smachtend en de oogen àl stralend van het gewenschte Licht… Bassianus, o mijn Bassianus, ben je zoo niet? Niet te vrouwelijk, niet te mannelijk, de beide seksen in evenwicht versmolten tot een harmonie… [42]

Gedurende zijn regering doet de jonge Heliogabalus zijn uiterste best om dit heilige evenwicht te bereiken en te handhaven. Dat gaat hem echter moeilijk af. Enerzijds wordt hij fysiek volwassen en ziet zijn androgyne efebe-lichaam steeds mannelijker worden. Anderzijds voelt hij zich seksueel uitsluitend tot mannen aangetrokken, waardoor zijn ziel ‘vervrouwelijkt’: hij voelt zich veel meer ‘Heva’ dan ‘Adam’ en treedt zelfs als bruid in het huwelijk met zijn minnaar, de ambitieuze bruut Hierocles. Uiteindelijk weet hij het goddelijke Licht niet te bereiken, maar valt ten prooi aan het onafwendbare Noodlot, dat zich aandient in de vorm van woedende soldaten die hem aan de speren rijgen.

24
In L’Agonie faalt de keizer eveneens in zijn streven naar androgynie. Volgens de leer van de Elagabal-cultus moet de jonge heerser zijn lichaam tot de beschikking van alle minnaars stellen, zowel mannen als vrouwen, ‘voor het duistere en onverklaarde mysterie van de schepping’. [43] Heliogabalus stort zich van de ene orgie in de andere, maar geeft daarbij, net als zijn pendant in De berg van licht, de voorkeur aan mannen boven vrouwen. Dat laatste geldt ook voor Atillius, de rechterhand van de keizer, die verliefd is op het jonge zonnepriestertje Madeh en hem voor zichzelf opeist. Atillius vergelijkt zijn liefde voor de jongeman met ‘een zwarte bloem, met een zwarte kelk, met zwarte kelkbladen, waarvan de schaduw, met afgehakte fallus, zijn brein bewalmt’. [44] De zwarte bloem is een decadent symbool dat werd gebruikt om het onnatuurlijke en het kunstmatige te symboliseren. Atillius verwerpt de ‘natuurlijke’ liefde tussen man en vrouw voor de ‘kunstmatige’ liefde, die hij als het enige pad naar androgynie beschouwt. Madeh voelt echter dat zijn seksualiteit misvormd is door de ‘monsterlijke bloemen’ van zijn meesters liefde en probeert zich uit hun verstikkende greep te bevrijden. [45] Een sleutelpassage aan het einde van de roman wijst erop dat het niet de vleselijke vereniging van man met man is die de androgyn zal voortbrengen, maar spirituele broeder- en zusterliefde. [46] Lombards androgyne ideaal lijkt daarmee aan te sluiten bij zijn radicale socialistische opvattingen, zoals de literatuurcritica Marie-France David opmerkt: de ideale wereld die in L’Agonie doorschemert, is er een van absolute gelijkheid, waarin zelfs de verschillen tussen de seksen zijn opgeheven. [47]

Conclusie
In hun verbeelding van keizer Heliogabalus benadrukken Jean Lombard en Louis Couperus verscheidene aspecten die ook in andere negentiende- en vroeg-twintigsteeeuwse werken over de verguisde heerser te vinden zijn. Zoals we hebben gezien, leggen beide auteurs veel nadruk op de weelde waarmee Heliogabalus zich omringde, schilderen ze hem af als een typische ‘oosterling’ en verbinden ze de Elagabalcultus met een streven naar androgynie. Dat maakt het des te opmerkelijker dat ze zulke verschillende oordelen over het keizertje vellen. Voor Lombard is de pracht en praal waarmee Heliogabalus ten tonele verschijnt niet meer dan een uiting van de overdaad en decadentie die aan het keizerlijke hof heersen; Couperus daarentegen dicht de jonge heerser een verfijnde smaak toe en presenteert hem nadrukkelijk als kunstenaar. In L’Agonie zit Heliogabalus op een dood spoor met de eindeloze orgieën waarin hij zich stort om een staat van androgynie te bereiken; in De berg van licht staat de mystieke leer van de Elagabal-cultus niet ter discussie, maar schiet de keizer persoonlijk tekort omdat het vrouwelijke element de overhand in zijn ziel krijgt. Het Oosten behoudt daarmee zijn claim op mystieke wijsheid die in het Westen verloren is gegaan. Zoals Couperus in zijn promotiefolder stelt: ‘Er schuilt een diepe mystische Wetenschap achter dat alles, en vermoedelijk hebben onze latere Christelijke Eeuwen heel veel verloren, vergeten, verwaarloosd, van wat de “heidenen” reeds zuiver, niet “geloofden”, maar “wisten”’. [48] Dit respect voor veronderstelde oosterse wijsheid ontbreekt volledig in L’Agonie, waar het Oosten slechts voor bandeloosheid en praalzucht staat.
    In De berg van licht keert Couperus zich enkele malen expliciet tegen het christendom. Dat blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit de volgende passage, waarin wordt beschreven hoe de mensen toestromen als Heliogabalus tot keizer is uitgeroepen:

25

Zij riepen hem uit, zij stroomden hem toe, omdat hij aanbiddelijk was, dien Priesterder- Zon. Die tienduizende zielen, noordelijke en zuidelijke: Romeinen en Klein-Aziaten, maar ook Germanen, Galliërs, Britten, Sarmaten, Pannoniërs: zij eeredienden, in het Zuiden, de schoonheid, de antieke, almachtige, overheerschende schoonheid, die twee eeuwen van zich uitbreidend Christendom nog niet hadden kunnen versmoren. [49]

Het is deze schoonheid – een zinnelijke schoonheid die nog niet is bedorven door christelijke preutsheid of zondebesef – die Couperus na aan het hart ligt. Aan het einde van de roman, als de kleurloze Alexander zijn eerste toespraak als keizer houdt, komen de ‘somber gekleede, monnikachtige, slaafsch jubelende Christenen’ uit de coulissen tevoorschijn. [50] De lezer kan de auteur dan bijna tussen de regels door horen tandenknarsen.
    Er is wel gesuggereerd dat Couperus zijn eigen homoseksuele verlangens zou hebben gesublimeerd door in de huid van het priester-keizertje te kruipen, om zo in zijn verbeelding te proeven van geneugten die hem in zijn werkelijke leven niet vergund waren. Zo schrijft Theo Bogaerts in De antieke wereld van Louis Couperus dat De berg van licht ‘de sluier licht over de intiemste verzuchtingen van de mens Couperus. (…) Nooit heeft de gereïncarneerde Romein die Couperus was, zijn eigen fysieke gefrustreerdheid zo openhartig onthuld.’ Hij is dan ook van mening dat ‘achter Heliogabalus (…) de auteur voortdurend zelf schuil[gaat].’ [51] Fréderic Bastet sluit zich in zijn bekende biografie van de Haagse schrijver bij dit standpunt aan. Over de periode waarin Dionyzos en De berg van licht werden geschreven, zegt hij: ‘In deze jaren voelde Couperus zich een gelukkig en ingewijd mens. (...) Niet alleen had hij zijn eigen androgyne geaardheid volledig geaccepteerd, hij beschouwde deze nu als een hem door de goden geschonken voorrecht.’  [52] Een spotprent die in 1915 in De Roskam werd gepubliceerd, lijkt een soortgelijk uitgangspunt te hebben, al ontbreekt hier de sympathie van Bogaerts en Bastet. Op deze afbeelding zien we Couperus in een jurk, op hoge hakken in danshouding staan. Hij heeft een aureool boven zijn hoofd en wordt omringd door tot op de grond gebogen aanbidders. Boven de tekening staat ‘Neêrlands wonder’, eronder ‘Onze charmante Couperus’. [53]
    Of Couperus zich werkelijk vereenzelvigde met Heliogabalus, een frivole efebe die zich door zijn brute minnaar in elkaar laat slaan, valt te betwijfelen. De gematigde senator Gordianus lijkt een meer voor de hand liggende spreekbuis voor de auteur. Deze is zich aan het einde van de roman ‘weemoediglijk bewust… van een Antieke Schoonheid, die, helaas, verwelkte… en een Antieke Vroomheid, die weldra wijkt…’ [54] Lombard mag de doodsstrijd van het heidense Rome met goedkeuring hebben beschreven, voor Couperus was het de teloorgang van een vrijzinnige wereld waarnaar hij altijd bleef verlangen.

*Martijn Icks promoveerde in 2008 op een proefschrift over Heliogabalus, Images of Elagabalus. Elders in dit nummer vindt u een bespreking van dit boek.
    Dit artikel is een bewerking van de lezing die Icks op 19 april 2009 gaf op de Genootschapsdag in de Paleiskerk in Den Haag. Hij ontving bij die gelegenheid de Couperuspenning uit handen van scheidend voorzitter Hans Kreuzen. Zie Korte Arabesken voor een verslag.

 
Noten
1. Dit artikel is gebaseerd op het hoofdstuk ‘The Decadent Emperor’ (p.197-233) uit mijn proefschrift Images of Elagabalus. Nijmegen, 2008.
2. Louis Couperus, De berg van licht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 24, p.441-442.
3. Cassius Dio LXXX, 13,1-3.
4. Herodianus V, 6,10.
5. Historia Augusta, Vita Antonini Heliogabali 17,7.
6. Louis Couperus, De berg van licht, p.441-442.
7. Voor meer over Lombard, zie: Étienne Bellot, Jean Lombard. Sa vie, ses oeuvres (tweede editie; Parijs 1904). Ter inzage in de Bibliothèque Nationale de France, nr. LN27-51389.
8. Jean Lombard, L’Agonie. Parijs, 2002, p.164: ‘d’immerger l’Occident dans le pompeux Orient pour l’en ressortir, plus éclatant, comme d’un bain de voluptés, de crimes et d’or.’
9. Historia Augusta, Vita Severi Alexandri 9,4.
10. Joris-Karl Huysmans, À Rebours. Parijs, 1977, p.120: ‘pendant que l’Empire romain branlait sur ses bases, que les folies d’Asie, que les ordures du paganisme coulaient à plein bords’.
11. Voor meer hierover, zie: Jan de Hond, Verlangen naar het Oosten. Oriëntalisme in de Nederlandse cultuur, ca. 1800-1920. Leiden, 2008.
12. Louis Jourdan, La Dernière Nuit d’Héliogabale. Parijs, 1889, p.12: ‘Héliogabale, (...) ce jeune Syrien qui, traînant à sa suite les moeurs et les coutumes asiatiques, avait fait son entrée, dans la capitale de l’empire, sur un char étincelant de gemmes et de dorures, coiffé de la mitre des satrapes, vêtu d’une robe de femme, et portant dans ses mains la symbolique répresentation du dieu Hélios, la pierre noire d’Émèse.’
13. A. Villeroy, Héliogabale. Drame en vers en cinq actes. Parijs, 1902, p.29: ‘Rome doit subsister entière. Il ne faut pas / Qu’un Barbare dans la Voie Sacrée fasse un pas. / Ce serait la livrer entière à l’esclavage. / Aux vices d’Orient hideux!’
14. Dit schilderij bevindt zich momenteel in een privé-collectie.
15. A. Villeroy, Héliogabale, p.31: ‘doux et blanc comme une fille’.
16. Cassius Dio LXXX, 16,7.
17. Voor meer over literaire en artistieke interpretaties van Heliogabalus als androgyne icoon, zie: M. Icks, ‘“Niet te vrouwelijk, niet te mannelijk”. Keizer Heliogabalus als androgyne icoon in het fin-de-siècle’. In: Geschiedenis der Geneeskunde 12 (2007), p.4-10.
18. Luis d’Herdy (pseudoniem van Louis Didier), La Destinée. Parijs, 1900, p.172: ‘cet empereur merveilleux, cet incomparable artiste’.
19. Luis D’Herdy, La Destinée, p.140: ‘combien séduisant! combien sympathique!’.
20. Jean Richepin, ‘Un empereur’. In: Idem, Les Morts bizarres. Parijs, 1876, p.63-67, aldaar p.67: ‘J’ai dix-huit ans et des passions extraordinaires. J’étais né pour être empereur du temps de la décadence romaine. Mais l’époque actuelle n’est pas bonne pour les fantaisistes. C’est pourquoi je m’en vais. N’ayant pu vivre comme Héliogabale, j’ai au moins voulu mourir comme lui, dans des latrines.’
21. Jean Lombard, L’Agonie, p.86. Met dank aan Maaike Koffeman voor de vertaling.
22. Idem, p.180: ‘avec, sur sa robe de soie pourpre, des traces humides du viol; la tête tiarée, les yeux cerclés de noir, terribles, ennuyés; les traits fins, tirés.’
23. Louis Couperus, De berg van licht, p.441.
24. Idem, p.98; p.80.
25. Idem, p.79.
26. De toonaangevende arts Magnus Hirschfeld (1868-1935) beschouwde homoseksuelen aanvankelijk zelfs als leden van een ‘derde sekse’ die tussen man en vrouw in stond. Zie: J.D. Steakley, ‘Per scientiam ad justitiam. Magnus Hirschfeld and the sexual politics of innate homosexuality’. In: V.A. Rosario (ed.), Science and Homosexualities. New York, 1997, p.133-153.

27
27.

Louis Couperus, De berg van licht, p.227-228.

28. Idem, p.311.
29. Idem, p.198-199.
30. Historia Augusta, Vita Antonini Heliogabali 33,2-6.
31. Jean Lombard, L’Agonie, p.102: ‘tant sa vie extraordinaire devait avoir une extraordinaire fin, sans exemple dans les siècles à venir’.
32. Jean Lombard, L’Agonie, p.80, p.164. Zie ook noot 8.
33. Idem, p.79.
34. Idem, p.182, p.188.
35. Idem, p.317.
36. Louis Couperus, De berg van licht, p.22-23.
37. Idem, p.80.
38. Idem, p.109.
39. Idem, p.48-49.
40. Jean Lombard, L’Agonie, p.45: ‘Au commencement de Tout, la Vie unisexuelle engendrait et enfantait d’ellemême; le monde était en impuissance de Bonheur depuis la séparation des sexes; aussi, la Perfection consistait-elle à fondre la force génératrice dans l’Unité.’
41. Maarten Klein heeft gewezen op de overeenkomsten tussen de mystieke leer van de Elagabal-cultus in De berg van licht en de ideeën van Péladan: Noodlot en wederkeer. De betekenis van de filosofie in het werk van Louis Couperus. Maastricht, 2000, p.157-162, 170-172. Caroline de Westenholz betoogt dat Couperus’ interpretatie van de cultus teruggaat op het gnosticisme, het hermeticisme en uiteindelijk het oude shivaïsme: ‘Heliogabalus en de Vlam van de Lust. Heilig sensualisme in De berg van licht’, artikel in vijf delen. In: Arabesken 12 (2004) nr. 23, p.4-15; 13 (2005) nr. 25, p.19-27; nr. 26, p.23-33; 14 (2006) nr. 27, p.30-41; nr. 28, p.23-30.
42. Louis Couperus, De berg van licht, p.30-31.
43. Jean Lombard, L’Agonie, p.184: ‘pour le ténébreux et inexpliqué mystère de la création’.
44. Idem, p.207: ‘une fleure noire, au calice noir, aux sépales noirs, dont l’ombre, en phallus découpée, enfumait son cerveau’.
45. Idem, p.201: ‘des fleurs monstrueuses’.
46. Idem, p.395.
47. Marie-France David, ‘Présentation’. In: Jean Lombard, L’Agonie, p.7-27, aldaar p.15-16. De androgyn werd vaak gebruikt als een symbool voor sociale gelijkheid; zie: A.J.L. Busst, ‘The image of the androgyne in the nineteenth century’. In: I. Fletcher (red.), Romantic Mythologies. Londen, 1967, p.1-95, aldaar p.12-38.
48. Louis Couperus, De berg van licht, p.442.
49. Idem, p.89-90.
50. Idem, p.421-422.
51. Theo Bogaerts, De antieke wereld van Louis Couperus. Amsterdam, 1969, p.77, 83-84, 82.
52. Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie (derde editie). Amsterdam, 1989, p.308.
53. Deze afbeelding is gereproduceerd in: N. Maas, ‘Diversités du passé’. In: Maatstaf 38 (1990), nr.11, p.1-16, aldaar p.2.
54. Louis Couperus, De berg van licht, p.422.

(Uit: Arabesken 17 (2009), nr.33, p.14-27.)