Enige persoonlijke herinneringen
In memoriam J.A. Eekhof

Op 78-jarige leeftijd overleed op 22 maart 2007 J.A. (Jan) Eekhof in Leiden. Nog geen jaar geleden deed hij afstand van datgene wat in zijn leven zo’n belangrijke rol heeft gespeeld: zijn beroemde Couperus-collectie, die in grootte en volledigheid ongeëvenaard was. Een klein portret van een gedreven, maar bescheiden man.

Door R. Breugelmans

In diezelfde stad als waar hij overleed, had hij kort na de Tweede Wereldoorlog theologie gestudeerd, een tijd waarop hij met een zeker genoegen terugkeek, mede door zijn kamer in het pand Rapenburg 12, het corpsstudentenhuis ‘Wallon’, van waaruit hij een fraai uitzicht op de gracht had. Na aanvankelijk in Wijk aan Zee te hebben gestaan, keerde hij naar Leiden terug om er studentenpastor te worden en academiepredikant. In beide functies werd hij een graag gezien persoon en velen denken met dankbaarheid aan hem terug door de bijstand, niet alleen op godsdienstig vlak, die hij gaf in gesprekken onder vier ogen of in gespreksgroepen. Ook na zijn emeritaat viel hij nog vaak op, en niet alleen door zijn fraaie witte haardos.
    Het voorafgaande is niet de reden om hem in Arabesken te herdenken. In de rest van Nederland was hij vooral bekend als een verwoed verzamelaar van alles wat met het leven en werk van Louis Couperus te maken had. In de loop van vijftig jaar wist Eekhof een fenomenale collectie op dit gebied op te bouwen, die nooit meer door een privépersoon geëvenaard zal kunnen worden en nu in openbaar bezit is gekomen. Het is te hopen dat de drie instellingen, de Koninklijke Bibliotheek, het Letterkundig Museum en Museum Meermanno in Den Haag, op niet al te lange termijn zullen besluiten gezamenlijk een degelijke catalogus van deze collectie te laten verschijnen, zodat er gericht onderzoek in gedaan kan worden. Ik verwacht dat er nog veel onbekends en interessants zal opduiken. Hiermee wil ik niet suggereren dat Eekhof zelf per definitie weigerde zijn medewerking aan serieuze onderzoekers te verlenen, maar hij deed dat – terecht – niet zomaar aan iedereen die meende daarop ‘recht’ te hebben. Eekhof wist heel goed welke schatten hij bezat, maar de overweldigende hoeveelheid maakte dat hij zijn collectie niet in één ruimte kon onderbrengen. Het was dan ook een ontroerend moment voor hem, toen hij, na zoveel jaar verzamelen, na de verkoop alles echt bijeen zag staan in het Letterkundig Museum.
    Zelf heb ik Eekhof relatief laat ontmoet, hoewel we slechts op nog geen kilometer van elkaar af woonden. Natuurlijk had ik van diverse kanten veel over hem gehoord, maar ons persoonlijk contact dateerde pas uit het midden van de jaren tachtig, toen ik me tot hem wendde met het verzoek om medewerking aan mijn in voorbereiding zijnde lijst van afzonderlijk verschenen Couperus-vertalingen, Louis Couperus in den vreemde. Ik stuurde hem een overzicht van wat ik reeds was tegengekomen en, vrijwel per ommegaande, kreeg ik bericht dat hij datgene dat hij daarin had gemist graag te mijner beschikking wilde stellen, zodat ik de boeken kon beschrijven. Daartoe zou hij de boeken op een nader af te spreken datum bij hem thuis klaarleggen.

56
Het spreekt vanzelf dat ik dit genereuze aanbod met beide handen accepteerde en ik weet zeker dat zonder zijn spontaan gegeven hulp het uiteindelijke resultaat van mijn in 989 verschenen lijst er anders uitgezien zou hebben. Onze ontmoeting was hem kennelijk niet tegengevallen en met zekere regelmaat bezocht hij mijn vrouw en mij. Dat was altijd aan het eind van de middag en hij bliefde graag koffie: hij heeft bij ons nooit iets anders gedronken. De gesprekken gingen – anders misschien dan men bij drie in Couperus geïnteresseerden zou verwachten – over allerlei onderwerpen, zelfs over godsdienst, waarbij hij mild reageerde op mijn radicale en zeker niet altijd even verstandige opmerkingen op dit terrein. Hij had het allemaal al eens eerder gehoord… Ook liet hij altijd zijn belangstelling blijken in mijn verdere werk, waaronder mijn proefschrift. Maar, de hoge C was toch niet geheel te vermijden. Ik ging door op de ingeslagen weg van de vertalingen en door zijn relaties en kennis op dit gebied kon Eekhof mij veel signaleren, waarvan ik anders pas veel later of helemaal niet kennis zou hebben gekregen. Ook bracht hij wel eens een exemplaar van zo’n nieuwe vertaling voor me mee, dat hij me dan met een bijna verlegen glimlachje overhandigde. Te weinig heb ik in dit opzicht voor hem kunnen doen, want hij had het allang.
    Eekhof kon boeiend vertellen over zijn reizen naar onder andere Italië, waar hij met Couperus samenhangende plekken bezocht. Zo schonk hij ons eigen foto’s van bijvoorbeeld het palazzo in Florence waar het echtpaar Couperus op twee zolderkamertjes verblijf hield. Zijn houding was in het begin wat formeel, waar ik me goed in kon vinden: dat directe gebruik van voornamen spreekt mij niet zo aan. Toen we daar na twintig jaar op overgingen was het voor mij even wennen en ik heb me nog regelmatig ‘vergist’.
    Soortgelijke verhalen heb ik ook van anderen gehoord, maar tegelijkertijd prees men vaak zijn bereidwilligheid. Ik heb het altijd wat triest gevonden dat mensen anders over hem konden denken en zijn betrekkelijke anonimiteit waar het zijn collectie betrof niet wensten te respecteren. Zij hebben niet begrepen dat die habitus voortkwam uit oprechte bescheidenheid. Eekhof heeft ons nog, vrij kort voor zijn overlijden, verteld dat hij de aanduiding als een ‘collectie sine qua non’ beslist niet zelf gekozen zou hebben.
    Ik zie het als een voorrecht dat ik hem heb mogen kennen.

(Uit: Arabesken 15 (2007), nr.29, p.55-56.)