Enige persoonlijke herinneringen
In memoriam J.A. Eekhof
![]() |
Op 78-jarige leeftijd overleed op 22 maart 2007 J.A. (Jan) Eekhof in Leiden. Nog geen jaar geleden deed hij afstand van datgene wat in zijn leven zo’n belangrijke rol heeft gespeeld: zijn beroemde Couperus-collectie, die in grootte en volledigheid ongeëvenaard was. Een klein portret van een gedreven, maar bescheiden man.
Door R. Breugelmans
In diezelfde stad als waar hij overleed, had hij kort na de Tweede Wereldoorlog theologie gestudeerd, een tijd waarop hij met een zeker genoegen terugkeek, mede door zijn kamer in het pand Rapenburg 12, het corpsstudentenhuis ‘Wallon’, van waaruit hij een fraai uitzicht op de gracht had. Na aanvankelijk in Wijk aan Zee te hebben gestaan, keerde hij naar Leiden terug om er studentenpastor te worden en academiepredikant. In beide functies werd hij een graag gezien persoon en velen denken met dankbaarheid aan hem terug door de bijstand, niet alleen op godsdienstig vlak, die hij gaf in gesprekken onder vier ogen of in gespreksgroepen. Ook na zijn emeritaat viel hij nog vaak op, en niet alleen door zijn fraaie witte haardos.56
Het spreekt vanzelf dat ik dit genereuze aanbod met beide handen accepteerde en
ik weet zeker dat zonder zijn spontaan gegeven hulp het uiteindelijke resultaat
van mijn in 989 verschenen lijst er anders uitgezien zou hebben. Onze ontmoeting
was hem kennelijk niet tegengevallen en met zekere regelmaat bezocht hij mijn
vrouw en mij. Dat was altijd aan het eind van de middag en hij bliefde graag
koffie: hij heeft bij ons nooit iets anders gedronken. De gesprekken gingen –
anders misschien dan men bij drie in Couperus geïnteresseerden zou verwachten –
over allerlei onderwerpen, zelfs over godsdienst, waarbij hij mild reageerde op
mijn radicale en zeker niet altijd even verstandige opmerkingen op dit terrein.
Hij had het allemaal al eens eerder gehoord… Ook liet hij altijd zijn
belangstelling blijken in mijn verdere werk, waaronder mijn proefschrift. Maar,
de hoge C was toch niet geheel te vermijden. Ik ging door op de ingeslagen weg
van de vertalingen en door zijn relaties en kennis op dit gebied kon Eekhof mij
veel signaleren, waarvan ik anders pas veel later of helemaal niet kennis zou
hebben gekregen. Ook bracht hij wel eens een exemplaar van zo’n nieuwe vertaling
voor me mee, dat hij me dan met een bijna verlegen glimlachje overhandigde. Te
weinig heb ik in dit opzicht voor hem kunnen doen, want hij had het allang.
Eekhof kon boeiend vertellen over zijn reizen naar onder
andere Italië, waar hij met Couperus samenhangende plekken bezocht. Zo schonk
hij ons eigen foto’s van bijvoorbeeld het palazzo in Florence waar het echtpaar
Couperus op twee zolderkamertjes verblijf hield. Zijn houding was in het begin
wat formeel, waar ik me goed in kon vinden: dat directe gebruik van voornamen
spreekt mij niet zo aan. Toen we daar na twintig jaar op overgingen was het voor
mij even wennen en ik heb me nog regelmatig ‘vergist’.
Soortgelijke verhalen heb ik ook van anderen gehoord, maar
tegelijkertijd prees men vaak zijn bereidwilligheid. Ik heb het altijd wat
triest gevonden dat mensen anders over hem konden denken en zijn betrekkelijke
anonimiteit waar het zijn collectie betrof niet wensten te respecteren. Zij
hebben niet begrepen dat die habitus voortkwam uit oprechte bescheidenheid.
Eekhof heeft ons nog, vrij kort voor zijn overlijden, verteld dat hij de
aanduiding als een ‘collectie sine qua non’ beslist niet zelf gekozen zou
hebben.
Ik zie het als een voorrecht dat ik hem heb mogen kennen.
(Uit: Arabesken 15 (2007), nr.29, p.55-56.)