Over de mysterieuze oorsprong van De stille kracht
De akelige geschiedenis van Jantje en
Betsy
![]() |
Vlak na publicatie van De stille kracht werd al geschreven dat de mysterieuze elementen in de roman niet alleen op fantasie van de auteur berusten. Ze zijn, in elk geval ten dele, gebaseerd op vreeswekkende verhalen die toen in Indië de ronde deden. Aan één zo’n geschiedenis, toch waarschijnlijk de belangrijkste bron voor Couperus, is tot nu toe nauwelijks aandacht geschonken.
Door Coen Ackers
De spiritist Willem Bosch jr. wees in De Telegraaf van 21 december
1900 op overeenkomsten tussen De stille kracht en een nooit geheel
verklaard verschijnsel in Sumedang uit 1831. Een reeks publicisten volgde Bosch
na, onder wie als laatste Nico Dros, die in een artikel uit 2002 eveneens
concludeert dat Couperus zijn roman op die gebeurtenis inspireerde. [1] In 1917 bleek er een tweede
inspiratiebron te bestaan, toen Couperus verhaalde van een eigen ervaring. Hij
had in Indië in 1899, hetzelfde jaar dat hij zijn roman schreef, een spook
gezien in zijn badkamer. [2]
Ongetwijfeld zijn deze twee gebeurtenissen van belang geweest
voor het ontstaan van De stille kracht. Toch vermoed ik dat een ander
voorval een belangrijker inspiratiebron is geweest. Het is een geschiedenis waar
Bosch in zijn brief aan De Telegraaf ook naar verwees. Het is het
akelige verhaal van Jantje en Betsy Bischoff, dat plaats had in 1892 in
Sitoebondo op Oost-Java.
Tafeldans
Couperus heeft vermoedelijk kennisgenomen van deze geschiedenis vanwege zijn
interesse in spiritisme. Deze belangstelling gold wellicht niet zozeer de
religieuze of wetenschappelijke implicaties, maar eerder de dramatische en
mystieke aspecten ervan.
Spiritisme is de theorie, en voor sommigen geloofsleer, dat
de geesten van overledenen in het hier en nu kunnen communiceren met de
levenden, en andersom. De stille kracht is in menig opzicht een
spiritistische roman. Het geeft, ten eerste, aan het onzichtbare, buitenwereldse
en immateriële een belangrijke rol. Ten tweede beoefent een aantal hoofdpersonen
bij voortduring de ‘tafeldans’, het in die tijd veel beproefde
communicatiemiddel met de geesten. En ten derde geeft de roman steun aan de
spiritistische leer dat wederzijdse communicatie en beïnvloeding mogelijk is,
tussen de wereld van de levenden en de parallel daaraan bestaande
bovennatuurlijke wereld. Het waren ook die spiritistische elementen die Couperus
op kritiek kwamen te staan van zijn vroegere leermeester Jan ten Brink en
anderen.
[3]
In Den Haag en ver daarbuiten was er in het laatste kwart van
de negentiende eeuw één propagandist van het spiritisme die alle anderen in
invloed overschaduwde: de schrijfster Elise van Calcar (1821-1904). Gedurende 27
jaar, van 1877 tot haar dood, gaf zij een tijdschrift uit, genaamd Op de
grenzen van twee werelden; onderzoek en ervaringen op het gebied van het hoogere
leven. Het blad was gevuld met gloedvolle betogen
21
voor het spiritisme en aangrijpend beschreven spirituele en spiritistische
ervaringen van haarzelf en anderen. Het bezat bij vlagen grote literaire
kwaliteit en werd wellicht daarom ook wel eens door niet-spiritisten gelezen.
Multatuli’s vrouw Mimi schreef bijvoorbeeld dat zij en haar echtgenoot samen een
uitgave van het blad hadden gelezen: ‘Hoe een onmogelijk dwaas werk, en zoo goed
geschreven te gelijk!’ [4] Het is ook door dit blad dat
het voorval in Sumedang van 1831 meer bekendheid kreeg.
Couperus was bekend met dit en andere spiritistische
tijdschriften, wat blijkt uit een brief die hij op 8 september 1892 aan Van
Calcar schreef. [5] Hierin vroeg hij of hij eens
met zijn echtgenote een spiritistische séance zou mogen meemaken, die zij, zoals
bekend, bij haar thuis in Den Haag organiseerde. Of Couperus inderdaad bij haar
geesten heeft opgeroepen is niet bekend, maar zo dat wel is gebeurd, dan heeft
hij misschien later de toen 71-jarige spiritiste voor ogen gehad bij het
beschrijven van mevrouw Rantzow, de ‘prettige matrone’ die in De stille
kracht op een zo plechtige manier de tafeldans beoefent. [6]
22
Enkele jaren later, in 1896, plaatste Van Calcar in haar blad een brief van een
bestuursambtenaar in Nederlands-Indië, Jan Jacob Bischoff (1845-1918), gericht
aan een anonieme vriend. [7] De geschiedenis die hij daarin
beschreef zou drie jaar eerder veel beroering hebben gewekt.
[8] Het was destijds in verscheidene kranten en tijdschriften in
Nederlands- Indië beschreven, [9] maar nogal schetsmatig, niet
heel serieus, en nooit zo uitgebreid als nu, in het blad van Van Calcar.
Vallende stenen
Het is 30 november 1892. Bischoff is de assistent-resident van de afdeling
Panaroekan in het Noordoosten van Java. Zijn standplaats is Sitoebondo, waar hij
woont met zijn vrouw Elisabeth
[10]
en hun zeven nog thuis wonende kinderen. De oudste is eenentwintig en de jongste
twee. Jeanne, het vijfde kind, viert vandaag haar elfde verjaardag, maar ondanks
die feestelijkheid, is er voor de heer Bischoff een onbekende reden om juist
vandaag één van zijn inlandse oppassers te ontslaan.
Het is half tien ’s avonds en de kinderen, op de oudste
dochter Titi na, zijn naar bed gestuurd of gebracht. Titi, eigenlijk Lydia
geheten, verpoost nog wat op de voorgalerij met haar moeder en haar verloofde,
de planter Adrien van Cattenburch. [11] De heer Bischoff begeeft zich
naar het bijgebouw waar hij kantoor houdt, om nog wat werk te verrichten. Hij
steekt een verse sigaar op en bemerkt dan luidruchtig geklets in één van de
nabijgelegen slaapkamers. Het zijn de kinderen Jantje, negen jaar, en Betsy,
twaalf jaar, die samen in een tweepersoonsbed slapen omdat het matras van Jantje
opnieuw moet worden overtrokken. Vader treedt binnen en vraagt wat er aan de
hand is.
Het antwoord is onthutsend: er vallen stenen! Bischoff
schrijft: ‘Mijne vrouw kwam ook in de kamer en waarlijk: eenige oogenblikken
later vielen in ons bijzijn steenen op den vloer, waarvan de herkomst in ’t
geheel niet was te verklaren.’ Hoewel Jantje en Betsy er niet door worden
geraakt, kunnen ze er niet van slapen. Zijn vrouw oppert de mogelijkheid dat de
stenen een wraakneming zijn van de ontslagen inlandse bediende. Bischoff geeft
een oppasser opdracht voor de buitendeur van de kamer de wacht te houden. Maar
ondanks die bewaking blijven er nog steeds geregeld stenen vallen.
Bischoff verlaat voor even de kamer en mevrouw Bischoff gaat
tussen de kinderen in op het bed liggen om ze gerust te stellen. De kamer is van
alle kanten gesloten en hel verlicht. Niettemin valt af en toe nog een steen,
maar minder en na een paar uur houdt het nagenoeg op. Maar dan vallen allerlei
voorwerpen op de grond, onder andere ‘haar sleutelmandje, kleine doosjes,
potjes, een mandje met versche eieren’. Als de kinderen overmand door
vermoeidheid in slaap vallen, wordt het in de kamer eindelijk rustig.
De volgende dag, 1 december, gebeurt er niets bijzonders. Totdat de avond
invalt. Wederom vallen in de kamer stenen, die onverklaarbaar uit het niets
lijken te ontstaan. Opnieuw vallen voorwerpen één voor één op de grond. Bischoff
komt tot een conclusie: ‘Daar ik alle voorzorgsmaatregelen had genomen, kwam ik
toen reeds tot de innige overtuiging dat geen menschenhanden, doch onbekende of
bovennatuurlijke krachten in het spel waren.’ Weer houden de verschijnselen op,
zodra Jantje en Betsy in slaap vallen.
De volgende ochtend komt de plaatselijk geneesheer, dr.
Placidus Engelmayer [12] op bezoek. Bischoff vertelt
hem wat er de twee avonden daarvoor is gebeurd, en Engelmayer vraagt getuige te
mogen zijn. Beide mannen plaatsen zich die avond in de slaapkamer van de twee
kinderen. Opnieuw vallen stenen, opnieuw vallen voorwerpen op de grond, en de
dokter verklaart op het einde dat ook hij ervan is overtuigd dat hier geen
mensen-
23
handen in het spel kunnen zijn. Hij vraagt de volgende avond weer aanwezig te
mogen zijn, maar dan met de controleur Versteegh [13] en een gast die bij deze
logeert, de oudgouverneur- generaal van Suriname, De Savornin Lohman. [14]
Enorme ravage
De vierde avond, op 3 december, houden vier mannen de wacht in de slaapkamer van
Jantje en Betsy: Bischoff, Engelmayer, Versteegh en De Savornin Lohman. De
eerste steen die valt is ‘een zeldzaam mooie ronde’. Daarna valt ‘een
rechthoekig stuk grint’, dan een stuk baksteen, dan nog een steen en vervolgens
scherven van een Japanse of Chinese schotel. Lohman beweert later een slof te
hebben gezien, die zich zwevend door de kamer verplaatste.
Het is voor de vier heren onmogelijk, zowel om de
gebeurtenissen te verklaren, als om ze te doen ophouden. Ten einde raad
besluiten ze na een tijdje de kamer te verlaten om iets te gaan drinken in de
galerij voor. ‘Toen,’ schrijft Bischoff, ‘is nog de tafel in de kamer driemalen
omgevallen; ook het schutsel een paar malen en heeft zich het verschijnsel
voorgedaan dat het nachtlichtje in de kamer (een gewoon olielichtje, dat op
aanmerkelijke hoogte tegen den muur is geplaatst, zoodat de kinderen er
onmogelijk bij kunnen komen), in den gang kwam aanzweven. Dit werd alleen door
den controleur Versteegh waargenomen, omdat wij ten deele of nagenoeg geheel met
den rug naar den gang waren gezeten.’
Rond één uur vertrekken Lohman en Engelmayer. Bij het
afscheid verzoekt de dokter om de twee belaagde kinderen, als zij daarmee
instemmen, de volgende nacht bij hem te laten logeren. De kinderen willen wel,
maar Jantje zegt dat hij bang is dat de dokter boos op hem zal worden als al
zijn medicijnflessen tegen de vloer kapotvallen.
Versteegh blijft achter om een ‘grogje’ te drinken. Even
later loopt hij samen met Bischoff nog even naar de slaapkamer, waar mevrouw
Bischoff de met glasscherven en gebroken eieren bezaaide vloer laat aanvegen, om
haar een goedenacht te wensen. Terwijl ze daar nog even staan te praten, valt de
porseleinen deksel van de ‘pot de chambre’ op de vloer, en vliegt een slof
rakelings langs het gezicht van mevrouw Bischoff.
De volgende avond haalt dokter Engelmayer Jantje en Betsy op
voor de logeerpartij. De dokter bluft dat er bij hem wel niets zal gebeuren. Dit
daagt Titi uit tegen Jantje en Betsy te zeggen: ‘je moet er maar niet over
tobben; hoemeer er bij den dokter breekt, zooveel te beter; hij is toch rijk
genoeg en bluft nu zoo, dat jullie bij hem niets kunnen uitrichten.’ De komende
nacht zal de dokter lang heugen.
Engelmayer heeft vooraf op een tafel bij hem thuis vijf
gemerkte stenen gelegd, maar onder een punt van het tafelkleed zodat ze niet
zichtbaar zijn. Hij en de kinderen zijn nog maar net binnen als een steen van de
tafel opstijgt, door de lucht vliegt en rinkelend door een ruit slaat. Het is
het begin van een enorme ravage. Bischoff schrijft: ‘Alles mede te deelen wat
dien avond bij hem is geschied, zou mij te veel tijd kosten. Maar er zijn bij
hem dertien ruiten gebroken; een waschstel, een pot de chambre en andere
breekbare voorwerpen van mindere waarde werden aan stukken gegooid, terwijl een
inktkoker en zware looden presse-papiers door de ramen zijn geslingerd en later
weer in huis teruggekomen – het eene nog onmogelijker dan het andere. De dokter,
die op een divan vlak voor ’t bed der beide kinderen lag, beweert tot tweemalen
een golvende beweging van de matras van den divan te hebben waargenomen.’
Eindelijk, om vier uur ’s nachts vallen de kinderen in slaap.
Dezelfde nacht dat Jantje en Betsy bij dokter Engelmayer
logeren, blijft het in het huis van de familie Bischoff volledig rustig. Op de
één of andere manier zijn het dus
24
Jantje, Betsy of beiden die de verschijnselen aantrekken. Dit wordt bevestigd
door een bezoek, enkele dagen later, van Bischoff, Engelmayer en de twee
kinderen aan de controleur Versteegh. Als zij ’s avonds arriveren, gaan Jantje
en Betsy direct naar bed. De controleur heeft uit voorzorg het slaapvertrek van
de kinderen ontdaan van alle breekbare spullen, maar ook die avond breken enkele
ruiten doordat schoenen en sloffen naar buiten vliegen. Diverse voorwerpen
vallen van de tafel op de grond. Het schutsel valt twee keer om.
Niet verwonderlijk blijft mevrouw Bischoff onder dit alles
niet onbewogen. Behalve de twee kinderen lijkt namelijk ook zij af en toe het
mikpunt te zijn van bekogelingen en andere pesterij. Op een dag vliegt
plotseling een bijbeltje of gezangboek dat op tafel lag naar haar hoofd. Een
ander voorwerp landt in haar schoot. Op een nacht draaien al de
25
schroeven van haar ledikant los. Ze neemt zich dan voor met Jantje en Betsy
enige tijd in Probolingo of Soerabaja te gaan verblijven. Niet los van die
overweging zal staan dat zij op dat moment hoogzwanger is. Maar als de kinderen
ondanks de verschijnselen vrolijk blijven, ‘ja het zelfs aardig’ beginnen te
vinden, schikt zij zich in de situatie, hervindt haar kalmte en weet zich tot
het einde flink te houden. Op 23 januari 1893 bevalt zij succesvol van een zoon,
overigens niet in Sitoebondo, maar elders op een misschien veiliger plek, in
Tjiandjoer.
Een masker van sirih
Enkele dagen na het bezoek aan Versteegh komt de geschiedenis in een nieuwe
fase. Nu vallen ook overdag voorwerpen op de vloer, ‘voorwerpen van weinig
waarde,’ voegt Bischoff er aan toe. Nu wordt Jantje met rust gelaten en is het
alleen Betsy die door de verschijnselen wordt achtervolgd. Voor haar breekt een
ware lijdensweg aan. Eerst, gedurende enkele dagen, wordt zij, waar zij ook is,
bekogeld met water of modder in haar gezicht, zowel overdag als na
zonsondergang. Daarna zijn het eieren waarmee naar haar wordt gegooid, op haar
hoofd of kleren, maar zonder haar pijn te doen. Op één dag krijgt ze twintig
eieren over haar heen. Als dit na enkele dagen ophoudt, krijgt ze boter op haar
gezicht. Zoals Bischoff het vertelt, is deze episode misschien nog het meest
raadselachtig. ‘Op zekeren avond was dat al een paar malen gebeurd; telkens
hielp mijne vrouw haar de oogen uitwasschen en schreeuwde het kind het uit,
omdat het ziltige in de oogen haar pijn deed. Toen, terwijl zij tusschen ons
beiden stond, nadat hare oogen waren uitgewasschen en zij een schoon baadje zou
aantrekken, kreeg zij opnieuw eene hoeveelheid boter in de oogen – niets dan
zuivere boter. Ik heb haar daarop in mijne slaapkamer genomen en, terwijl zij
reeds in bed lag, haar aangemaand op hare zijde te gaan liggen en dadelijk te
gaan slapen. Enkele minuten later, terwijl ik naast haar in bed lag, gaf zij op
eens een schreeuw en had zij weer boter in de oogen.’
Na enkele dagen met boter te zijn besmeerd, is het vervolgens
sirihspuug dat het meisje treft. ‘Eensklaps gaf zij een schreeuw en had dan een
plakkaat op de oogen, zoo keurig en netjes als een maskertje, waarmede men naar
een bal masqué gaat. Later ging dat masker over in ander vuil, en zelfs heeft
zij meermalen en altijd op het voorhoofd en de oogen tot boven de neusgaten en
in maskervorm drek op het gezicht gehad zoowel overdag als ’s nachts. Zij werd
wel eens wakker met zulk vuil op de oogen.’ Dagenlang, twee-, drie- of viermaal
daags, krijgt Betsy een maskertje van drek of uitgekauwde sirih op haar gezicht.
Halverwege januari 1893 treedt er in de verschijnselen een
pauze op. Maar als Bischoff voor enkele dagen naar Soerabaja gaat, breekt de
pesterij weer in hevigheid los. Tijdens zijn afwezigheid breken voor het eerst
ook bij hem in huis ruiten door rondvliegende voorwerpen, waaronder een
etensbel. Tot dan was dit alleen bij Engelmayer en Versteegh gebeurd. Betsy is
weer het mikpunt. De buurvrouw, mevrouw Feuerberg,
[15]
nodigt Betsy uit om enige dagen bij haar te komen logeren, omdat zij daar
hopelijk wat rust zal zijn gegund van de voortdurende akeligheden. Maar het is
daar nog erger dan bij Betsy thuis. Die nacht ‘is zij 31, zegge een en dertig
malen nat gegooid, zoodat er bijna geen sarongs meer in huis waren om haar van
droge kleeding te voorzien. Terwijl de gastvrouw haar in bed in de armen hield,
werd zij toch nat gegooid en bleef de andere ongedeerd. En toen Betsy eindelijk
zeer laat in den nacht in slaap viel en rustig sluimerde, kreeg zij bij haar in
bed een champagneglas uit een gesloten glazenkast, een doosje pillen van de
dochter des huizes uit een gesloten kleerkast, en een vierkante flesch jenever
uit de
26
achtergalerij bij hare voeten.’ De aanwezigen waren er, volgens Bischoff, ‘zoo
vol van, dat een ieder zei: nu ik dat alles gezien heb, acht ik niets meer
onmogelijk en komen mij de wonderen, die de Bijbel vertelt, niet langer
ongelooflijk voor.’
Nadat Bischoff uit Soerabaja is teruggekeerd, nemen de
verschijnselen in kracht en frequentie weer geleidelijk af. Soms leegt een karaf
van de wastafel of een waterfles in de bedden, maar dat is alles relatief
onschuldig. Betsy wordt steeds minder vaak geplaagd. Na veertien dagen is het
volledig rustig geworden, zonder, zo benadrukt Bischoff, ‘dat in onze omgeving,
hetzij van bedienden of wat ook, eenige verandering of wijziging was gekomen.’
De hele geschiedenis is voor Bischoff volkomen mysterieus.
Hij, noch één van de andere getuigen, kan een plausibele verklaring bedenken. De
rijke dokter Engelmayer belooft vijfduizend gulden of meer te zullen betalen aan
degene die hem een bevredigende uitleg kan geven. En ook van religieuze kant
blijkt geen oplossing voorhanden. ‘Zelfs de orthodoxe heer de Savornin Lohman
moest het antwoord schuldig blijven.’
Spookachtige hadji
De brief, waaruit het bovenstaande is ontleend, schreef Bischoff aan een vriend
in reactie op een krantenartikel dat deze hem had gestuurd. Dat artikel is
vermoedelijk afkomstig uit de krant Mataram van 20 april 1893, tien
dagen voor Bischoff zijn brief opstelde. ‘Dat verhaaltje was blijkbaar niet van
een ooggetuige en al te veel voor de pers gereed gemaakt onder den invloed van
soortgelijke verhalen, zooals men meermalen op Java hoort,’ concludeert Elise
van Calcar. Het merkwaardige is echter, dat het een aantal elementen aan het
verhaal toevoegt, die Bischoff in zijn brief in het geheel niet noemt. Nadere
beschouwing van Bischoffs brief maakt duidelijk dat hij alleen de feiten noemt,
en dan alleen die feiten die hij zelf heeft kunnen vaststellen of die hij van
betrouwbare volwassen Europese waarnemers heeft horen vertellen. Aan eigen
theorieën waagt hij zich niet, behalve te vermelden dat ‘alles wat ten mijnent
vroeger heeft plaats gehad en gedurende bijna twee maanden met korte
tusschenpoozen is voorgevallen, door Spiritisten geheel [wordt] verklaard en aan
geesten toegeschreven, en volgens hun inzicht zouden Jan en Betsy sterke mediums
zijn.’
27
Eén van de feiten die Bischoff niet vermeldt is wat het artikel in Mataram
noemt als mogelijke aanleiding voor de verschijnselen: dat de assistent-resident
bevel had gegeven voor het omhakken van een waringinboom. Vele Javanen zouden
hebben getracht hem hiervan af te houden. Een hadji, een uit Mekka teruggekeerde
pelgrim, zou hem hebben gesmeekt de boom te laten staan. Waringinbomen worden op
Java alom beschouwd als heilig, en als verblijfplaats van geesten. Ook het
spiritistische tijdschrift Sphinx van A.J. Riko – een andere bekende
Haagse spiritist – noemt het omhakken van een waringinboom als de opmaat voor de
daaropvolgende verschijnselen.
[16] En Willem Bosch jr. ziet in zijn brief in De Telegraaf
eveneens de verschijnselen voortvloeien uit het omhakken van deze boom.
Wat Bischoff ook niet beschrijft zijn de waarnemingen van de
kinderen. Jantje zou volgens Mataram ‘voortdurend een hadjie met een
kris op den rug en een zwarte hand’ zien.
[17]
A.J. Riko schrijft dat het jongetje de verschijnselen ziet ‘uitvoeren door een
voor anderen onzichtbaren “man met een tulband”.’ [18] Volgens Willem
Bosch jr. was het het dochtertje dat een hadji bezig zag: ‘ja, ook daar was een
hadjie aan het werk, maar een hadjie, die alleen door het onbewuste medium, een
dochtertje van genoemde resident, gezien werd, voor alle andere omstanders was
hij, omdat hij een geest was, totaal onzichtbaar. Revolverkogels op aanwijzing
van het dochtertje op hem afgeschoten ving hij, nadat zij zijn schijnbare borst
doorboord hadden, weer op, en wierp ze met hoongelach de schutter toe.’
[19]
Van alle mysterieuze voorvallen in Indië die als waar zijn
beschreven, kon ik slechts twee vinden, waarin een spookachtige hadji optreedt.
[20]
Er is daarom een grote kans dat de hadji die in De stille kracht
voorkomt aan de geschiedenis van Sitoebondo is ontleend. En er zijn meer
overeenkomsten. In De stille kracht krijgt de hoofdpersoon Van Oudijck
de positie aangeboden van resident van Batavia, maar hij ziet daar van af.
Bischoff wordt op 3 maart 1898 daadwerkelijk gepromoveerd tot resident van
Batavia. Net als in Sitoebondo is de arts in De stille kracht een
Duitser. Dat is in Indië trouwens vaker het geval. En dan is er het feit dat de
vrouw van Bischoff, net als de vrouw van Van Oudijck, Léonie, tenminste
gedurende enige tijd het slachtoffer is van spookachtige belaging. Misschien
heeft de oudste dochter Titi model gestaan voor Doddy, en haar verloofde Adrien
van Cattenburch voor Addy (Adrien) de Luce, die in de roman Doddy het hof maakt.
Ook het huwelijk van de heer en mevrouw Bischoff lijkt niet gelukkig te
eindigen. Eind 1901 vertrekt het echtpaar met vier van de kinderen, onder wie de
nu respectievelijk achttien- en eenentwintigjarige Jan en Betsy, naar Den Haag.
[21]
Echter, minder dan een jaar later keert mevrouw Bischoff alweer terug naar
Batavia, haar echtgenoot achterlatend, maar met medeneming van haar dochters
Betsy en Charlotte.
Collectieve referentie
Het zijn allemaal kleine op zichzelf onbeduidende aanwijzingen, maar die bij
elkaar geveegd het vermoeden onderbouwen dat Couperus voor De stille kracht
van deze geschiedenis heeft gebruik gemaakt. Dit vermoeden wordt nog versterkt –
en dit is misschien het belangrijkste argument – door het feit dat Couperus
waarschijnlijk over aanvullende informatie heeft kunnen beschikken. Toen
Bischoff werd aangesteld tot resident van Batavia, werd hij de directe chef van
de secretaris van Batavia, Adolf Glaudius Valette.
[22]
Deze Valette was een jongere broer van Couperus’ zwager Gerardus Johannes Petrus
Valette.
[23]
Bij de laatste waren Couperus en zijn vrouw in 1899 geruime tijd te gast, zes
jaar nadat het voorval bekendheid kreeg. Of Couperus Bischoff heeft ontmoet is
niet duidelijk, maar door zijn familierelatie zeer wel mogelijk; hij zal
daardoor in de gelegen-
28
heid zijn geweest de geschiedenis van Sitoebondo uit eerste hand te vernemen.
Wat verder ook de overeenkomsten mogen zijn tussen het
verhaal van De stille kracht en de geschiedenis van Sitoebondo, en of
zij al of niet op toeval berusten: niets doet af aan Couperus’ eigen
verbeeldingskracht. Maar het zijn deze elementen die Nederlanders met Indische
ervaring herkennen en die De stille kracht
hebben gemaakt tot een collectieve referentie: de weelderigheid van de natuur en
de overdaad aan luxe, de ruimte, de warmte, het licht aan de ene kant. En aan de
andere kant de nachtzijde: de voor de Nederlanders ondoordringbare blik van de
Javanen, de ondoorgrondelijkheid van hun gedachten, de raadselachtigheid van hun
mystieke geloof, en de schijnbare onverklaarbaarheid van sommige verschijnselen.
Een Indische Nederlander schrijft in 1916: ‘Eeuwen lang kende de Nederlandsche
taal geen bepaalde uitdrukking om het aan te duiden of te betitelen. Pas in den
jare 1900 had de bekende schrijver Louis Couperus de genialiteit om
ervoor te bedenken den volmaakt passenden, den alleszeggenden naam van De
stille kracht.’
[24]
| Noten | |
| 1. | Nico Dros, ‘Het angstzweet der kolonialen. De stille kracht en de idee van macht in de Javaanse cultuur.’ In: Tirade 46 (2002), nr. 394, p.179. Andere bronnen die hetzelfde beweren zijn: Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1989, p.234-235; Rob Nieuwenhuys. In: Het vaderland 1963, 11 juni, p. 5; Marion Valent, ‘Over “De stille kracht” van Louis Couperus.’ In: Literatuur 1 (1984), nr.4, p.204. |
| 2. | Louis Couperus, ‘De badkamer.’In: Haagsche Post 4 (1917), nr. 160 (20 januari), p.62. Opgenomen in Louis Couperus, Ongebundeld werk. Volledige werken Louis Couperus, deel 49, p.273-275. |
| 3. | Hoewel Ten Brink het boek roemt als ‘den besten Nederlandschen roman over het leven der Nederlanders in onze Oost, die sedert 1850 is geschreven,’ veroordeelt hij de behandeling van de spiritistische elementen die erin voorkomen. Wat hem bovendien stoort, is dat Couperus niet alleen verzuimt het geloof aan bovenaardse verschijnselen te veroordelen, maar zelfs de argumenten daarvoor aandraagt. Die verschijnselen, erkent Ten Brink, zijn weliswaar daadwerkelijk waargenomen, maar ook, zo beweert hij, uiteindelijk niet anders dan bedrog gebleken. Jan ten Brink, in: De Telegraaf 1900, 8 december. |
| 4. | Brief van M.F.C. (Mimi) Hamminck Schepel aan Carel Vosmaer, waarschijnlijk eind februari 1877. In: Multatuli, Volledig Werk, deel XVIII, p.643. |
| 5. | Couperus stuurde die brief in antwoord op een brief van Elise van Calcar, waarin zij vol bewondering is voor zijn Kleine raadsels. Zij was toen al 71, had een groot aantal romans op haar naam staan, en werd gerekend tot één van de belangrijkste Nederlandse schrijfsters. Couperus zal door haar brief aangenaam verrast zijn geweest. Hij schreef terug: ‘Mijn “Kleine Raadsels” zijn maar heele kleine raadseltjes: in werken als de uwe en b.v. in de “Annales Psychiques” komen zeker veel interessanter mededelingen voor.’ Geciteerd in Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.158. |
| 6. | Elise van Calcar gaf vijf jaar later, in 1897, toe Louis Couperus te lezen, hoewel ze in de literatuur van destijds weinig zag dat zich kon meten met de door haar bewonderde schrijvers als Vondel, Bilderdijk en Da Costa: ‘Toch lees ik zelfs Louis Couperus. ’t Is een mooi talent, maar een ware weekeling; ik zou zoo graag een krachtig geraamte willen zetten in dat slappe lichaam.’ Geciteerd in M.J. Brusse, ‘Elise van Calcar. Bij haar 75sten verjaardag.’ In: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. Verzameling van Nederlandsche letterkundige kunstwerken geïllustreerd door Nederlandsche kunstenaars, Deel XIV, juli-december 1897. Amsterdam, p.526. |
| 7. | Elise van Calcar, ‘Een geval van steenen werpen en andere tastbare bewijzen van het vermogen van onzichtbare wezens.’ In: Op de grenzen van twee werelden 1896, p.187-196. |
| 8. | Het Toekomstig Leven 1897, nr 9. |
| 9. | Aldus Van Calcar (zie noot 7); in elk geval in Mataram, Nieuws- en Advertentieblad van Djokja en Omstreken 17 (1893), nr.32 (20 april), en in Bataviaasch Nieuwsblad 8 (1893), nr.119 (24 april). |
| 10. | Elisabeth Lucia van Rijck (1851-1939). |
| 11. | Adrien Charles Guillaume van Cattenburch (1861-1924), bibitplanter te Malang. |
| 12. | Dr. Placidus Engelmayer (?-1938), sinds 1886 plaatselijk geneesheer te Panaroekan. |
| 13. | Jean Paul Ernest Versteegh, destijds controleur der tweede klasse. |
| 14. | Jhr. mr. Maurits Adriaan de Savornin Lohman (1832-1899), gouverneur-generaal van Suriname (1889-1891). |
| 15. | Echtgenote van George Henri Feuerberg. |
| 16. | A.J. Riko. In: Sphinx 1 (1893). |
| 17. | Mataram, zie noot 9. |
| 18. | A.J. Riko, zie noot 16. |
| 19. | W. Bosch. In: De Telegraaf 1900, 21 december. |
| 20. | In het andere geval, een stenenregen op Buitenzorg in 1897, wordt het spook beschreven als ‘een ouden Arabier met langen witten baard en puntige knevels.’ Brief aan het Nieuw Bataviaasch Handelsblad, opgenomen in de Sumatra Courant 1898, 25 juli. Overgenomen in het tijdschrift Het Toekomstig Leven 2 (1898), p.323-324. |
| 21. | Dit blijkt uit het Haags Gemeentearchief. Uit Batavia arriveren op 17 november 1901 vader Jan Jacob Bischoff, moeder Elisabeth Lucia van Rijck en hun kinderen Elisabeth Lucia, Jan Jacob, Wilhelmina Helena Paulina Maria en Charlotte Elisabeth. |
| 22. | Adolf Glaudius Valette bekleedde deze functie sinds 4 april 1892. |
| 23. | Hetwelk blijkt uit de familiepapieren in het dossier Valette in het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. G.J.P. Valette was vanaf 10 augustus 1899 resident van Pasoeroean. Hij was de echtgenoot van Couperus’ oudere zuster Geertruida Johanna, en stond ook bekend onder zijn verfranste naam Gérard de la Valette. |
| 24. | Creusesol (pseudoniem van I.P.C. Graafland), Bestaat De stille kracht? Semarang, Soerabaia, ’s Gravenhage, 1916. |
(Uit: Arabesken 12 (2004), nr.23, p.20-29.)