Over de mysterieuze oorsprong van De stille kracht
De akelige geschiedenis van Jantje en Betsy

Luxe editie in roze fluwelen band van 'De stille kracht'. Bandontwerp: J.J.C. Lebeau  

Vlak na publicatie van De stille kracht werd al geschreven dat de mysterieuze elementen in de roman niet alleen op fantasie van de auteur berusten. Ze zijn, in elk geval ten dele, gebaseerd op vreeswekkende verhalen die toen in Indië de ronde deden. Aan één zo’n geschiedenis, toch waarschijnlijk de belangrijkste bron voor Couperus, is tot nu toe nauwelijks aandacht geschonken.

DOOR 

De spiritist Willem Bosch jr. wees in De Telegraaf van 21 december 1900 op overeenkomsten tussen De stille kracht en een nooit geheel verklaard verschijnsel in Sumedang uit 1831. Een reeks publicisten volgde Bosch na, onder wie als laatste Nico Dros, die in een artikel uit 2002 eveneens concludeert dat Couperus zijn roman op die gebeurtenis inspireerde. [1] In 1917 bleek er een tweede inspiratiebron te bestaan, toen Couperus verhaalde van een eigen ervaring. Hij had in Indië in 1899, hetzelfde jaar dat hij zijn roman schreef, een spook gezien in zijn badkamer. [2]
    Ongetwijfeld zijn deze twee gebeurtenissen van belang geweest voor het ontstaan van De stille kracht. Toch vermoed ik dat een ander voorval een belangrijker inspiratiebron is geweest. Het is een geschiedenis waar Bosch in zijn brief aan De Telegraaf ook naar verwees. Het is het akelige verhaal van Jantje en Betsy Bischoff, dat plaats had in 1892 in Sitoebondo op Oost-Java.

Tafeldans
Couperus heeft vermoedelijk kennisgenomen van deze geschiedenis vanwege zijn interesse in spiritisme. Deze belangstelling gold wellicht niet zozeer de religieuze of wetenschappelijke implicaties, maar eerder de dramatische en mystieke aspecten ervan.
    Spiritisme is de theorie, en voor sommigen geloofsleer, dat de geesten van overledenen in het hier en nu kunnen communiceren met de levenden, en andersom. De stille kracht is in menig opzicht een spiritistische roman. Het geeft, ten eerste, aan het onzichtbare, buitenwereldse en immateriële een belangrijke rol. Ten tweede beoefent een aantal hoofdpersonen bij voortduring de ‘tafeldans’, het in die tijd veel beproefde communicatiemiddel met de geesten. En ten derde geeft de roman steun aan de spiritistische leer dat wederzijdse communicatie en beïnvloeding mogelijk is, tussen de wereld van de levenden en de parallel daaraan bestaande bovennatuurlijke wereld. Het waren ook die spiritistische elementen die Couperus op kritiek kwamen te staan van zijn vroegere leermeester Jan ten Brink en anderen. [3]
    In Den Haag en ver daarbuiten was er in het laatste kwart van de negentiende eeuw één propagandist van het spiritisme die alle anderen in invloed overschaduwde: de schrijfster Elise van Calcar (1821-1904). Gedurende 27 jaar, van 1877 tot haar dood, gaf zij een tijdschrift uit, genaamd Op de grenzen van twee werelden; onderzoek en ervaringen op het gebied van het hoogere leven. Het blad was gevuld met gloedvolle betogen

21
voor het spiritisme en aangrijpend beschreven spirituele en spiritistische ervaringen van haarzelf en anderen. Het bezat bij vlagen grote literaire kwaliteit en werd wellicht daarom ook wel eens door niet-spiritisten gelezen. Multatuli’s vrouw Mimi schreef bijvoorbeeld dat zij en haar echtgenoot samen een uitgave van het blad hadden gelezen: ‘Hoe een onmogelijk dwaas werk, en zoo goed geschreven te gelijk!’ [4] Het is ook door dit blad dat het voorval in Sumedang van 1831 meer bekendheid kreeg.
    Couperus was bekend met dit en andere spiritistische tijdschriften, wat blijkt uit een brief die hij op 8 september 1892 aan Van Calcar schreef. [5] Hierin vroeg hij of hij eens met zijn echtgenote een spiritistische séance zou mogen meemaken, die zij, zoals bekend, bij haar thuis in Den Haag organiseerde. Of Couperus inderdaad bij haar geesten heeft opgeroepen is niet bekend, maar zo dat wel is gebeurd, dan heeft hij misschien later de toen 71-jarige spiritiste voor ogen gehad bij het beschrijven van mevrouw Rantzow, de ‘prettige matrone’ die in De stille kracht op een zo plechtige manier de tafeldans beoefent. [6]

22
Enkele jaren later, in 1896, plaatste Van Calcar in haar blad een brief van een bestuursambtenaar in Nederlands-Indië, Jan Jacob Bischoff (1845-1918), gericht aan een anonieme vriend. [7] De geschiedenis die hij daarin beschreef zou drie jaar eerder veel beroering hebben gewekt. [8] Het was destijds in verscheidene kranten en tijdschriften in Nederlands- Indië beschreven, [9] maar nogal schetsmatig, niet heel serieus, en nooit zo uitgebreid als nu, in het blad van Van Calcar.

Vallende stenen
Het is 30 november 1892. Bischoff is de assistent-resident van de afdeling Panaroekan in het Noordoosten van Java. Zijn standplaats is Sitoebondo, waar hij woont met zijn vrouw Elisabeth [10] en hun zeven nog thuis wonende kinderen. De oudste is eenentwintig en de jongste twee. Jeanne, het vijfde kind, viert vandaag haar elfde verjaardag, maar ondanks die feestelijkheid, is er voor de heer Bischoff een onbekende reden om juist vandaag één van zijn inlandse oppassers te ontslaan.
    Het is half tien ’s avonds en de kinderen, op de oudste dochter Titi na, zijn naar bed gestuurd of gebracht. Titi, eigenlijk Lydia geheten, verpoost nog wat op de voorgalerij met haar moeder en haar verloofde, de planter Adrien van Cattenburch. [11] De heer Bischoff begeeft zich naar het bijgebouw waar hij kantoor houdt, om nog wat werk te verrichten. Hij steekt een verse sigaar op en bemerkt dan luidruchtig geklets in één van de nabijgelegen slaapkamers. Het zijn de kinderen Jantje, negen jaar, en Betsy, twaalf jaar, die samen in een tweepersoonsbed slapen omdat het matras van Jantje opnieuw moet worden overtrokken. Vader treedt binnen en vraagt wat er aan de hand is.
    Het antwoord is onthutsend: er vallen stenen! Bischoff schrijft: ‘Mijne vrouw kwam ook in de kamer en waarlijk: eenige oogenblikken later vielen in ons bijzijn steenen op den vloer, waarvan de herkomst in ’t geheel niet was te verklaren.’ Hoewel Jantje en Betsy er niet door worden geraakt, kunnen ze er niet van slapen. Zijn vrouw oppert de mogelijkheid dat de stenen een wraakneming zijn van de ontslagen inlandse bediende. Bischoff geeft een oppasser opdracht voor de buitendeur van de kamer de wacht te houden. Maar ondanks die bewaking blijven er nog steeds geregeld stenen vallen.
    Bischoff verlaat voor even de kamer en mevrouw Bischoff gaat tussen de kinderen in op het bed liggen om ze gerust te stellen. De kamer is van alle kanten gesloten en hel verlicht. Niettemin valt af en toe nog een steen, maar minder en na een paar uur houdt het nagenoeg op. Maar dan vallen allerlei voorwerpen op de grond, onder andere ‘haar sleutelmandje, kleine doosjes, potjes, een mandje met versche eieren’. Als de kinderen overmand door vermoeidheid in slaap vallen, wordt het in de kamer eindelijk rustig.

De volgende dag, 1 december, gebeurt er niets bijzonders. Totdat de avond invalt. Wederom vallen in de kamer stenen, die onverklaarbaar uit het niets lijken te ontstaan. Opnieuw vallen voorwerpen één voor één op de grond. Bischoff komt tot een conclusie: ‘Daar ik alle voorzorgsmaatregelen had genomen, kwam ik toen reeds tot de innige overtuiging dat geen menschenhanden, doch onbekende of bovennatuurlijke krachten in het spel waren.’ Weer houden de verschijnselen op, zodra Jantje en Betsy in slaap vallen.
    De volgende ochtend komt de plaatselijk geneesheer, dr. Placidus Engelmayer [12] op bezoek. Bischoff vertelt hem wat er de twee avonden daarvoor is gebeurd, en Engelmayer vraagt getuige te mogen zijn. Beide mannen plaatsen zich die avond in de slaapkamer van de twee kinderen. Opnieuw vallen stenen, opnieuw vallen voorwerpen op de grond, en de dokter verklaart op het einde dat ook hij ervan is overtuigd dat hier geen mensen-

23
handen in het spel kunnen zijn. Hij vraagt de volgende avond weer aanwezig te mogen zijn, maar dan met de controleur Versteegh [13] en een gast die bij deze logeert, de oudgouverneur- generaal van Suriname, De Savornin Lohman. [14]

Enorme ravage
De vierde avond, op 3 december, houden vier mannen de wacht in de slaapkamer van Jantje en Betsy: Bischoff, Engelmayer, Versteegh en De Savornin Lohman. De eerste steen die valt is ‘een zeldzaam mooie ronde’. Daarna valt ‘een rechthoekig stuk grint’, dan een stuk baksteen, dan nog een steen en vervolgens scherven van een Japanse of Chinese schotel. Lohman beweert later een slof te hebben gezien, die zich zwevend door de kamer verplaatste.
    Het is voor de vier heren onmogelijk, zowel om de gebeurtenissen te verklaren, als om ze te doen ophouden. Ten einde raad besluiten ze na een tijdje de kamer te verlaten om iets te gaan drinken in de galerij voor. ‘Toen,’ schrijft Bischoff, ‘is nog de tafel in de kamer driemalen omgevallen; ook het schutsel een paar malen en heeft zich het verschijnsel voorgedaan dat het nachtlichtje in de kamer (een gewoon olielichtje, dat op aanmerkelijke hoogte tegen den muur is geplaatst, zoodat de kinderen er onmogelijk bij kunnen komen), in den gang kwam aanzweven. Dit werd alleen door den controleur Versteegh waargenomen, omdat wij ten deele of nagenoeg geheel met den rug naar den gang waren gezeten.’
    Rond één uur vertrekken Lohman en Engelmayer. Bij het afscheid verzoekt de dokter om de twee belaagde kinderen, als zij daarmee instemmen, de volgende nacht bij hem te laten logeren. De kinderen willen wel, maar Jantje zegt dat hij bang is dat de dokter boos op hem zal worden als al zijn medicijnflessen tegen de vloer kapotvallen.
    Versteegh blijft achter om een ‘grogje’ te drinken. Even later loopt hij samen met Bischoff nog even naar de slaapkamer, waar mevrouw Bischoff de met glasscherven en gebroken eieren bezaaide vloer laat aanvegen, om haar een goedenacht te wensen. Terwijl ze daar nog even staan te praten, valt de porseleinen deksel van de ‘pot de chambre’ op de vloer, en vliegt een slof rakelings langs het gezicht van mevrouw Bischoff.
    De volgende avond haalt dokter Engelmayer Jantje en Betsy op voor de logeerpartij. De dokter bluft dat er bij hem wel niets zal gebeuren. Dit daagt Titi uit tegen Jantje en Betsy te zeggen: ‘je moet er maar niet over tobben; hoemeer er bij den dokter breekt, zooveel te beter; hij is toch rijk genoeg en bluft nu zoo, dat jullie bij hem niets kunnen uitrichten.’ De komende nacht zal de dokter lang heugen.
    Engelmayer heeft vooraf op een tafel bij hem thuis vijf gemerkte stenen gelegd, maar onder een punt van het tafelkleed zodat ze niet zichtbaar zijn. Hij en de kinderen zijn nog maar net binnen als een steen van de tafel opstijgt, door de lucht vliegt en rinkelend door een ruit slaat. Het is het begin van een enorme ravage. Bischoff schrijft: ‘Alles mede te deelen wat dien avond bij hem is geschied, zou mij te veel tijd kosten. Maar er zijn bij hem dertien ruiten gebroken; een waschstel, een pot de chambre en andere breekbare voorwerpen van mindere waarde werden aan stukken gegooid, terwijl een inktkoker en zware looden presse-papiers door de ramen zijn geslingerd en later weer in huis teruggekomen – het eene nog onmogelijker dan het andere. De dokter, die op een divan vlak voor ’t bed der beide kinderen lag, beweert tot tweemalen een golvende beweging van de matras van den divan te hebben waargenomen.’ Eindelijk, om vier uur ’s nachts vallen de kinderen in slaap.
    Dezelfde nacht dat Jantje en Betsy bij dokter Engelmayer logeren, blijft het in het huis van de familie Bischoff volledig rustig. Op de één of andere manier zijn het dus

24
Jantje, Betsy of beiden die de verschijnselen aantrekken. Dit wordt bevestigd door een bezoek, enkele dagen later, van Bischoff, Engelmayer en de twee kinderen aan de controleur Versteegh. Als zij ’s avonds arriveren, gaan Jantje en Betsy direct naar bed. De controleur heeft uit voorzorg het slaapvertrek van de kinderen ontdaan van alle breekbare spullen, maar ook die avond breken enkele ruiten doordat schoenen en sloffen naar buiten vliegen. Diverse voorwerpen vallen van de tafel op de grond. Het schutsel valt twee keer om.
    Niet verwonderlijk blijft mevrouw Bischoff onder dit alles niet onbewogen. Behalve de twee kinderen lijkt namelijk ook zij af en toe het mikpunt te zijn van bekogelingen en andere pesterij. Op een dag vliegt plotseling een bijbeltje of gezangboek dat op tafel lag naar haar hoofd. Een ander voorwerp landt in haar schoot. Op een nacht draaien al de

25
schroeven van haar ledikant los. Ze neemt zich dan voor met Jantje en Betsy enige tijd in Probolingo of Soerabaja te gaan verblijven. Niet los van die overweging zal staan dat zij op dat moment hoogzwanger is. Maar als de kinderen ondanks de verschijnselen vrolijk blijven, ‘ja het zelfs aardig’ beginnen te vinden, schikt zij zich in de situatie, hervindt haar kalmte en weet zich tot het einde flink te houden. Op 23 januari 1893 bevalt zij succesvol van een zoon, overigens niet in Sitoebondo, maar elders op een misschien veiliger plek, in Tjiandjoer.

Een masker van sirih
Enkele dagen na het bezoek aan Versteegh komt de geschiedenis in een nieuwe fase. Nu vallen ook overdag voorwerpen op de vloer, ‘voorwerpen van weinig waarde,’ voegt Bischoff er aan toe. Nu wordt Jantje met rust gelaten en is het alleen Betsy die door de verschijnselen wordt achtervolgd. Voor haar breekt een ware lijdensweg aan. Eerst, gedurende enkele dagen, wordt zij, waar zij ook is, bekogeld met water of modder in haar gezicht, zowel overdag als na zonsondergang. Daarna zijn het eieren waarmee naar haar wordt gegooid, op haar hoofd of kleren, maar zonder haar pijn te doen. Op één dag krijgt ze twintig eieren over haar heen. Als dit na enkele dagen ophoudt, krijgt ze boter op haar gezicht. Zoals Bischoff het vertelt, is deze episode misschien nog het meest raadselachtig. ‘Op zekeren avond was dat al een paar malen gebeurd; telkens hielp mijne vrouw haar de oogen uitwasschen en schreeuwde het kind het uit, omdat het ziltige in de oogen haar pijn deed. Toen, terwijl zij tusschen ons beiden stond, nadat hare oogen waren uitgewasschen en zij een schoon baadje zou aantrekken, kreeg zij opnieuw eene hoeveelheid boter in de oogen – niets dan zuivere boter. Ik heb haar daarop in mijne slaapkamer genomen en, terwijl zij reeds in bed lag, haar aangemaand op hare zijde te gaan liggen en dadelijk te gaan slapen. Enkele minuten later, terwijl ik naast haar in bed lag, gaf zij op eens een schreeuw en had zij weer boter in de oogen.’
    Na enkele dagen met boter te zijn besmeerd, is het vervolgens sirihspuug dat het meisje treft. ‘Eensklaps gaf zij een schreeuw en had dan een plakkaat op de oogen, zoo keurig en netjes als een maskertje, waarmede men naar een bal masqué gaat. Later ging dat masker over in ander vuil, en zelfs heeft zij meermalen en altijd op het voorhoofd en de oogen tot boven de neusgaten en in maskervorm drek op het gezicht gehad zoowel overdag als ’s nachts. Zij werd wel eens wakker met zulk vuil op de oogen.’ Dagenlang, twee-, drie- of viermaal daags, krijgt Betsy een maskertje van drek of uitgekauwde sirih op haar gezicht.
    Halverwege januari 1893 treedt er in de verschijnselen een pauze op. Maar als Bischoff voor enkele dagen naar Soerabaja gaat, breekt de pesterij weer in hevigheid los. Tijdens zijn afwezigheid breken voor het eerst ook bij hem in huis ruiten door rondvliegende voorwerpen, waaronder een etensbel. Tot dan was dit alleen bij Engelmayer en Versteegh gebeurd. Betsy is weer het mikpunt. De buurvrouw, mevrouw Feuerberg, [15] nodigt Betsy uit om enige dagen bij haar te komen logeren, omdat zij daar hopelijk wat rust zal zijn gegund van de voortdurende akeligheden. Maar het is daar nog erger dan bij Betsy thuis. Die nacht ‘is zij 31, zegge een en dertig malen nat gegooid, zoodat er bijna geen sarongs meer in huis waren om haar van droge kleeding te voorzien. Terwijl de gastvrouw haar in bed in de armen hield, werd zij toch nat gegooid en bleef de andere ongedeerd. En toen Betsy eindelijk zeer laat in den nacht in slaap viel en rustig sluimerde, kreeg zij bij haar in bed een champagneglas uit een gesloten glazenkast, een doosje pillen van de dochter des huizes uit een gesloten kleerkast, en een vierkante flesch jenever uit de

26
achtergalerij bij hare voeten.’ De aanwezigen waren er, volgens Bischoff, ‘zoo vol van, dat een ieder zei: nu ik dat alles gezien heb, acht ik niets meer onmogelijk en komen mij de wonderen, die de Bijbel vertelt, niet langer ongelooflijk voor.’
    Nadat Bischoff uit Soerabaja is teruggekeerd, nemen de verschijnselen in kracht en frequentie weer geleidelijk af. Soms leegt een karaf van de wastafel of een waterfles in de bedden, maar dat is alles relatief onschuldig. Betsy wordt steeds minder vaak geplaagd. Na veertien dagen is het volledig rustig geworden, zonder, zo benadrukt Bischoff, ‘dat in onze omgeving, hetzij van bedienden of wat ook, eenige verandering of wijziging was gekomen.’
    De hele geschiedenis is voor Bischoff volkomen mysterieus. Hij, noch één van de andere getuigen, kan een plausibele verklaring bedenken. De rijke dokter Engelmayer belooft vijfduizend gulden of meer te zullen betalen aan degene die hem een bevredigende uitleg kan geven. En ook van religieuze kant blijkt geen oplossing voorhanden. ‘Zelfs de orthodoxe heer de Savornin Lohman moest het antwoord schuldig blijven.’

Spookachtige hadji
De brief, waaruit het bovenstaande is ontleend, schreef Bischoff aan een vriend in reactie op een krantenartikel dat deze hem had gestuurd. Dat artikel is vermoedelijk afkomstig uit de krant Mataram van 20 april 1893, tien dagen voor Bischoff zijn brief opstelde. ‘Dat verhaaltje was blijkbaar niet van een ooggetuige en al te veel voor de pers gereed gemaakt onder den invloed van soortgelijke verhalen, zooals men meermalen op Java hoort,’ concludeert Elise van Calcar. Het merkwaardige is echter, dat het een aantal elementen aan het verhaal toevoegt, die Bischoff in zijn brief in het geheel niet noemt. Nadere beschouwing van Bischoffs brief maakt duidelijk dat hij alleen de feiten noemt, en dan alleen die feiten die hij zelf heeft kunnen vaststellen of die hij van betrouwbare volwassen Europese waarnemers heeft horen vertellen. Aan eigen theorieën waagt hij zich niet, behalve te vermelden dat ‘alles wat ten mijnent vroeger heeft plaats gehad en gedurende bijna twee maanden met korte tusschenpoozen is voorgevallen, door Spiritisten geheel [wordt] verklaard en aan geesten toegeschreven, en volgens hun inzicht zouden Jan en Betsy sterke mediums zijn.’

27
Eén van de feiten die Bischoff niet vermeldt is wat het artikel in Mataram noemt als mogelijke aanleiding voor de verschijnselen: dat de assistent-resident bevel had gegeven voor het omhakken van een waringinboom. Vele Javanen zouden hebben getracht hem hiervan af te houden. Een hadji, een uit Mekka teruggekeerde pelgrim, zou hem hebben gesmeekt de boom te laten staan. Waringinbomen worden op Java alom beschouwd als heilig, en als verblijfplaats van geesten. Ook het spiritistische tijdschrift Sphinx van A.J. Riko – een andere bekende Haagse spiritist – noemt het omhakken van een waringinboom als de opmaat voor de daaropvolgende verschijnselen. [16] En Willem Bosch jr. ziet in zijn brief in De Telegraaf eveneens de verschijnselen voortvloeien uit het omhakken van deze boom.
    Wat Bischoff ook niet beschrijft zijn de waarnemingen van de kinderen. Jantje zou volgens Mataram ‘voortdurend een hadjie met een kris op den rug en een zwarte hand’ zien. [17] A.J. Riko schrijft dat het jongetje de verschijnselen ziet ‘uitvoeren door een voor anderen onzichtbaren “man met een tulband”.’ [18] Volgens Willem Bosch jr. was het het dochtertje dat een hadji bezig zag: ‘ja, ook daar was een hadjie aan het werk, maar een hadjie, die alleen door het onbewuste medium, een dochtertje van genoemde resident, gezien werd, voor alle andere omstanders was hij, omdat hij een geest was, totaal onzichtbaar. Revolverkogels op aanwijzing van het dochtertje op hem afgeschoten ving hij, nadat zij zijn schijnbare borst doorboord hadden, weer op, en wierp ze met hoongelach de schutter toe.’ [19]
    Van alle mysterieuze voorvallen in Indië die als waar zijn beschreven, kon ik slechts twee vinden, waarin een spookachtige hadji optreedt. [20] Er is daarom een grote kans dat de hadji die in De stille kracht voorkomt aan de geschiedenis van Sitoebondo is ontleend. En er zijn meer overeenkomsten. In De stille kracht krijgt de hoofdpersoon Van Oudijck de positie aangeboden van resident van Batavia, maar hij ziet daar van af. Bischoff wordt op 3 maart 1898 daadwerkelijk gepromoveerd tot resident van Batavia. Net als in Sitoebondo is de arts in De stille kracht een Duitser. Dat is in Indië trouwens vaker het geval. En dan is er het feit dat de vrouw van Bischoff, net als de vrouw van Van Oudijck, Léonie, tenminste gedurende enige tijd het slachtoffer is van spookachtige belaging. Misschien heeft de oudste dochter Titi model gestaan voor Doddy, en haar verloofde Adrien van Cattenburch voor Addy (Adrien) de Luce, die in de roman Doddy het hof maakt. Ook het huwelijk van de heer en mevrouw Bischoff lijkt niet gelukkig te eindigen. Eind 1901 vertrekt het echtpaar met vier van de kinderen, onder wie de nu respectievelijk achttien- en eenentwintigjarige Jan en Betsy, naar Den Haag. [21] Echter, minder dan een jaar later keert mevrouw Bischoff alweer terug naar Batavia, haar echtgenoot achterlatend, maar met medeneming van haar dochters Betsy en Charlotte.

Collectieve referentie
Het zijn allemaal kleine op zichzelf onbeduidende aanwijzingen, maar die bij elkaar geveegd het vermoeden onderbouwen dat Couperus voor De stille kracht van deze geschiedenis heeft gebruik gemaakt. Dit vermoeden wordt nog versterkt – en dit is misschien het belangrijkste argument – door het feit dat Couperus waarschijnlijk over aanvullende informatie heeft kunnen beschikken. Toen Bischoff werd aangesteld tot resident van Batavia, werd hij de directe chef van de secretaris van Batavia, Adolf Glaudius Valette. [22] Deze Valette was een jongere broer van Couperus’ zwager Gerardus Johannes Petrus Valette. [23] Bij de laatste waren Couperus en zijn vrouw in 1899 geruime tijd te gast, zes jaar nadat het voorval bekendheid kreeg. Of Couperus Bischoff heeft ontmoet is niet duidelijk, maar door zijn familierelatie zeer wel mogelijk; hij zal daardoor in de gelegen-

28
heid zijn geweest de geschiedenis van Sitoebondo uit eerste hand te vernemen.
    Wat verder ook de overeenkomsten mogen zijn tussen het verhaal van De stille kracht en de geschiedenis van Sitoebondo, en of zij al of niet op toeval berusten: niets doet af aan Couperus’ eigen verbeeldingskracht. Maar het zijn deze elementen die Nederlanders met Indische ervaring herkennen en die De stille kracht hebben gemaakt tot een collectieve referentie: de weelderigheid van de natuur en de overdaad aan luxe, de ruimte, de warmte, het licht aan de ene kant. En aan de andere kant de nachtzijde: de voor de Nederlanders ondoordringbare blik van de Javanen, de ondoorgrondelijkheid van hun gedachten, de raadselachtigheid van hun mystieke geloof, en de schijnbare onverklaarbaarheid van sommige verschijnselen. Een Indische Nederlander schrijft in 1916: ‘Eeuwen lang kende de Nederlandsche taal geen bepaalde uitdrukking om het aan te duiden of te betitelen. Pas in den jare 1900 had de bekende schrijver Louis Couperus de genialiteit om ervoor te bedenken den volmaakt passenden, den alleszeggenden naam van De stille kracht.’ [24]

Noten
1. Nico Dros, ‘Het angstzweet der kolonialen. De stille kracht en de idee van macht in de Javaanse cultuur.’ In: Tirade 46 (2002), nr. 394, p.179. Andere bronnen die hetzelfde beweren zijn: Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1989, p.234-235; Rob Nieuwenhuys. In: Het vaderland 1963, 11 juni, p. 5; Marion Valent, ‘Over “De stille kracht” van Louis Couperus.’ In: Literatuur 1 (1984), nr.4, p.204.
2. Louis Couperus, ‘De badkamer.’In: Haagsche Post 4 (1917), nr. 160 (20 januari), p.62. Opgenomen in Louis Couperus, Ongebundeld werk. Volledige werken Louis Couperus, deel 49, p.273-275.
3. Hoewel Ten Brink het boek roemt als ‘den besten Nederlandschen roman over het leven der Nederlanders in onze Oost, die sedert 1850 is geschreven,’ veroordeelt hij de behandeling van de spiritistische elementen die erin voorkomen. Wat hem bovendien stoort, is dat Couperus niet alleen verzuimt het geloof aan bovenaardse verschijnselen te veroordelen, maar zelfs de argumenten daarvoor aandraagt. Die verschijnselen, erkent Ten Brink, zijn weliswaar daadwerkelijk waargenomen, maar ook, zo beweert hij, uiteindelijk niet anders dan bedrog gebleken. Jan ten Brink, in: De Telegraaf 1900, 8 december.
4. Brief van M.F.C. (Mimi) Hamminck Schepel aan Carel Vosmaer, waarschijnlijk eind februari 1877. In: Multatuli, Volledig Werk, deel XVIII, p.643.
5. Couperus stuurde die brief in antwoord op een brief van Elise van Calcar, waarin zij vol bewondering is voor zijn Kleine raadsels. Zij was toen al 71, had een groot aantal romans op haar naam staan, en werd gerekend tot één van de belangrijkste Nederlandse schrijfsters. Couperus zal door haar brief aangenaam verrast zijn geweest. Hij schreef terug: ‘Mijn “Kleine Raadsels” zijn maar heele kleine raadseltjes: in werken als de uwe en b.v. in de “Annales Psychiques” komen zeker veel interessanter mededelingen voor.’ Geciteerd in Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.158.
6. Elise van Calcar gaf vijf jaar later, in 1897, toe Louis Couperus te lezen, hoewel ze in de literatuur van destijds weinig zag dat zich kon meten met de door haar bewonderde schrijvers als Vondel, Bilderdijk en Da Costa: ‘Toch lees ik zelfs Louis Couperus. ’t Is een mooi talent, maar een ware weekeling; ik zou zoo graag een krachtig geraamte willen zetten in dat slappe lichaam.’ Geciteerd in M.J. Brusse, ‘Elise van Calcar. Bij haar 75sten verjaardag.’ In: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. Verzameling van Nederlandsche letterkundige kunstwerken geïllustreerd door Nederlandsche kunstenaars, Deel XIV, juli-december 1897. Amsterdam, p.526.

29
7. Elise van Calcar, ‘Een geval van steenen werpen en andere tastbare bewijzen van het vermogen van onzichtbare wezens.’ In: Op de grenzen van twee werelden 1896, p.187-196.
8. Het Toekomstig Leven 1897, nr 9.
9. Aldus Van Calcar (zie noot 7); in elk geval in Mataram, Nieuws- en Advertentieblad van Djokja en Omstreken 17 (1893), nr.32 (20 april), en in Bataviaasch Nieuwsblad 8 (1893), nr.119 (24 april).
10. Elisabeth Lucia van Rijck (1851-1939).
11. Adrien Charles Guillaume van Cattenburch (1861-1924), bibitplanter te Malang.
12. Dr. Placidus Engelmayer (?-1938), sinds 1886 plaatselijk geneesheer te Panaroekan.
13. Jean Paul Ernest Versteegh, destijds controleur der tweede klasse.
14. Jhr. mr. Maurits Adriaan de Savornin Lohman (1832-1899), gouverneur-generaal van Suriname (1889-1891).
15. Echtgenote van George Henri Feuerberg.
16. A.J. Riko. In: Sphinx 1 (1893).
17. Mataram, zie noot 9.
18. A.J. Riko, zie noot 16.
19. W. Bosch. In: De Telegraaf 1900, 21 december.
20. In het andere geval, een stenenregen op Buitenzorg in 1897, wordt het spook beschreven als ‘een ouden Arabier met langen witten baard en puntige knevels.’ Brief aan het Nieuw Bataviaasch Handelsblad, opgenomen in de Sumatra Courant 1898, 25 juli. Overgenomen in het tijdschrift Het Toekomstig Leven 2 (1898), p.323-324.
21. Dit blijkt uit het Haags Gemeentearchief. Uit Batavia arriveren op 17 november 1901 vader Jan Jacob Bischoff, moeder Elisabeth Lucia van Rijck en hun kinderen Elisabeth Lucia, Jan Jacob, Wilhelmina Helena Paulina Maria en Charlotte Elisabeth.
22. Adolf Glaudius Valette bekleedde deze functie sinds 4 april 1892.
23. Hetwelk blijkt uit de familiepapieren in het dossier Valette in het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. G.J.P. Valette was vanaf 10 augustus 1899 resident van Pasoeroean. Hij was de echtgenoot van Couperus’ oudere zuster Geertruida Johanna, en stond ook bekend onder zijn verfranste naam Gérard de la Valette.
24. Creusesol (pseudoniem van I.P.C. Graafland), Bestaat De stille kracht? Semarang, Soerabaia, ’s Gravenhage, 1916.

(Uit: Arabesken 12 (2004), nr.23, p.20-29.)