Couperus als sportliefhebber
‘Ware ik slechts voetbalspeler,
ware ik slechts bij Feyenoord’
![]() |
De jonge Couperus moest niet veel van sport hebben, maar uit het journalistieke werk van de oudere Couperus blijkt dat hij wel degelijk op de hoogte was van het snel aan populariteit winnende voetbalspel. Bovendien deed de auteur op latere leeftijd zelf aan sport: kamergymnastiek, worstelen en boksen. Deze laatste bezigheid bracht hem in contact met de heer Toepoel, die in Den Haag een Bokszaal exploiteerde. Wie was deze Toepoel en wat trok Couperus aan in diens ‘Modelschool voor harmonische lichaamsontwikkeling en zelfverdediging’?
Door Maarten Klein
In de zestig jaar dat Couperus op deze aardbol rondzwierf, werd het in de betere kringen steeds gebruikelijker om iets aan sport te doen. Tennis, wielrennen, voetballen, kortom alle sporten die in onze tijd miljoenen mensen aan de buis kluisteren, werden in Couperus’ tijd immens populair bij degenen die tijd en geld hadden om iets aan lichamelijke oefening te doen. Sporen daarvan vinden we in Couperus’ romans terug: in Eline Vere wordt op de Horze gewandeld, gezwommen en gecricket, Elly Takma wordt in Van oude menschen een tennis-ster, zij het kortstondig, Henri van der Welcke en zijn zoon Addy pakken graag hun ‘wiel’ en fietsen dan als heuse wielrenners kromgebogen over het stuur Den Haag uit, en Gerrit van Lowe onderhoudt zijn lichaam door oefeningen met halters. Maar veel is het niet: de meeste romanfiguren doen niets6
aan sport en men krijgt de indruk dat sport voor de
jongere Couperus niet veel betekende.
Zijn broer John Ricus Couperus jr. bevestigt dat.
Louis Couperus en zijn vader, schrijft hij aan Henri
van Booven, hadden beiden een hartgrondige hekel
aan algebra en scheikunde, maar in tegenstelling
tot Louis ‘voelde mijn vader veel voor sport van dien
tijd: zwemmen, schermen, paardrijden, voetreizen
en dergelijke. Louis (...) heeft daarvoor nooit iets
gevoeld. De sportchromosoom is dus niet van den
vader op den jongsten zoon overgeplant. Kaartspel,
schaken, billardspel, waren allen voor Louis nuttelooze
inspanningen van lichaam of geest, waardoor hij zich
niet voelde aangetrokken....’ [1]
Wie het journalistieke werk van de
oudere Couperus
leest, krijgt een heel ander beeld van zijn belangstelling
voor sport. In zijn twaalfde ‘Intieme impressie’,
gepubliceerd op 6 mei 1923 in Het Vaderland, dus vlak
voor zijn dood, vertelt hij zijn lezers dat hij ongelooflijk
jaloers is op al die voetballers die in de kranten zoveel
aandacht krijgen. Voor hem als letterkundige tonen de journalisten en critici heel wat
minder belangstelling! In zijn eigen woorden:
Wie dat dan zijn, over wie zoo veel geschreven wordt en van wie ik heftig jaloersch ben? Wel, ik beken het u eerlijk, in de hoop, dat uwe sympathie o lezer, mij troosten zal! Ik, auteur, ben jaloersch van iederen voetbalspeler, van elken goeden voetbalspeler, maar ook van iederen minderwaardige, ja van iederen slechte.
Nu is het gezegd, nu is het niet langer in de bitterheid van dit te kort gedane gemoed verzwegen; nu kan ik er over uitweiden. O jaren reeds heb ik in stilte geleden, dat er zóo weinig over mij geschreven werd in de dagbladen; nu is de maat overvol; ik kòn mijn leed niet meer in mij houden, het verstikte mij, het griefde mij en nu, ik beken het u, nu schud ik, razend van ijverzuchtige woede, mijne gebalde vuisten en snik en hik: ware ik slechts een voetbalspeler, ware ik slechts bij Feyenoord, bij Go-Ahead, bij RCH, bij ADO of VUC, of ware ik slechts bij Quick. [2]
Couperus kent niet alleen de namen van roemruchte voetbalclubs, maar blijkt ook goed op de hoogte van de voetbalregels en -terminologie. Doelpunt, hoekschop, voorhoede, middenlinie, goal, free-kick, strafschop: de Haagse schrijver lijkt het spelletje heel aardig te kennen, en constateert
7
terecht dat het ‘kopwerk’ van een romancier heel anders is dan dat van een voetballer.
Ook noemt hij de namen van enkele topvoetballers uit zijn tijd: Jan de Boer (doelman
van Ajax, geboren in 1896, gestorven in 1988), Harry Dénis (rechtsback van HBS, 1896-
1971), Jan Oosthoek (middenvelder bij Sparta, 1898-1973), Dick Sigmond (linksbuiten
van DFC, 1897-1950), Ber Groosjohan (rechtsbuiten van VOC, 1897-1971), Jan Jole
(linkshalf van Willem II, 1890-1953), Eb van der Kluft (linksback van Blauw-Wit, 1889-
1970). Al deze vergane voetbalgrootheden hebben in het Nederlandse Elftal gespeeld,
wat gemakkelijk via Google of een ander zoekprogramma te achterhalen is (bijvoorbeeld
op websites als
www.knvb.nl of
www.voetbalstats.nl).
Wie Het Vaderland of andere kranten uit de jaren rond 1920 doorbladert, kan Couperus
alleen maar gelijkgeven: wat een papier en drukinkt werd er ook al in die tijd besteed
aan Koning Voetbal! Zo beslaat het verslag in Het Vaderland van de voetbalwedstrijd
Nederland-België van 29 april 1923, waarin zes van de zeven door hem genoemde
spelers acte de présence gaven, maar liefst tweederde pagina.
8
Couperus’ twaalfde ‘Intieme impressie’ is een stukje vol gespeelde jaloezie. ‘Als een
boek van mijn pen wordt besproken door Henri Borel, Frits Lapidoth, Johan de Meester
of Is. Querido, is dat in anderhalve kolom gedaan. Is dat nu rechtvaardig en genoèg?’
Hij heeft er een jaar op zitten blokken, heeft zijn stof in hoofdstukken ingedeeld, heeft
duizenden mooie zinnen geschreven en de mooiste woorden gezocht, heeft kwistig met
punten, komma’s en puntkomma’s gestrooid, en dan komt er een collega-schrijver, die
beweert dat het boek mooi is of even mooi als het voorafgaande werk, of minder mooi.
De recensent haalt anderhalve pagina aan en spreekt de wens uit dat het volgende werk
even succesvol of liefst nóg succesvoller moge zijn, en klaar zijn Henri, Frits, Johan of
Israël weer.
En dan is het uit. Daar ligt mijn nieuwe roman. Niemand schrijft er meer over. Ach, ach, ach, niemand heeft meer oog daarna voor de hoofdstukken, voor de zinnen, voor de komma’s, en punten en aanhalingsteekens.
Het is om tureluursch te worden. O, ware ik slechts voetbalspeler, roodbroek of blauwhemd, in voorhoede of middenlinie! Zijn mijne hoofdstukken dan, ten minste als ik in vorm ben wanneer ik ga schrijven, niet te vergelijken met een bal in goede pozitie? Sta ik dan niet op het hoogtepunt van mijn romantisch werk, dus zoo ongeveer op bladzijde 150 of bladzijde 200, als ge liever wilt, gelijk de middelmoot van de voorhoede? Doe ik niet aan behoorlijke doelverdediging wanneer ik ijverig en vól energie voortga met mijn verhaal?
Het is duidelijk: Couperus voelt zich als romancier behoorlijk tekortgedaan. Maar óók is
duidelijk, dat hij zich een behoorlijke kennis heeft verworven van de voetbalsport. Waar
hij die kennis vandaan heeft gehaald – alleen uit wedstrijdverslagen in de kranten of ook
door het bezoeken van voetbalwedstrijden – is moeilijk te beoordelen, laat staan of hij
deze tak van sport écht leuk vond.
Hoe anders is dat met de sporten die hij in zijn derde ‘Intieme impressie’ behandelt:
boksen en worstelen.
Toepoel’s Modelschool
Het is wederom Henri van Booven die ons in zijn biografie erop gewezen heeft dat
de oudere Couperus werkelijk van sport hield en er zelf ook aan deed: ‘Hij die alle
lichaamsoefening verfoeid had, begon in oorlogstijd met halters kamergymnastiek
te maken.’ [3] Couperus’ sportliefde blijkt vooral uit zijn derde ‘Intieme impressie’
(Het Vaderland, 11 februari 1923), handelend over worstelen en boksen, twee
verdedigingssporten die Couperus na aan het hart gelegen hebben en waar hij met
een zekere deskundigheid over weet te schrijven. Hij deelt ons mee een bezoek te
hebben gebracht aan de Bokszaal van de heer Toepoel in de Johannes Camphuysstraat
165/167 te Den Haag (voor de volledigheid: het telefoonnummer was 772252).
Wie was deze P. M.C. Toepoel? Hij was directeur van ‘Toepoel’s Modelschool voor
harmonische lichaamsontwikkeling en zelfverdediging’ te Den Haag, waarvan de naam
later veranderd is in Toepoel-Stips’ Modelschool. [4] Op 24 februari 1931 publiceerde
Joris van den Bergh een zeer informatief stukje over hem in het dagblad Het Vaderland
(zie hieronder).
9
Naar aanleiding van een vierde lustrum
Een gezonde school met een typisch Haagsch cachet
Heyermans heeft in een van zijn Falklandjes gezegd, dat een muzikant hem aan luchtjes van roode kool en boenwas, enfin aan klein-burgerlijke binnenhuisluchtjes deed denken. Maar als je zoo ’s onder je kennissen vraagt: ‘zeg.... e.... als jelui het woord boksleeraar ziet staan, waar denk je dan aan,’ dan komen daar geurtjes bij te pas uit volkskroegjes.
Zoo is het publiek nu eenmaal.
Omdat het wel eens zoo is, neemt het aan, dat het altijd zoo is.
Bij het woord professor denkt het publiek altijd aan ’n razend knappe kerel, en bij het woord tooneelspeler denkt het aan iemand die met een rekening in de eene hand zich met de andere wanhopig achter ’t oor krabt, terwijl er toch even goed acteurs zijn die een benijdenswaardig banksaldo hebben loopen. Door dat gegeneraliseer vergist het publiek zich telkenmale en ik zal nu eens laten zien hoe het zich ten aanzien van den boksleeraar vergist.
Daar heb je bijvoorbeeld mijn ouwe brave vriend P.M.C. Toepoel. Dat is een doodgewone boksleeraar, een man die je leert ’n mep te ontwijken en een mep uit te deelen. Wanneer je nu dat kunstje wilt leeren, en je naar dien man toe gaat, dan verwacht je een biefstuk op beenen te zien, met ’n kop als 'n grimmige puckhond waar 'n helsche lust op afgegraveerd staat om je 'n knock out te verkoopen. En als zijn mond open gaat, verwacht je het geluid van ’n vollen treffer.
Je gaat naar de Johannes Camphuysstraat, zoekt naar nummer 199 [5], je ziet dat je terecht bent, want er zit ’n plaatje ‘Toepoels modelschool’ aan de deur, je drukt op het knopje van de electrische schel.... en nee.... daar staat voor je een heelemaal niet robuuste en een heelemaal niet groote man, met den schedel van een geleerde, met goedige, gevoelige oogen die beslooten liggen tusschen twee scherphoekige geestige lijnen en die je welkom heet met een zachte beschaafde stem, ieder woord zorgvuldig articuleerend.
Er staat voor je een geboren gentleman, een man van beschaving en ontwikkeling, een man met een brave inborst, gevoelig als een kind.
Hoe is die man, die capaciteiten te over heeft, om zich eene maatschappelijke positie te verwerven, welke zich verre verheft boven die van boksleeraar, tot het kiezen van dit overigens zeer eerzame beroep gekomen?
Ik ken Toepoel langer dan dertig jaar, ik ken hem goed, en ik kan het u dus zeggen.
Toepoel is van huis uit een peinzer en een strijder, hij peinsde over de wereldinrichting en over sociaal-economische problemen, en zijn strijdersnatuur bracht mede, dat hij het niet bij gefilosofeer en papieren beschouwingen liet. Hij wilde – als jonge gevoelige kerel hartstochtelijk bewogen – daadwerkelijk medestrijden. Hij – de idealist – trad uit den werkkring, welke hem welstand en luxe verschafte en hij liet zich verstrikken in het avontuur van Frederik van Eeden: de kolonie Walden.
Ik weet niet meer wie het was, maar er heeft er een gezongen:
Wie in zijn jeugd geen dwaasheid deed
Wordt nimmer recht verstandig.[6]
De dwaasheid van zijn jeugdjaren heeft Toepoel ingezien, maar zooveel idealist is hij toch gebleven, dat hij als leeraar in physical culture liever werkzaam is in het directe persoonlijk belang van menschen, die naar gezondheid en behoud van gezondheid streven, dan terug te keeren naar zijn werkzaamheid van voorheen.* * *
In 1881 is hij geboren. Hij liep de H.B.S. af en de Handelsschool en vond eene positie in het Bankwezen. En op een groot Amsterdamsch Effectenkantoor werd hij procuratiehouder en aanstaand deelgenoot. Een zijden bed stond voor hem klaar. Hij kon er zich zoo maar in laten glijden.
Doch wat spreken welstand en weelde tot een jong gevoelig idealistisch gemoed, tot een artistieke mediteerende natuur, tot iemand die fel is in zijn sympathieën en nog feller in zijn antipathieën, tot een dichterlijken dromer, die bij het opengaan van het eerste madeliefje van ontroering beeft.
Wat zeggen deze dingen tot een jongeman, die bij het hoopvol zoeken en tasten, naar Confucius, Nietzsche en Hegel grijpt, die Annie Besant [7] door werkt en Tolstoi, die een artistieke bevrediging zoekt bij Kloos, ja: bij den Kloos van dertig jaar geleden vooral, bij Gorter, van Eeden, van Looy. Die te midden van de Gooische schilders verkeert en bij de schilderkunst troost zoekt in de ateliers van Van Bever en Herman Gouwe. [8]
Hij was een geestelijk zwerver, een zoeker.
Maar toen reeds was het bij hem: werken aan den geest, maar ook werken aan het lichaam.
Hij bokste bij Placké. [9] Trainde voor en na kantoortijd en werd in 1902 kampioen van Nederland in het lichtmidden gewicht en in 1903 in het middengewicht.
En toen was het dat de idealist het idealisme in de praktijk op ontgoochelende wijze leerde kennen: Walden.
En na de mislukking van Walden toog hij naar Engeland en nam hij daar les in boksen en in lichamelijke ontwikkeling bij Frank Craig, [10] prof. Newton, [11] Madden, [12] Mainquet, [13] Berger, [14] Willie Lewis, [15] Régnier, [16] Joe Jeanette [17] e.a.
Maar meteen las hij de groote Engelsche dichters en de groote Engelsche schrijvers en denkers, ontwikkelde hij zijn journalis-
10
tieken aanleg door voor tal van Nederlandsche bladen en periodieken wijsgeerig getinte artikelen te schrijven en legde hij de hand aan eenige boeken en boekjes o.m. Het Boksen (Nijgh en Van Ditmar), Hoe versterk ik mijn lichaam, Het origineele JuJitsu, en Knotszwaaien en balstooten (alle bij J.F. v.d. Ven te Baarn).
En toen, 3 Maart 1911 (dus 3 Maart a.s. is de dag van zijn 20-jarig jubileum) opende hij te ’s-Gravenhage ‘Toepoels modelschool’, de inrichting die een typisch Haagsch cachet zou krijgen.
Ik heb iets van den persoon verteld omdat de aard van dezen persoon samenhangt met den aard van zijn cliëntèle.
Denk niet aan bokswedstrijden.
Hier hebt ge met sanitary-boxing en met lichaamsontwikkeling louter ter wille van de gezondheid te doen.
En gij weet niet hoevelen en wie het boksen beoefenen, want ge hebt er nooit van in de courant gelezen.
Het boksen is niet dood. Het leeft. Het leeft zooals het schaken, waarvan de leefkracht niet tot uiting komt in de enkele openbare wedstrijden, doch dat leeft: binnenshuis, achter de gesloten deur.
Als man van beschaving, als man van meer dan alledaagsche ontwikkeling, als man van ‘wetenschap’, past hem den omgang met menschen van beschaving, met menschen van ontwikkeling en van geestlijke en maatschappelijke standing. En door zijn zaal hebben dan ook de stemmen geklonken – en klinken zij nog – van vooraanstaanden in de wereld op velerlei gebied. En zij hebben geklonken in tal van talen.
Ik heb hier voor mij liggen Engelsche brieven uit Belgrado, uit Beiroet, uit Rotterdam en Amerika van het corps diplomatique waarin aan Toepoel wordt geschreven hoezeer zijn lessen den briefschrijver zijn te stade gekomen, brieven die niet stijf officieel, doch vriendschappelijk zijn gesteld. Ik heb hier voor mij liggen brieven van jonge en oudere Nederlanders uit Australië, Ned.-Indië en Zuid-Amerika, die getuigen dat zij hun corpus, dank zij o.m. het werken bij Toepoel, met opgewektheid door het moeilijke leven dragen.
En bokste bij hem niet de zoon van Graham, den Engelschen gezant; de zoon van Rev. Bevan, den Engelschen dominé? Bokst bij hem op het oogenblik nog niet een bekend Nederlandsch predikant? Bokste er niet de zoon van den 1en secretaris van het Amerikaansch gezantschap, Norweb?; bokste er ook niet de 1en secretaris Norman Armour zelf en de consul Groth? Was niet een van zijn leerlingen de Roemeensche prins Alex Cantucuzène en de Fransche baron d’Honimethun? Ik kon doorgaan.
Van de ministers Colijn en Idenburg werden de zoons leerling, zoo goed als dit werden de oud-ministers Kan, jhr. mr. C. Feith en zoovele anderen. Doktoren, ingenieurs, advocaten, ambtenaren, luitenants en kapiteins, figuren uit de wereld van handel en industrie, alle faculteiten, tot astronomen toe, hebben zijn leerlingen opgeleverd. Daisy Walker (Lilly Green) en andere danseressen hebben zijn school doorloopen en van de sportlui waren het o.m. mr. Diemer Kool, [18] jhr. Bosch van Drakestein, [19] mr. Loke, [20] Boutmy, [21] Luyke Roskot, [22] Peny Maier, [23] Van Romondt, [24] majoor Kool. [25]
En was het niet Louis Couperus die zich tot Toepoel wendde en die door Toepoel werd afgebracht van het zwaar halteren (hoevelen weten dat de groote letterkundige deezen vorm van athletiek beoefende?) en overging tot lichter werk. Een van de kostelijke litteraire opstellen die Louis Couperus in Het Vaderland heeft geschreven, is dat niet ontstaan in de zaal van Toepoel, waar hij Toepoels herdershond Brinio heeft leeren kennen?
Toepoel is leeraar geworden aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding te Amsterdam voor opleiding tot leeraar M.O. Lichaamsoefeningen, welk instituut is ingesteld door de Ned. Ver. tot Inrichting van een Wetenschappelijk Centrum voor Lichamelijke Opvoeding, en, wat typerend is, onder zijn zaalleerlingen telt hij verscheidene zoontjes van medici.
Ook vele meisjes en vrouwen volgen zijn lessen, zijne methodelooze methode.
Vroeger vroegen de dames les onder het motto: zelfverdediging. Er was toen zelfs een lang niet sidderaal-achtige dame, die begeerde enige kilo’s zwaarder te worden.
Daarna volgde een periode dat de dames in Toepoels zaal kwamen werken om magerder te worden.
De periode is gevolgd door een, waarin ‘lenigheid’ de drijfveer was.
En thans is het weer de zelfverdediging welke haar de zaal doet bezoeken.* * *
Zoo even had ik het over den herdershond Brinio, waarover Couperus schreef, zooals hij ook, zoowel in Het Vaderland als in de Haagsche Post heeft geschreven, over het boksen en de school van Toepoel.
Toepoel met zijn warm, menschlievend hart, heeft een nog veel gevoeliger hart voor dieren. Het leed aan een dier veroorzaakt, voelt hij nog heviger dan dat het hem zelf ware toegebracht. En daar, ja! op het gebied der dierenbescherming, daar ligt toch wel het eigenlijke levenswerk van Toepoel. Wat heeft hij er voor gestreden, voor opgeofferd. Tal van bladen hebben zijn strijdartikelen ter bescherming van het dier onder bijval opgenomen, doch het zijn vooral zijn artikelen in Het Vaderland geweest, welke den stoot hebben gegeven tot de totstandkoming (in 1927) van de Vereeniging voor Wettelijke Dierenbescherming. Zonder onderscheid van politieke kleur maakt deze vereeniging bij verkiezingen voor Tweede Kamer en Gemeenteraad propaganda voor candidaten, die zich als dierenvrienden hebben doen kennen. Bij de verkiezingen van 1929 kwamen 30 (dertig) van ‘de Wettelijke’ in de Tweede Kamer. En nu hoopt men binnenkort een dierenbeschermende Kamerfractie te vormen, zoowel in de Eerste als in de Tweede Kamer, over alle politieke geschillen heen.
Want, zegt Toepoel, het beschermen der dieren toch is een werk van ethiek en beschaving, dat buiten alle partijverschil kan blijven.
En als dat nu bereikt wordt, dat er zulk een fractie komt, die heilzaam werkt, waardoor dus het dier veel leed bespaard wordt, dan kan Toepoel aan het eind zijner strijdvolle dagen gekomen, zijn hoofd rustig neerleggen en zeggen: ‘Goddank! Ik heb toch niet voor niets geleefd!’
11
Naakt en buitenshuis
Als publicist had Toepoel een lief succes met zijn boekje Knotszwaaien en Balstooten.
Twee uitstekende middelen ter verkrijging van grootere gezondheid en schoonere lichaamsvormen.
[26] Uit de ondertitel wordt al duidelijk dat sport voor Toepoel in de eerste plaats
schoonheid en gezondheid moest dienen. ‘Na korten tijd oefenen reeds ziet Gij Uw lichaam
schooner worden’, schrijft hij in de inleiding en ‘Als verder niet onbelangrijk gevolg geniet
Gij de bekende voordeelen van alle goede oefeningen: betere gelaatskleur, gezonden slaap,
goede eetlust, krachtiger blik en als indirect gevolg: Gij verkrijgt grootere energie.’
Het knotszwaaien dient ‘naakt en buitenshuis’ beoefend te worden. ‘Naakt en dan
voor ’n spiegel is zéér, zéér wenschelijk. Gij moet Uzelf zien werken en naakt zien werken
om Uw lichaam te begrijpen en lief te krijgen’, gaat de schrijver verder, die een alinea
verder ten behoeve van zijn kuisere lezers en lezeressen toch enigszins water bij de wijn
doet: ‘Wil men niet naakt oefenen, dan trekke men toch ten minste zoo weinig mogelijk
kleeren en in geen geval schoeisel aan of, om uit te gaan van den gekleeden mensch – we
zijn ’t ontwend de naaktheid als norm te beschouwen! – ontdoe U van alle Uwe kleeren
en van Uw schoeisel, blijf zoo of wilt Ge iets aanhebben, trek dan ’n broekje en desnoods
’n hemd of trui aan.’ Kennelijk kon de uitgever geen illustrator vinden met dezelfde
nudistische idealen als die van Toepoel, want de vele afbeeldingen in Knotszwaaien en
Balstooten tonen ons alleen heren en dames in kleding én met schoenen aan!
Van paspop tot Vrouw
Ook als het om boksen gaat, koestert Toepoel de
idealen van schoonheid en gezondheid. Boksen
is ‘een heerlijke, schoone, nobele sport, de dans
der manlijke kracht, 'n ongelooflijk snel en zeker
overgaan van de eene aesthetische en krachtige
houding in de andere’ schrijft hij in het hoofdstuk
‘Waarom boksen?’ in zijn boekje Het Boksen,
waarvan de eerste druk verscheen in 1912. [27] En hij
raadt de lezer aan: ‘Boks zelf: Gij wordt er gezonder
op, omdat het spijsvertering, bloedsomloop,
ademhaling verbetert en rheumatische aandoeningen
en corpulentie op de vlucht jaagt, algemeene zwakte
herstelt, door afleiding uw zenuwen kalmeert en
U dus rust geeft bij inspannend zakenleven.’
En niet alleen mannen, maar ook vrouwen
moeten de sport gaan beoefenen: ‘Bokst vrouwen! Zéér voorzichtig en nooit anders dan
met een ervaren instructeur, opdat ook de geringste kneuzing voorkomen worde, maar
b o k s t. Bokst, om in kleerenverwarring en overheersching van wansmaak Uw gezond en
schoon lichaam te behouden of gezondheid te veroveren, om u te gewennen U met gratie
te bewegen, Uw gelaats- en lichaamskleur, Uw haargroei en blik te verbeteren. Boksen
verdrijft Uw bloedarmoede, Uw stofwisselingsziekten, Uw nervositeit en hoofdpijn, het
verbetert Uw vormen, Uw buste en Uw humeur. ’t Maakt de dame van paspop tot Vrouw.’
Kennismaking bij Het Vaderland?
Wanneer heeft Couperus deze propagandist van de bokssport, die hij in zijn tiende
‘Intieme Impressie’ (Het Vaderland, 15 april 1923) enigszins amicaal ‘mijn gymnastisch
12
en kinologisch advizeur’ noemt, leren kennen? Daarover komen we
meer te weten door de reisverslagen die de Haagse auteur schreef
voor de Haagsche Post en die in 1921 gebundeld zijn in zijn boek
Met Louis Couperus in Afrika. In zijn zeventiende bijdrage, getiteld
‘Carpentier in Algiers’, die in de Haagsche Post gepubliceerd werd
op 30 april 1921, vertelt hij dat hij de destijds beroemde bokser
Georges Carpentier een demonstratiepartij heeft zien geven in
Algiers. Zijn tegenstander is de Belg Leenaerts.
Het lot wilde dat Couperus in Algiers even daarvoor van Toepoel een exemplaar van (de tweede druk van) zijn boek Het Boksen toegestuurd kreeg, dat hij, naar eigen zeggen, drie dagen lang bestudeerd heeft. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat Toepoel een exemplaar naar een voor hem wildvreemde schrijver zou sturen. Blijkbaar kenden Toepoel en Couperus elkaar al zo goed, dat de eerstgenoemde er niets vreemds in zag om de grote schrijver de nieuwe uitgave van zijn handboek Het Boksen (1920) toe te sturen. De kennismaking kan plaatsgevonden hebben op de burelen van het dagblad Het Vaderland, de krant waarvoor Couperus feuilletons schreef en waarin Toepoel vanaf 20 februari 1920 regelmatig stukjes schreef over boksen.Het was ongelooflijk. Het was een fenomeen. Gedurende telkens drie minuten lange rounds hagelen, regenen, donderen de snelle, nooit-falende slagen en stooten op Leenaerts’ tors en kop zonder dat de partenaire eigenlijk iets terug kan doen dan onhandig de vuisten gebald uitsteken. Als de steady boy met succes uitstoot, schijnt het, dat de elegante, slanke, jonge man, die wel eens wat aan sport schijnt te doen – Carpentier – dat wel toelaat. Ja, dit is zeer zeker, ‘the noble art of selfdefence’, opgevoerd tot een fenomenale hoogte. Er moet een geheimzinnige kracht schuilen in dit gelukskind. Hij staat daar als een antieke held, dien de goden omringen. Niet meer dan een half uurtje mocht ik Carpentier zich zien ‘exhibeeren’. Het was ongelooflijk. Het was fenomenaal.
| Noten |
| 1. | Henri van Booven, Leven en werken van Louis Couperus. Velsen, 1933, p.27-28. |
| 2. | Louis Couperus, ‘Intieme impressies XII’. In: Ongebundeld werk. Volledige Werken Louis Couperus, deel 49, p.634. |
| 3. | Van Booven, p.25. |
| 4. | Voor het volledige adres, het telefoonnummer en de nieuwe naam van Toepoels school zie P.M.C. Toepoel, Weerbaar. Handleiding voor zelfverdediging. Amsterdam, 1935. |
| 5. | Dit huisnummer komt niet overeen met het nummer dat vermeld staat in Weerbaar. Zie noot 4. Mogelijk heeft er na 1931 een vernummering plaatsgevonden. |
| 6. | Joris van den Bergh citeert hier P. A. de Génestet niet helemaal correct. De regels luiden: Die nimmer dwaas was in zijn jeugd, wordt nimmer recht verstandig. De regels zijn afkomstig uit het gedicht ‘Een liedje aan een jong student’. |
| 7. | Annie Besant (1847-1933) was onder meer presidente van de Theosophical Society en schrijfster van menig boek en artikel op het gebied van de theosofie. Zie www.nl.wikipedia.org/wiki/Annie_Besant. |
| 8. | De schilder Herman Gouwe is in 1875 geboren te Alkmaar en gestorven op Tahiti in 1965. De schilder Van Bever is mij onbekend. |
| 9. | Henry J.J. Placké, een Britse bokser, die zich in 1897 te Amsterdam vestigde. Zie P.M.C. Toepoel, Het boksen. Rotterdam, z.j. [1912]. Bij de foto van Placké is vermeld: ‘Henry J.J. Placké, die ’t methodisch boksen hier invoerde. Naar een photo genomen voor zijne partij met Fisher, in Australië. Placké draagt handschoenen van 2 Eng. ons. (56 gram)’. |
| 10. | Frank Craig, geboren in 1870 in New York, stond bekend als de ‘Harlem Coffee Cooler’. Zie www.cyberboxingzone.com/boxing/craig-f.htm. |
| 11. | Ik heb geen idee wie prof. Newton is. |
| 12. | Bedoeld moet zijn bokser en manager Billy Madden, geboren in Londen in 1852 en gestorven in New York in 1918. Zie www.cyberboxingzone.com/boxing/madden-billy.htm. |
| 13. | Bedoeld moet zijn Mainguet, met een g en niet met een q, een Franse boksleraar. Wanneer hij geleefd heeft en wat hij gedaan heeft, heb ik niet kunnen achterhalen. |
| 14. | Zwaargewicht Samuel Berger werd geboren in Chicago in 1884 en stierf in San Francisco in 1925. Zie www.en.wikipedia.org/wiki/Samuel_Berger_(boxer). |
| 15. | De bokser Willie Lewis (Henry Besterman) werd geboren in 1886 te New York en stierf in Philadelphia in 1956. Zie www.cyberboxingzone.com/boxing/lewis-h.htm. Bij de foto van Lewis in Toepoel (1912) schrijft de auteur: ‘Willie Lewis, een der meest wetenschappelijke invechters, gold langen tijd voor lichtmiddengewicht (welter) wereldkampioen.’ |
| 16. | Ernest Régnier is een Franse jiu-jitsuleraar. Wanneer hij precies geleefd heeft, is mij onbekend. Zie www.pagesperso-orange.fr/laurent.thomas/ffjj.htm. |
| 17. | De zwaargewicht Joe Jeannette werd in 1897 geboren in New Jersey en stief in 1958 in New York. Zie www.en.wikipedia.org/wiki/Joe_jeanette. (De spelling Jeanette met één n is fout.) Bij de foto van Joe Jeannette in Toepoel (1912) staat vermeld: ‘Joe Jeannette, mesties, waarschijnlijk na Johnson de beste zwaargewicht der wereld.’ Een mesties is iemand die een Spaanse of Portugese vader heeft en een Indiaanse moeder, of omgekeerd. |
| 18. | Arthur Diemer Kool (1896-?) was een beroemd tennisser en directeur van de Incasso Bank. |
| 19. | Gerard Bosch van Drakestein (1887-1972) was een wielrenner. Hij reed onder de schuilnaam Ulysses om zijn adellijke familie niet in verlegenheid te brengen. Zie www.nl.wikipedia.org/wiki/Gerard_Bosch_van_Drakestein. |
| 20. | Mij onbekend. |
| 21. | Johannes Wouter (‘Joop’) Boutmy (1894-1972) was een voetballer. Hij won met het Nederlands Elftal in 1912 de bronzen medaille bij de Olympische Spelen. Zie www.en.wikipedia.org/wiki/Joop_Boutmy. |
| 22. | Luyke Roskot is mij onbekend. De naam Luyke Roskott (met twee t’s) komt wel voor, maar wie van deze familie een sportman geweest is, is mij niet bekend. |
| 23. | Mij onbekend. |
| 24. | Mij onbekend. |
| 25. | Mij onbekend. |
| 26. | P.M.C. Toepoel, Knotszwaaien en balstooten. Twee uitstekende middelen ter verkrijging van grootere gezondheid en schoonere lichaamsvormen. Amsterdam, z.j. (waarschijnlijk 1910). |
| 27. | P.M.C. Toepoel, Het boksen. Rotterdam, z.j. |