Over Aan den weg der vreugde
Uit en in de greep van het noodlot
![]() |
Couperus’ ideeën over het noodlot zijn allerminst consistent. De ene keer schrijft hij dat hij in een onoverkomelijk noodlot gelooft, [1] een volgende keer dat wij het noodlot kunnen dwingen naar onze wil. [2] Toch hoeft deze tegenstelling geen innerlijke tegenspraak te zijn. De roman Aan den weg der vreugde laat zien dat de twee polen naast elkaar kunnen bestaan en elkaar aanvullen, dat het niet gaat om fatalisme of antifatalisme, maar om de spanning tussen beide.
Door Piet Kralt
In de winter van 1905 op 1906 kampte Couperus met zijn gezondheid. Volgens Van Booven had hij verschillende keren influenza. [3] Dat is misschien de reden waarom hij in de maanden juli en augustus 1906 in Bagni di Lucca verbleef, een niet ver van Lucca gelegen kuuroord, maar hoger en daardoor koeler. Hij en zijn vrouw logeerden er in het hotel Continental. [4] Hier maakten zij kennis met drie Italiaanse dames, met wie zij vriendschap sloten en met wie de band ook na Bagni di Lucca bleef bestaan: de oude mevrouw Maria Lodomez, haar dochter Emma en haar kleindochter Bona. Hoogstwaarschijnlijk vond in deze dagen ook de ontmoeting plaats met Giulio Lodomez, de zoon van de oude mevrouw en de broer van Emma. Volgens Bastet heeft deze man model gestaan voor Orlando, de Italiaanse vriend die in Couperus’ feuilletons een grote rol zal gaan spelen. Bovendien zou Aldo Ardo, één van de twee hoofdpersonen uit Aan den weg der vreugde, naar hem gemodelleerd zijn. [5]
De roman
Couperus maakte iedere dag lange wandelingen
[6] en begon aan een korte roman, waarschijnlijk geïnspireerd door de
bosrijke omgeving, maar zeker ook beïnvloed door de geest van zijn eigen
mythologische roman Dionyzos (1904). Maarten Klein heeft het verband
tussen beide boeken overtuigend aangetoond.
[7]
Er bestaan van de roman twee (nu onvolledige) handschriften, een kladhandschrift
en een kopijhandschrift. Tussen de twee is een aantal kleine varianten. De
redactie van dit deel van de Volledige Werken concludeerde dan ook:
‘Couperus heeft bij het overschrijven van Aan den weg der vreugde de
roman niet meer grondig bewerkt of omgewerkt’.
[8] De indruk is dat de auteur de roman zonder veel overwegingen vooraf
als het ware in één ruk schreef. ‘Met liefde’, zoals hij later aan zijn uitgever
meldde.
[9]
De publicatie is een verhaal apart. De roman verscheen eerst in drie
afleveringen in het tijdschrift Groot Nederland, het blad waarvan
Couperus mederedacteur was, in februari, maart en april 1907. Daarna wendde de
auteur zich tot zijn uitgever Veen. Hij vroeg voor een uitgave in boekvorm 1500
gulden. Dat was Veen, die sinds 1902 op de boeken van Couperus verlies had
geleden, te veel. Maar met het tegenbod kon de schrijver weer niet akkoord gaan.
Deze vroeg toen zijn mederedacteur van
Groot Nederland, de criticus W. G. van Nouhuys, om raad. Van hem hoorde
hij dat de romanverkoop de laatste jaren erg slecht ging en dat Veen hem in
feite altijd genereus had behandeld. Waarop Couperus besloot de roman toch maar
aan Veen te gunnen
31
voor het bedrag dat deze had geboden én voortaan geen romans meer te
schrijven. Dat laatste heeft hij vier jaar lang volgehouden; toen kroop het
schrijversbloed waar het niet gaan mocht: in de zomer en het najaar van 1910
schreef hij Antiek toerisme, een aanmerkelijk luchtiger boek dan het
melodramatische Aan den weg der vreugde.
De roman verscheen uiteindelijk in mei 1908; hij is tijdens
het leven van Couperus niet herdrukt. In 1920 verscheen een Duitse vertaling
onder de titel Am Wege der Freude.
De inhoud voorzover die hier van belang is, is in een paar
zinnen weer te geven. Het is het verhaal van de liefdesverhouding tussen de
Italiaan Aldo Ardo en de Hollandse Emilie. Ze logeren beiden in een hotel in het
dorpje Villa, één van de drie dorpen van Bagni di Lucca. Na enige tijd trekken
ze in bij een eenvoudig gezin in het gehucht Benabbio, hoog in de bergen, waar
ze een zomer verblijven. Dan verlaat hij haar; zij wordt getroffen door een
verlamming en sterft tegen het eind van de herfst.
Commentaar
De eerste reacties op de roman zullen Couperus gestijfd hebben in zijn besluit
geen romans meer te schrijven. De criticus J. de Meester noemde het boek
‘spoorweglectuur’ en vroeg zich af: ‘Wat is me dat voor een raar verhaal.’
[10] Dirk Coster maakte het in
De Amsterdammer nog iets bonter: ‘De stijl van dit boek is een chaotische
herhaling zonder veel zin en zonder veel handigheid gedaan, van alle trucs en
hebbelijkheden die Couperus zich in de voorafgaande tijd verworven heeft.’
[11] Dat Marie Metz-Koning in een korte bespreking Aan den weg der
vreugde qua psychologie en beschrijving uitmuntend noemde, kon het negatieve
oordeel van de zwaargewichten De Meester en Coster onmogelijk goedmaken.
[12]
32
Ook latere commentaren waren niet bepaald uitbundig. Zelfs Henri van
Booven, wiens biografie door ongebreidelde verering ‘zo ver beneden een
dragelijk gemiddelde blijft’,
[13]
noteerde over Aan den weg der vreugde (naast veel nuttige informatie):
‘[Het boek heeft] heel weinig psychologie, op het onvolledige af, wat men niet
van Couperus gewend is.’
[14]
Van Tricht was radicaal: ‘Een erg mooi boek is het niet en wat er na ’s minnaars
vertrek volgt is een dor bedenksel.’
[15] De calvinistische Couperusbewonderaar K. J. Popma was nog radicaler:
‘In de zomer van 1906 schreef Couperus het rare verhaaltje Aan den weg der
vreugde; dom en prullig, in bijtende tegenstelling tot de veelbelovende
titel.’
[16] Albert Vogel was milder, maar niet zonder kritiek; volgens hem zijn
de twee hoofdpersonen psychologisch te weinig uitgewerkt.
[17]
Men kan moeilijk anders dan zich bij deze oordelen aansluiten. De psychologie
van de roman is schetsmatig, het eind melodramatisch en de symboliek te zwaar.
Er is denk ik wel een verklaring voor deze mislukking te vinden. Couperus heeft
een tegenstelling die meer in zijn werk voorkomt en die hem kennelijk
intrigeerde in dit verhaal sterk aangezet. Het is de confrontatie van de
nerveuze, gecompliceerde mens met de krachtige, gezonde mens: Eline Vere
tegenover Otto van Erlevoort, kroonprins Othomar tegenover zijn vader, keizer
Oscar (in Majesteit, 1893) of Charles Pauws (Lot) tegenover zijn ‘zwager’
Aldo (in
Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan…, 1906). Waarom de
schrijver deze keer overdreef, blijft gissen. Misschien om de zaak één maal heel
zuiver te stellen. Maar dat is dan ten koste van de noodzakelijke nuance gegaan
en dus van de kwaliteit.
Toch blijft Aan den weg der vreugde een interessant
boek. Allereerst omdat er verschillende romans in reflecteren. Ik kies er twee.
Couperus zelf noemde het een pendant van Extaze (1892).
[18] Dat wil zeggen dat het gelijksoortig is, maar ook tegengesteld:
beide boeken verhalen een liefdesgeschiedenis, de één een puur platonische, de
ander een zuiver zinnelijke. Voor het doel dat ik me stel is echter de
spiegeling met Dionyzos belangrijker dan die met Extaze. Maarten
Klein somt veel overeenkomsten en verschillen tussen beide romans op,
[19] maar de essentie is volgens mij dat in Dionyzos een halfgod
vermenselijkt en in Aan den weg der vreugde een mens ‘vergoddelijkt’, dat
wil zeggen: bovenmenselijke allure krijgt. ‘Goddelijk’ betekent in dit verband:
ver verheven boven het menselijk bestaan en daardoor onverschillig voor het
menselijk lot, dus zonder medelijden. Dionyzos die iedereen afstraft die niet in
zijn vreugde deelt, vergeeft Ariadne als ze zijn aanbod weigert. Hij voelt zijn
eigen smart naderen en heeft medelijden. Zijn menselijke kant (hij is immers een
halfgod) krijgt de overhand.
[20] Van Ardo daarentegen wordt tegen het eind van de roman door de
vrouwen die Emilie verplegen, gezegd: ‘hij was te mooi…: hij was GEEN MENSCH…’
[21]
In de tweede plaats is
Aan den weg der vreugde van belang, omdat het de gedachten van Couperus
over het noodlot voor een deel verheldert. Uitgangspunt daarbij is de parallel
met Eline Vere en de spiegeling met Dionyzos: een vrouw als Eline
wordt geconfronteerd met een man die haar de vreugde wil brengen, maar haar
ondergang wordt. De roman verbindt dat proces met het begrip noodlot. Beiden
voelen de dwang van het lot en reageren daarop. De vraag is hoe ze dat doen en
wat dat betekent voor de idee van de roman. Maar daaraan vooraf zullen we ons
moeten afvragen wie of wat elk van hen beiden precies is.
Aldo Ardo
In een tijdschriftafleveringvullende beschouwing over de medische theorieën in
de Nederlandse naturalistische roman heeft Mary Kemperink aangetoond dat de
zogeheten temperamentenleer diepgaande invloed heeft gehad op de psychologische
33
beschrijving van romanfiguren bij Couperus en zijn tijdgenoten.
[22] In deze leer ging men ervan uit dat bepaalde fysiologische
eigenschappen samenhingen met bepaalde psychische eigenschappen. Felle, donkere
ogen bijvoorbeeld, en een gedrongen gestalte hoorden bij een zwijgzaam en
wilskrachtig type. Men onderscheidde vier temperamenten; twee daarvan beheersen
de literatuur van die dagen: het sanguinische en het nerveuze temperament.
Aldo Ardo heeft niet alle sanguinische kenmerken (zo
klakkeloos werkte Couperus niet), maar hij heeft wel enige essentiële trekken
van het type. Allereerst de rode kleur. Iemand met een sanguinisch temperament
heeft zuurstofrijk bloed. Zijn of haar gezicht is dus meestal rood. Couperus kon
deze eigenschap niet zonder meer op de donkere Italiaan toepassen. Daarom gaf
hij hem een bronsroze kleur, een tint die moest aangeven dat Ardo wel degelijk
over het volle rode bloed van de sanguinische mens beschikt.
[23] Zijn rode mond bevestigt dat nog eens. Verder heeft de man een
flinke neus, een krachtige gestalte en is hij treffend gezond: eigenschappen die
zijn sanguinische aard eens te meer omlijnen. Ook psychologisch hoort hij tot
het volbloedige type. Hij is gericht op onmiddellijk zinnelijk genot,
optimistisch en (zeker in de beleving van Emilie) oppervlakkig en naïef.
[24] Maar hij heeft één eigenschap van het cholerische temperament: hij
is als het eropaan komt wilskrachtig. En juist deze eigenschap is van
doorslaggevend belang – zoals we zullen zien.
Er is echter meer aan de hand. Ardo hoort tot wat Karel
Reijnders het ‘stereotype van viriele schoonheid bij Couperus’ heeft genoemd: de
mooie man, atletisch gespierd, vaak vergelijkbaar met antieke beelden.
[25] Couperus benadrukt dat nog eens door ene mevrouw De Sanctis die
verder in het verhaal geen enkele rol speelt, te laten uitroepen: ‘Peccato…Zoo
een mooie kerel…’
[26] Die schoonheid geeft hem macht over vrouwen; Emilie voelt zich in
zijn macht, het is of hij haar betovert.
[27] Hij heeft ook iets van een sater of faun met zijn eeuwige fluitje
waarmee hij hagedisjes lokt en ook Emilie tot zich gelokt heeft. De sater met
zijn bokspoten en staart, de betovering die van hem uitgaat – hij heeft beslist
iets demonisch, deze Aldo Ardo.
Daar komt nog iets bij. Reijnders maakte een onderscheid
tussen Orlando en Aldo Ardo enerzijds en de andere mooie mannen anderzijds.
Orlando en Ardo hebben enkele eigenschappen die de overigen niet hebben: een
heftige neus, een nauw of smal voorhoofd, schuin wegglijdende slapen, donkere
ogen en doorlopende wenkbrauwen.
[28]
Reijnders concludeerde hieruit (nog voor Bastets ontdekking van het bestaan van
Giulio Lodomez) dat beiden op hetzelfde ‘model’ uit de werkelijkheid teruggaan.
Maar er is één levensgroot verschil tussen de twee, naar mijn smaak door
Reijnders te summier aangeduid: Ardo wordt bij herhaling met wreedheid in
verband gebracht. Drie keer noemt de verteller zijn manier van lopen wreed,
[29] twaalf keer zinspeelt hij op zijn wrede mond.
[30] Het is een merkwaardig spel. Nergens wordt gezegd dat Ardo werkelijk
wreed is, maar wanneer hij in het bestek van zo’n korte roman zo vaak met
wreedheid wordt geassocieerd, lijkt hij toch niet vrijuit te gaan.
34
En dat is nog niet alles. In november 1905 kreeg Couperus van dr.
L.S.A.M. von Römer diens vertaling van Nietzsches Also sprach Zarathustra
cadeau.
[31] Hij zal daar tijdens het ruime halfjaar voor hij aan zijn nieuwe
roman begon in gelezen hebben – hetzij systematisch, hetzij te hooi en te gras.
De invloed van Zarathustra’s prediking is in ieder geval onmiskenbaar. Aldo Ardo
droomt vaagweg (want hij is vooral een praktisch en materialistisch man en geen
dromer) over de grote Vreugde die hij ooit beleven zal. Om die vreugde wil hij
vrij zijn, zodat hij kan gaan en staan waar hij wil om haar te bereiken. Daarom
heeft hij ontslag uit militaire dienst genomen. Daarom wil hij zich aan geen
enkele vrouw binden. Zelf ervaart hij haar in Nietzschiaanse terminologie.
(…) iets, dat voor hèm was weggelegd, voor de overmenschelijkheid, die in hem zoû zegevieren… aan het einde… aan het einde…(…) [32]
De zinsnede lijkt een echo van uitspraken van Zarathustra als: ‘Seht, ich
lehre euch den Übermensch! Der Übermensch ist der Sinn der Erde’. En: ‘Der
Mensch ist ein Seil, geknüpft zwischen Tier und Übermensch, – ein Seil über
einem Abgrunde. Ein gefährliches Hinüber, ein gefährliches Auf-dem-Wege (…)’.
En: ‘Ich will die Menschen den Sinn ihres Seins lehren: welcher ist der
Übermensch, der Blitz aus der dunklen Wolke Mensch’.
[33]
Het lijkt groots, maar in de beleving van Emilie krijgt deze overmenselijkheid
een geheel andere kleur. Ze bepeinst dat ze Aldo graag zou willen kennen, maar
dat hij zich niet uitspreekt. Er volgt dan een cruciale zin; een zin die de
roman verbindt met
Dionyzos, de vreugdegod die medelijden kreeg met de treurende Ariadne,
omdat hij zijn eigen smart voelde naderen.
Bang werd zij bijna voor hem, als of hij iets bovenmenschelijks uitstraalde, als of hij een god was van vreugde en geen menschelijke ziel had, die lijden kon…
Voor Emilie is deze ‘bovenmenselijkheid’ dan ook verbonden met wreedheid:
‘Boven-, overmenselijke wreedheid’.
[34] De roman keert zich nergens rechtstreeks tegen Aldo Ardo. Hij duidt
de man meer aan dan dat hij hem beschrijft. De lezer mag uitmaken hoe hij over
hem denkt. Waarbij hij niet dient te vergeten dat Aldo in de zinnelijke liefde
lief en teder kan zijn en dat de dood van een hagedisje hem tranen in de ogen
brengt.
Aldo Ardo heeft geen enkele keer het woord ‘noodlot’ in
gedachten; evenmin neemt hij het in de mond. Totdat hij besluit Emilie te
verlaten. Dan neemt deze door en door gezonde, bepaald egoïstische man met niet
te miskennen demonische trekjes het heft in eigen hand. Hij kampt met een week
gevoel, met een zekere weemoed, met aandoeningen en besluit sterk te zijn, omdat
anders het Noodlot hem zal bestrijden en verpletteren. Dus gaat hij. Hij laat
zich zijn droom niet ontnemen. Hij laat de dingen niet gebeuren zoals ze nu
eenmaal moeten gebeuren. Hij kiest zijn eigen weg.
De tekst vraagt veel inlevingsvermogen van de lezer. Hij
geeft de overpeinzingen van Ardo weer. Die besluit dat hij Emilie niet
liefheeft, dat zij een ontmoeting is als vele andere ontmoetingen. Maar zijn
conclusie is twijfelachtig. Want Ardo voelt ook een bitterheid in zich, een
weemoed, bijna een treurigheid. Zoiets was hij zich vroeger nooit bewust
geweest.
[35] Kennelijk heeft zijn liefde voor Emilie hem meer gedaan dan hij wil
toegeven en is zijn conclusie dat hij haar niet liefheeft een uitvlucht om
zichzelf ervan te overtuigen dat hij de juiste beslissing heeft genomen. Zo
opgevat is die
35
beslissing inderdaad een overwinning op het noodlot. In alle andere
gevallen zijn zijn noodlotsoverwegingen holle frasen. Laten we het er daarom op
houden dat Aldo Ardo werkelijk zijn eigen noodlot maakt – om het met de woorden
van Lawrence St. Clare te zeggen.
[36]
Emilie
In haar beschouwing over de medische theorieën in de Nederlandse naturalistische
roman vermeldt Mary Kemperink van het nerveuze temperament onder andere de
volgende eigenschappen. De kleur van het gezicht is bleek, de ogen zijn licht
evenals het haar, de hals is lang en fijn en de gestalte tenger. Het temperament
heeft een tekort aan bloed en een overmaat aan zenuwen. Daardoor is de
gezondheid wankel, zowel lichamelijk als geestelijk. De nerveuze mens is geneigd
tot melancholie; zijn of haar intellectuele en artistieke vermogens zijn
bovengemiddeld.
[37]
Het is zonneklaar dat Couperus zich bij de beschrijving van zijn vrouwelijke
hoofdpersoon door deze opvattingen heeft laten leiden. Emilie – of Milia zoals
ze vaak in de roman genoemd wordt; haar achternaam is onbekend – is kwijnend,
blond, doorschijnend blank, heeft een treurig gezichtje en teer blanke handen.
[38] Ze is in Bagni di Lucca op advies van een specialist. De jarenlange
verzorging van haar oude, zieke echtgenoot heeft haar zenuwen geknakt. Haar
redenering is tamelijk vreemd: ze is ziek omdat ze veel verdriet heeft gehad, ze
zoekt gezondheid om dat verdriet weer te voelen, want als ze heel ziek is, voelt
ze haar verdriet niet.
[39] Het is de redenering van iemand voor wie lijden een levensbehoefte
is.
Maar net als bij Aldo Ardo is er bij Emilie meer aan de hand.
Zij behoort zonder twijfel tot het type van de femme fragile. Volgens Luc Dirikx
is zij zelfs het enige personage in het werk van Couperus dat voluit tot dit
type gerekend kan worden.
[40] De femme fragile is een stereotype uit het decadentisme, een
symbolische gestalte, de verbeelding van het mannelijke ideaal van de ‘reine
vrouw’. Ze is een verschijning naast de femme fatale; beiden zijn een product
van het dualisme in het denken van het fin de siècle: de vrouw heeft twee
kanten. ‘Enerzijds is zij onbedorven, anderzijds is zij gevaarlijk’.
[41]
De femme fragile heeft de kenmerken van het nerveuze temperament. Maar ze is een
(arche)type, een allegorisch personage. Ze is bijna altijd slachtoffer. Luc
Dirikx haalt de woorden aan van Edgar Allan Poe: ‘The death of a beautiful woman
is, unquestionably, the most poetical topic in the world’.
[42] Er is geen andere zin die zo duidelijk uitdrukt dat de femme fragile
een poëtische conceptie is en geen psychologische. Zij is dan ook ‘omgeven’ door
symbolen: haar lange haar, haar Madonna-uiterlijk, de bloemen waarmee ze in
verband gebracht wordt. Dirikx wijst erop dat Milia geassocieerd wordt met de
roze hortensia’s en na het keerpunt in haar liefde met dahlia’s, stervende
zonnebloemen en herfstbladeren.
[43]
Dat Emilie de omtrekken heeft van een literair model betekent dat het in de
roman niet alleen gaat om de incidentele ontmoeting van twee
36
toevallige mensen, maar vooral om de botsing tussen twee ‘ideeën’. Emilie
en Aldo Ardo vertegenwoordigen beiden iets: zij de tere, lijdende vrouw, hij de
‘Übermensch’. En over bloemensymboliek gesproken: het kan geen toeval zijn dat
Ardo tot drie keer toe de varens wreed vertrapt of ranselt met zijn stok.
[44]
Er is nog een derde punt. Voor Ardo is Milia een vrouw uit het noorden,
een gebied dat hij associeert met ongekende, koele mistigheid en dat hij
sympathiek vindt, omdat zij ervandaan komt. Later, als zijn liefde bekoeld is,
is die sympathie verdwenen en overlegt hij bij zichzelf dat zij aangetast is
door de noordelijke ziekte van peinzen en vorsen.
[45] De tegenstelling noorden-zuiden, op deze manier in de roman
geïntroduceerd, valt zo goed als geheel samen met de antithese
nerveus-sanguinisch. In enkele scènes krijgt ze meer vorm. Wanneer de twee over
het licht praten, denkt zij dat hij dat symbolisch bedoelt, maar hij bedoelt
gewoon het zonlicht; als ze het over kleuren hebben, vindt zij dat de nuances
alles zijn, maar hij houdt juist van volle kleuren. En waar hij het peinzen en
vorsen een ziekte acht, meent zij dat ze terecht aan de dingen rafelt.
[46] De tegenstelling schematiseert de verhoudingen en benadrukt eens te
meer dat het in de roman eerder om ideeën gaat dan om mensen.
Drie keer wordt het woord ‘noodlot’ in verband gebracht met
Emilies liefde.
[47] Twee keer betreft het een overweging van haarzelf. De eerste staat
op pagina 52, als Ardo haar ’s nachts tot zich gelokt heeft met zijn fluitje en
ze de volgende morgen samen in het bos zijn geweest. Ze bepeinst dan tijdens de
siësta hoe onherroepelijk dit alles was, als een noodlot. Die overweging, op het
hoogtepunt van haar liefde, tekent haar als een ‘noordse’ ziel, geneigd tot
pessimisme. Ze laat ook zien dat Emilie, anders dan Ardo, zich niet tegen haar
noodlot zal verzetten, juist door de nadruk op het onherroepelijke. Dat woord
geeft aan dat verzet onmogelijk is. Op pagina 106, wanneer het tot haar
doorgedrongen is dat Ardo haar verlaten heeft, zegt ze tegen haar gastvrouw
(wier man voor een half jaar op trektocht is):
Arme Giannina…; we lijden allemaal, allemaal… om de mannen, die we zoo heel erg lief hebben… Het is ons leven… en ons noodlot...
Ook deze woorden ademen niets dan berusting. Het is duidelijk: al neemt Emilie het woord ‘noodlot’ niet zo vaak in de mond als Eline Vere, zij zijn beiden toch van hetzelfde hout gesneden: wat hun overkomt, ervaren zij als onvermijdelijk, een noodlot waartegen men zich niet kan verzetten. Die passieve levenshouding hangt samen met hun nerveuze geaardheid, hun ‘noordelijke ziekte’. Ik weet niet of Emilies verlamming aan het eind van de roman een medisch verantwoord verschijnsel is. Maar literair-technisch is ze niet moeilijk te duiden: ze is een symbool voor haar onmacht de weg der vreugde – eventueel zonder Aldo Ardo – te vervolgen. Die onmacht is op zijn beurt een gevolg van haar geloof in de onvermijdelijkheid der dingen.
Noodlot
De interpretaties van de roman kan men in twee categorieën indelen. Ten eerste
de categorie die Couperus aan de kant van Aldo Ardo schaart. Dat zijn de
interpretaties van Van Tricht, Vogel, Bastet en Dirikx.
[48] Bastet bijvoorbeeld, stelt dat Couperus’ sympathie meer
uitgaat naar Aldo dan naar Emilie. Van Tricht gaat het verst: hij meent dat
Aldo’s gedachten en gevoelens met die van Couperus overeenkomen. De tweede
categorie wordt gevormd door de interpretaties van Van Booven en Klein.
[49] Zij kiezen niet voor één
37
van beide hoofdfiguren, maar leggen de nadruk op de tegenstelling tussen
de twee. De kern van de roman ligt in de antithese, niet in één van de twee
personages. Klein werkt de tegenstelling uit in Nietzschiaanse zin. Emilie
vertegenwoordigt volgens hem het Apollinische principe, Aldo het Dionysische.
Het lijkt mij dat de vraag niet is: aan wiens of wier kant
staat Couperus, maar: naar welke kant stuurt de tekst de lezer? Dan is het
antwoord: naar geen enkele. De roman geeft de gedachten en gevoelens van de twee
hoofdpersonen weer zonder ook maar een enkele keer een blijk van instemming of
afkeuring te geven. De lezer kan meer sympathie voor de een of voor de ander
voelen, maar dat is dan zijn keus. De roman is neutraal. Hij schept slechts de
tegenstelling. Het gelijk ligt dus bij Van Booven en Klein: het gaat in de roman
om de spanning tussen de zuidelijke en noordelijke levenshouding.
Voor Couperus’ vaak tegenstrijdige uitlatingen omtrent het
noodlot levert dat een mogelijke uitweg, al zijn zeker niet alle problemen
opgelost. De gezonde, sterke mens is in staat zijn noodlot te bevechten, de
nerveuze mens lukt dat niet. Of: de gezonde mens probeert het leven naar zijn
hand te zetten, de nerveuze mens laat het leven over zich heen komen.
Wie buiten het kader van de roman wil treden om te
achterhalen aan welke kant Couperus stond, vindt velerlei van zijn gading. Een
aardige aanwijzing staat in ‘Intimiteiten’, een tekst van december 1909.
Couperus zegt daarin dat hij een noorderling is, iemand voor wie de halftinten
dierbaar zijn, die van weemoed houdt en gecompliceerd is. Hij voelt zich
Italiaan worden en betreurt dat.
Het is mij als een nieuwe gezondheid, die mij een beetje verdriet doet, omdat het vroeger fijner en teêrder was, ook al was het een beetje ziekelijker en het nu grover en vitaler wordt. [50]
Me dunkt: een voorbeeldige samenvatting van het probleem waar het in Aan den weg der vreugde om gaat.
| Noten | |
| 1. | Louis Couperus, Korte arabesken. Volledige Werken Louis Couperus, deel 29, p.48. |
| 2. | Louis Couperus, Ongebundeld werk. Volledige Werken Louis Couperus, deel 49, p.599. |
| 3. | Henri van Booven, Leven en werken van Louis Couperus. ’s-Gravenhage, 1981, p.200 (facsimileherdruk van de eerste uitgave van 1933). |
| 4. | Zie voor afbeeldingen: Frédéric Bastet, De wereld van Louis Couperus. Amsterdam, 1991, p.113-118. |
| 5. | Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.330, 331 en 406. José Buschman betwijfelt met steekhoudende argumenten de identificatie. José Buschman, ‘Schimmen van schoonheid nagejaagd. Couperus, Orlando en Florence.’ In: De Parelduiker 9 (2004), nr.1, p.18-36. |
| 6. | F.L. Bastet (ed.), Amice. Brieven van Louis Couperus aan zijn uitgever, deel II (1902-1919). ’s-Gravenhage, 1977, p.88. |
| 7. | Maarten Klein, Noodlot en wederkeer. De betekenis van de filosofie in het werk van Louis Couperus. Maastricht, 2000, p.134-140. |
| 8. | Louis Couperus, Aan den weg der vreugde. Volledige Werken Louis Couperus, deel 26, p. 129. |
| 9. | F.L. Bastet (ed.), Amice, p.96. |
| 10. | Geciteerd uit M. Galle, Couperus in de kritiek. Amsterdam, 1963, p.49. |
| 11. | Dirk Coster, ‘Louis Couperus: Aan den weg der vreugde.’ In: De Amsterdammer 1908, 2 augustus. |
| 12. | Marie Metz-Koning, ‘Aan den weg der vreugde door Louis Couperus.’ In: Nederland 1908, deel II, p.475. |
| 13. | Menno ter Braak, ‘Perikelen der biographie.’ In: Verzameld werk, deel 5. Amsterdam, 1949, p.61-64. Citaat p.61. |
| 14. | Henri van Booven, Leven en werken van Louis Couperus, p.203. |
| 15. | H.W.van Tricht, Louis Couperus. Een verkenning. Utrecht, 1980, p.154 (eerste druk 1960). |
| 16. | K.J. Popma, Beschouwingen over het werk van Louis Couperus. Amsterdam, 1968, p.163. |
| 17. | Albert Vogel, Louis Couperus. Een schrijversleven. Amsterdam/Brussel, 1980, p.140 (eerste druk 1973). |
| 18. | F.L. Bastet (ed.), Amice, p.96. Het is in dit verband aardig te weten dat Veen voor de band van Aan den weg der vreugde koos voor een aangepaste versie van de band die R.N. Roland Holst ontwierp voor de tweede druk van Extaze; waarschijnlijk om de spiegelende overeenkomst tussen beide romans aan te geven. Zie H. T. M. van Vliet, Versierde verhalen. De oorspronkelijke boekbanden van Louis Couperus’ werk (1884-1925). Amsterdam/Antwerpen, 2000, p.247. |
| 19. | Zie noot 7. |
| 20. | Zie Piet Kralt, De goden, de schoonheid en het ogenblik. God en mens in het werk van Louis Couperus. Den Haag, 2005 (Couperus Cahier IX), p.40. |
| 21. | Louis Couperus, Aan den weg der vreugde, p.119. |
| 22. | M.G. Kemperink, ‘Medische theorieën in de Nederlandse naturalistische roman.’ In: De negentiende eeuw 17 (1993), nr.3, p.115-171. Zie ook: M.G. Kemperink, ‘Louis Couperus en de temperamentenleer.’ In: Literatuur 9 (1992), nr.1, p.2-7. |
| 23. | Louis Couperus, Aan den weg der vreugde, p.11. |
| 24. | Idem, p.29. |
| 25. | Karel Reijnders, ‘Ene ram, een stiertje en onder anderen Orlando. Stereotiepen van viriele schoonheid bij Couperus.’ In: F.L. Bastet e.a., Thema’s voor een uitgever. Voordrachten ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Johan Polak. Amsterdam, 1978, p.47-59. |
| 26. | Louis Couperus, Aan den weg der vreugde, p.9. |
| 27. | Idem, p.46 en 52. |
| 28. | Karel Reijnders, Thema’s voor een uitgever, p.54 en 55. |
| 29. | Louis Couperus, Aan den weg der vreugde, p.5, 6 en 102. |
| 30. | Idem, p.11 (twee keer), 15, 23, 28, 31, 36, 38, 81, 84, 86 en 89. Op pagina 104 overweegt Emilie dat Aldo een vreemde man is; aan de ene kant bijna week, aan de andere kant ongevoelig, ontoerekenbaar wreed. |
| 31. | Maarten Klein, Noodlot en wederkeer, p.138. |
| 32. | Louis Couperus, Aan den weg der vreugde, p.78. |
| 33. | Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra. Ein Buch für Alle und Keine., Leipzig, 1930, Kröners Taschenausgabe, Band 75, p.9, 11 en 17. Uiteraard gaat het om repercussies: Nietzsches terminologie weerkaatst in de tekst van Couperus; het Nietzschiaanse begrip ‘Übermensch’ is in Ardo’s gedachtenwereld totaal vertekend. |
| 34. | Louis Couperus, Aan den weg der vreugde, p.83 en 84. |
| 35. | Idem, p.98, 99 en 100. |
| 36. | Louis Couperus, Eline Vere. Een Haagsche roman. Volledige Werken Louis Couperus, deel 3, p.509. |
| 37. | M.G. Kemperink, ‘Medische theorieën’, p.125. |
| 38. | Louis Couperus, Aan den weg der vreugde, p.17, 23, 24 en 26. |
| 39. | Idem, p.28. |
| 40. | L. Dirikx, Louis Couperus en het decadentisme. Een thematologische confrontatie. Gent, 1993, p.261. |
| 41. | Mary Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle. Amsterdam, 2001, p.190. |
| 42. | L. Dirikx, Louis Couperus en het decadentisme, p.249. |
| 43. | Idem, p.262. |
| 44. | Idem, p.5, 6 en 102. |
| 45. | Idem, p.28 en 101. |
| 46. | Idem, p.26, 35, 101 en 104. |
| 47. | Idem, p.52, 102 en 106. |
| 48. | H.W.van Tricht, Louis Couperus. Een verkenning, p.155; Albert Vogel, Louis Couperus. Een schrijversleven, p.147; Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie, p.333; L. Dirikx, Louis Couperus en het decadentisme, p.264. |
| 49. | H.W. van Tricht, Leven en werken van Louis Couperus, p.203; Maarten Klein, Noodlot en wederkeer, p.137. |
| 50. | Louis Couperus, Van en over mijzelf en anderen. Volledige Werken Louis Couperus, deel 27, p.13, 14. |
(Uit: Arabesken 16 (2008), nr.32, p.30-39.)