Naturalisme en karakterfatalisme bij Couperus
Door René Marres
In het volgende wil ik betogen dat Louis Couperus zich in twee romans, Eline Vere en De berg van licht, en in de bundel Het snoer der ontferming, een bewerking van Japanse verhalen en legenden, een fatalist toont. Sommige lezers zullen dit misschien vanzelfsprekend vinden, maar juist daardoor misschien hebben veel beschouwers het opgemerkt zonder het uit te werken. Wel heeft Ton Anbeek het fatalisme van de roman Noodlot zeer aannemelijk gemaakt in zijn studie De schrijver achter de coulissen door te wijzen op de over dit punt naar elkaar toe groeiende meningen van de personages. Maar recentelijk is door Dr. W.J. Lukkenaer volhardend bestreden dat Couperus een fatalist is. Dit doet hij in een paar artikelen over Zola en Couperus als naturalisten (1985) en het noodlot in Eline Vere (1987) en ten slotte in een dissertatie over een deel van Couperus' antieke werk, De omrankte staf (1989), waarin ondermeer De berg van licht besproken wordt. In zijn spoor ontkent Judith Vriesendorp-Gijsbers (1987) dat Couperus' laatste publikatie, Het snoer der ontferming, fatalistisch is. Dat is voor mij een reden de kwestie voor de genoemde werken eens precies uit te zoeken. Lukkenaer stelt een andere lezing voor, die waarlijk revolutionair is. Hij meent dat Couperus geen fatalistisch, maar een ethisch-didactisch auteur is. De les die Couperus de lezers in bijvoorbeeld Eline Vere meegeeft zou zijn: 'wees jezelf, zo nodig tegen je omgeving in, of het gevaar tenonder te gaan is levensgroot aanwezig' (1987, 31). Ik zal laten zien dat Eline ondergaat juist omdat ze zichzelf blijft; en daarvoor zal ik een blik op haar karakter werpen. Maar eerst iets over fatalisme en determinisme in het algemeen.
Fatalisme
Aan het begin van de kwestie staat een door Lukkenaer (1985, 18 e.v.) met
instemming aangehaalde redenering van de naturalist Emile Zola, die hem tot een
bepaalde lezing van Couperus brengt. Zola verdedigde zich tegen het verwijt dat
het determinisme, dat aan het naturalisme eigen is, tot fatalisme leidt. Bij
fatalisme is het onmogelijk op de wereld in te werken, bij determinisme kan dit
wel. Determinisme houdt in dat het menselijk handelen geheel bepaald is door
voorafgaande factoren, net als andere natuurverschijnselen. In het naturalisme
worden die factoren wat de mens betreft samengevat onder de noemers erfelijkheid
18
en milieu. Als men de wetten kent volgens welke de mens handelt, kan men de
wereld en de mens vervolgens beïnvloeden. Men kan zijn kennis bijvoorbeeld
aanwenden om het socialisme te bevorderen en de criminaliteit te verminderen.
Deze redenering wordt door Lukkenaer enthousiast omhelsd. Couperus was in zijn
jeugd onder de indruk van Zola, hij was ook een naturalist, en daarom zou
noodlotsdenken bij hem uitgesloten zijn (1989, 87-88). We zouden zijn boeken dus
moeten lezen alsof ze afkomstig zijn van iemand die niet aan het noodlot
geloofde.
Nu denk ik ook dat Couperus een naturalist was, in elk geval
op het punt van het determinisme waar het hier om gaat. [1]
Maar hoe zit het dan met het noodlot dat expliciet zo'n rol speelt in veel van
zijn werk? De term 'noodlot' wordt nogal eens door Couperus gehanteerd en maakt
zelfs de titel van een van zijn romans uit. De vraag wordt dan, of er misschien
een bepaald soort fatalisme mogelijk is dat niet wordt uitgesloten door
determinisme en er zelfs deels door wordt geïmpliceerd. En dat is er.
Om het probleem op te lossen is het essentieel dat we wat we
gewoonlijk onder fatalisme verstaan onderscheiden van wat ik
karakterfatalisme wil noemen. Couperus hangt namelijk niet het gewone
fatalisme aan, maar is in veel van zijn werk in hoofdzaak een karakterfatalist.
Het gewone fatalisme, waarvan door Zola terecht wordt gezegd dat het niet uit
determinisme voortvloeit, houdt, zoals bekend, in dat het niets uitmaakt wat je
doet, daar je je bestemming toch niet kunt ontlopen. Een dergelijk fatalisme is
in vele situaties duidelijk onjuist, maar in sommige bijzondere omstandigheden
begrijpelijk genoeg. Wanneer een soldaat een kans van negen op de tien heeft om
te sneuvelen, en dat tot bijvoorbeeld 8,7 op de tien kan terugbrengen door
bepaalde inspannende voorzorgsmaatregelen te nemen, zal hij van die verbetering
niet onder de indruk zijn. Hij zal doorgaans menen dat het geen verschil maakt
wat hij doet. Er is een kogel waar je naam op staat en je hebt maar af te
wachten of die wordt afgeschoten. Misschien weet hij niet eens dat hij zijn kans
om te sneuvelen iets kan verminderen. Alleen systematische observatie (waar hij
zelf de gelegenheid niet toe heeft) zou het hem kunnen leren. Maar zeggen dat
het niet uitmaakt wat je doet of laat voor het halen van een examen is
gewoonlijk absurd. Tenzij je zo knap bent of zo dom dat je hoe dan ook zult
slagen of zakken.
De literatuurbeschouwers die Couperus' werk fatalistisch
noemden, hebben meestal vergeten erbij te zeggen dat het dat niet is in de
gewone betekenis van het woord. Doordat in het werk vaak het woord noodlot
voorkomt, kwamen ze eenvoudigweg op de term fatalisme. Maar de vraag is dan nog
waarop het noodlot in dat werk berust.
19
Karakterfatalisme is iets anders dan het gewone fatalisme: iemand heeft een
bepaald karakter meegekregen, dat hij of zij nu eenmaal heeft en daar kan
hij/zij niet buiten treden. (Dit lijkt mij persoonlijk ook nog juist, omdat ik
denk dat de mens gedetermineerd is.) Theoretisch gezien kun je het evengoed
karakterdeterminisme noemen, zoals De Piere doet in zijn stuk over Eline Vere
(1974, 121). Dat klinkt minder beladen, maar in Couperus' romans is deze
determinatie vaak niet alleen een lot, maar een noodlot, omdat het lot tot de
ondergang leidt. Dit is het soort fatalisme in zijn romans. Behalve dat iemand
gedreven wordt door zijn eigen karakter impliceert het natuurlijk dat de anderen
waarmee hij of zij te maken heeft, op dezelfde manier gedreven worden en ook
zijn of haar noodlot kunnen medebepalen. Het noodlot is bij Couperus dus meestal
niet een geheimzinnige macht die boven de mens zweeft. Soms wil hij iets van
zo'n macht suggereren, bijvoorbeeld in een in Noorwegen spelende scène in
Noodlot en de nawerking ervan op de vrouwelijke hoofdpersoon Eve. De
hoofdzaak in die roman is echter dat de intrigant en parasiet Bertie een zwak
karakter heeft en dat maakt Couperus wel geloofwaardig. Anbeek (1978, 125-126)
ziet het noodlot in deze roman als metafysisch - met een term ontleend aan Drop
(1963) - omdat erfelijkheid er slechts een geringe rol in speelt. Maar
karakterfatalisme is niet metafysisch. Het berust op bepaalde ervaringen zoals
dat je de neigingen die je bij jezelf aantreft nu eenmaal hebt en je karakter
niet kunt veranderen. Omdat het onder determinisme valt, behoort het ook tot het
naturalisme.
Dit karakterfatalisme sluit overigens niet uit dat het
karakter veranderd wordt door de omstandigheden van een ander milieu die erop
gaan inwerken, of dat het zich tenminste anders dan voordien gaat uiten. Dat
zullen we met name zien in de roman De berg van licht. De manier waarop
dat gebeurt is gedetermineerd, je kunt daar zelf niets aan doen. Nieuwe
omstandigheden werken in op het bestaande karakter en dan ontstaat als produkt
een verandering ervan of althans ander gedrag.
Determinisme
Ik zei dat Couperus een naturalist is. Toch kan ik wel een eind meegaan met het
idee van Herman Verhaar (1977, 171) dat hij, als je naturalisme opvat als het
realisme van schrijvers die tegenover hun stof een min of meer
wetenschappelijke houding aannamen, geen naturalist is. Marcellus Emants had
die afstandelijke houding van de wetenschapper sterker. Je vindt in Couperus'
werk eerder een
gevoel dat het noodlot het leven beheerst. Dat de loop van iemands leven
zijn lot is vloeit voort
20
uit het naturalistische idee dat de mens gedetermineerd is. Het als een noodlot
aanvoelen ligt voor de hand als het slecht afloopt. Maar in Eline Vere is
Couperus toch wel in hoge mate naturalistisch bezig. Hier krijgt ook de
erfelijkheid een flinke rol toebedeeld.
Het is dus juist dat determinisme niet het gewone fatalisme
impliceert, maar hieruit volgt geenszins Lukkenaers aanname dat Couperus dan in
geen enkele zin fatalist geweest kan zijn. Het determinisme houdt niet in dat
het niets uitmaakt wat je doet, maar wel dat je lot bepaald is en de mens geen
vrije wil heeft. Door je - gedetermineerde - handelingen geef je vorm aan je -
al vastliggende - lot. Karakterdeterminisme dus waarvan iemand karakterfatalisme
kan maken. Zoals R. Koenig zegt in een studie over de naturalistische esthetica:
'Schicksal ist das Produkt aus dem Charakter - bereits das unentrinnbarste aller
Schicksale () - , seinen Tendenzen und den Umständen, in die er ()
hineingeschleudert wird durch die Kausalität des Weltgeschehens' (naar Galle,
1973, 7). Daarmee vervalt de theoretische steun voor Lukkenaers visie.
Lukkenaer wijst erop dat Zola de wetten over de mens wilde
kennen om de maatschappij dan rechtvaardiger te maken. Dit maatschappelijke
activisme is bij Couperus afwezig. Ook een naturalist als Marcellus Emants is
het vreemd. Determinisme is verenigbaar met activisme, maar hoeft er niet toe te
leiden. Verder zal een naturalist als hij consequent is ook beseffen dat zijn
eventueel activisme gedetermineerd is door erfelijkheid en opvoeding. Hij zal
menen dat zijn karakter zijn niet te ontlopen lot is. Lukkenaer beschouwt
Couperus als een honderd procent naturalist en toch meent hij dat Couperus Eline
schildert als iemand met een vrije wil, die schuldig is omdat ze de verkeerde
keuzes maakt. Dat is merkwaardig inconsequent. Maar alleen uit de romans zelf
kan blijken of, en zo ja in hoeverre, Couperus het naturalisme trouw was en
iemands ondergang onontkoombaar laat voorvloeien uit zijn of haar karakter en de
omstandigheden.
Eline Vere of de banaliteit van het gewone leven
Ook in Eline Vere is het karakter het noodlot ofwel fatum.
[2]
Dat komt tot uiting in de beschrijving van Elines levensloop en in de opinies
van de personages. Eerst de opinies. Elines neef Vincent is vanuit zijn
indolentie ook een gewoon fatalist: 'Niemand kon iets veranderen aan wat was of
zijn zoû'. Maar hij is voornamelijk een karakterfatalist: 'Ieder was een gestel,
een temperament, en kon niet anders handelen dan volgens de eischen van dat
temperament, overheerscht door omgeving en omstandigheden; dàt was de waarheid
die de menschen steeds met hun kinderachtig idealisme () zochten te bedekken...'
(114). Wat je wilt
21
wordt bepaald door 'vooraf gebeurde, zoogenaamde toevalligheden' (266). Dit is
min of meer theorie, maar Vincent voelt het ook sterk zo aan. Hij verwondert
zich erover dat hij nooit de persoonlijkheid van een ander kan aannemen. Het is
zijn onherroepelijk noodlot dat hij altijd Vincent Vere blijven zal (120).
Eline wordt door deze levensbeschouwing overtuigd. Als ze
zich afvraagt waarom ze uitgevaren is tegen haar verloofde Otto van Erlevoort -
waar ze hevig spijt van heeft - gaat ze zich beschouwen als een willoze speelbal
die door het noodlot heen en weer geslingerd wordt. Ze heeft zich willen dwingen
van Otto te blijven houden, maar ze is zwakker dan haar noodlot (291-292),
d.w.z. haar karakter. Later voert ze aan dat ze haar karakter niet kan
veranderen, al zou ze zelf wel anders willen zijn (465), want dit karakter maakt
haar ongelukkig.
Volgens Lukkenaer (1987, 30) is haar beroep op het noodlot
alleen maar een onwaarachtige uitvlucht om haar schuld te verbloemen, maar
nergens blijkt dat het de bedoeling is dat we het zo opvatten. Geen enkel
personage spreekt haar tegen. De daadkrachtige Amerikaan St. Clare, die de
steunpilaar van Lukkenaers betoog is, keert zich wel tegen het gewone fatalisme
(481), maar spreekt opvallend genoeg soms ook rechtuit als een karakterfatalist.
Hij verantwoordt een keer een beslissing die hij nam met 'Ik kan nu eenmaal niet
anders. Ik wil het zoo!' (495). Hij vindt blijkbaar - met de determinist
Schopenhauer (1841, 412) - dat hij niet anders kan willen dan hij wil en dus
niet anders kan handelen. (Over andere uitlatingen van St. Clare kom ik nog
uitgebreid te spreken.)
Het fatalisme van Vincent en Eline wordt nog eens bevestigd
door een man van de wetenschap, Elines arts in Den Haag. Artsen zijn
zwaarwegende autoriteiten in naturalistische romans, want zij weten van
erfelijkheid af. 'Maar verder zag hij in Eline iets wat hij het noodlot van haar
familie kon noemen. Elines vader had dat gehad. Vincent had dat. Het was een
zielstorende verwarring harer zenuwen ()' (416). Ook de vertelinstantie
corrigeert dergelijke fatalistische opvattingen niet. Hij noemt wel eens iets
een illusie, maar dit niet. Integendeel, zijn oordeel en zijn hele beschrijving
van Elines levensloop ondersteunen deze visie.
[3]
Het geluk van de stilstand
Eline is iemand die alleen in fantasieën en dromen kan leven. Ze begint met te
dwepen met een operazanger. Zijn verschijning als concertzanger helpt haar
echter uit de droom: hij blijkt een dikke man met rood gezicht en vastgeplakte
haren. Dat zijn stem kwaliteiten heeft interes-
22
seert haar niet meer. Hij is onmiskenbaar niet de held van de operarollen die ze
hem zag vertolken, en daarmee heeft hij afgedaan voor deze kuise dochter van
Flauberts mevrouw Bovary, die ernaar verlangt dat de opera de werkelijkheid is.
In tegenstelling tot de overspelige Emma Bovary probeert de passieve Eline
echter niet om iets van opera in de alledaagse, banale wereld te verwerkelijken.
Dan dient Otto zich aan. Hij vertegenwoordigt het gewone,
gezonde leven. Ze verlooft zich met hem omdat hij van haar houdt. Dan pas gaat
zij van hem houden. Hij is een kalm, evenwichtig persoon, die haar de rust kan
geven die ze nodig heeft. Maar de manier waarop haar geluk beschreven wordt,
doet vermoeden dat het nooit wat met haar leven kan worden. Ze is gelukkig omdat
ze niets meer wenst en wil dat er niets veranderen zal. Het is de rust en het
geluk van de stilstand, dat al eerder omineus een Nirvana genoemd is (260-261,
189). ('Nirvana' betekent niet alleen 'passieloze rust', maar ook 'het niets'.)
Maar het leven staat nu eenmaal niet stil. Er is vaak gezegd dat het verblijf op
de buitenplaats de Horze een gunstige invloed op Eline heeft. Dat is ook wel zo,
maar niettemin houden Elines irreële geluksgevoelens daar al de kiem in zich van
hun onvermijdelijk verval.
Juist die kalmte van hem die haar dat geluksgevoel bezorgd
heeft, gaat haar op de zenuwen werken. Terwijl ze met hem verloofd is verbeeldt
ze zich bovendien dat Vincent op haar verliefd is. Otto's kalmte maakt haar
tenslotte razend (290), hoewel ze naar rust verlangt. Die innerlijke
tegenstrijdigheid nekt haar. Ze stoot degene die haar kan redden van zich af,
zoals ze beseft.
Ten slotte ontmoet zij in Brussel nog de wel erg edelaardig
afgeschilderde Amerikaan Lawrence St. Clare. Lukkenaers duiding steunt vooral op
de stelling dat Couperus zijn eigen mening laat horen in de woorden van dit
schijnbaar anti-fatalistische personage. Daarom denkt Lukkenaer dat Eline zich
beroept op het noodlot om een alibi te vinden voor haar verkeerde keuzes: haar
keus om zich eerder met Otto te verloven was verkeerd en vervolgens maakt ze de
beslissende fout door niet voor St. Clare te kiezen. Laten we kijken hoe dit
zit.
Hopeloze krachteloosheid
St. Clare verzet zich een keer tegen het idee van het noodlot waarop Eline zich
beroept. Ze zegt tegen hem dat ze, wanneer ze hem eerder ontmoet had, van
niemand anders had kunnen houden, maar nu is het te laat. Hij antwoordt: 'O,
spreek niet over een noodlot. Noodlot is een woord. Ieder mens maakt zijn eigen
noodlot. Je bent te zwak om jezelve het te maken. Laat mij je noodlot maken.'
(509).
23
Nu lijkt het me op zichzelf onjuist om Couperus vast te
pennen op deze woorden van St. Clare. Je kunt de strekking van een roman alleen
bepalen door op de convergerende mening van meer personages te letten, zoals ik
eerder deed. St. Clares uitspraken passen bij zijn krachtig karakter zoals die
van Eline bij het hare. Maar laten we eens aannemen dat Couperus achter St.
Clare stond. Dat maakt niets uit, want ook die uitspraken houden niet in dat
Eline anders zou kunnen. 'Ieder mens maakt zijn eigen noodlot' klinkt flink,
maar is helemaal niet anti-karakterfatalistisch. Door je handelingen maak je je
lot, maar dat wil niet zeggen dat je anders kunt handelen - of niet handelen -
dan je doet. Eline zal inderdaad haar eigen noodlot maken, maar de auteur
probeert de lezer met al zijn overtuigingskracht in te prenten dat ze niet
anders had gekund.
Ik wees er al op dat St. Clare gelooft niet anders te kunnen
willen dan hij wil. Veelzeggend is ook dat hij meent: 'Je bent te zwak om
jezelve het te maken. Laat mij je noodlot maken.' Eline is te zwak. Dus
zelfs de favoriete romanfiguur van de gestrenge moralist Lukkenaer, aan wie hij
helder inzicht toeschrijft (1987, 31), kent haar een karakter toe, dat niet in
staat is een bevredigend leven op te bouwen. Nog sterker: al vroeg is St. Clare
wanhopig omdat hij voelt niets voor haar te kunnen doen. Dit komt ondermeer
omdat er zo'n hopeloze krachteloosheid uit haar woorden klinkt (493).
Het is overigens niet alleen Lukkenaer die St. Clare als
anti-fatalist beschouwt. Velen, zo niet allen, hebben dit zo gezien,
bijvoorbeeld Klein & Ruijs (1981, 36) en Bastet (1989, 121, 133). Dit oordeel is
dus oppervlakkig: men verwart daadkracht met anti-determinisme oftewel
anti-fatalisme. Ook St. Clare blijkt als je zijn uitlatingen en gedachten
analyseert een karakterfatalist.
Lukkenaer rekent het Eline als de beslissende fout aan dat
zij niet voor St. Clare kiest. Hij vindt St. Clare zó geweldig wegens zijn
verwerping van het (gewone!) fatalisme en vermoedelijk ook om zijn mooie
karakter, dat het feit dat Eline niet op staande voet in zijn armen wil vallen,
in zijn ogen haar schuld aan haar ongeluk bewijst. Lukkenaer maakt een
onderscheid van dag en nacht tussen Otto en St. Clare. Het zou fout zijn dat ze
zich met Otto verloofde, omdat dit tegen haar persoonlijkheid ingaat, maar goed
als ze dat met St. Clare gedaan had. Daarbij gaat hij voorbij aan het vele dat
hiertegen spreekt.
Zoals de Piere (1974, 131) al heeft opgemerkt, is St. Clare
namelijk in karakter gelijk aan Otto, maar heeft hij bovendien een grotere
daadkracht. Ze hebben zoals we zullen zien ook vanuit Elines gezichtspunt veel
gemeen, en dat is wat speciaal telt. Dit wordt door Couperus niet
24
weersproken. Toen Eline voor Otto koos, koos ze ook voor een positieve figuur,
wat haar slecht bekomen is. Moet ze nu weer zoiets doen? Ze kan al weten dat het
haar niet helpt. Otto en St. Clare verschillen niet zodanig dat St. Clare wel
een uitkomst zou zijn. Otto ziet ze als 'mannelijk en flink in zijn hartelijken
eenvoud' (260) en dat is St. Clare ook. Dat Eline door haar verloving met Otto
een deel van haar karakter geweld aandoet, wordt in de roman duidelijk genoeg.
Daarom komt ze erop terug. Maar later met St. Clare trouwen zou even onoprecht
zijn. Dat haar verloving met Otto een fiasco is geworden, toont aan dat ze niet
voor het leven geschikt is. Hij wordt namelijk gepresenteerd als een prima kerel
die van haar houdt, iemand om op te bouwen. Het voornaamste verschil tussen Otto
en St. Clare is, als gezegd, dat deze laatste resoluter en ondernemender is, ook
tegenover haar, bijna opdringerig. Eline kan daarom denken dat ze meer aan hem
gehad zou hebben dan aan Otto, als ze hem eerder ontmoet had, omdat hij haar
meer overheerst zou hebben. Maar het is dubieus, omdat uit haar eerdere,
onbeheerste driftbuien blijkt dat ze vroeger geen overheersing wilde. Lukkenaer
neemt haar kwalijk dat ze in plaats van voor St. Clare te kiezen, over haar
verleden blijft tobben. Maar wanneer St. Clare haar aanspoort met haar verleden
te breken, beseft hij een frase geuit te hebben. 'Hij begreep dat de smart van
een verleden voor altijd brandmerken kon.' (494). Iets wat Lukkenaer niet
aanvaarden wil. Hij wijst het af dat zij aanvoert gebroken, een ruïne, te zijn.
Maar de St. Clare waarop hij zich beroept, acht het mogelijk dat Eline gelijk
heeft. En de lezer ziet dit vervolgens bevestigd.
Eline voert tegen St. Clares aanzoek aan dat ze er niet op in
kan gaan omdat ze indertijd Otto afschreef, hoewel ze van hem hield. En ze heeft
daar wroeging over (507/508). Dat zijn twee aparte redenen. Het idee dat ze
uitspint is, dat ze niet gelukkig mag worden omdat Otto misschien nog ongelukkig
is door haar eerdere afwijzing. Dit kan overspannen aandoen, maar zo is nu
eenmaal haar karakter. Ze heeft behoefte aan romantiseren en idealiseren. Haar
uitspraak dat ze niet op het nieuwe aanzoek in kan gaan omdat ze eerder iemand
afwees van wie ze hield vind ik een betere reden. Het zit erin dat dit zich zou
herhalen met St. Clare. Maar hoewel ze denkt dat het niet kan, wijst ze hem niet
af. Hij vraagt haar om haar definitieve antwoord tot na zijn reis, die vijf
maanden zal duren, uit te stellen, en daarmee gaat ze akkoord. Ik kan niets
fouts in haar gedrag zien. Het is vreemd genoeg nog verstandig ook. Enige
bedenktijd is nooit weg, zeker niet in een tijd waarin je moeilijk van een
huwelijk afkwam.
[4]
25
Illusie
Als St. Clare vertrokken is gaat Eline terug naar Den Haag en zakt psychisch
helemaal ineen. Ze beseft dat ze zich bij hem, hoewel ze oprecht was, toch heeft
opgeschroefd om niet uitgeput te lijken (543). Dit is iets dat zij zelf zo
voelt, maar ik wil er in het algemeen op wijzen dat we haar besef als juist
mogen beschouwen als het, zoals in dit geval, niet tegengesproken wordt door de
onzichtbare vertelinstantie, d.w.z. Couperus, noch door de omstandigheden.
[5]
Ze is willoos en kan niet meer doordenken, maar, becommentarieert Couperus: 'Die
dofheid verlichtte () haar melancholie, die, ware zij helder van hersenen
geweest, tot een onovertrefbare crizis zoû gestegen zijn' (544). Als dat zo is
maakt de gedachte aan St. Clare kennelijk niet veel uit. Wat voor zin zou het
dan hebben om hem te trouwen? Ze houdt niet in die mate van hem dat de gedachte
aan hem, die ze nog steeds zal kunnen krijgen als ze wil, haar overeind kan
houden. Hij is ook niet zo vaak in haar gedachten. Het is dus uiterst dubieus
dat zijn liefde veel verschil voor haar kan maken.
Ze begint Otto en St. Clare in gedachte te verwarren. Ze
lijken zoals gezegd inderdaad veel op elkaar. Ze voelt zich nutteloos, wat ze
ook werkelijk is, en is bang gek te worden. Ze denkt terug aan haar theatrale
illusies en speelt in haar eentje fragmenten van operarollen. Ze kan alleen
slapen door morfine, maar als ze bezoeken heeft afgelegd helpt ook dat middel
niet. In mei denkt ze weer aan St. Clare die binnenkort terugkomt van zijn reis.
Ze kan hem schrijven, hij zal komen en die gedachte maakt haar gelukkig en kalm.
Maar 'door de kalmte geheel tot zichzelve gebracht kon hare illusie niet lang
duren' (559). Het idee wordt door Couperus een illusie genoemd, en
hiermee wordt het oordeel dat St. Clare haar redding zou kunnen zijn door de
schrijver verworpen. St. Clare heeft haar lief uit medelijden, denkt ze. Dat is
aannemelijk, want hij heeft zijn intense medelijden uitgedrukt (494). Ze wil
haar verwelkte leven niet aan het zijne vastketenen. Tot haar laatste gedachten
behoort die aan Otto. 'Jij was het alleen, mijn Otto, niet Vincent, niet St.
Clare ()' (562/563). Die gedachte lijkt me ook juist. Otto was het breekpunt in
haar leven. Nadat het met hem is misgegaan heeft het voor haar weinig zin het in
haar uitgebluste staat nog eens met eenzelfde type man te proberen.
Waarom zou Couperus na Otto ook nog St. Clare in het spel hebben gebracht? Als we Elines gedachte dat hij eerder had moeten opdagen moeten geloven: om te laten uitkomen dat niemand Eline nog kan redden wanneer het moment daarvoor voorbij is, zelfs niet een nobel
26
en krachtig karakter als deze Amerikaan. Als we Elines idee niet aannemelijk
achten, kortweg: dat niemand haar kan redden. Je kunt vinden dat Couperus het
onvermijdelijke zo te sterk beklemtoont, maar zijn opzet is wel te verdedigen.
Bij herlezing viel me op hoe volledig hij is. Alle mogelijkheden die Eline
eventueel nog zou kunnen hebben, worden benut én uitgeput. Zo laat Couperus
haar, vóór de periode met St. Clare, ook nog een tijd bij de oude mevrouw Van
Raat wonen; ze zijn zeer op elkaar gesteld, maar ten slotte betekent deze vrouw
niets meer voor haar. Hierdoor moet ze, wanneer ze voor de laatste maal
terugkeert naar Den Haag, alleen op kamers gaan wonen. Omdat ze erg hoest door
een begin van tbc (416) is haar al een tijd door de dokter verboden om te
zingen, wat ze erg graag deed. Alles is haar afgenomen.
Eline gaat ten onder doordat ze zichzelf blijft. Als ze met
Otto was getrouwd had ze zichzelf verloochend en had ze misschien kunnen blijven
leven. Maar eerder in het boek is duidelijk gemaakt dat het haar onmogelijk is
met hem te trouwen. Het enige wat je uit de roman kunt leren is, dat je niet met
een Eline-karakter behept moet zijn, maar didactisch schiet je daar helaas niets
mee op. Couperus heeft een personage geschapen dat niet geschikt is voor het
gewone leven. Het door morfine 'in de dood inslapen' is voor Eline, die zonder
dat middel niet meer slapen kan, een passend einde en alles bij elkaar de enige
oplossing voor haar om uit haar lijden verlost te worden.
[6]
Lukkenaer meent, als gezegd, dat de personages die zich op het lot
beroepen dit uit 'kwade trouw' doen - om een term van Sartre te gebruiken. En
ook dat de schrijver aanduidt dat we het zo dienen op te vatten. Tegelijk
beklemtoont hij het naturalisme van Couperus. Dat is met elkaar in strijd. Als
Couperus een naturalist was - en dat neem ik onder eerder vermeld voorbehoud ook
aan - geloofde hij niet aan de vrije wil. Dan zal hij zeker niet bedoeld hebben
dat zijn personages die er evenmin aan geloven, te kwader trouw zijn. Sartre
beschouwt elk beroep op je karakter of lot om je daden te verontschuldigen als
een blijk van kwade trouw. Maar Sartre is dan ook de tegenpool van een
determinist; volgens zijn existentialistische filosofie, in zijn hoofdwerk
L'être et le néant (85-115) en het populair bedoelde
L'existentialisme est un humanisme (36-37), is ieder mens geheel vrij.
(Hij zegt het nog sterker: de mens is, bestaat uit, vrijheid.) Een mens heeft
volgens hem niet eens een karakter. Dat is iets dat je achteraf construeert.
Lukkenaer acht Couperus een naturalist en bekijkt zijn werk vervolgens alsof hij
het tegendeel daarvan, een Sartriaan, is.
27
De berg van licht of het ideaal van het androgyne
De interessante historische roman De berg van licht (met helaas te
veel beschrijvingskunst), die 17 jaar later verscheen, in drie delen in 1905 en
1906, is ook karakterfatalistisch maar deze trek is in minder sterke mate
gethematiseerd.
[7]
Couperus poogt hierin begrip te wekken voor een Romeinse keizer uit de derde
eeuw na Chr., bekend als Helegabalus (roepnaam Bassianus), die na een paar jaar
op de troon vermoord werd en die een slechte reputatie bij historici heeft,
vooral bij de antieke (zie Bastet, 1989, 324 e.v.). De opvallendste eigenschap
van deze androgyne keizer was zijn neiging zich als een vrouw te gedragen.
Lukkenaer betwijfelt dat het een noodlotstragedie is. Hij vraagt zich af of het
wel het antieke noodlot, als geheimzinnige, bovennatuurlijke macht de ondergang
van de hoofdpersoon bewerkt. Hij betoogt dan dat mensen schuldig zijn aan het
lot van Bassianus, zoals zijn grootmoeder. Erfelijke aanleg en zijn milieu
bepalen hem.
Zeker, dat is zo. Dat wordt hem noodlottig. Valkhoff (1936,
371) heeft het indertijd al goed gezien: Helegabalus is een tragische
noodlotsfiguur in zover hij door zijn natuur wordt overheerst. Lukkenaer (1989,
90) verwijst voor wat hij het verwarrende van zo'n begripsvermenging van noodlot
en natuur vindt naar zijn artikel van 1985, maar in dat artikel legt hij niets
daarover uit.
[8]
Het merkwaardige is dat hij de mogelijkheid van karakterfatalisme niet eens
bespreekt. Merkwaardig omdat het meer dan eens zo expliciet bij Couperus
geformuleerd wordt, en ook omdat Vriesendorp (1987) het in een artikel (dat hij
kent) formuleert als 'intern noodlot', waar onbeheersbare hartstocht een
sprekend voorbeeld van is. Maar voor de determinist is elke daad, ook de
weloverwogene, uiteraard een uiting van het karakter en behoort dus tot het lot.
Na deze korte algemene beschouwing weer terug naar de roman. De magiër Hydaspes ziet, wanneer de jonge Bassianus nog in Syrië woont, in de sterren het noodlot dat de jongen bedreigt (348). Overgeplant onder een andere hemel, die van Rome, zal Bassianus' ziel bederven en zal 'in wilde verwarring () een walm vol vergift () wekken'. Opvallend is dat twee pagina's eerder inhoudelijk precies hetzelfde gezegd is door de vertelinstantie: 'overgeplant zou zij [de ziel van Bassianus] noodlottig, kort maar hevig, vergiftigen zich, en allen, die zij bekoorde' (346). Couperus schrijft 'noodlottig'. Toen ik deze bladzijden las dacht ik dat hij zijn eigen verklaring artistiek gezien beter had kunnen weglaten. De herhaling van zijn eigen visie even later door Hydaspes stoorde me namelijk, maar hij wilde kennelijk aangeven dat hij zelf dacht wat hij
28
Hydaspes laat denken, en dat komt mij als interpretator nu goed van pas.
Lukkenaer acht het op zijn minst onwaarschijnlijk dat Couperus aan het noodlot
gelooft (1989, 92), maar zoals ik nu heb laten zien doet hij dat zeker in deze
roman, net als in Eline Vere en Noodlot. Daarom is Lukkenaers
mening dat de personages zich volgens Couperus ten onrechte op het noodlot
beroepen, om zich vrij te pleiten, ook onjuist.
Ook heeft de gelijkstelling van Bassianus' ziel met een bloem
in dit verband betekenis. Dat geeft aan dat die ziel in oorsprong heel wat moois
heeft, maar ook dat aan haar ontwikkeling geen vrije wil te pas zal komen.
Nu is de vraag nog waarom Bassianus naar Rome ging. Zelf
verlangt hij niet om keizer te worden; het is zijn grootmoeder die hem pousseert
en via hem de macht wil uitoefenen. Het antwoord is dat het zijn aard is haar in
dergelijke zaken te volgen. Zij is dominant en hij is nog pas vijftien jaar. Hij
wil wel onder haar juk uit komen, maar is nog niet zover, en weet het ook later
nooit geheel af te schudden. Bovendien kan hij in Rome de aanbidding van zijn
godheid, de zon, bevorderen. Wanneer hij niet meer gelooft in die mogelijkheid
wordt hij verleid door de liefde die de menigte hem toedraagt (290, 345, 353).
Zo is zijn gang naar Rome en daarmee zijn ondergang geheel verklaard.
In de uitwerking van dit levenslot wordt later het noodlot
weer beklemtoond als de wagenmenner Hierocles zijn minnaar wil worden. Kuiper
(1969, 18) meent dat Couperus nergens aanduidt wat het is dat deze man macht
over de keizer geeft en dat we het alleen maar aan de macht van het noodlot
kunnen toeschrijven, maar ik zal laten zien waarom het volgens Couperus zo moet.
Eerst vertelt deze dat Bassianus, die vroeger nog weifelde tussen mannelijk en
vrouwelijk, geheel vervrouwelijkt is. Dan ontmoet hij Hierocles, die zich aan
hem opdringt. Deze krachtige man is overtuigd dat Bassianus hem niet zal kunnen
weerstaan. En Bassianus beseft dit ondanks zijn aanvankelijk verzet ook. Deze
man zal zijn noodlot zijn (484). Hoofdzakelijk wordt zijn gevoel weergegeven, en
later dat van anderen, zoals zijn moeder, die het ook zo zien. Maar Couperus
bevestigt het eveneens. Eerst wat Bassianus voelt: 'Een angst voor zijn noodlot
beving het keizertje, dat zich plotseling heel klein en zwak voelde. In zijn
noodlot, wist hij, was deze man getreden.' En dan luidt het: 'Er was nog een
laatste poging in het kind zich lòs te rukken van het onvermijdelijke...' (487).
Deze uitlating is duidelijk een auctoriële beschrijving en oordeel; het is
Couperus die steeds beklemtoont dat de keizer nog maar een kind is. Wat volgt is
volgens hem onvermijdelijk. Even later is Hierocles Bassianus' minnaar, en de
smoorverliefde keizer trouwt zelfs met hem. Er is overigens al
29
eerder gezegd dat Bassianus dit onontwijkbaar noodlot ook niet wil ontwijken
(484). Is dit geen afstand nemen van het idee van het noodlot? Allerminst.
Bassianus is gelijk te stellen met een zwak vrouwtje. Hierocles is een brute
macho. In de visie van Couperus kan Bassianus niet anders dan voor zo'n
heersersnatuur vallen. Bassianus kan niet anders dan dat willen. We zagen al bij
St. Clare dat die zo denkt: ik wil het zo; ik kan niet anders.
Omdat Hierocles zo nadrukkelijk gepresenteerd wordt als het
noodlot van Bassianus, ga je verwachten dat deze man in de eerste plaats tot
diens ondergang zal leiden, maar dit is niet zo. Hierocles is slechts één van de
factoren die tot het spoedige einde van de keizer bijdragen. Door deze minnaar
wil Helegabalus nu keizer blijven in Rome en niet terug naar Syrië, waar de
machtsbeluste Hierocles hem naar hij vermoedt niet zal willen volgen. Maar wat
de ondergang inluidt is dat de keizer de hoogste van de Vestaalse maagden tot
een - voor hem tweede - huwelijk dwingt, en dat plan komt bij hemzelf op. Daarna
gaat het volk, dat zijn religie geschandvlekt ziet, hem uitschelden. Des te
opvallender is dan achteraf de nadruk die niettemin op Hierocles als het Noodlot
werd gelegd. Ik heb nu wel voldoende aangetoond dat niet enkel de personages een
karakterfatalistisch standpunt innemen maar dat de auteur dat ook doet.
[9]
Het verschil met Eline Vere is, dat Eline louter door haar eigen karakter
te gronde gaat, terwijl de Syriër Helegabalus ook nog botst met de hem vreemde
cultuur van het antieke Rome. Dat geeft zijn meer Romeins geaarde neef Alexianus
en diens aanhangers de kans de macht te grijpen. Anders dan bij Eline gaat het
met Bassianus mis omdat hij in Rome niet zichzelf kan blijven, en dit komt door
de inwerking van de omstandigheden op zijn karakter.
Begrip
Je hebt wat aan deze historisch-psychologische roman, en leest hem zoals hij
bedoeld is, als je je afvraagt: was deze keizer wel zo slecht als je op het
eerste gezicht zou denken, en vooral: hoe is hij zo geworden, is het mogelijk
iets van hem te begrijpen? Lukkenaer ziet wel in dat het Couperus ook om begrip
wekken gaat, maar hij leest dit boek 'ondermeer als een voorbeeld van slecht
ethisch, sociaal en politiek handelen ()'. Want volgens hem is Couperus, als
alle naturalisten in het spoor van Zola, ethisch, sociaal en politiek bewogen,
en via zijn werk, actief (ibid., 91). Couperus zou dus in sterke mate een
moralist zijn in deze roman. Nu mag je proberen hem zo te lezen, zoals elke
roman (vgl. Anbeek, 1978, 117-118), maar naar mijn idee heb je er dan niet veel
aan. Dat
30
bijvoorbeeld het vermoorden van baby's slecht is (er worden er een paar
omgebracht om de toekomst uit hun ingewanden te lezen), dat weten we wel. En
veel historici meenden ook te weten dat Helegabalus, een man die vaak als vrouw
verkleed rondliep, van geen kant deugde. Een moralistische lezing levert een
alledaags resultaat op.
Zo heeft het ook geen zin om Een nagelaten bekentenis
van de naturalist Emants te lezen om te leren dat het slecht is je vrouw te
vermoorden. Dat geloven we wel. Emants' uitgangspunt was de vraag: hoe kan het
zover komen? Is het begrijpelijk te maken?
Ik heb tot nu toe laten zien dat de ontkenning van het fatalisme van sommig werk van Couperus onlogisch en ernaast is. Maar niet elk werk van deze auteur is zo fatalistisch. De ontwikkeling van de hoofdpersoon van de roman Antiek Toerisme (1911) bijvoorbeeld wordt nauwelijks door het fatum bepaald, al is zijn ontluikend begrip, dat het geluk eruit bestaat zich te schikken in zijn noodlot, deel van deze ontwikkeling (123). De sfeer van de roman wordt sterk getekend door het verval van de oude Egyptische cultuur, die bedolven wordt door het woestijnzand. En dit verval is te wijten aan het Noodlot (98). In de hoofdpersoon vindt een ontwikkeling ten goede plaats, die Lukkenaer in zijn studie (1989) op verhelderende wijze schetst. De hoofdpersoon Lucius, een esthetisch aangelegde, steenrijke Romein, is zijn lievelingsslavin, die hij als een kunstobject behandelde, kwijt geraakt. Hij verliest aan het slot ook zijn rijkdom, maar komt tijdens zijn reis tot een ander inzicht via de Egyptische spreuk 'wees uw eigen godheid'. Het gaat hem niet meer om bezit. Hij vindt een nieuwe vrouw, die hij, naar de suggestie is, op een normalere manier zal beminnen, en wordt beeldhouwer op een Grieks eiland. Ook Antiek toerisme is overigens niet moralistisch. De gunstige ontwikkeling van de hoofdpersoon wordt terloops geschetst tussen de toeristische taferelen door en kan gemakkelijk over het hoofd gezien worden. Ethisch-didactisch zullen 99 van de 100 lezers er niets aan hebben, want afgezien van een gemaniëreerde kunstenaar zal wel niemand een zo dolgedraaide estheet zijn in de liefde als de hoofdpersoon in het begin (zie 13).
Het snoer der ontferming of het Boeddhisme
In de postuum verschenen publikatie Het snoer der ontferming en Japanse
legenden (1924), is het noodlot in veel verhalen weer prominent aanwezig.
Misschien lag dit al opgesloten in de stof die door Couperus bewerkt werd, maar
deze stof zal hij gekozen hebben wegens
31
innerlijke verwantschap, mijns inziens voornamelijk met het Boeddhistische
element erin.
Een toevoeging is wenselijk waarmee ik nog niet eerder kwam
omdat ze vanzelf spreekt: het noodlot kan ook uit uiterlijke omstandigheden
bestaan. Zo is in het verhaal 'De mieren' de voet van de wandelaar voor deze
diertjes het noodlot. Armoede kan voor iemand zijn noodlot zijn. In 'Nishiki,
dat is brokaat en Mikan, dat is oranje- appel' verhuurt Nishiki zich als
prostitué, omdat haar moeder en de andere kinderen gebrek lijden. Samen met de
even arme Mikan, die als priester ontslagen is omdat hij met haar naar bed gaat,
pleegt ze zelfmoord.
Vaak bestaat het noodlot uit een karakterneiging, die in
primitieve culturen een demon wordt genoemd, omdat ze zo sterk is en de persoon
erdoor bezeten lijkt. De demon van de nieuwsgierigheid brengt de
tempelbewaarster van 'De spiegel' ertoe in die spiegel te kijken. Dat is door de
goden verboden en wordt haar noodlot. De wellust is de demon (110) van de 'Jonge
pelgrim'. Deze kan er niets aan verhelpen dat hij zo overheersend de drang naar
de vrouw in zijn hart draagt (89). Daardoor kan hij, ondanks zijn opofferingen,
geen priester worden en hij verdrinkt zich. Vriesendorp (1987, 66) zegt dat
Couperus' bedoeling in dit verhaal onmiskenbaar is: de mens maakt hier zelf zijn
noodlot door natuurlijke verschijnselen, zoals seksualiteit, als zondig te
benoemen. Dat is wel zo, maar dit behoort tot het noodlot in de zin van
Couperus. De mens maakt, afgezien van natuurrampen en ziekte e.d., zijn eigen
(nood)lot, maar volgens het naturalisme is het gedetermineerd dat hij dat doet
op de wijze waarop hij het doet. En zijn opvattingen en conventies zijn ook
gedetermineerd en kunnen op hun beurt weer determinerende factoren zijn.
Iets ingewikkelder - maar nog altijd veel eenvoudiger dan in
Eline Vere - gaat het toe in 'Gompachi en Komurasaki'. Gompachi wordt
geïntroduceerd als een man van moeilijk te beheersen driften. Het meisje
Komurasaki waarschuwt hem voor rovers. Hij redt vervolgens het meisje, dat
daardoor verliefd op hem wordt, maar hij versmaadt haar. Later wil hij, als
dienstbare ridder in loondienst getreden van een rijk heer, de meest in tel
zijnde en duurste publieke vrouw bezitten. Dit blijkt Komurasaki te zijn, die
uit wraakzucht nu veel geld van hem eist. 'Toen verloor hij zich, als gedreven
door een noodlot ()' (184). Zij haat hem in liefde. Om haar te kunnen betalen
vermoordt hij een oude geisha. Hij wordt terechtgesteld en dan pleegt zij
zelfmoord. 'Hun beider hartstochten hebben voor eeuwig hun beider Karma's in
elkander vervlochten.' (197). Karma is het levenslot, zoals door reïncarnatie
bepaald.
32
In dit verhaal staat de volgende auctoriële uitlating: 'Een
bovenwereldse wil beheerst ons, mensen, wier levens kronkelen en golven als de
bergstromen ()' (195). Dit is opvallend, omdat meestal weinig van een
bovenwerelds noodlot blijkt bij Couperus en omdat de strekking van het nog niet
eerder genoemde verhaal 'De bittere wijsgeer' overduidelijk is dat de mens niets
van zo'n eventuele bovenwereldse wil kan weten. Beide protagonisten, de wijsgeer
en de god Jizo, zijn het daar over eens. Toch kun je, zoals ook uit dit verhaal
blijkt, wel aan zo'n wil geloven of het bestaan ervan vermoeden. Hier gaat op
wat Galle (1973, 102) zegt: dat het noodlot in later werk soms het karakter
krijgt van 'een periferische aanwezigheid, een benauwend raadsel'.
Erecode
Zoals bekend behoorde tot de cultuur van de Japanners dat men na bepaalde
vernederingen op rituele wijze zelfmoord behoorde te plegen. Dit was een
conventie die uiteraard (zie boven) ook tot het noodlot gerekend moet worden. In
de Tweede Wereldoorlog gaven Japanners zich doorgaans niet over, maar pleegden
als ze geen kans meer hadden zelfmoord of zelfmoordaanvallen. Wie zich wel
overgaf stond aan de diepste verachting bloot. De Westerlingen die de wapens
neerlegden na verslagen te zijn, hadden zwaar onder dit Japanse gevoelen te
lijden. Deze erecode speelt ook een rol in deze verhalen. Indirect in 'Taira en
Minamoto', dat gaat over de strijd tussen twee clans.
In dit verhaal wordt een jonge Taira-prins verslagen door de
Minamoto Kumagai. De prins eist van Kumagai dat hij hem doodt, omdat hij na de
schande van het overwonnen zijn niet terug kan keren naar de zijnen. Kumagai wil
dat niet, omdat de prins even jong is als zijn eigen gesneuvelde zoon. Maar de
prins zegt: 'Dood mij, beveel ik u! Gij hebt er het recht toe en het is uw
plicht!' (64). Kumagai 'neemt zijn zwaard als zijn Noodlot hem dwingt te doen in
deze ontzettende seconde' (64) en onthoofdt de prins. Zijn plicht gaat boven wat
hij wenst. De rest van zijn leven doet hij hier boete voor.
Volgens Vriesendorp (ibid., 67) wijst Couperus met het
woordje 'zijn' in 'zijn Noodlot' op de keuzemogelijkheid die Kumagai heeft. Dit
beweert ze terwijl er nota bene staat dat zijn Noodlot hem 'dwingt'. Zij kan wel
vinden dat Kumagai vrij is, maar Couperus vindt van niet. Kumagais gedrag hangt
samen met een dwingende gedragscode: hij heeft de plicht de jonge prins te doden
als die erom vraagt. Dergelijke codes, die verinnerlijkt zijn, maken ook deel
uit van het Couperiaanse noodlot. Omdat Kumagai berouw krijgt meent Vriesendorp
dat hij de verkeerde keuze heeft gemaakt. Couperus zou, als een moralist, heel
33
duidelijk de morele implicaties van verkeerd handelen laten zien. 'Het noodlot
is de kapstok waaraan de misdaad van Kumagai wordt opgehangen', denkt ze (67),
op dezelf- de wijze als Lukkenaer. Dat is niet zo. Kumagai werd door zijn
Noodlot gedwongen zoals Couperus zegt, hoewel hij het op het moment zelf al niet
wilde. Het tragische is de botsing tussen de erecode, die zijn plicht
voorschrijft, en zijn gevoel. Wat voor hem als krijger een plicht was, is echter
voor de Boeddhistische monnik die hij wordt een misdaad.
Een zwaar met noodlot geladen verhaal is 'De koelie'. Deze
koelie is de minnaar van een voorname dame. Hij is echter ook de te vondeling
gelegde stiefbroer van haar echtgenoot. Dit is de reden dat de echtgenoot hem
niet kan negeren zoals hij met een laagstaand persoon als een koelie zou hebben
gedaan. Dan zou hij alleen zijn vrouw hebben gedood. Nu is het het noodlot,
noodzakelijk en onvermijdelijk, zoals het heet, dat ze alle drie zelfmoord
plegen (170). Dit verhaal eindigt met een lied van de koelies over het noodlot,
waaraan men niet kan ontkomen. Couperus legt het noodlot er hier wel erg dik op,
maar dit zal hij nodig gevonden hebben juist omdat wij Westerlingen de dwang van
de erecode in dit geval niet kunnen aanvoelen.
Mededogen
In de dialoog tussen 'De bittere wijsgeer' en de god Jizo is die - niet zo erg
hoge - god het eens met de wijsgeer: 'Vermoedelijk is geheel deze wanorde en
chaos - want méér kan ik vooral in deze wereld van het aardse bestaan der mensen
niet zien - een onvermijdelijke vergissing van grotere goden en machten geweest,
die dit noodlottiglijk schiepen en toen het geschapen was, eerst zagen de
verschrikkelijkheid, die zij hadden verwekt, maar die toch niet anders hadden
gekùnd ()' (212, cursivering van mij). De god weet het ook niet precies en
meent dat je er maar het beste van moet maken, omdat de wereld nu eenmaal
bestaat. In elk geval kun je er niet achter komen waarom je bestaat en waarom
het leven in de kern zo'n verschrikking is. De god verwoordt de boodschap die
vermoedelijk die van Couperus is: waardeer momenten van schoonheid; doe wat je
te doen staat op de best mogelijke manier. Daarom meen ik ook de aangehaalde
passage over het noodlottige, onvermijdelijke van het bestaan van de wereld als
zijn mening te kunnen opvatten.
Door de goden wordt medelijden getoond met de slachtoffers
van het noodlot. Er zijn Bodhisatwa's, die het Nirwana niet binnen willen gaan
totdat alle stervelingen dat ook kunnen, zoals Amida, de Stralende; er is Jizo,
de lieflijke god voor kinderen en vermoeiden; de moederlijke
34
Kwannon, met haar duizend erbarmende handen (7, 47, 197). Deze goden ontfermen
zich na hun dood over veel ongelukkigen, ook als ze gezondigd hebben,
bijvoorbeeld in 'De spiegel'. Maar als de zonde te erg was, zoals roofmoord om
een courtisane te kunnen betalen, weet je dat niet zeker. 'Wellicht zijn zij [de
Goden] deze twee dolende zielen van hartstocht tot toeverlaat en tot genade en
vermurwen hun goddelijke beden het vreeslijke Noodlot zelve en de onafweêrbare
Noodwendigheid, die ons allen beheerst.' (198). Het noodlot staat dus nog boven
de goden.
Volgens Vriesendorp zou Couperus zelf niet in een noodlot
geloven: geen gelatenheid, maar mededogen kenmerkt de visie die in de verhalen
tot uiting komt (ibid., 73). Geloof in een noodlot en mededogen vormen echter
geen tegenstelling: het mededogen ligt juist in het verlengde van het geloof in
het noodlot. Als de mens een vrije wil had, zou je als het misgaat tegen hem
kunnen zeggen: eigen schuld, had je maar anders moeten doen. Wanneer je in een
noodlot gelooft, wordt het moeilijker zo te oordelen.
De mens kan in deze verhalen niet precies weten wat zonde is.
Zelfmoord mag niet van Boeddha, maar wie zondig of zondeloos is, is dat toch
slechts 'volgens armelijk mensbegrip' (116). Kwannon, godin der Genade, ontfermt
zich over een ziel als het gaat om 'wat zonde de mensen noemen maar wat de goden
noemen met namen, die wij, onwetende stervelingen, nimmer zullen verstaan.'
(132). Het idee van zondigheid wordt dus sterk gerelativeerd, maar dat is geen
relativering van het noodlot. Want mensen geloven soms zelf aan de zonde of
hebben te maken met anderen die dat doen, en dat wordt dan hun noodlot.
Zo blijkt de schrijver Couperus vanaf zijn eerste roman
Eline Vere
tot zijn laatste werk dezelfde overtuiging behouden te hebben, al is daarbinnen
enige verschuiving te bespeuren (zie Galle 1973).
[10]
Hoe
kan iemand die de bundel goed gelezen heeft, zoals Vriesendorp, toch het
fatalisme dat deze verhalen tot in elke porie doordringt, ontkennen? Zij beroept
zich op de al door mij bekritiseerde opvatting van Lukkenaer dat determinisme
geen fatalisme impliceert. Verder komt het door haar definitie van 'noodlot' die
ze vooropzet. Daaronder verstaat ze 'een strikt autonome macht die het menselijk
leven dirigeert en als zodanig individuele keuzemogelijkheden uitsluit.' (65).
Volgens deze definitie is Couperus overwegend geen fatalist. Ze doet net als
Lukkenaer, die, behalve deze definitie (1989, 87), ook, zoals we zagen, een
andere hanteert - die van het gewone fatalisme - volgens welke Couperus het
evenmin is. Eigenlijk zouden beiden Couperus ernstig de les moeten lezen omdat
hij zo vaak het woord 'noodlot' laat vallen,
35
hoewel hij zo vervelend doet daarmee impliciet van hun definities af te wijken.
Een betere aanpak is echter te kijken wat een begrip als 'noodlot' voor een
schrijver inhoudt, en dat te accepteren wanneer het geen onzin is. Op die manier
doe je de schrijver recht.
Vriesendorps conclusie is dat Couperus het menselijk bestaan
beschrijft als vrijheid in gebondenheid. Dat is, zoals ik aan de hand van enkele
verhalen heb laten zien, niet aanvaardbaar. Couperus' erkenning van die
relatieve vrijheid vloeit volgens haar logisch voort uit zijn ontkenning van een
hoger dirigerend principe. Juist in deze bundel ontkent hij dat niet, maar laat
het in het midden, en verder is haar gevolgtrekking ook helemaal niet logisch.
Als de mens volkomen gedetermineerd is, net zoals dieren en planten, heeft de
mens geen vrije wil. Spinoza (1677, dl I, St. 32, 46) erkende ook geen hoger
principe dan de natuur - hij stelde God en de natuur gelijk aan elkaar - en
juist omdat de mens volgens hem een part is van deze natuur is de mens onvrij.
'Ik doe wat ik doen moet'
Wanneer iemand zich in zijn fictie een fatalist of anderszins toont, zal hij dat
ook daarbuiten doorgaans zijn. Een uitzondering kan zich voordoen als de auteur
in een dictatuur leeft of louter voor geld schrijft (zie Marres 1983, 20).
Gewoonlijk zal hij echter zijn eigen visie op de wereld in zijn fictie
uitbeelden. Hierboven heb ik aangetoond dat de auctoriële vertelinstantie in
Couperus' werk, Couperus als schrijver, in het noodlot gelooft. In het verlengde
hiervan is het in deze tijd, waarin sommigen de vertelinstantie en de mens uit
elkaar willen halen, de moeite waard om te laten zien dat de mens Couperus er
evenzeer aan geloofde. In 'De ring en de prins' (1957, VII, 637) verklaart hij:
'Ik ben zelve ook fatalist, in zekere mate. Ik geloof wel aan een onoverkomelijk
noodlot, dat heerst over onze levens; ik geloof aan de onoverkomelijkheid en de
onvermijdelijkheid, maar dat geloof heeft mij nooit gedrukt ()'. Dan zegt hij
dat dit komt door zijn blijmoedige natuur 'trots vele vroegere ogenblikken van
diepe melancholie, om in wanhoop neer te krimpen onder die druk van het
noodlot.' (Vroeger heeft het hem dus eigenlijk wèl zo nu en dan zwaar gedrukt!).
Tegen gebruik van dit citaat zullen sommigen inbrengen dat dit ontleend is aan
een verhaal dat als fictie opgevat kan worden, en dat de ik-verteller ook een
fictieve figuur is. Dit laatste is een onjuist dogma. Of hij dat al of niet is
hangt van de conventies van een tijdperk af. De auctoriële ik-verteller was
vroeger lang niet altijd gefictionaliseerd, en is het hoogst waarschijnlijk niet
in dit citaat.
Maar hoe dit ook zij, er is ook te citeren uit de 'Brieven
van een
36
nutteloze toeschouwer'. Couperus was in augustus 1914, toen de Eerste
Wereldoorlog was uitgebroken, in München en becommentarieert (1957, IX, 555):
'De Daad, de Tragische Daad, waartoe gedwongen werd een tragisch volk, waartoe
het gestuwd werd door de Noodlot tigheden: het grote Wiel rolt af de hellende
weg en niéts is meer, zelfs door goddelijke Machten, te wenden aan de
Onafwendbaarheid...' Het beeld van het rollende Wiel stamt uit het fatalistische
Boeddhisme. In het volgende komt nog een keer 'noodlottige greep' voor en een
Heros over wie hij zegt 'hoe tragischer hij is, hoe heviger hem het Noodlot
straffen zal...'. In dit citaat gaat het niet om karakterfatalisme; de
wereldoorlog wordt gezien als een bovenindividueel gebeuren.
Een zuivere uiting van karakterfatalisme treffen we aan in
het opstel 'Hoe een roman geschreven wordt' (1957, XII, 47). Daarin zegt
Couperus dat hij er zelf weinig aan kan doen dat hij romans schrijft. 'Ik kan
het eenvoudig soms niet laten. () Ik doe wat ik doen moet en ik schrijf
de romans, die ik schrijven moet.' (cursivering van mij). Er is dus geen
verschil tussen de auctoriële vertelinstantie in Couperus' werk en Couperus
zelf. Het is heel begrijpelijk dat Couperus, die vermoedelijk homofiel was in
een tijdperk waarin deze neiging als verwerpelijk werd veroordeeld, dit lot als
een noodlot ervoer, in elk geval gedurende een tijd. Door zijn geaardheid zal
hij gedisponeerd zijn geweest bepaalde consequenties van het naturalisme te
aanvaarden en nog te verscherpen.
* Ik dank Herman Verhaar en dr. Peter Schmitz voor het maken van kritische kanttekeningen bij dit stuk.
| Noten | |
| 1. | Ik ben het eens met Luger en Lodders (1986, p.137) dat het voor de hand ligt de nadruk op determinerende factoren tot beslissende voorwaarde te maken voor de vraag of een boek naturalistisch is, al is ook dit niet geheel onproblematisch. |
| 2. | Mijn beschouwing over deze roman en De berg van licht is als een aanvulling op het artikel van Drop (1963) te beschouwen, en omgekeerd. Drop maakt veel werk van vooruitwijzingen. Hij gaat nauwelijks in op de periode van Eline met St. Clare en daarna, wat ik wel uitgebreid doe. |
| 3. | Klein en Ruijs (1981, p.29-30) gaan nog verder in op de rol die de erfelijkheid speelt. Eline aardt naar haar vader, en ook Vincent lijkt op hem. |
| 4. | Lukkenaer schreef me hierover dat het leuk is om aan te geven dat St. Clare geen goede echtgenoot voor Eline zou zijn gewoprden maar dat dit irrelevant is, omdat het buiten het boek ligt. Daar lijkt wat in te zitten, maar met zijn eigen stelling dat Eline fout doet door niet met deze man te trouwen, waardoor zij haar ondergang had kunnen voorkomen, heeft hij zichzelf reeds buiten het boek begeven. Ik volg hem op dit hachelijke pad om aan te vechten dat ze zich op die manier had kunnen redden. Het gaat hierbij om de vraag of haar lot door Couperus in de roman als |
| onvermijdelijk wordt voorgesteld. (Ik betoog overigens niet dat St. Clare geen goede echtgenoot zou zijn, maar dat ook dit haar niet geholpen zou hebben.) | |
| 5. | Dat deze vertelinstantie de auteur is, heb ik betoogd in mijn studie 1983, p.10-24. |
| 6. | Hiermee wil ik niet ontkennen dat een Eline-karakter in de moderne tijd eventueel met succes behandeld zou kunnen worden (zie De Jonghe). In het milieu waarin Eline leeft is echter elke uitweg afgesneden. |
| 7. | Met Goedegebuure (1987, hs. 4) reken ik deze roman tot de stroming van de decadentie, maar dit sluit deterministische verklaringen van de ondergang, zoals het naturalisme ze pleegt te geven, niet uit. |
| 8. | Lukkenaer deelde me mee te bedoelen dat je metafysisch noodlot en aardse natuur niet moet verwarren. Ik ben het ermee eens dat ze onderscheiden dienen te worden, al kunnen ze verbonden zijn doordat bijvoorbeeld de aardse natuur en het lot worden gepresenteerd als astrologisch bepaald. Maar hoe dan ook, Couperus stelt het in veel werk zo voor dat de aardse natuur iemands niet-metafysische (nood)lot is. |
| 9. | Drop (1963, p.303) stelt dat het noodlot in deze roman 'meer de trekken van een metafysische macht krijgt.' Lukkenaer (1989, p.90) meent dit weerlegd te hebben door op determinerende factoren te wijzen. Maar dit is niet voldoende. Drop wijst namelijk op het geloof van de astroloog Hydaspes in het begin dat het Noodlot almachtig is, waardoor het hele gebeuren in het teken hiervan komt te staan. Dit is wel zo. Toch gaat ook mij Drops uitlating dat het noodlot in deze roman een mysterieuze macht is (p.304) te ver. Het gaat alleen voor Hydaspes'opvatting en voorspellende vermogen op. |
| 10. | Het is de moeite waard erop te wijzen dat het noodlot voor Anton Wachter, het alter ego van Simon Vestdijk, bestaat uit een mengsel van karakter, toeval en voorbeschikking door de sterren (Marres, 1983, p.150-151). Dit verschilt niet zoveel van het noodlot bij Couperus. Erfelijkheid ontbreekt echter bij Anton. 'Toeval' lijkt ervan af te wijken, maar dit hoeft niet. Anton ontkent niet dat een toevallige ontmoeting veroorzaakt is, maar gaat uit van zichzelf, en dan kan het in het kader van zijn leven toevallig lijken. |
Bibliografie
Anbeek, T. 1978 De schrijver tussen de coulissen. Amsterdam.
Bastet, F. 19893 Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam.
Bogaerts, Th. 1969 De antieke wereld van Louis Couperus. Amsterdam.
Couperus, L. 1957 Verzamelde werken. Amsterdam/Antwerpen.
Couperus, L. 1988 Eline Vere, Een Haagsche roman. (1888). Volledige
werken Louis Couperus 3, Utrecht/Antwerpen.
Couperus, L. 1975 De berg van licht. (1905-1906), Verzamelde werken VI,
Amsterdam.
Couperus, L. 1987 Antiek toerisme, Roman uit Oud-Egypte. (1911).
Volledige werken Louis Couperus 30, Utrecht/Antwerpen.
Couperus, L. 1984 Het snoer der ontferming en Japanse legenden. (1924).
Met een nawoord van F.L. Bastet. Amsterdam.
Drop, W. 1963 'Noodlot en romanstructuur bij Louis Couperus'.
Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 79, 288-
305.
Galle, M. 1973 Van gedroomd minnen tot ons dwaze bestaan. Het noodlot in het
werk van Louis Couperus. Hasselt.
Goedegebuure, J. 1987 Decadentie en literatuur. Amsterdam.
Jonghe, F. de Eline Vere bij de psychiater. Bloemendaal z.j.
Klein, M. & Ruijs, H. 1981 Over Eline Vere van Louis Couperus. Amsterdam.
Kuiper, W.E.J. 19692 Couperus en de oudheid, gevolgd door enkele
brieven van Louis Couperus. Amsterdam.
Luger, B. en Lodders, G. 1986 'Naturalisme'. In: Twee eeuwen
literatuurgeschiedenis. Poëticale opvattingen in de Nederlandse literatuur,
red. G.J. van Bork/N. Laan. Groningen.
Lukkenaer, W.J. 1985 'In het voetspoor van Zola. Couperus als naturalist'.
Bzzlletin 129.
Lukkenaer, W.J. 1987 'Eline Vere na 100 jaar. Couperus en het noodlot'.
Bzzlletin 151.
Lukkenaer, W.J. 1989 De omrankte staf. Couperus' Antieke werk deel 1: van
'Dionysos t/m 'Herakles'. Katwijk Z.H. (diss. Rijksuniversiteit Leiden).
Marres, R.F.M. 1983 De vertelsituatie en de hoofdmotieven in de Anton Wachter
cyclus van S. Vestdijk. Amsterdam.
Piere, J. de 1974 'Verteller en gezichtshoek. Een benadering aan de hand van
Couperus' Eline Vere'. Spiegel der Letteren 16, 119-133.
Sartre, J.-P. 1962 L'existentialisme est un humanisme. Paris.
Sartre, J.-P. 1963 L'être et le néant. Paris.
Schopenhauer, A. 1841 Die beiden Grundprobleme der Ethik.
In:
Sämtliche Werke III, Leipzig z.j.
Spinoza, B. de 1677 Ethica. Vert. N. van Suchtelen, Amsterdam 1979.
Valkhoff, P. 1936 'Couperus en Lombard'. De Gids, I, 357-372.
Verhaar, H. 1977 'Louis Couperus als naturalist'. Tirade, nr. 223, jg.
21, 169-179.
Vriesendorp-Gijsbers, J. 1987 'Het snoer van ontferming, Verhalen van een
fatalist?' Bzzlletin 151, 65-74.
(Uit: René Marres. Polemische interpretaties. Van Louis Couperus tot W.F. Hermans. BZZTôH. 's-Gravenhage 1992, p.17-38.)