Een reactie op Piet Kralt
Karakterfatalisme bij Couperus

'Anangkè (Noodlot)'. Lithografie uit 1892 van R.N. Roland Holst  

In zijn artikel ‘Couperus: fatalist of anti-fatalist?’, gepubliceerd in het vorige nummer van Arabesken, levert Piet Kralt kritiek op enkele onderzoekers die zich eerder met dit vraagstuk hebben beziggehouden. Eén van hen is René Marres, die stelt dat Couperus geen fatalist in gewone zin des woords is, maar een karakterfatalist.

DOOR 

In zijn interessante artikel verwijst Kralt naar mijn publicatie ‘Naturalisme en karakterfatalisme bij Couperus’ [1] en bekritiseert enkele aspecten ervan. Ik zou daarmee in discussie willen gaan, maar het lijkt me nodig eerst de betekenis van fatalisme en karakterfatalisme aan te duiden.
    Fatalisme in gewone zin houdt, zoals bekend, in dat het voor het lot dat je te wachten staat niets uitmaakt wat je doet. Het mag duidelijk zijn dat dit alleen voor sommige mensen in sommige situaties een houdbaar idee is, maar vaak niet. Het maakt doorgaans heel wat uit of men zich voorbereidt op een examen, behalve als iemand zo knap is of zo dom dat hij of zij hoe dan ook zal slagen of zakken.
    Karakterfatalisme, zoals ik het omschreef op grond van Couperus’ werk, is iets anders dan het gewone fatalisme, namelijk: iemand heeft een bepaald karakter meegekregen dat hij of zij nu eenmaal heeft en daar kan hij/zij niet buiten treden. Iemand kan zijn karakter niet veranderen, al kunnen omstandigheden dat eventueel wel. Theoretisch gezien kun je het evengoed karakterdeterminisme noemen, zoals De Piere doet in zijn stuk over Eline Vere. [2] Het karakter is geheel door het verleden bepaald en blijft zo, indien er geen nieuwe oorzaken op inwerken. ‘Determinisme’ klinkt vermoedelijk minder beladen, maar in Couperus’ romans is deze gedetermineerdheid dikwijls niet alleen een lot, maar een noodlot, omdat het lot tot de ondergang leidt. Dit is vaak het soort fatalisme in zijn romans. Behalve dat iemand gedreven wordt door zijn eigen karakter impliceert het dat de anderen met wie hij of zij te maken heeft op dezelfde manier gedreven worden en ook zijn of haar noodlot kunnen mede bepalen. Zo bepaalt Elines neef Vincent Vere mede haar lot. Dit karakterfatalisme wordt het meest expliciet verwoord in Couperus’ tweede roman Noodlot.

Depressie
Over Eline betoogde ik dat Couperus het zo voorstelt dat zij ondergaat door haar karakter, waar zij niets aan kan doen, terwijl anderen haar evenmin kunnen redden.
    Nu is een van de eerste kritiekpunten van Kralt: ‘Marres verzuimt te vermelden dat Eline aan een depressie lijdt. Die ziekte, constateert psychiater Frans de Jonghe, heeft haar het leven gekost. Het is dus geen kwestie van karakter, tenzij men de vatbaarheid voor depressies een karaktertrek noemt. Maar dat lijkt mij niet juist.’ [3]
    Inderdaad heb ik in mijn artikel Eline niet depressief genoemd. Maar in plaats daarvan haalde ik iets aan dat hetzelfde uitdrukt: ‘Die dofheid verlichtte (…) haar melancholie, die, ware zij helder van hersenen geweest, tot een onovertrefbare crizis zoû gestegen zijn.’ [4] ‘Melancholie’ was eeuwen lang het woord voor depressie. [5] Ik heb het dus Couperus zelf laten zeggen. Het woord betekent volgens de van Dale zwaarmoedigheid,

33
droefgeestigheid en in tweede instantie depressieve toestand. Couperus schrijft dan ook over Elines ‘droefgeestige zwaarmoedigheid’. Eline koestert die vooral over haar verleden waarin het mis ging. En het loopt, zoals we weten, op een crisis uit, zij het dus niet op een van het denken, waarop Couperus zinspeelt. Tot doordenken van haar situatie is zij niet meer in staat.
    Het lijkt me dat het de meeste lezers niet ontgaan zal dat Eline in het laatste gedeelte zo constant moedeloos en terneergeslagen is dat je het een depressie kunt noemen. Dit op te merken is dan ook niet de verdienste van De Jonghe in Eline Vere bij de psychiater, maar wel dat hij het niet bij deze indruk liet, maar het systematisch en wetenschappelijk verantwoord heeft aangetoond.
    Kralt zegt niet waarom hij het onjuist vindt vatbaarheid voor depressies een karaktertrek te noemen. Wellicht omdat hij geestesziekten als depressie gelijkstelt met lichamelijke ziekten, die geen karaktertrek zijn. Maar geestesziekten, althans sommige daarvan, zoals depressie en paranoia, zijn te onderscheiden van lichamelijke, omdat ze slechts gradueel verschillen van gewone gevoelens als gedeprimeerd of wantrouwend zijn en daardoor te begrijpen zijn. Zoals De Jonghe zegt: ‘De depressie is niet een ziektebeeld dat scherp gescheiden is van de normaliteit’. [6]
    Hij merkt niet alleen depressie bij Eline op, maar ook wat hij noemt persoonlijkheidsstoornissen, onder andere theatraal en narcistisch zijn. ‘Persoonlijkheidstoornissen’ betekent hetzelfde als karakterstoornissen. Haar depressie vloeit hieruit voort en is een verheviging van gevoelens die ze vroeger al had, die ook De Jonghe nog als normaal bestempelt, en behoort daarom mijns inziens tot haar karakter.
    Dit is uiteraard een discussiepunt, maar ik zou dit willen volhouden omdat haar ontwikkeling tot op het laatste moment op aanvoelbare wijze is voorgesteld. Zij heeft beweegredenen om depressief te zijn. Kort gezegd: haar liefdesleven is mislukt en heeft geen toekomst meer. Ik wil niet opnieuw haar hele karakterinstelling schetsen, maar er slechts op wijzen dat ze een onverbeterlijke romantica is, die het alledaagse leven veel te banaal vindt en die breekt met de aardige, betrouwbare man met wie ze verloofd is omdat zijn onverstoorbare bedaardheid haar tot gekmakens toe irriteert en ook omdat ze zich verbeeldt dat de in haar ogen mysterieuze Vincent op haar verliefd is. Vooral daardoor komt ze alleen te staan en daar kan ze niet tegen; ze voelt zich nutteloos.
    Ik betwijfel dat de treurnis, die voortvloeit uit haar ongewone instelling, een ziekte is, want De Jonghe vindt dat omdat haar gedeprimeerdheid te ver gaat, te sterk is en daarom abnormaal. Hij stelt: ‘Ook haar ongelukkige liefdes leiden niet tot een normaal proces van verliesverwerking.’ [7] Maar wat is normaal, wat is abnormaal? In het oordeel daarover spelen de heersende normen van een bepaalde maatschappij in een bepaald tijdperk mee, die voortdurend veranderen. Maar als men haar depressie als een ziekte wil zien, dan behoort die tot haar karakter.

Verandering van karakter
Verder zegt Kralt dat de levensinstelling van Vincent, die behalve determinist ook fatalist in gewone zin is, onder invloed van zijn Amerikaanse vriend Lawrence St. Clare ‘radicaal veranderd’ is, en ‘dat lijkt tegen Marres’ theorie van Couperus als karakterfatalist te pleiten, al ligt het er natuurlijk aan hoe men het begrip “karakter” interpreteert.’ [8] Verandert Vincent zo sterk? Hij heeft na zijn verblijf in Den Haag in New York gedurende korte tijd een baan als boekhouder, daartoe gedwongen door geldnood, laat zich dan, ziek geworden, vertroetelen door St. Clare en maakt daarna een lange reis met hem. In hoever-

34
re is dat een verandering? Vincent is opgekikkerd door de zorg die St. Clare aan hem besteedt en de luxe die deze hem verschaft, dat wel. Maar verder? Vincent heeft altijd van zwerven gehouden, wat hij door St. Clare kan doen. Kralt haalt aan dat hij volgens St. Clare weliswaar lichamelijk zwak is, maar dat er energie en werkkracht in hem schuilen. Een mooie gedachte van deze optimist, die liefst het beste van iemand denkt, maar het komt niet uit in wat Vincent laat zien en voor zo’n reis is geen werkkracht nodig. Zoals St. Clare zelf zegt, Vincent hoeft alleen maar zijn pelsjas aan te trekken en in een wagon te gaan zitten. De rest zal weldoener St. Clare wel regelen. Vincent blijft de parasiet die hij is. Eerst leefde hij een tijd lang voornamelijk op de zak van de Veres, zo schijnt het, daarna op die van St. Clare. Die laatste zegt ook dat Vincent – nog steeds – de fatalistische overtuiging heeft dat er niets te doen is tegen iemands noodlot. [9] Anders dan Kralt denkt, is Vincent dus in elk geval niet radicaal veranderd, noch in levensstijl, noch in opvatting.
    Van Vincents fatalisme kun je zeggen dat het aansluit bij zijn indolentie. Wanneer je meent, zoals Kralt doet in het spoor van W.J. Lukkenaer, dat het een slecht excuus is voor zijn meestal niets uitvoeren, ga je er vanuit dat hij zijn karakter zou kunnen veranderen, maar waar blijkt dat uit in de roman? Ik zou het niet weten. Over Eline blijkt onmiskenbaar dat zij het niet kan. Waarom zou de lethargische Vincent dat dan wel kunnen?
    Overigens sluit het karakterfatalisme van Couperus gedragsverandering niet uit. Over deze kwestie schreef ik dat je het ook karakterdeterminisme kunt noemen en daarom: ‘Dit karakterfatalisme sluit overigens niet uit dat het karakter veranderd wordt door de omstandigheden van een ander milieu die erop gaan inwerken of dat het zich tenminste anders dan voordien gaat uiten. Dat zullen we met name zien in de roman De berg van licht. De manier waarop dat gebeurt is gedetermineerd, je kunt daar zelf niets aan doen. Nieuwe omstandigheden werken in op het bestaande karakter en dan ontstaat als product een verandering ervan of althans ander gedrag.’ [10]
    Met de jonge androgyne keizer in deze roman loopt het namelijk spaak door zijn overplaatsing van Syrië naar Rome, die, naar de verteller zegt, zijn ziel vergiftigt, en door zijn dominante Romeinse minnaar Hierocles, die zijn noodlot bezegelt.

Karakterfatalisme van St. Clare en Couperus
Kralt vraagt zich in de titel van zijn stuk af of Couperus al of niet fatalist was en zegt terecht dat het begrip nog wel eens van betekenis wisselt. Hij stelt in zijn conclusie dat het niet met zekerheid te zeggen is of Couperus een fatalist was, want ‘Zijn romanpersonages verschillen op dit punt radicaal van mening. St. Clare zegt dat noodlot slechts een woord is en dat ieder mens zijn eigen noodlot maakt.’ Hij besluit met Luc Dirikx aan te halen die in zijn studie over Louis Couperus en het decadentisme meent dat het in het oeuvre van Couperus steeds duidelijker wordt dat de mens potentieel vrij is. [11]
    Datgene wat de daadkrachtige St. Clare verwerpt is evenwel het gewone fatalisme, dat Vincent aanhangt, inhoudend dat het niets uitmaakt wat je doet. St. Clare brengt daar tegenin dat je door je daden je lot schept. Maar hij is ook een karakterfatalist. Hij is dat ten opzichte van Eline en voor zichzelf. Over Eline zegt hij: ‘Je bent te zwak om jezelve het te maken. Laat mij je noodlot maken.’ Eline is te zwak. Daaraan kan ze niets veranderen. Nog sterker, al vroeg is St. Clare wanhopig omdat hij voelt niets voor haar te kunnen doen. Dit komt ondermeer omdat er zo’n hopeloze krachteloosheid uit haar woorden klinkt. [12] Zij kan niet anders zijn dan zij is.

35
Wat betreft zichzelf verantwoordt hij een beslissing die hij nam, waaraan getwijfeld wordt, met ‘Ik kan nu eenmaal niet anders. Ik wil het zoo!’. [13] Hij vindt kennelijk – met de deterministische filosoof Arthur Schopenhauer – dat hij niet anders kan willen dan hij wil en dus niet anders kan handelen.
    Kralt beroept zich op Dirikx, maar die toont niet aan wat hij beweert. Ik liet in mijn eerdere artikel zien dat Couperus karakterfatalist is vanaf zijn eerste roman tot en met het postuum verschenen boek, Het snoer der ontferming en Japansche legenden. [14] Dirikx brengt tegen fatalistzijn van Couperus in dat in een van de verhalen van deze bundel een godheid tegen een bittere wijsgeer zegt dat het beter zou zijn dat hij wat doet en hem wijs noemt wanneer hij handelt. [15] Maar dit is slechts tegen het fatalisme in gewone zin gericht, zoals ook St. Clare dat is. In deze bundel druipt het onontkoombare noodlot er van alle kanten in diverse vormen vanaf. Bijvoorbeeld, armoede kan iemands noodlot zijn, maar natuurlijk in samenhang met iemands karakter dat erop reageert. Ook hier is het noodlot echter geregeld zuiver een karakterneiging, die in primitieve culturen een demon wordt genoemd omdat de persoon er door bezeten lijkt, zoals nieuwsgierigheid of wellust of een erecode die dwingend wordt genoemd: ‘Kumagai neemt zijn zwaard als zijn Noodlot hem dwingt te doen (…)’ [16] De personages in deze verhalen worden niet als vrij voorgesteld, ook niet als potentieel vrij.
    Laat ik afronden met een karakterfatalistische uitlating van de grote schrijver zelf, in het opstel ‘Hoe een roman wordt geschreven’. [17] Daarin zegt Couperus dat hij er weinig aan kan doen dat hij romans schrijft: ‘Ik kan het eenvoudig soms niet laten. (…) Ik doe wat ik doen moet en ik schrijf den roman, dien ik schrijven moet.’ [Cursivering van mij, RM.] Hij moet en hij kan niet anders; het ligt in hem; zo is zijn karakter. Er is dus geen verschil tussen de verteller in Couperus’ werk, die dit uitdrukt, en hijzelf.

Noten
1. In: Bzzlletin 20 (1991), nr.183 (februari), p.38-52. Ook opgenomen in: René Marres, Polemische interpretaties. Van Louis Couperus tot W.F. Hermans. ’s-Gravenhage, 1992, p.17-38, waar ik naar verwijs.
2. J. de Piere, ‘Verteller en gezichtshoek. Een benadering aan de hand van Couperus’ Eline Vere’. In: Spiegel der Letteren 16 (1974), p.121.
3. Piet Kralt, ‘Couperus: fatalist of anti-fatalist?’ In: Arabesken 11 (2003), nr.22 (november), p.6.
4. Louis Couperus, Eline Vere. Volledige Werken Louis Couperus, deel 3, p.544.
5. De term ‘melancholie’ voor gedeprimeerdheid en aanverwante gemoedstoestanden, zoals wanhoop over mislukking in de liefde (Eline!), heeft een lange geschiedenis. Zie bijvoorbeeld Anatomy of Melancholy van Robert Burton, dat van 1621 stamt, gedeeltelijk nog steeds een zeer lezenswaardig boek.
6. Frans de Jonghe, Eline Vere bij de psychiater. Bloemendaal, 1991, p.28.
7. Idem, p.20-22.
8. Piet Kralt, ‘Couperus: fatalist of anti-fatalist?’, p.7.
9. Louis Couperus, Eline Vere, p.480-481.
10. René Marres, ‘Naturalisme en karakterfatalisme bij Couperus’, p.19.
11. Piet Kralt, ‘Couperus: fatalist of anti-fatalist?’, p.10.
12. Louis Couperus, Eline Vere, p.493.
13. Idem, p.495.
14. Al zijn er romans waar het nauwelijks meespeelt, zoals het charmante Antiek toerisme, maar het verval van de oude Egyptische cultuur daarin is wel te wijten aan het Noodlot.
15. Luc Dirikx, Louis Couperus en het decadentisme. Een thematologische confrontatie. Gent, 1993, p.340.
16. Louis Couperus, Het snoer der ontferming en Japansche legenden. Volledige Werken Louis Couperus, deel 47, p.64.
17. Louis Couperus, Ongebundeld werk. Volledige Werken Louis Couperus, deel 49, p.453.

(Uit: Arabesken 12 (2004), nr.23, p.32-35.)