Een reactie op Piet Kralt
Karakterfatalisme bij Couperus
![]() |
In zijn artikel Couperus: fatalist of anti-fatalist?, gepubliceerd in het vorige nummer van Arabesken, levert Piet Kralt kritiek op enkele onderzoekers die zich eerder met dit vraagstuk hebben beziggehouden. Eén van hen is René Marres, die stelt dat Couperus geen fatalist in gewone zin des woords is, maar een karakterfatalist.
Door René Marres
In zijn interessante artikel verwijst Kralt naar mijn publicatie Naturalisme en
karakterfatalisme bij Couperus [1] en bekritiseert enkele aspecten ervan. Ik zou
daarmee in discussie willen gaan, maar het lijkt me nodig eerst de betekenis van fatalisme
en karakterfatalisme aan te duiden.
Fatalisme in gewone zin houdt, zoals bekend, in dat het voor het lot
dat je te wachten staat niets uitmaakt wat je doet. Het mag duidelijk zijn dat dit alleen
voor sommige mensen in sommige situaties een houdbaar idee is, maar vaak niet. Het maakt
doorgaans heel wat uit of men zich voorbereidt op een examen, behalve als iemand zo knap
is of zo dom dat hij of zij hoe dan ook zal slagen of zakken.
Karakterfatalisme, zoals ik het omschreef op grond van Couperus
werk, is iets anders dan het gewone fatalisme, namelijk: iemand heeft een bepaald karakter
meegekregen dat hij of zij nu eenmaal heeft en daar kan hij/zij niet buiten treden. Iemand
kan zijn karakter niet veranderen, al kunnen omstandigheden dat eventueel wel. Theoretisch
gezien kun je het evengoed karakterdeterminisme noemen, zoals De Piere doet in zijn stuk
over Eline Vere. [2] Het karakter is geheel door het verleden bepaald
en blijft zo, indien er geen nieuwe oorzaken op inwerken. Determinisme klinkt
vermoedelijk minder beladen, maar in Couperus romans is deze gedetermineerdheid
dikwijls niet alleen een lot, maar een noodlot, omdat het lot tot de ondergang leidt. Dit
is vaak het soort fatalisme in zijn romans. Behalve dat iemand gedreven wordt door zijn
eigen karakter impliceert het dat de anderen met wie hij of zij te maken heeft op dezelfde
manier gedreven worden en ook zijn of haar noodlot kunnen mede bepalen. Zo bepaalt Elines
neef Vincent Vere mede haar lot. Dit karakterfatalisme wordt het meest expliciet verwoord
in Couperus tweede roman Noodlot.
Depressie
Over Eline betoogde ik dat Couperus het zo voorstelt dat zij ondergaat door haar karakter,
waar zij niets aan kan doen, terwijl anderen haar evenmin kunnen redden.
Nu is een van de eerste kritiekpunten van Kralt: Marres verzuimt
te vermelden dat Eline aan een depressie lijdt. Die ziekte, constateert psychiater Frans
de Jonghe, heeft haar het leven gekost. Het is dus geen kwestie van karakter, tenzij men
de vatbaarheid voor depressies een karaktertrek noemt. Maar dat lijkt mij niet
juist. [3]
Inderdaad heb ik in mijn artikel Eline niet depressief genoemd. Maar in
plaats daarvan haalde ik iets aan dat hetzelfde uitdrukt: Die dofheid verlichtte
(
) haar melancholie, die, ware zij helder van hersenen geweest, tot een
onovertrefbare crizis zoû gestegen zijn. [4] Melancholie was eeuwen lang het woord
voor depressie. [5] Ik heb het dus Couperus zelf laten zeggen. Het
woord betekent volgens de van Dale zwaarmoedigheid,
33
droefgeestigheid en in tweede instantie depressieve toestand. Couperus schrijft dan ook
over Elines droefgeestige zwaarmoedigheid. Eline koestert die vooral over haar
verleden waarin het mis ging. En het loopt, zoals we weten, op een crisis uit, zij het dus
niet op een van het denken, waarop Couperus zinspeelt. Tot doordenken van haar situatie is
zij niet meer in staat.
Het lijkt me dat het de meeste lezers niet ontgaan zal dat Eline in het
laatste gedeelte zo constant moedeloos en terneergeslagen is dat je het een depressie kunt
noemen. Dit op te merken is dan ook niet de verdienste van De Jonghe in Eline Vere bij
de psychiater, maar wel dat hij het niet bij deze indruk liet, maar het systematisch
en wetenschappelijk verantwoord heeft aangetoond.
Kralt zegt niet waarom hij het onjuist vindt vatbaarheid voor
depressies een karaktertrek te noemen. Wellicht omdat hij geestesziekten als depressie
gelijkstelt met lichamelijke ziekten, die geen karaktertrek zijn. Maar geestesziekten,
althans sommige daarvan, zoals depressie en paranoia, zijn te onderscheiden van
lichamelijke, omdat ze slechts gradueel verschillen van gewone gevoelens als gedeprimeerd
of wantrouwend zijn en daardoor te begrijpen zijn. Zoals De Jonghe zegt: De
depressie is niet een ziektebeeld dat scherp gescheiden is van de normaliteit. [6]
Hij merkt niet alleen depressie bij Eline op, maar ook wat hij noemt
persoonlijkheidsstoornissen, onder andere theatraal en narcistisch zijn.
Persoonlijkheidstoornissen betekent hetzelfde als karakterstoornissen. Haar
depressie vloeit hieruit voort en is een verheviging van gevoelens die ze vroeger al had,
die ook De Jonghe nog als normaal bestempelt, en behoort daarom mijns inziens tot haar
karakter.
Dit is uiteraard een discussiepunt, maar ik zou dit willen volhouden
omdat haar ontwikkeling tot op het laatste moment op aanvoelbare wijze is voorgesteld. Zij
heeft beweegredenen om depressief te zijn. Kort gezegd: haar liefdesleven is mislukt en
heeft geen toekomst meer. Ik wil niet opnieuw haar hele karakterinstelling schetsen, maar
er slechts op wijzen dat ze een onverbeterlijke romantica is, die het alledaagse leven
veel te banaal vindt en die breekt met de aardige, betrouwbare man met wie ze verloofd is
omdat zijn onverstoorbare bedaardheid haar tot gekmakens toe irriteert en ook omdat ze
zich verbeeldt dat de in haar ogen mysterieuze Vincent op haar verliefd is. Vooral
daardoor komt ze alleen te staan en daar kan ze niet tegen; ze voelt zich nutteloos.
Ik betwijfel dat de treurnis, die voortvloeit uit haar ongewone
instelling, een ziekte is, want De Jonghe vindt dat omdat haar gedeprimeerdheid te ver
gaat, te sterk is en daarom abnormaal. Hij stelt: Ook haar ongelukkige liefdes
leiden niet tot een normaal proces van verliesverwerking. [7] Maar wat is normaal, wat is abnormaal? In het
oordeel daarover spelen de heersende normen van een bepaalde maatschappij in een bepaald
tijdperk mee, die voortdurend veranderen. Maar als men haar depressie als een ziekte wil
zien, dan behoort die tot haar karakter.
Verandering van karakter
Verder zegt Kralt dat de levensinstelling van Vincent, die behalve determinist ook
fatalist in gewone zin is, onder invloed van zijn Amerikaanse vriend Lawrence St. Clare
radicaal veranderd is, en dat lijkt tegen Marres theorie van
Couperus als karakterfatalist te pleiten, al ligt het er natuurlijk aan hoe men het begrip
karakter interpreteert. [8] Verandert Vincent zo sterk? Hij heeft na zijn
verblijf in Den Haag in New York gedurende korte tijd een baan als boekhouder, daartoe
gedwongen door geldnood, laat zich dan, ziek geworden, vertroetelen door St. Clare en
maakt daarna een lange reis met hem. In hoever-
34
re is dat een verandering? Vincent is opgekikkerd door de zorg die St. Clare aan hem
besteedt en de luxe die deze hem verschaft, dat wel. Maar verder? Vincent heeft altijd van
zwerven gehouden, wat hij door St. Clare kan doen. Kralt haalt aan dat hij volgens St.
Clare weliswaar lichamelijk zwak is, maar dat er energie en werkkracht in hem schuilen.
Een mooie gedachte van deze optimist, die liefst het beste van iemand denkt, maar het komt
niet uit in wat Vincent laat zien en voor zon reis is geen werkkracht nodig. Zoals
St. Clare zelf zegt, Vincent hoeft alleen maar zijn pelsjas aan te trekken en in een wagon
te gaan zitten. De rest zal weldoener St. Clare wel regelen. Vincent blijft de parasiet
die hij is. Eerst leefde hij een tijd lang voornamelijk op de zak van de Veres, zo schijnt
het, daarna op die van St. Clare. Die laatste zegt ook dat Vincent nog steeds
de fatalistische overtuiging heeft dat er niets te doen is tegen iemands noodlot. [9] Anders dan Kralt denkt, is Vincent dus in elk geval
niet radicaal veranderd, noch in levensstijl, noch in opvatting.
Van Vincents fatalisme kun je zeggen dat het aansluit bij zijn
indolentie. Wanneer je meent, zoals Kralt doet in het spoor van W.J. Lukkenaer, dat het
een slecht excuus is voor zijn meestal niets uitvoeren, ga je er vanuit dat hij zijn
karakter zou kunnen veranderen, maar waar blijkt dat uit in de roman? Ik zou het niet
weten. Over Eline blijkt onmiskenbaar dat zij het niet kan. Waarom zou de
lethargische Vincent dat dan wel kunnen?
Overigens sluit het karakterfatalisme van Couperus gedragsverandering
niet uit. Over deze kwestie schreef ik dat je het ook karakterdeterminisme kunt noemen en
daarom: Dit karakterfatalisme sluit overigens niet uit dat het karakter veranderd
wordt door de omstandigheden van een ander milieu die erop gaan inwerken of dat het zich
tenminste anders dan voordien gaat uiten. Dat zullen we met name zien in de roman De
berg van licht. De manier waarop dat gebeurt is gedetermineerd, je kunt daar zelf
niets aan doen. Nieuwe omstandigheden werken in op het bestaande karakter en dan ontstaat
als product een verandering ervan of althans ander gedrag. [10]
Met de jonge androgyne keizer in deze roman loopt het namelijk spaak
door zijn overplaatsing van Syrië naar Rome, die, naar de verteller zegt, zijn ziel
vergiftigt, en door zijn dominante Romeinse minnaar Hierocles, die zijn noodlot bezegelt.
Karakterfatalisme van St. Clare en Couperus
Kralt vraagt zich in de titel van zijn stuk af of Couperus al of niet fatalist was en zegt
terecht dat het begrip nog wel eens van betekenis wisselt. Hij stelt in zijn conclusie dat
het niet met zekerheid te zeggen is of Couperus een fatalist was, want Zijn
romanpersonages verschillen op dit punt radicaal van mening. St. Clare zegt dat noodlot
slechts een woord is en dat ieder mens zijn eigen noodlot maakt. Hij besluit met Luc
Dirikx aan te halen die in zijn studie over Louis Couperus en het decadentisme
meent dat het in het oeuvre van Couperus steeds duidelijker wordt dat de mens potentieel
vrij is. [11]
Datgene wat de daadkrachtige St. Clare verwerpt is evenwel het gewone
fatalisme, dat Vincent aanhangt, inhoudend dat het niets uitmaakt wat je doet. St. Clare
brengt daar tegenin dat je door je daden je lot schept. Maar hij is ook een
karakterfatalist. Hij is dat ten opzichte van Eline en voor zichzelf. Over Eline zegt hij:
Je bent te zwak om jezelve het te maken. Laat mij je noodlot maken. Eline is te
zwak. Daaraan kan ze niets veranderen. Nog sterker, al vroeg is St. Clare wanhopig
omdat hij voelt niets voor haar te kunnen doen. Dit komt ondermeer omdat er zon
hopeloze krachteloosheid uit haar woorden klinkt. [12] Zij kan niet anders zijn dan zij is.
35
Wat betreft zichzelf verantwoordt hij een beslissing die hij nam, waaraan getwijfeld
wordt, met Ik kan nu eenmaal niet anders. Ik wil het zoo!. [13] Hij vindt kennelijk met de deterministische
filosoof Arthur Schopenhauer dat hij niet anders kan willen dan hij wil en dus niet
anders kan handelen.
Kralt beroept zich op Dirikx, maar die toont niet aan wat hij beweert.
Ik liet in mijn eerdere artikel zien dat Couperus karakterfatalist is vanaf zijn eerste
roman tot en met het postuum verschenen boek, Het snoer der ontferming en Japansche
legenden. [14] Dirikx brengt tegen fatalistzijn van Couperus in
dat in een van de verhalen van deze bundel een godheid tegen een bittere wijsgeer zegt dat
het beter zou zijn dat hij wat doet en hem wijs noemt wanneer hij handelt. [15] Maar dit is slechts tegen het fatalisme in gewone
zin gericht, zoals ook St. Clare dat is. In deze bundel druipt het onontkoombare noodlot
er van alle kanten in diverse vormen vanaf. Bijvoorbeeld, armoede kan iemands noodlot
zijn, maar natuurlijk in samenhang met iemands karakter dat erop reageert. Ook hier is het
noodlot echter geregeld zuiver een karakterneiging, die in primitieve culturen een demon
wordt genoemd omdat de persoon er door bezeten lijkt, zoals nieuwsgierigheid of wellust of
een erecode die dwingend wordt genoemd: Kumagai neemt zijn zwaard als zijn Noodlot
hem dwingt te doen (
) [16] De personages in deze verhalen worden niet als
vrij voorgesteld, ook niet als potentieel vrij.
Laat ik afronden met een karakterfatalistische uitlating van de grote
schrijver zelf, in het opstel Hoe een roman wordt geschreven. [17] Daarin zegt Couperus dat hij er weinig aan kan
doen dat hij romans schrijft: Ik kan het eenvoudig soms niet laten. (
) Ik doe
wat ik doen moet en ik schrijf den roman, dien ik schrijven moet.
[Cursivering van mij, RM.] Hij moet en hij kan niet anders; het ligt in hem; zo is zijn
karakter. Er is dus geen verschil tussen de verteller in Couperus werk, die dit
uitdrukt, en hijzelf.
| Noten | |
| 1. | In: Bzzlletin 20 (1991), nr.183 (februari), p.38-52. Ook opgenomen in: René Marres, Polemische interpretaties. Van Louis Couperus tot W.F. Hermans. s-Gravenhage, 1992, p.17-38, waar ik naar verwijs. |
| 2. | J. de Piere, Verteller en gezichtshoek. Een benadering aan de hand van Couperus Eline Vere. In: Spiegel der Letteren 16 (1974), p.121. |
| 3. | Piet Kralt, Couperus: fatalist of anti-fatalist? In: Arabesken 11 (2003), nr.22 (november), p.6. |
| 4. | Louis Couperus, Eline Vere. Volledige Werken Louis Couperus, deel 3, p.544. |
| 5. | De term melancholie voor gedeprimeerdheid en aanverwante gemoedstoestanden, zoals wanhoop over mislukking in de liefde (Eline!), heeft een lange geschiedenis. Zie bijvoorbeeld Anatomy of Melancholy van Robert Burton, dat van 1621 stamt, gedeeltelijk nog steeds een zeer lezenswaardig boek. |
| 6. | Frans de Jonghe, Eline Vere bij de psychiater. Bloemendaal, 1991, p.28. |
| 7. | Idem, p.20-22. |
| 8. | Piet Kralt, Couperus: fatalist of anti-fatalist?, p.7. |
| 9. | Louis Couperus, Eline Vere, p.480-481. |
| 10. | René Marres, Naturalisme en karakterfatalisme bij Couperus, p.19. |
| 11. | Piet Kralt, Couperus: fatalist of anti-fatalist?, p.10. |
| 12. | Louis Couperus, Eline Vere, p.493. |
| 13. | Idem, p.495. |
| 14. | Al zijn er romans waar het nauwelijks meespeelt, zoals het charmante Antiek toerisme, maar het verval van de oude Egyptische cultuur daarin is wel te wijten aan het Noodlot. |
| 15. | Luc Dirikx, Louis Couperus en het decadentisme. Een thematologische confrontatie. Gent, 1993, p.340. |
| 16. | Louis Couperus, Het snoer der ontferming en Japansche legenden. Volledige Werken Louis Couperus, deel 47, p.64. |
| 17. | Louis Couperus, Ongebundeld werk. Volledige Werken Louis Couperus, deel 49, p.453. |
(Uit: Arabesken 12 (2004), nr.23, p.32-35.)