Frédéric Bastet wordt vijfenzeventig jaar:
Een moderne Proteus

Als Fred Bastet, die over enkele maanden de driekwart eeuw volmaakt, terugkijkt op de door hem afgelegde weg, kan hij weinig reden hebben tot ontevredenheid. Ik heb nu met een mij als classicus vertrouwde stijlfiguur uitgedrukt wat ik ook positief zou kunnen formuleren: Bastet kan trots zijn op wat hij in dienst van de Leidse Universiteit en het Museum van Oudheden, alsmede in het otium waarvan hij al jaren geniet, heeft gepresteerd.

Door Rudi van der Paardt

Ik kan het nog krachtiger uitdrukken: er zijn in ons taalgebied weinig intellectuelen die zich op zoveel culturele gebieden met zo’n grote frequentie en op zo’n hoog niveau hebben gemanifesteerd als Bastet in ongeveer een halve eeuw heeft gedaan. Een classicus denkt al gauw aan de figuur van Proteus, als hij voor die veelzijdigheid een mythisch symbool wil gebruiken.
    In zijn eigen vak, de klassieke archeologie, was en is Bastet een expert van internationaal niveau op het gebied van de Romeinse wandschilderkunst. Een veel groter publiek bereikte hij met zijn talrijke artikelen over een keur van antieke onderwerpen, die hij bundelde in vijf delen ‘Wandelingen door de antieke wereld’. Typerend voor veel van deze stukken is dat zij de beeldvorming van de oudheid in latere tijden aan de orde stellen: met zijn belangstelling voor het verschijnsel receptie in de kunst was Bastet zijn tijd ver vooruit.

Romans en novellen
Met publicaties op zijn vakgebied, voor specialisten en algemeen belangstellenden, heeft Bastet zich niet tevredengesteld: hij heeft zich ook ontpopt als dichter, als schrijver van fictie en als essayist op het gebied van de literatuur en de muziek. Zijn poëtische productie is relatief bescheiden, hoewel zeker niet onopgemerkt gebleven. Begonnen als dichter met strenge vormen, is hij hoe langer hoe meer de kant opgegaan van het vrije vers, met sterk associatieve beeldspraak, om vervolgens weer naar klassieke vormen terug te keren. Er is een duidelijk verband tussen deze poëzie en de archeologie: enkele van Bastets mooiste gedichten bevatten een hoogst persoonlijke impressie van antieke artefacten. Ook de bloemlezing die hijzelf uit zijn poëzie samenstelde, Catacomben (1980), heeft een titel die naar zijn specialisme verwijst.
    Er zijn ongetwijfeld verbanden tussen de archeologie en Bastets novellen en romans, maar die zijn toch minder duidelijk. Zeker, zijn drie ‘jeugdwerken’ De aardbeving, Heksendans en Lava zijn in een bundel herdrukt met de titel Op weg naar het zuiden (1986), waarin de liefde van Bastet voor het mediterrane gebied tot uitdrukking komt. In de novellenbundels Lobster cocktail (1986) en De stoptrein (1989) is weinig van de archeoloog Bastet merkbaar. Het zijn novellen van een onhollands karakter, wellicht nog het best te vergelijken met de verhalen van Roald Dahl. In ieder geval worden zij gekenmerkt door een milde ironische toon, die af en toe wordt aangescherpt tot bijtende spot. Van een heel andere categorie zijn Bastets grote romans uit het afgelopen decennium: Funérailles (1993) en De schele hertogin (2000). Laatstgenoemd boek is een histori-

6
sche roman, de enige die Bastet schreef; het eerstgenoemde is een fijnzinnige verkenning van de problematiek van de ouderdom, met een uitgewogen muzikale structuur. Hoe verschillend beide romans ook zijn, ze hebben met elkaar gemeen de gedistantieerde verteltrant, die neigt naar ironie, een heilzaam antidotum waar het gaat om ernstige onderwerpen.
    De overstap naar Bastets essayistische en literair-historische werk kan men het best maken door Helse liefde (1997) het eerst te noemen, ook al is dit zeer omvangrijke biografische essay als laatste in deze categorie geschreven. In dit boek worden, op grond van getuigenissen, brieven en andere documenten, de verwikkelingen geschetst tussen de componisten Chopin en Liszt, alsmede George Sand en Marie d’Agoust. Uiteraard vormt muziek een belangrijk thema in Helse liefde: net als in Funérailles proeft men welk een belangrijke factor de muziek voor Bastet zelf vertegenwoordigt.

Vosmaer en Couperus
Er zijn uiteraard verschillen tussen Helse liefde en Bastets studies over Carel Vosmaer en Louis Couperus, maar wat ze gemeen hebben is dat ze berusten op zorgvuldig bronnenonderzoek. Het behoeft weinig betoog dat Bastet de neerlandistiek grote diensten heeft bewezen door vanuit zijn achtergrond als classicus twee auteurs, voor wie de oudheid van zulk een eminente betekenis is geweest, te belichten. Vosmaer dreigde in 1967, toen Bastet zijn biografische schets publiceerde (in 1989 herdrukt onder de titel Met Carel Vosmaer op reis), gemarginaliseerd te worden en als hij nu weer een naam van betekenis is, dan kunnen wij dat zonder meer op het conto van Bastet schrijven. Wat Couperus betreft: hier lag de situatie wat anders. Er was wel degelijk belangstelling voor zijn werk in de jaren zeventig, wat alleen al mag blijken uit het feit dat de (onvolledige) ‘Verzamelde Werken’, in twaalf dundrukdelen, konden worden herdrukt. Wat ontbrak was een volwaardige biografie waarin leven en werk in samenhang werden beschreven, vanuit een andere invalshoek dan die welke Van Tricht in zijn beknopte psychobiografie Louis Couperus (1960) had gekozen. De kwaliteiten van Bastets opus magnum Louis Couperus. Een biografie (1987) behoef ik op deze plaats niet uitgebreid aan de orde te stellen. Het boek is en wordt van sommige kanten bekritiseerd, maar het wordt meestal als voorbeeldig in dit moeilijke genre bestempeld. Ook het grote publiek bleek deze studie over Couperus zeer te waarderen: de biografie werd na verschijnen snel een aantal malen herdrukt. In het spoor hiervan publiceerde Bastet een fotoalbum De wereld van Louis Couperus (1991) met een tekst die als een samenvatting van de grote biografie mag gelden.
    Ik heb nog niet alle titels van Bastet genoemd, maar dat zal ook niet nodig zijn om mijn opvatting over de veelzijdigheid van zijn werk duidelijk te maken. Eén boek wil ik nog noemen: het gaat om een ietwat paradoxale publicatie, omdat zij opgeslokt lijkt door de zojuist genoemde biografie. Ik bedoel: Een zuil in de mist (1980), waarin de diverse artikelen die Bastet in de jaren zeventig over Couperus schreef zijn gebundeld. Het is dit boek geweest dat van mij een enthousiast Couperus-lezer heeft gemaakt en mij definitief voor diens werk heeft gewonnen. Een dergelijke adhortatieve kracht kan men bepaald niet aan elke literair-historische publicatie toekennen.
    Het zij Bastet gegeven nog vele jaren in goede gezondheid door te brengen en voorzichtig hoop ik nog op een uitbreiding van zijn inmiddels omvangrijke opera omnia.

(Uit: Arabesken 9 (2001), nr.17, p.4-6.)