Harry Prick: biograaf tussen de coulissen
Door Peter Hoffman
|
Er is in kranten, tijdschriften en vakbladen inmiddels al even vaak gejuicht
over de hier te lande eindelijk ontluikende biografietraditie als er in het
verleden is getreurd om het Neerlands gebrek aan goede levensbeschrijvingen. De
jubelkreten die het feit begroeten dat het leven van de belangrijkste kopstukken
uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis nu eindelijk fatsoenlijk geboekstaafd
is of wordt, duiden op een biografische dorst die nu ook sinds ongeveer een
decennium structureel gelest wordt.
En dat is even begrijpelijk als terecht. De aantrekkelijkheid van de biografie
als genre is evident. In de eerste plaats is de biografie de zerk op het graf
van een dode. Niets is saaier dan een begraafplaats zonder zerken. In de tweede
plaats pronkt het genre, in de gedaante die het meestal aanneemt, met de veren
van de traditionele romankunst, terwijl het als een vorm van geschiedschrijving
bij uitstek geschikt is de historische werkelijkheid een grote mate van
tastbaarheid te verlenen. Daar kunnen geen statistieken, tabellen, jaartallen en
verslagen van veldslagen tegenop. Het vizier van de biografie is meestal
beperkter, maar scherper; de uitkomsten zijn misschien minder omvattend, maar
doorgaans indringender. Bovendien zullen de meeste biografen, evenals de
negentiende-eeuwse realistische romanciers, stilzwijgend vertrouwen op de
veelzeggendheid van het detail en op het exemplarische van het strikt
persoonlijke. Een zonderling is zo zonderling nog niet, of het is een kind van
zijn 'race, milieu et moment'. Tegelijkertijd is de held van een biografie
dikwijls belangrijk en invloedrijk genoeg geweest om mede zijn stempel te
drukken op de verdere loop van de geschiedenis. De historische persoonlijkheid
is in de biografie een scharnierpunt, waarvanuit verleden en toekomst van een
tijdvak zich op een inzichtelijke manier met elkaar laten verbinden. Dat zijn,
onder meer, de troeven die de biograaf in handen heeft.
Dit verduidelijkt evenzeer de huidige populariteit van het genre, als de
wetenschappelijke reserve ten aanzien van deze manier van geschiedschrijving de
jarenlange verwaarlozing ervan verklaart. Ik denk overigens niet dat de
terughoudenheid geheel verdwenen is. Eerder is het zo dat de tegenwoordige, vaak
als postmodern gekenschetste scepsis elk denkbaar terrein van de
geschiedwetenschap heeft geïnfecteerd en geen enkele vorm van geschiedschrijving
zijn wetenschappelijke status volledig en probleemloos kon blijven handhaven. De
biografie wordt blijkbaar getolereerd als een even aanvechtbare of aanvaardbare
vorm om de historische werkelijkheid te benaderen als ieder andere. Hoe het ook
zij, het tij lijkt voorgoed gekeerd: de biografie is in Nederland een volwassen
genre geworden.
Als ook de gemiddelde omvang van de biografie blijk geeft van haar nieuwe status
dan heeft haar welvaren vorig jaar een voorlopig hoogtepunt bereikt. Toen
publiceerde Harry G.M. Prick het langverwachte levensverhaal van de heer K.J.L
Alberdingk Thijm, alias Lodewijk van Deyssel, in een meer dan zwaarlijvig
boekdeel dat de gestalte van deze Tachtiger in zowel letterlijke als figuurlijke
zin eer bewijst. Tenminste, nog maar voor de helft welteverstaan: het tweede
deel van de biografie, dat de veel grotere periode van 1890 tot aan zijn dood in
1952 zal omvatten, moet nog verschijnen. In het onderhavige eerste deel volgt
Prick het leven van Van Deyssel op de voet - soms zelfs dag na dag - van zijn
geboorte tot ongeveer het overlijden van zijn vader. Karel Alberdingk Thijm is
dan bijna vijfentwintig jaar. Is dit genoeg: duizend en nog wat vellen druks,
voor de rechtvaardiging van een bestaan?
In feite heeft deze publicatie hoegenaamd niets van doen met de recente
biografieën-hausse in Nederland. Het is niets minder dan een inlossing van een
ongeveer vijftig jaar oude belofte. De hoogbejaarde doch alleszins nog krasse
Karel zelf gaf Prick de opdracht tot het te boek stellen van zijn levensgang.
Het enthousiasme van de jonge Harry Prick voor het werk van Van Deyssel was goed
besteed aan de man die zich in de nadagen van zijn inmiddels verbleekte roem
wist. Vanaf dat zij met elkaar in correspondentie stonden - Prick was toen
zeventien - en later ook op vriendschappelijke voet verkeerden, zinspeelde Van
Deyssel er steeds vaker op en ook aan derden bleek hij zijn besluit al te hebben
medegedeeld: Prick moest zijn biografie schrijven.
Vereerd was-ie wel natuurlijk; de eertijds grote, luidruchtige, brutale,
onconformistische, shockerende, virtuoze, maar toen al tachtigjarige Tachtiger
had uitgerekend hém - 'een jongen die zichzelf nog niet droog achter zijn oren
wist' - als zijn literaire schatbewaarder aangewezen. Prick werd echter ook,
naar eigen zeggen, 'daardoor in de grootst denkbare verlegenheid gebracht', en
daar kan men zich wel iets bij voorstellen. Niet in de laatste plaats, omdat na
het overlijden van Van Deyssel Prick werd opgezadeld met een werkelijk
angstwekkende hoeveelheid handschriften van de meest uiteenlopende aard. Behalve
de gebruikelijke correspondentie, bevat Van Deyssels schriftelijke nalatenschap
allerlei paperassen die getuigen van zijn maniakale rubriceerdrift. Niets was
voor hem onbelangrijk genoeg om niet genoteerd te worden. Zo hield hij
bijvoorbeeld systematisch een 'hygiënisch dagboek' bij, waarin Van Deyssel
pijnlijk precies zijn verorberde maaltijden boekstaafde, alsmede zijn
lichamelijk welbevinden daarbij en de daarop volgende stoelgang. Zijn sociale
leven, de ontmoetingen met familie, vrienden en kennissen werden genoteerd in
een 'omgangsdagboek'. In het dossier 'Uitspraken van algemene stemmingen' werden
onder meer zijn driftbuien aan een analyse onderworpen. Daarnaast zijn er nog de
vele soorten geschriften waarin Van Deyssel allerlei ambitieuze levensplannen en
werkschema's opstelde, waarin hij zichzelf soms rechtstreeks toesprak met het
doel om zich, geneigd als hij was tot levenslustige luiheid, tot enige
werkzaamheid op te wekken.
Deze aantekeningen, die alle mogelijke facetten van Van Deyssels bestaan
belichten, van zijn vermeende verslaving aan onanie tot aan zijn wijsgerige
stelsels, zijn een rijke bron voor de levensbeschrijver. Veel biografen zullen
het met aanzienlijk minder moeten doen. Toch zal het Prick al in een vroeg
stadium duidelijk zijn geweest dat dit opgedragen klusje niet in een vloek en
een zucht geklaard zou zijn, maar dat het, zoals dat heet, een heus levenswerk
zou worden. En dat werd het. Prick, die inmiddels alweer een tijdje met korting
de bus in mag, heeft een aanzienlijk deel van zijn leven in dienst gesteld van
de auteur om, vijfendertig jaar na de dood van Van Deyssel, een oude,
waarschijnlijk in jeugdige overmoed afgelegde belofte in te lossen. Wat dat
betreft bleek Van Deyssels vertrouwen een schot in de roos.
Maar heeft Prick, die je blijkbaar wel om een boodschap kan sturen, ook een
goede biografie afgeleverd? Als de lezer zich kan vinden in de door Prick
gekozen opzet dan is het resultaat zonder meer schitterend. En die opzet is,
zeker in het speciale geval van Van Deyssel, wel te verdedigen. Helaas verzuimt
Prick zijn opvattingen in deze expliciet te formuleren. Hij schrijft: 'Het
antwoord op de vraag wát mij bij het schrijven daarvan (de biografie, PH)
precies voor ogen stond, ligt besloten in het eindresultaat'. Met deze
dooddoener gaat Prick mijns inziens ten onrechte voorbij aan de meer of minder
principiële problematiek die aan het schrijven van een moderne biografie ten
grondslag ligt. In plaats van dat Prick zijn kaarten op tafel legt, voert hij in
de inleiding een nogal langdradige en zinloze discussie over feitjes en andere
wissewasjes met auteurs die zich in het verleden met het leven van Van Deyssel
hebben beziggehouden.
De houding van Prick ten opzichte van zijn onderwerp komt in zekere zin overeen
met het devies van het negentiende-eeuwse naturalisme: de auteur dient zich te
beperken tot een zo objectief mogelijke weergave van de feiten. Een
moraliserende houding is uit den boze. Hij werkt dus in feite helemaal in de
geest van zijn held, die zich immers als één der eersten in Nederland sterk
maakte voor deze van oorsprong Franse stroming. Maar waar Van Deyssel hoe dan
ook zijn eigen persoonlijkheid in uiterst subjectief proza voor het voetlicht
bracht, daar is Prick aanzienlijk strenger in de leer: hij houdt zich bijna
volledig schuil achter de feiten. En die feiten worden geacht voor zichzelf te
spreken. Verklaringen, al dan niet gebaseerd op noties als 'race, milieu et
moment' worden niet gegeven. Aan Freud, de verleidelijke leidsman voor veel
biografen, lijkt Prick al helemaal een broertje dood te hebben; de psychoanalyse
wordt angstvallig buiten de deur gehouden.
Prick en Van Deyssel vinden elkaar weer geheel in hun voorliefde voor het
detail. En juist omdat Van Deyssel er zoveel belang aan hechtte kon Prick erover
beschikken. De grote mate van beschikbaarheid van allerlei feiten en feitjes
heeft de vorm van de biografie gedicteerd. Ze stellen Prick in staat Van
Deyssels leven bijna van dag tot dag te volgen en daar heeft de biograaf
dankbaar gebruik van gemaakt.
De kinderjaren van Van Deyssel, zijn verblijf aan de kostschool Rolduc (later
gememoreerd in zijn roman De kleine republiek), zijn verwijdering van
het internaat wegens voortdurend ongepast gedrag, zijn eerste literaire
activiteiten, zijn polemische exercities, zijn amoureuze avontuurtjes (met als
hoogtepunt zijn affaire met de wonderschone actrice Théo Frenkel-Bouwmeester),
de herhaaldelijke aanvaringen met zijn ouders, de bacchanalen met zijn
(literaire) vrienden, het huwelijk met het dienstmeisje Cato Horyaans en
tussendoor steeds: zijn gevecht met zichzelf om de grootste schrijver aller
tijden te worden; het levert de ene smakelijke anekdote na de andere op die door
Prick met veel liefde geserveerd worden. De biograaf mag zich dan bescheiden
opstellen en elk commentaar achterwege laten, de meer dan royale keuze uit de
beschikbare gegevens verraadt Pricks grote enthousiasme voor zijn onderwerp. En
dat enthousiasme werkt aanstekelijk; de biografie verveelt de lezer geen enkel
moment. Niet in de laatste plaats door de verleidelijke persoonlijkheid van de
gebiografeerde zelf, wiens bravoure, humor, opgeblazenheid, virtuositeit,
beweeglijkheid en onvoorspelbaarheid de vaart er behoorlijk in houden.
Fundamentele kritiek op de biografie is mijns inziens slechts mogelijk op de
gekozen aanpak van Prick, niet op de uitwerking ervan, want die is vrijwel
altijd consciëntieus. Het grote nadeel van Pricks uitgangspunten is dat de
cirkel die de biograaf heeft getrokken om zijn onderwerp af te bakenen,
nauwelijks een grotere reikwijdte heeft dan de overigens niet zo heel kleine
omvang van Van Deyssel zelf. Zelfs voor biografische begrippen zit Prick zo
dicht op de huid van de auteur dat het soms claustrofobische vormen aanneemt.
Bijna nergens zoomt de biograaf even uit om in een panoramische shot de lezer
een overzicht te gunnen van het landschap waarin de held zich begeeft. Behalve
dat een welomschreven visie van de biograaf op de persoonlijkheid van Van
Deyssel ontbreekt, wordt er evenmin een poging gewaagd om de figuur meer reliëf
te geven door hem tegen het licht te houden van de (literair)historische
context. Zo laat Prick de kans onbenut om een van de aantrekkelijkste kanten van
de biografie uit te buiten: namelijk om vanuit het strikt persoonlijke te komen
tot een visie op (een gedeelte) van een historisch tijdperk. Van Deyssel blijft
voornamelijk Van Deyssel en wordt bijna nergens de literator, de Tachtiger, laat
staan een belangrijke vertegenwoordiger van een nieuw tijdperk dat overigens
meer behelsde dan literaire vernieuwing alleen. De vele details die de biografie
haar ontegenzeggelijke charme verlenen, hadden aan pregnantie kunnen winnen als
Prick ze in dienst had gesteld van een gearticuleerde opvatting over de figuur
van Van Deyssel en zijn tijd.
Vooral de lezers die zich in de eerste plaats interesseren voor de literaire
persoonlijkheid van Van Deyssel zullen misschien teleurgesteld worden.
Natuurlijk worden alle literaire wapenfeiten van de jonge Tachtiger meer dan
breed uitgemeten: zijn activiteiten als (toneel)recensent, zijn polemieken, de
kennismaking en omgang met acteurs, schilders en schrijvers, zijn relatie met
De Nieuwe Gids, de wording van zijn eerste romans, enzovoort. Toch
overstijgt deze uitputtende informatie bijna nergens het niveau van de
anekdotiek, omdat een kader waarin deze feiten een sprekender karakter hadden
kunnen krijgen, nagenoeg ontbreekt.
Zo zou bijvoorbeeld een korte uitwijding over de negentiende-eeuwse
toneelpraktijk en -traditie niet hebben misstaan. Het zou tot een beter begrip
hebben geleid voor Van Deyssels ongebruikelijk felle polemiek met Schaepman.
Alle ins en outs worden door Prick op zorgvuldige wijze uit de doeken gedaan,
maar waaróm deze discussie op zo'n hoge toon gevoerd werd en welk belang dit
conflict had tegen de achtergrond van de toenmalige cultuurhistorische situatie,
wordt helaas minder duidelijk.
Er zijn meer passages aan te wijzen waar Prick rechtlijnig en onverstoord zijn
weg vervolgt, waar een pas op de plaats toch wel wenselijk zou zijn geweest. Dat
geldt bijvoorbeeld ook voor de paragraaf waarin Prick verhaalt van Van Deyssels
belevenissen als hij als jonge verslaggever voor de Zutphensche Courant
de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1883 verslaat. Een bondig terzijde over
de betekenis van zo'n tentoonstelling voor het sociale en culturele leven van
die tijd zouden de uitvoerige citaten uit de stukken van de reporter een
aanzienlijke meerwaarde hebben kunnen verlenen.
Dat zulke 'thematische' uitstapjes de compositie en de voortgang van de
biografie niet noodzakelijkerwijs frustreren, bewijst Prick zelf, zij het echter
in strikt biografische zin. Zo trapt Prick op een fraaie wijze op de rem door de
ontwikkelingen rond de aanstaande dood van vader Thijm te onderbreken door een
lang citaat uit de brief van Van Deyssel aan zijn vriend en acteur Arnold Ising
jr. De auteur bezingt hierin het geluk van zijn eenzaamheid en vrijheid die hij
geniet in zijn villa in de Ardenner bossen: 'Uit alle vensters - en er zijn er
22 - zoû ik in hooge bochten kunnen piessen in gouden stralen, zonder dat éen
ellendige sterveling er iets van zag. Als ik wil, kan ik tien uur achter mekaâr
door het huis hollen, van de vliering naar den kelder, schreeuwend, gillend,
roepend, krijtend, schaterend als een bezetene, zonder dat er éen buur is, die
zich er over zoû kunnen beklagen. Als het donker is en ik wil of er zijn sterren
en ik wil, dan kan ik met malle armgebaren buiten gaan staan roepen in den
nacht, met niets dan zwarte boomenwind om 't gek te vinden. Ik kan lang kijken
naar herfstdraden en naar de lucht, ik kan graven, spitten, ploegen, zagen,
hakken, kruyen, hooyen, dansen in den dag, fluiten, zingen en ík hoor mij
alleen'. Het is een schitterende brief die des te aangrijpender is, omdat ze
schril afsteekt bij wat Van Deyssel kort daarop voor z'n kiezen krijgt: de dood
van zijn vader, geldzorgen en zijn gedwongen verhuizing naar het vaderland. Het
is natuurlijk een beproefd foefje, afgekeken van de op spanning beluste
romancier, maar het werkt perfect; het levert een van de sterkste en
ontroerendste gedeelten op die in de biografie te vinden zijn.
Zoals gezegd: het uiteindelijke oordeel over Pricks levenswerk zal sterk
afhangen van wat je als lezer verwacht van een biografie. Ik besef dat je ook té
veel kunt eisen: literatuurgeschiedenis, literatuurkritiek, sociaal- en
cultuurhistorische geschiedenis, psychologie en dat alles alstublieft ook nog in
een overzichtelijk verhaal gepresenteerd. Prick heeft ervoor gekozen om de
feiten voor zichzelf te laten spreken en verklarend commentaar achterwege te
laten. Omdat ze betrekking hebben op het leven van Van Deyssel, zijn die feiten
op zichzelf al fascinerend genoeg. Bovendien reikt Prick de toekomstige
onderzoeker meer dan voldoende materiaal aan om vanuit verschillende
invalshoeken de diepte in te gaan.
En wie weet of Prick in een afsluitend, synthetiserend hoofdstuk van het
volgende en laatste deel van zijn biografie uit de coulissen treedt en de lezer
alsnog trakteert op zijn eigen visie op het wonderlijke fenomeen dat Van Deyssel
heet. Mijn applaus neme hij nu alvast in ontvangst.
Harry G.M. Prick, In de zekerheid van eigen heerlijkheid. Het leven van
Lodewijk van Deyssel tot 1890. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep,
1997, 1080 blz.
(Uit: Literatuur 15 (1998), nr.6, p.400-403.)