'Couperus is eigenlijk een groter toneelschrijver dan Heijermans'
Ger Thijs over film, toneel en Couperus
Louis Couperus' werk blijkt zich uitstekend te lenen voor bewerking. Velen zullen met weemoed terugdenken aan de inmiddels legendarische televisieseries De kleine zielen, Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan... en De stille kracht. Maar ook op toneel komen Couperus' dialogen en personages goed uit de verf. Dat bewees Ger Thijs, regisseur, schrijver en artistiek leider van Het Nationale Toneel toen hij een aantal jaren geleden het onvergetelijke tweeluik Kleine zielen op de planken bracht. Dat Ger Thijs nog lang niet is uitgekeken op de wereld van Louis Couperus, blijkt uit nog twee grote projecten, waar hij respectievelijk als regisseur en scenarioschrijver bij betrokken is: het toneelstuk Oude Mensen, een bewerking van Willem Jan Otten en A woman of the north, de nieuwe film van Frans Weisz naar de roman Aan den weg der vreugde. Genoeg redenen dus om Ger Thijs eens aan het woord te laten.
Door Karin de Graaff en Peter Hoffman
Ger Thijs is nog druk in de voorbereidingsfase van Oude Mensen, wanneer we hem treffen in het onderkomen van het Nationale Toneel in de Schouwburgstraat, op een steenworp afstand van het Lange Voorhout, die oerHaagse buurt, die zo vaak het decor vormt in Couperus' Haagse romans. Natuurlijk wil hij ons van alles vertellen over het openingstuk van de prachtig verbouwde schouwburg, maar wij besluiten om het eerst over een andere boeg te gooien en vragen Thijs hoe het toch gaat met de geschiedenis van de film A woman of the north, een meerjarenproject van regisseur Frans Weisz, die binnenkort in de Nederlandse bioscopen in première zal gaan.
Verschil van mening
Ger Thijs: 'Het idee voor deze Couperus-film stamt eigenlijk al uit het midden van de
jaren tachtig; het was in die tijd dat films als A room with a view erg in de mode
waren; verhalen van vrouwen uit het noorden die naar Italië gaan en daar hun grote liefde
tegenkomen. In
17
1987 gingen Frans Weisz en ik - we hadden toen pas samen Havinck gemaakt en dat
ging van een leien dakje - naar Italië, naar Bagni di Lucca, om de locatie voor de film
te bekijken. In Rome heb ik toen in de professorenkamer van het Nederlands Instituut de
eerste versie van het script gemaakt. Met die versie in mijn koffer zijn we weer naar
Nederland gegaan en bij het overschrijden van de grens zei Frans tegen me: "nu begint
de ellende pas" en inderdaad, we hebben het geweten.'
'In eerste instantie had Frans Weisz het plan om Langs lijnen van
geleidelijkheid te verfilmen naar een script van Judith Herzberg, maar de uitvoering
van dat project bleek toch te ingewikkeld te zijn. Aan de verfilming van Aan den weg
der vreugde kleefden overigens ook de nodige problemen: ten eerste is het een
kostuumfilm, wat de productie duurder maakt, ten tweede ging de producent tijdens de
voorbereiding over de kop en tot slot hadden Frans Weisz en ik een verschil van mening
over het script. Frans wilde dat ik een nieuwe versie schreef, maar tegelijkertijd kon hij
me niet uitleggen wat er mis was met de vorige. Uiteindelijk heb ik, echt in woede, een
subplot aan het script toegevoegd en nog wat andere accenten aangebracht; daarna heb ik
besloten dat ik niet meer mee wilde doen. Pas toen er een Italiaanse coproducent werd
gevonden die als eerste eis stelde dat er ook een Italiaan aan het script zou meewerken,
kwam er weer een beetje schot in de zaak. Deze Angelo Pasquini heeft mijn ruwe versie
verder ingevuld met historische details en daarna heb ik de dialogen weer naar het
Nederlands bewerkt. Een Engelsman heeft er uiteindelijk een Engelse versie van gemaakt en
in die versie is het verhaal inmiddels verfilmd.'
Een getemd hagedisje
Hij zucht eens diep en is nog steeds verbaasd dat twaalf jaar na die eerste reis naar
Bagni di Lucca de film er toch nog is gekomen. 'Het is een moeizaam tot stand gekomen
project. Tijdens de voorbereiding van A woman of the north is er geen moment
geweest dat het helemaal vanzelf liep.' Ger Thijs herinnert zich nog heel goed dat de
cultuurverschillen tussen Nederlanders en Italianen evident naar voren kwamen: 'Het was
heel grappig om te moeten constateren dat de Italianen veel meer geneigd zijn zich te
identificeren met de mannelijke hoofdpersoon in de film, Aldo Ardo, terwijl de
Nederlanders zich beter kunnen inleven in Emilie. De Italianen hadden ook de grootste
moeite met de scène, waarin Aldo een hagedisje met zijn fluitje lokt. Wij Nederlanders
vonden dat nou juist mooi, een handeling met een symbolisch lading.'
'Frans Weisz en ik hebben ons overigens nog het hoofd gebroken over de
vraag hoe we überhaupt aan zo'n hagedisje konden komen.' Bij de herinnering glimlacht
Thijs. 'We vinden wel iets mechanisch, zei Frans nog. Maar wat schetste mijn verbazing,
toen ik tijdens het draaien van de film, vorig jaar september in Bagni di Lucca,
plotseling een meisje met een hagedisje op haar hand zag, dat via een draadje aan haar
ring verbonden was. Een getemd hagedisje dus. Erg ontroerend. Op dat moment realiseerde ik
me: daar staan we dan weer op het bruggetje in Bagni di Lucca, waar Couperus heeft gestaan
toen hij het verhaal schreef, waar Frans en ik in 1987 stonden om de locatie te bekijken;
ditmaal om eindelijk de film te draaien. Het is ongelooflijk, dat het allemaal nog voor
elkaar gekomen is.'
Oude Mensen
We zijn aangeland bij Thijs' laatste grote wapenfeit: de regie van Oude Mensen dat
ter ere van de heropening van de Koninklijke Schouwburg op 18 septem
18
ber in Den Haag in première gaat. Na de succesvolle voorstellingen van Kleine zielen,
liet Thijs de bewerking ditmaal over aan Willem Jan Otten. De roman De boeken der
kleine zielen was erg geschikt om te bewerken zoals ik dat heb gedaan. Ik heb destijds
alle dialogen uit het boek gelicht en op basis van de dialogen scènes gemaakt. Die
scènes heb ik op een vrij filmische manier gesneden, heel erg vanuit doeken gedacht met
snelle overgangen. Voor een bewerking van Van oude menschen... vond ik het
spannender en beter een nieuw stuk te laten schrijven. Willem Jan was meteen erg
enthousiast; hij is vervolgens echt gaan plotten: op zo'n lange tafel met allemaal van die
gele kleefpapiertjes. Vijf bedrijven, met in elk bedrijf een specifieke gebeurtenis als
onderwerp. Het is echt een toneelstuk geworden en in die zin een deel van het oeuvre van
Willem Jan Otten. Terwijl ik Kleine zielen nooit als zelfstandig stuk gezien en
bedoeld heb.'
'Hoewel het dus een echt toneelstuk geworden is, hoefde Willem Jan
Otten eigenlijk weinig te veranderen aan de roman. Aan de vertelling kun je ook niet
tornen. Het voordeel bij Van oude menschen... is dat het allemaal in één huis
speelt. De enige ingreep die Willem Jan in feite heeft gedaan, is dat Harold beneden woont
en de oude mevrouw Dercksz boven, zodat die twee werelden bij elkaar gebracht zijn. En het
slot heeft een soort zwieper omhoog gekregen, omdat het nu eenmaal een toneelstuk is, maar
verder is er niks aan veranderd.'
'We hebben voor dit toneelstuk bewust voor lijsttoneel gekozen; de
mooiste toneelvorm die er is. Het grote voordeel van lijsttoneel is dat je een andere
wereld kunt laten zien, terwijl het vlakke vloertheater eerder een vriendelijk samenzijn
van acteurs en toeschouwers is. Nee, wat dat betreft zijn Willem Jan Otten en ik heel
ouderwets: toneel als
19
kijkkast, als moreel medium en wat heel belangrijk is: het publiek moet kunnen kijken naar
echte mensen en niet naar acteurs.'
Thijs leunt achterover, filosoferend: 'In de toneelwereld lopen we op dit moment het
gevaar, dat we in een soort postmoderne hoogte terechtkomen, waar acteurs alleen maar
zichzelf spelen met het stuk als aanleiding. Maar wij willen dat gedoe niet, dus spelen we
gewoon weer in kostuums uit de tijd, in een ruimte die hoogstens iets gestileerd is, want
het is nu eenmaal lastig om dit soort huizen transparant te krijgen. Het stuk is in ieder
geval volstrekt trouw aan de geest van Couperus. Wat dat betreft kan Frédéric Bastet
tevreden zijn. Ik zal nooit de grote schrik in de ogen van Bastet vergeten, toen hij de
repetities van Kleine zielen bijwoonde. Panisch was hij! Toen hij de voorstelling
zag, met alles erop en eraan, was hij meteen om.' Thijs barst in lachen uit: 'Dat is ook
wel een beetje het rare van nalatenschapbeheerders: dat ze Roomser dan de paus dreigen te
worden, terwijl de schrijver waarschijnlijk in veel gevallen veel minder krampachtig zou
reageren. Niemand hoeft zich ditmaal zorgen te maken; de bewerking van Van oude
menschen... zoals die daar nu ligt, is als het ware het boek plus.'
Lichtheid
Over de vraag waarom Couperus zich nooit aan toneel heeft gewaagd, denkt Thijs even na.
'Het is eigenlijk raar dat hij nooit een oorspronkelijk toneelstuk heeft geschreven, want
hij zou het wel gekund hebben, denk ik. Er zijn weinig schrijvers die zo rustig en
objectief hun personages beschrijven. Dat merk je ook aan de gesprekken tussen de acteurs;
bij Couperus kunnen ze zeer van mening verschillen over een bepaald personage. Eigenlijk
is hij onze beste toneelschrijver, beter dan Herman Heijermans bijvoorbeeld. De ruimte in
Couperus' werk is zo'n groot voordeel bij het bewerken. Ik waardeer dat zo, net als zijn
slordigheid natuurlijk, ook altijd aangenaam. Hij zegt alles drie keer. Het eerste dat ik
tijdens de bewerking van De boeken der kleine zielen deed, was het schrappen van
herhalingen; tweederde weghalen, zodat je eenderde overhield. Op de één of andere manier
verdraagt het werk van Couperus dat wel. Maar ik blijf zeggen: de kern van het werk moet
je nooit aantasten; daar wordt het echt niet beter van.'
Aan het eind van het gesprek wil Ger Thijs zijn bewondering voor de
schrijver toch nog even relativeren: 'Ik vind dat hij uitermate grove feuilletonistische
kanten heeft, af en toe lijkt het echt op soap-opera. Er zit ook vaak een ongelooflijke
gemakzucht in zijn werk. Maar nogmaals: het werk heeft zoveel ruimte in zich, dat dat er
allemaal in kan. En dat is vrij zeldzaam in Nederland.' Achter de brilleglazen van Thijs
twinkelen twee ondeugende ogen: 'Nee, hoor, Couperus is voor mij toch geen auteur waar je
vreselijk fan van moet worden of... voor wie je een genootschap zou moeten oprichten.'
(Uit: Nieuwsbulletin 7 (1999), nr.13, p.16-19.)