Tien jaar Louis Couperus Museum

Wat hebben Leonardo Da Vinci, Gustave Courbet en Armando met elkaar gemeen? Deze uiteenlopende kunstenaars werden allemaal geëerd met een eigen, naar hen vernoemd museum. Musea gewijd aan één specifieke beeldend kunstenaar zijn er dan ook legio, maar musea die zich exclusief richten op één auteur zijn veel minder talrijk. Nederland kent er tot nog toe maar drie: het Multatuli Museum, het Theo Thijssen Museum en het Louis Couperus Museum, dat op 10 juni van dit jaar zijn tweede lustrum viert.

Door Menno Voskuil

Het Louis Couperus Museum is gevestigd in het huis Javastraat 17, gelegen aan de rand van de statige Haagse Archipelbuurt. Schuin tegenover het Museum bevindt zich de Surinamestraat, waar Couperus woonde toen hij Eline Vere schreef. Javastraat 17 heeft een indirecte link met de auteur: het was eigendom van de voordrachtskunstenaar Albert Vogel, die vele optredens en publicaties wijdde aan Couperus.
    In 1995 besloot Caroline de Westenholz, de stiefdochter van Albert Vogel, in het pand een museum voor de Haagse auteur te beginnen. In haar artikel Van ZERO tot Kleine Zielen, gepubliceerd in het eerste lustrumboekje van het Museum, schrijft ze: ‘In 1992 werd in Leiden het Louis Couperus Genootschap opnieuw opgericht. (…) In de statuten van het Genootschap las ik dat het uiteindelijke doel van deze organisatie was: het oprichten van een museum voor Louis Couperus. Op dat moment wist ik dat dit de juiste bestemming was voor mijn stiefvaders galerie.’
    Op 10 juni 1996 was het dan zover: het Louis Couperus Museum opende zijn deuren. De feestelijke opening werd verricht door Frits Bolkestein, toentertijd voorman van de VVD. In zijn toespraak betoogde hij hoe belangrijk het is de grote schrijvers en denkers in hun omgeving en tijdsgewricht te begrijpen. Hij juichte de komst van een museum voor Louis Couperus dan ook van harte toe.
    De eerste tentoonstelling, die liep van 10 juni tot 3 december 1996, kreeg de titel Driemaal Oostwaarts, Louis Couperus en Indië mee. Driemaal is Couperus in Nederlands- Indië geweest, voor kortere of langere tijd, en deze expositie trachtte een beeld op te roepen van het land zoals Couperus het heeft gekend.
    Nu, bijna tien jaar na de oprichting, kan het Louis Couperus Museum terugkijken op ruim twintig verschillende tentoonstellingen, waarin steeds een specifiek aspect van het schrijverschap van Couperus werd belicht. Zo waren er tentoonstellingen over Nice, Couperus als voordrachtskunstenaar, Van oude menschen… op het toneel en over Elisabeth Couperus-Baud, de vrouw achter de schrijver.

Specialisatie
Naast de grote groep trouwe vrijwilligers steunt het Museum sterk op vaste conservator Eugenie Boer, van huis uit kunsthistorica en neerlandica. Nu zij dit jaar een sabbatical heeft en zich ophoudt in Rome, neemt Michiel van der Mast de honneurs waar. Hij is verantwoordelijk voor de uitvoering en inrichting van de lustrumtentoonstelling ‘Hommage aan Louis Couperus’.

20
Tot vorig jaar was Van der Mast als hoofdconservator verbonden aan het Haags Historisch Museum. Nu werkt hij op projectbasis voor verschillende musea. Toen hij begin dit jaar Eugenie Boer verving, wist hij nog weinig van de Haagse auteur. Van der Mast omschrijft zichzelf als generalist, en beschouwt het als een uitdaging om te werken in een museum waar specialisatie de boventoon voert.
    Door zijn ervaring in de museumwereld weet Van der Mast dat het een hachelijke onderneming is een museum te wijden aan één bepaald persoon. Niet alleen kan de beschikbare hoeveelheid materiaal te beperkt blijken, ook moeten er genoeg aanknopingspunten zijn om buiten de specifieke biografie en het werk te kunnen treden.

21
Bij Louis Couperus doen deze problemen zich niet voor. Van der Mast vindt het dan ook terecht dat Couperus zijn eigen museum heeft gekregen. Ten eerste is er genoeg materiaal voorhanden om tentoon te stellen, ten tweede biedt zijn persoon en zijn werk genoeg aanknopingspunten om herhalingen te vermijden.
    Weinig andere Nederlandse auteurs hebben dergelijke museale kwaliteiten. Van der Mast denkt even aan iemand als Boudewijn Büch, maar betwijfelt of deze auteur, nog afgezien van zijn literaire waarde, een tijdsbeeld vertegenwoordigt, zoals Couperus dat deed. Büch is waarschijnlijk toch te zeer een eenling, een zonderlinge verzamelaar en literator.

Lustrumtentoonstelling
Michiel van der Mast is nu druk doende de tweede lustrumtentoontoonstelling van het Louis Couperus Museum te organiseren. Centraal staan de vele bibliofiele uitgaven die van het werk van de Haagse auteur zijn verschenen bij verschillende drukkers en persen. Voor het eerst zal een bijna complete collectie private pressuitgaven worden getoond, alsmede een heuse drukpers met letterkasten.
    De vaak zo luxe uitgevoerde boekjes sluiten mooi aan bij de ideeën die Couperus zelf had over de verschijningsvorm van zijn romans en verhalen: een bijzondere aandacht voor typografie, illustraties, band en papier. De bibliofiele edities zijn een lust voor het oog, net als de oorspronkelijke boeken van Louis Couperus.
    Ter gelegenheid van de tentoonstelling zal een bibliografie van de private pressuitgaven van Couperus’ werk verschijnen, getiteld Het boek van adel. Dit boek bevat, naast een bibliografie, een verklarende inleiding en een verhaal over de ontstaansgeschiedenis van een bibliofiele uitgave bevatten. Couperus-kenner H.T.M. van Vliet schreef het voorwoord van Het boek van adel.
    Tevens zal er een boekje verschijnen over tien jaar Louis Couperus Museum, bedoeld als relatiegeschenk. Alle tentoonstellingen zullen hierin nogmaals de revue zullen passeren. José Buschman, een van de oprichtsters van het Louis Couperus Genootschap, schreef er een algemene inleiding bij.
    Dat het museum niet op zijn (welverdiende) lauweren zal gaan rusten, blijkt wel uit het feit dat men nu al bezig is voorbereidingen te treffen voor een tentoonstelling in november. Het leven en werk van Louis Couperus biedt nog genoeg stof voor vele exposities. Op naar de volgende tien jaar!

(Uit: Arabesken 14 (2006), nr.27, p.19-21.)

[Naar boven]