Tien jaar Louis Couperus Museum
Wat hebben Leonardo Da Vinci, Gustave Courbet en Armando met elkaar gemeen? Deze uiteenlopende kunstenaars werden allemaal geëerd met een eigen, naar hen vernoemd museum. Musea gewijd aan één specifieke beeldend kunstenaar zijn er dan ook legio, maar musea die zich exclusief richten op één auteur zijn veel minder talrijk. Nederland kent er tot nog toe maar drie: het Multatuli Museum, het Theo Thijssen Museum en het Louis Couperus Museum, dat op 10 juni van dit jaar zijn tweede lustrum viert.
Door Menno Voskuil
Het Louis Couperus Museum is gevestigd in het huis Javastraat 17, gelegen aan de rand van de statige Haagse Archipelbuurt. Schuin tegenover het Museum bevindt zich de Surinamestraat, waar Couperus woonde toen hij Eline Vere schreef. Javastraat 17 heeft een indirecte link met de auteur: het was eigendom van de voordrachtskunstenaar Albert Vogel, die vele optredens en publicaties wijdde aan Couperus.Specialisatie
Naast de grote groep trouwe vrijwilligers steunt het Museum sterk op vaste conservator
Eugenie Boer, van huis uit kunsthistorica en neerlandica. Nu zij dit jaar een sabbatical
heeft en zich ophoudt in Rome, neemt Michiel van der Mast de honneurs waar. Hij is
verantwoordelijk voor de uitvoering en inrichting van de lustrumtentoonstelling ‘Hommage
aan Louis Couperus’.
20
Tot vorig jaar was Van der Mast als hoofdconservator verbonden aan het Haags
Historisch Museum. Nu werkt hij op projectbasis voor verschillende musea. Toen hij
begin dit jaar Eugenie Boer verving, wist hij nog weinig van de Haagse auteur. Van der
Mast omschrijft zichzelf als generalist, en beschouwt het als een uitdaging om te werken
in een museum waar specialisatie de boventoon voert.
Door zijn ervaring in de museumwereld weet Van der Mast dat het een hachelijke
onderneming is een museum te wijden aan één bepaald persoon. Niet alleen kan
de beschikbare hoeveelheid materiaal te beperkt blijken, ook moeten er genoeg
aanknopingspunten zijn om buiten de specifieke biografie en het werk te kunnen
treden.
21
Bij Louis Couperus doen deze problemen zich niet voor. Van der Mast vindt het dan
ook terecht dat Couperus zijn eigen museum heeft gekregen. Ten eerste is er genoeg
materiaal voorhanden om tentoon te stellen, ten tweede biedt zijn persoon en zijn werk
genoeg aanknopingspunten om herhalingen te vermijden.
Weinig andere Nederlandse auteurs hebben dergelijke museale kwaliteiten. Van der
Mast denkt even aan iemand als Boudewijn Büch, maar betwijfelt of deze auteur, nog
afgezien van zijn literaire waarde, een tijdsbeeld vertegenwoordigt, zoals Couperus dat
deed. Büch is waarschijnlijk toch te zeer een eenling, een zonderlinge verzamelaar en
literator.
Lustrumtentoonstelling
Michiel van der Mast is nu druk doende de tweede lustrumtentoontoonstelling van het
Louis Couperus Museum te organiseren. Centraal staan de vele bibliofiele uitgaven die
van het werk van de Haagse auteur zijn verschenen bij verschillende drukkers en persen.
Voor het eerst zal een bijna complete collectie private pressuitgaven worden getoond,
alsmede een heuse drukpers met letterkasten.
De vaak zo luxe uitgevoerde boekjes sluiten mooi aan bij de ideeën die Couperus zelf
had over de verschijningsvorm van zijn romans en verhalen: een bijzondere aandacht voor
typografie, illustraties, band en papier. De bibliofiele edities zijn een lust voor het oog, net
als de oorspronkelijke boeken van Louis Couperus.
Ter gelegenheid van de tentoonstelling zal een bibliografie van de private
pressuitgaven van Couperus’ werk verschijnen, getiteld Het boek van adel. Dit boek
bevat, naast een bibliografie, een verklarende inleiding en een verhaal over de
ontstaansgeschiedenis van een bibliofiele uitgave bevatten. Couperus-kenner H.T.M. van
Vliet schreef het voorwoord van Het boek van adel.
Tevens zal er een boekje verschijnen over tien jaar Louis Couperus Museum,
bedoeld als relatiegeschenk. Alle tentoonstellingen zullen hierin nogmaals de revue
zullen passeren. José Buschman, een van de oprichtsters van het Louis Couperus
Genootschap, schreef er een algemene inleiding bij.
Dat het museum niet op zijn (welverdiende) lauweren zal gaan rusten, blijkt wel
uit het feit dat men nu al bezig is voorbereidingen te treffen voor een tentoonstelling
in november. Het leven en werk van Louis Couperus biedt nog genoeg stof voor vele
exposities. Op naar de volgende tien jaar!