Te koop: woonhuis van Louis Couperus
![]() |
Het huis Surinamestraat 20, waar Louis Couperus zijn Eline Vere schreef, staat te koop. Het pand werd in de periode 1883-4 gebouwd in opdracht van mr. John Ricus Couperus, de vader van de schrijver, in de kort daarvoor aangelegde straat. In 1884 verhuisde de familie van het nabijgelegen adres Nassauplein 4 naar de nieuwe woning, die door de architecten W.C. van Rijswijk en G. Posthuma werd ontworpen in eclectische stijl.
Door Rieks Toxopeus
De bouw van het monumentale pand (thans 665 m2) werd gefinancierd uit de verkoop van het familielandgoed Tjicoppo nabij Buitenzorg. Vermoedelijk wilde Couperus sr. (een deel van) zijn vermogen beleggen in waardevast onroerend goed.En als ik hem ’s middags kwam halen scheen de zon juist op de achterzijde van het huis en stroomde met grote gulpen hitte door de ramen. (…) Maar dit was juist waar Couperus van hield; dàn voelde hij zich lekker, in zijn element, gezelligjes, gestoofd, als liep zijn bloed warmer en luier door zijn lichaam. (…) Honderden malen troffen wij hem zoo aan, in die Oostersche temperatuur, in zijn kamer vol bibelots en kokette fijne dingetjes. Nu eens vonden we hem aan de schrijftafel, zoo keurig als een dames-bureautje, waarop kleine beeldjes en portretten in lijstjes stonden; vouwbeenen, pennehouders, schrijfmap, cachet, alles lag altijd ordelijk op zijn plaats gearrangeerd (…).
Het interieur in de Surinamestraat zal er weinig anders hebben uitgezien. De achtergevel van het nieuwe huis ligt eveneens op het zonnige zuidwesten.
Eline Vere
Hier haalde Couperus op 6 december 1886 met hoogste lof zijn diploma MO Nederlands.
Hij had daarmee leraar kunnen worden, maar dat was niet bepaald iets wat hij ambieerde.
Op het Nassauplein was hij al met schrijven van gedichten begonnen (daar is onder
andere zijn verzenbundel Een lent van vaerzen ontstaan), maar het succes kwam pas in
de Surinamestraat, waar hij zich ging toeleggen op proza.
32
Zijn dichtwerk werd in De Nieuwe Gids afgekraakt, maar toen verscheen zijn eerste
meesterwerk Eline Vere, dat van 17 juni 1888 tot 4 december 1888 als feuilleton in
Het Vaderland werd gepubliceerd. De roman werd door Couperus geheel met een veren
pen geschreven en naarmate hij vorderde door zijn nichtje (en latere vrouw) Elisabeth
Baud gekopieerd voor het als feuilleton naar de krant ging. In 1889 kwam het werk in
boekvorm uit. De critici, zoals Willem Kloos, die over zijn dichtwerk een negatief oordeel
hadden uitgesproken, draaiden om als bladeren aan een boom en prezen het werk. Als
25-jarige was Couperus in de Surinamestraat nu de schrijver geworden die hij altijd had
willen zijn. Van het met zijn eerste succesroman verdiende geld kocht hij het bureau,
waaraan hij zijn verdere leven zou werken en dat thans in het Louis Couperus Museum
staat.
Zijn jeugdvriend Frans Netscher, die aan het Nassauplein veel bij Couperus over
de vloer kwam, was na het verschijnen van Eline Vere, waarop hij een nogal kritische
recensie had geschreven, weinig meer te gast bij zijn vroegere vriend. In diens plaats
kwam nu Gerrit Jäger vaak bij Couperus in de Surinamestraat op bezoek. Gerrit was
redacteur bij Het Vaderland en heeft een bemiddelende rol gespeeld bij het doen
verschijnen van Eline Vere als feuilleton in die krant. Couperus heeft Eline Vere aan hem
opgedragen. Later heeft Jäger ook nog een toneelbewerking van Noodlot gemaakt. Het
noodlot wilde dat hij in 1894 in het Haagse Verversingskanaal zelfmoord pleegde.
Surinamehotel
Couperus bleef tot 1890 in de Surinamestraat wonen. Daarna verliet hij Den Haag voor
een verblijf in Parijs. Hij keerde echter tussen zijn daaropvolgende reizen nog regelmatig
terug naar zijn ouderlijk huis, onder andere in 1891, het jaar van zijn huwelijk met
Elisabeth Baud. Volgens Henri van Booven, Couperus’ eerste biograaf, is de bruidsstoet
vanuit dit huis vertrokken.
Couperus sr. noemde zijn huis het ‘Suriname-hotel’, waar de familie altijd welkom
was. Een aantal familieleden heeft op dit adres ingeschreven gestaan: het echtpaar
Valette-Couperus, Louis’ zwager en zuster, en zijn nichtjes Johanna en Marie Vlielander
Hein, die, na elkaar, voor hun grootvader John
Ricus hebben gezorgd, nadat die in 1893
weduwnaar was geworden.
Een jaar nadat vader Couperus in 1902 op 85-jarige leeftijd overleed, werd het huis verkocht aan
mr. Conrad Theodorus van Deventer, lid van de
Eerste Kamer der Staten Generaal. Deze heeft in
1903 het pand verbouwd volgens een ontwerpplan
van de bouwkundige H. van Bergen Henegouwen
‘om het pand aan de achterzijde over de gehele
lengte en breedte naar achter uit te breiden en
aan de linkerzijde een éénlaagse aanbouw(keuken)
aan te brengen’. Na de dood van Van Deventer, in
1915, bleef zijn weduwe Elisabeth van Deventer-
Maas het huis bewonen. De familie Van Deventer heeft in 1927 het pand aan ‘den
Regeering van Z.M. den Kooning van Egypte’ verkocht en sedertdien heeft het huis als
residentie van de ambassadeur dienstgedaan.
Het interieur, met onder andere een prachtige stijlkamer en suite, een voor Den Haag
kenmerkende inpandige serre, classicistische marmeren schouwen en houten lambrise-
33
ringen, is grotendeels in authentieke staat bewaard
gebleven. Dat geldt ook voor de trap, die Couperus
zo vaak belopen moet hebben op weg naar zijn
schrijftafel. Hopelijk zal dat ook onder de toekomstige
eigenaar zo blijven. Het aantrekkelijke en voor
de hand liggende idee om het huis aan te kopen
als nieuw onderkomen voor het Louis Couperus
Museum, zal gezien de vraagprijs van 2,9 miljoen
euro wel een vrome wens blijven…
Het pand, een gemeentelijk monument, wordt door makelaarskantoor Estata te koop aangeboden. Op de website www.estata.nl is het mogelijk een virtuele tour door het huis te maken.
(Uit: Arabesken 14 (2006), nr.28, p.31-33.)