Over 'De binocle' van Johann Wolfgang Goethe
'Eine hübsche Anlage zu einem Werckgen'

Over de ontstaansgeschiedenis en datering van ‘De binocle’ is al het een en ander geschreven. Ook is er gewezen op de invloed van E.T.A. Hoffmanns ‘Der Sandmann’ op het beroemdste verhaal van Louis Couperus. Maar is er wellicht nog een andere bron waaruit de auteur zijn inspiratie putte?

Door Jan van Deursen

Op 30 september 1765 vertrekt Johann Wolfgang Goethe, net zestien jaar oud, van Frankfurt naar Leipzig om rechten te gaan studeren. In april 1766 maakt hij in deze stad kennis met de drie jaar oudere Käthchen Schönkopf, die in het restaurant van haar vader de gasten bedient. Goethe wordt ondanks het leeftijdsen standsverschil hopeloos verliefd op haar, maar zijn liefde wordt met de nodige terughoudendheid beantwoord. Pas twee jaar later, in april 1768, zal zijn verliefdheid tot bedaren komen. Waarschijnlijk heeft hij voordien niet kunnen en willen inzien dat een drie jaar jongere, onstuimige student die zich nog geen enkele maatschappelijke positie had verworven, geen partij was voor een meisje dat zich door een huwelijk een bestaanszekerheid moest verwerven. Bovendien waren er meer aanbidders die de aantrekkelijke Käthchen het hof maakten. Zo zal Goethe later, wanneer hij weer terug is in Frankfurt en hoort van de verloving van Käthchen met dr. Kanne, haar met de volgende woorden ‘feliciteren’:

Es muss Ihnen doch komisch vorkommen wenn Sie an all die Liebhaber dencken, die sie mit Freundschaft eingesalzen haben, grose und kleine, krumme und grade, ich muß selbst lachen wenn ich dran dencke. [1]

Het moet voor u toch eigenaardig zijn, als u aan al die minnaars denkt, die u met vriendschap in het zout gezet hebt, grote en kleine, kromme en rechte, ik moet

13

zelf lachen als ik er aan denk. [spelling en woordgebruik volgens Goethe’s brief; vertalingen van mij, JvD]

Vervloekt zij de liefde
In Leipzig sluit hij ook vriendschap met de ruim tien jaar oudere Ernst Wolfgang Behrish, die daar tot oktober 1767 huisleraar is van de jonge graaf Lindenau en daarna in dienst treedt van de vorst van Anhalt-Dessau. Behrish, die over veel meer levenservaring beschikt, wordt Goethe’s vertrouweling, vooral met betrekking tot zijn liefde voor Käthchen Schönkopf. In de ruim twintig bewaard gebleven brieven die Goethe hem schreef, voert dit onderwerp de boventoon. De opmerkelijkste is de brief van 10 november 1767, die vanwege de overspannen toestand waarin Goethe verkeerde toen hij deze schreef de nodige bekendheid heeft verworven. Enkele regels uit het begin van de brief maken dit al voldoende duidelijk:

Ha Behrisch das ist einer von den Augenblicken! Du bist weg, und das Papier ist nur eine kalte Zuflucht, gegen deine Arme. O Gott, Gott. - Laß mich nur erst wieder zu mir kommen. Behrisch, verflucht sey die Liebe. O sähst du mich, sähst du den elenden, wie er raßt, der nicht weiß gegen wen er raßen soll, du würdest jammern. Freund, Freund! Warum hab ich nur Einen? [2]

Ha Behrish, dat is een van die ogenblikken! Jij bent weg en het papier is maar een kille toevlucht in plaats van jouw armen. O God, God. – Laat mij maar eerst weer tot mijzelf komen. Behrish, vervloekt zij de liefde. O, als je me zag, dan zag je de ellendige, hoe hij raast, die niet weet tegen wie hij razen moet, je zou jammeren. Vriend, vriend! Waarom heb ik er maar één?

Voor de lezers van het werk van Couperus is deze brief echter extra interessant, omdat het vervolg ervan meerdere opmerkelijke overeenkomsten vertoont met passages uit Couperus’ verhaal ‘De binocle’. In het navolgende zal ik eerst nader ingaan op de betreffende passages uit de brief van Goethe en daarna het een en ander zeggen over de vraag of Couperus deze brief gekend heeft.

Koortsachtig
Goethe vertelt hoe hij er langs allerlei omwegen achter gekomen is dat Käthchen naar de schouwburg is gegaan en vervolgt dan:

Eben hatte das Fieber mich mit seinem Froste geschüttelt, und bey dieser Nachricht wird mein ganzes Blut zu Feuer! Ha! In der Comoedie! Zu der Zeit da sie weiß daß ihr Geliebter kranck ist. Gott. Das war arg; aber ich verzieh’s ihr. Ich wuste nicht welch Stück es war. Wie? sollte sie mit denen in der Comödie seyn. Mit denen! Das schüttelte mich! Ich muß es wissen. - Ich kleide mich an, und renne wie ein Toller nach der Comödie. Ich nehme ein Billet auf die Gallerie. Ich bin oben. Ha! ein neuer Streich. Meine Augen sind schwach, und reichen nicht biß in die Logen. Ich dachte rasend zu werden, wollte nach Hause laufen, mein Glas zu holen. Ein schlechter Kerl, der neben mir stand riß mich aus der Verwirrung, ich sah daß er zwey hatte, ich bat ihn auf das höflichste, mir ein’s zu borgen, er taht’s. Ich sah hinunter, und fand ihre Loge – Oh Behrisch –.

14

Ich fand ihre Loge. Sie saß an der Ecke, neben ihr ein kleines Mädgen, Gott weiß wer, dann [der Bruder] Peter, dann die Mutter. – Nun aber! Hinter ihrem Stuhl Herr Ryden, in einer sehr zärtlichen Stellung. Ha! Dencke mich! Dencke mich! auf der Gallerie! mit einem Fernglaß –, das sehend! Verflucht! Oh Behrisch ich dachte mein Kopf spränge mir für Wuht. Mann spielte Miss Sara. [3]

Net had de koorts mij met zijn kou doen rillen, en bij dit bericht verandert al mijn bloed in vuur! Ha! In de schouwburg! Terwijl ze weet dat haar geliefde ziek is. God. Dat was erg; maar ik vergaf het haar. Ik wist welk stuk het was. Wat? Zou ze met hem naar de schouwburg zijn. Met hem! Dat deed me rillen! Ik moet het weten. – Ik kleed mij aan, en ren als een gek naar de schouwburg. Ik neem een kaartje voor de galerij. Ik ben boven. Ha! een nieuwe streek. Mijn ogen zijn zwak, en reiken niet tot in de loges. Ik dacht dat ik razend zou worden, en wilde naar huis lopen om mijn kijker te halen. Een eenvoudige kerel, die naast mij stond haalde mij uit mijn verwarring, ik zag dat hij er twee had, ik vroeg hem uiterst beleefd, mij er één te lenen, hij deed het. Ik keek naar beneden, en vond haar loge – Oh Behrish –

15

Ik vond haar loge. Zij zat op de hoek, naast haar een klein meisje, God weet wie, dan [haar broer] Peter, dan haar moeder. – Maar nu! Achter haar stoel! Mijnheer Ryden, in een zeer aanminnige houding. Ha! Stel je mij voor! Stel je mij voor! Op de galerij! met een toneelkijker -, dat ziende! Vervloekt! Oh Behrish ik dacht dat mijn hoofd van woede zou barsten. Men speelde Miss Sara.

Miss Sara Sampson van Lessing, en niet Wagners Walküre. En Goethe heeft ook niet de neiging zijn kijker naar beneden te smijten, maar de hier beschreven situatie en de gemoedsgesteldheid van de jongeman zullen de lezers van ‘De binocle’ bekend voorkomen.
    Goethe vervolgt zijn brief met een gedetailleerde beschrijving van wat hij in de loge beneden hem waarneemt en wat hij daarbij ervaart en schrijft:

So saß ich eine Viertelstunde und sah nichts als was ich in den ersten fünf Minuten gesehen hatte. Auf einmal faßte mich das Fieber mit seiner ganzen Stärcke, und ich dachte in dem Augenblicke zu sterben; ich gab mein Glaß an meinen Nachbaar, und lief, ging nicht aus dem Hause – [4]

Zo zat ik een kwartier en zag niets dan wat ik in de eerste vijf minuten al gezien had Plotseling beving de koorts mij met al zijn kracht, en ik dacht op hetzelfde moment te sterven; ik gaf mijn kijker aan mijn buurman en liep weg, ging niet het gebouw uit –

Goethe beschrijft daarna de koortsachtige toestand waarin hij blijft verkeren, ook als hij weer op zijn kamer terug is, en dan staat er opeens:

Sieh Behrisch, die Sara sah ich einmal mit ihr. Wie unterschieden von heute. Es waren ebendieselben Scenen, eben die Acteurs, und ich konnte sie heute nicht ausstehn. Ha! alles Vergnügen liegt in uns. Wir sind unsre eigne Teufel, wir vertreiben uns aus unserm Paradiese. [5]

Kijk Behrish, ik zag Sara een keer samen met haar. Hoe verschillend van vandaag. Het waren precies dezelfde scènes, dezelfde acteurs, en ik kon ze vandaag niet uitstaan. Ha! Ieder genoegen zit in ons. Wij zijn onze eigen duivels, wij verdrijven onszelf uit ons paradijs.

Net zoals ‘De binocle’ van Couperus eindigt met het motief van de dood in direct verband met het motief van iemand die zichzelf niet meer meester is, zo vormen deze beide motieven ook het slot van Goethe’s relaas van 10 november 1767: [6]

Ich binn nicht mehr Herr über mich. Was taht ich neulich als ich von meinem unbändigen Pferde weggerissen ward? Ich konnte es nicht einhalten, ich sah meinen Todt, wenigstens einen schröcklichen Fall vor Augen. Ich wagt’ es, und stürzte mich herunter. Da hatte ich Herz. Ich binn vielleicht nicht der herzhafteste, binn nur gebohren in Gefahr herzhaft zu werden. Aber ich binn jetzt in Gefahr, und doch nicht herzhaft. Gott! Freund! weißt du was ich meyne? Gute Nacht. [7]

16

Ik ben mijzelf niet meer meester. Wat deed ik onlangs toen ik door mijn losgeslagen paard weggerukt werd? Ik kon het niet in bedwang houden, ik zag mijn dood, of minstens een afschuwelijke val voor mijn ogen. Ik waagde het erop en liet mij vallen. Toen had ik moed. Ik ben misschien niet de dapperste, en ben geboren om pas in gevaar moedig te worden. Maar ik ben nu in gevaar, en toch niet moedig. God! Vriend! weet je wat ik bedoel? Goedenacht.

Met de woorden ‘weet je wat ik bedoel?’ zinspeelde Goethe op de mogelijkheid van zelfmoord. [8]

Datering
Goethe’s relaas speelt zich in Leipzig af en niet in Dresden, maar enkele maanden later, in een brief van maart 1768, vertelt Goethe aan Behrish dat hij in Dresden geweest is en daar de Gallerie, de beroemde kunstcollectie, gezien heeft. [9]
    Goethe’s toneelkijker was uiteraard geen binocle, maar een kleine in lengte verstelbare buisvormige kijker met twee of drie lenzen, een zogenaamd Taschenperspektiv, zoals dat ook in het verhaal Der Sandmann van E.T.A. Hoffmann ter sprake komt. De binocle is een uitvinding uit het midden van de negentiende eeuw.
    Gerda van Woudenberg heeft al in 1952 gewezen op de ontegenzeggelijke overeenkomsten tussen dit verhaal van Hoffmann en het verhaal van Couperus, [10] maar behalve dat ook aan het eind van Der Sandmann het motief van iemand die zichzelf niet meer meester is samengaat met het motief van de dood, vertoont de brief van Goethe geen overeenkomsten met het verhaal van Hoffmann en komt deze op andere punten overeen met ‘De binocle’ van Couperus. En dus rijst de vraag of Couperus, naast het verhaal van Hoffmann, de brief van Goethe gelezen heeft. Helaas heb ik daar geen directe aanwijzingen, laat staan bewijzen voor kunnen vinden, maar onmogelijk is dit niet.
    H.T.M van Vliet heeft in zijn boek Eenheid in verscheidenheid aangetoond dat Couperus zijn verhaal pas in 1920 heeft geschreven en niet in 1897, zoals Gerda van Woudenberg en, in navolging van haar, Frédéric Bastet veronderstelden. [11] Terecht merkt Van Vliet op dat Couperus de oorspronkelijke openingszin van het verhaal Het was ongeveer twintig jaar geleden (…) onmogelijk heeft kunnen schrijven in 1897, maar wel in 1920, aangezien Die Walküre pas in 1876 in première ging en pas vanaf 1878 buiten Bayreuth werd opgevoerd. [12] Maar tussen het krijgen van een idee voor een verhaal en het schrijven ervan kan een lange tijd verlopen. Zo heeft Couperus naar eigen zeggen tien jaar rondgelopen met het idee voor De berg van licht. Dus misschien had Gerda van Woudenberg niet helemaal ongelijk met haar datering van ‘De binocle’ en haar opmerking dat het verhaal lange tijd door Couperus in portefeuille is gehouden. Deze portefeuille kan ook het hoofd van Couperus geweest zijn.
    Van Woudenberg en Bastet veronderstellen dat het verhaal in 1897 is ontstaan, omdat Couperus toen zijn eerste bezoek aan Dresden bracht. Jan Fontijn heeft in 1975 echter gewezen op de verbanden tussen ‘Kleine raadsels’, ‘Uit het dagboek van Taco Quaerts’ en ‘De binocle’. [13]

Kleine raadsels
In mei 1890 gaat Couperus, waarschijnlijk samen met zijn 71-jarige tante Wilhelmina en zijn 28-jarige nicht Minta voor enkele weken naar Karlsbad. [14] Daar begint hij aan het verhaal Eene illuzie, dat hij in juli in Den Haag voltooit. In dezelfde zomer spreekt hij in een brief aan Marie Vlielander Hein over de roman Extaze, waaraan hij echter pas in januari

17
1891 begint [15] en in november de laatste hand legt. [16] Het verhaal ‘Kleine raadsels’ was oorspronkelijk bedoeld om deel uit te maken van deze roman en is door Couperus gedateerd: Hilversum – Den Haag, dec.’91.
    Eene illuzie speelt in Karlsbad; Couperus noemt diverse plaatsen en bezienswaardigheden in en rond deze stad. In ‘Kleine raadsels’, hoofdstuk I, komt het nabij Karlsbad gelegen Marienbad ter sprake, maar ook speelt tot tweemaal toe een binocle een rol in deze vertelling. De eerste keer in het derde hoofdstuk:

Het vertoonde zich daarna, toen ik voor enkele maanden in de opera te Frankfort was: men speelde de Walküre, in eene der walkuren zag ik weêr haar. En in een donkere benedenloge zag ik, bij het dwalen van mijne ogen door de zaal, een paartje zitten, een oud paartje; een heer en eene heele oude dame; ik kon echter zelfs met mijn binocle hunne trekken niet goed onderscheiden en bij het uitgaan der comedie zag ik ze niet. [17]

Nota bene, reeds hier, in de periode 1890 – 1891, worden Die Walküre, de afstand tussen de hoger gelegen galerij en een veel lager liggende loge, een ouder echtpaar en een binocle in één zin samen genoemd; alleen is de plaats Frankfurt en nog geen Dresden. Waarom Frankfurt? Omdat Goethe hier geboren werd en opgroeide? Het blijft een open vraag, al is het een feit dat Frankfurt beroemd was om zijn opera. [18] Opvallend is ook dat Couperus hier spreekt over het uitgaan der comedie, waar hij het heeft over het uitgaan van de opera. Bij mijn weten gebruikt Couperus op alle andere plaatsen in zijn werk het woord opera wanneer hij de opera bedoelt. Het woord comedie gebruikt Couperus voor theaters waar toneelstukken of concerten gegeven worden. Het is dus opmerkelijk dat hij hier, waar hij nadrukkelijk een opera bedoelt, spreekt over ‘het uitgaan der comedie’. Goethe noemt het theater in de hierboven geciteerde brief echter wel die Comödie, aangezien het bij hem om de opvoering van een toneelstuk gaat. Men zou bijna vermoeden dat het gebruik van het woord comedie op deze plaats bij Couperus een kleine ‘slip of the pen’ is die door de brief van Goethe is veroorzaakt.
    De tweede keer dat in ‘Kleine raadsels’ een binocle genoemd wordt is in hoofdstuk V:

En toen, toen werd het als zagen mijne oogen als door een omgekeerden binocle. Want het gezicht kromp in, de weg schrompelde samen, de wandelaars werden poppetjes, (…). [19]

Voor zover ik weet, is bij Couperus alleen in deze vertelling en in zijn inmiddels beroemde verhaal sprake van een binocle.

18
Karlsbad
Karlsbad, het huidige Karlovy Vary in Tsjechië, was in de tweede helft van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw een zeer populaire badplaats, een ‘Kurort’ waar vele gekroonde hoofden en de aristocratie van Europa elkaar ontmoetten. Tussen 1785 en 1823 verbleef Goethe hier dertien keer en was er als beroemdste schrijver van Europa een van de bekendste en meest gewaardeerde gasten. Couperus heeft er ongetwijfeld de vele inscripties en de standbeelden gezien die aan deze bezoeken van Goethe herinneren. Verder is het niet onmogelijk dat Couperus vanuit Karlsbad een bezoek gebracht heeft aan het nabijgelegen Marienbad, de plaats waar Goethe vanaf 1820 jaarlijks een kuur deed, maar die vooral beroemd is geworden doordat de bijna 74-jarige auteur er in 1823 een huwelijksaanzoek deed aan de negentienjarige Ulrike von Levetzov. Ook in Marienbad zijn vele herinneringen aan Goethe levend gehouden.
    Net als nu zullen de plaatselijke boekwinkels ook in 1890, toen Couperus in Karlsbad verbleef, op deze Goethe-interesse hebben ingespeeld. In 1883 was Wilhelm Hosäu’s boek Wolfgang Behrish. Ein Bild aus Goethe’s Freundeskreise verschenen. Bovendien kon men in het Goethe Jahrbuch van 1886: Einundzwanzig Briefe Goethes an Behrish. Herausgegeben und kommentiert von Ludwig Geiger lezen. [20] Deze Ludwig Geiger was dezelfde die in 1877 de biografie van Petrarca had gepubliceerd, die Couperus in de jaren rond 1880 grondig had gelezen. [21]
   
Bastet citeert de volgende regels uit Metamorfoze als inleiding op zijn bespreking van Couperus’ Petrarca-interesse: ‘Een deel van Göthe – om toch iets te weten van Göthe. Maar Göthe – misschien om het Duitsch, dat hem te zwaar was, of om den druk van het boek, voldeed hem niet.’ [22] Het laatste is misschien waar, maar voor een jongeman die in staat was om de moeilijke Duitse boeken van Burckhardt, Voigt en Geiger over de Renaissance en Petrarca te lezen, moet Goethe wat de taal betreft geen probleem geweest zijn. Naar aanleiding van de herdruk van zijn bundel Williswinde schreef Couperus in 1895: ‘Maar voyons – het was het aller-allereerste, dat in het licht verscheen, en de eerste versjes van Göthe en Byron zelfs waren ook niet erg interessant’, [23] wat er op duidt dat Couperus toch wel iets van Goethe afwist.
    Wellicht is Couperus’ interesse voor de Duitse auteur groter geweest dan hij heeft willen laten merken. Zo roept de beschrijving van het vuurwerk rond de vijver in het park van Wiesbaden, in hoofdstuk II van Kleine raadsels, herinneringen op aan de bekende passage uit Goethe’s roman Die Wahlverwandtschaften [24] en kan men zich afvragen of diens Dichtung und Wahrheit model gestaan heeft voor Metamorfoze, dat waarschijnlijk net zo veel ‘Dichtung’ bevat als de beroemde autobiografie van Goethe. Couperus heeft tenslotte ook nergens over zijn lectuur van E.T.A. Hoffmann gesproken; zijn bekendheid met deze auteur is alleen af te leiden uit zijn verhalen.

Idee
Couperus zelf heeft herhaaldelijk beweerd dat het combineren van verschillende indrukken en ervaringen in een verhaal of roman zijn gebruikelijke wijze van werken was. Literaire ervaringen waren voor Couperus net zo belangrijk als ervaringen uit de dagelijkse werkelijkheid. Wellicht is het aardig om te weten dat Goethe in het vervolg op zijn hierboven geciteerde brief, op 13 november, schreef:

Mein Brief hat eine hübsche Anlage zu einem Werckgen, ich habe ihn wieder durchgelesen, und erschröcke vor mir selbst. [25]

19

Mijn brief geeft een leuke aanzet tot een werkje, ik heb hem nog eens doorgelezen en schrok van mijzelf.

Men zou bijna op de stoutmoedige gedachte komen dat Couperus deze opmerking van Goethe niet onbenut heeft gelaten.
    Samenvattend zou ik tot de voorzichtige conclusie willen komen dat Couperus naar aanleiding van zijn bezoek aan Karlsbad, zijn lectuur van de brieven van Goethe aan Behrish én de verhalen van E.T.A. Hoffmann in de jaren 1890-91 het idee heeft gekregen voor zijn verhaal ‘De binocle’, maar dit idee pas veel later heeft uitgewerkt.

Noten
1. Goethe an Käthchen Schönkopf, gedateerd 1 juni 1769. In: K.R. Mandelkow en R. Morawe (ed.), Goethes Briefe. Hamburger Ausgabe. München, 1988, Band 1, p.96.
2. Idem, p.57.
3. Idem, p.59.
4. Idem, p.60.
5. Idem, p.61.
6. Goethe heeft de brief vervolgd op 11, 13 en 14 november.
7. K.R. Mandelkow en R. Morawe (ed.), Goethes Briefe, p.61. Goethe had Behrish op 2 november geschreven over zijn val van het paard.
8. Idem, p.545, Anmerkung 61, 26.
9. Idem, p.64
10. G. van Woudenberg, ‘Over enkele détails van Couperus’ verhaal De binocle, in verband met Der Sandmann van E.T.A. Hoffmann.’ In: Levende Talen 16 (1952, oktober), p.316-322.
11. H.T.M. van Vliet, Eenheid in verscheidenheid. Over de werkwijze van Louis Couperus. Amsterdam/Antwerpen, 1996, p.163-179.
12. Idem, p.167.
13. J. Fontijn, ‘In de greep van het noodlot. Over De binocle.’ In: De Revisor 2 (1975), nr.2 (maart), p.32-39.
14. Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.134.
15. Idem, p.137.
16. Idem, p.152.
17. Louis Couperus, ‘Kleine raadsels.’ In: Eene illuzie. Volledige Werken Louis Couperus, deel 6, p.115.
18. Wolfgang Saure, Die Geschichte der Frankfurter Oper von 1772 bis 1880. Köln, 1958 (diss.)
19. Louis Couperus, ‘Kleine raadsels’, p.117.
20. K.R. Mandelkow en R. Morawe (ed.), Goethes Briefe, p.538.
21. Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie, p.98 e.v.
22. Idem, p.97-98.
23. Idem p.110.
24. Idem, p.147. Bastet baseert zijn mededeling dat in de tuin van het kuuroord te Wiesbaden vuurwerk werd afgestoken op de vertelling ‘Kleine raadsels’. Zie voetnoot 64 aldaar.
25. K.R. Mandelkow en R. Morawe (ed.), Goethes Briefe, p.63.

(Uit: Arabesken 13 (2005), nr.28, p.12-19.)

[Naar boven]