Louis Couperus in het huidige voortgezet onderwijs
Haagse sferen op school
![]() |
De jeugd heeft de toekomst, luidt het spreekwoord. Komt Couperus in die toekomst voor? Ten dele zal dit afhangen van de wijze waarop zijn werk op school aan jongeren wordt aangereikt. Een inventarisatie van Couperus’ plaats in het huidige voortgezet onderwijs biedt mogelijk enige duidelijkheid over de toekomstige relatie van de hedendaagse jeugd met de schrijver.
Door Rémon van Gemeren
Zoals bekend heeft de invoering van de tweede fase in 1998 grote veranderingen in de bovenbouw van de havo en het vwo teweeggebracht. De nadruk kwam te liggen op zelfstandig leren en de samenhang tussen vakken moest worden versterkt. Voor de Nederlandse literatuur had dit als gevolg dat de omvang van de lessen danig kromp. Het aantal te lezen boeken nam af tot twaalf op het vwo en acht op de havo. Daarnaast werd de ruimte voor literatuur in de lessen en het lesmateriaal aanzienlijk kleiner, mede doordat literatuur veelal vakoverstijgend werd onderwezen, in combinatie met de moderne vreemde talen. Aan de nagenoeg monopolistische positie van ‘Lodewick’, voorheen veruit de meest gebruikte methode voor Nederlandse literatuur, kwam een einde. Een golf van nieuwe methodes, speciaal voor de tweede fase ontwikkeld, overspoelde het onderwijs.
13
vooral bedoeld om met verhaaltechniek te oefenen. In het bijbehorende
werkboek staan enkele vragen over Couperus alsmede een kort fragment uit
Iskander, waarin leerlingen neologismen zoals ‘staalkleurde’ en ouderwetse
woorden zoals ‘woede des winds’ moeten herkennen.
Laagland,
[4] eveneens alleen gewijd aan Nederlandse literatuur, is veel bondiger
wat Couperus betreft. Bij de behandeling van de relatie tussen ruimte en
thematiek wordt als voorbeeld een korte passage uit De stille kracht met
een inleiding gegeven. In het literair-historische gedeelte krijgt Couperus een
krappe bladzijde, waarin het noodlot als centrale thematiek van zijn oeuvre
staat vermeld. Over Eline Vere,
Van oude menschen..., Noodlot en De stille kracht wordt
kort verteld, De berg van licht en Iskander worden genoemd. In het
‘verwerkingsboek’ komt Couperus niet voor.
In Dossier lezen
[5] komt de volledige literaire geschiedenis er bekaaid af: acht
bladzijden, waarvan zes een groot (internationaal) schema beslaan. De literatuur
wordt kriskras gepresenteerd, zonder enige chronologie, in hoofdstukken waarin
‘de lezer’, ‘de schrijver’ of thema’s als ‘de zin van het leven’ en
‘tegendraads’ het onderwerp zijn. De opgenomen literatuur is goeddeels
twintigste-eeuws en bevat niets van Couperus. In het karige namenregister vindt
men hem, met uitleg, die leert dat hij bekend is geworden door zijn Haagse
romans als Eline Vere en Van oude menschen... en zijn Indische
romans als De stille kracht (welke andere Indische roman(s) Couperus
geschreven heeft, blijft voor iedereen een raadsel). Couperus komt in het
werkboek niet voor.
Metropool
[6] (voor havo/vwo) noemt Couperus in hoofdstukjes over dandyisme,
naturalisme en schrijvers met een impressionistische stijl (die niet in een heel
boek gehanteerd zou worden, maar bijvoorbeeld bij een ‘sfeerbeschrijving van de
omgeving’). Zijn plaats in de literaire historie is goed voor ongeveer een kwart
bladzijde. De meeste genres binnen het oeuvre van ‘een van de belangrijkste
schrijvers van zijn tijd’ worden aangestipt. In zijn naturalistische romans
staat ‘de onafwendbaarheid van het noodlot’ centraal. De hoofdpersonen hierin
zijn afkomstig uit de ‘rijke (meestal Haagse) bourgeoisie’. Enkele romans, die
‘meer of minder’ naturalistische kenmerken bevatten, worden met een kernachtige,
aan reclame verwante beschrijving genoemd:
Eline Vere (‘De ondergang van de overgevoelige Haagse Eline is
onontkoombaar.’),
Noodlot (‘Verstikkende driehoeksrelatie eindigt in moord en zelfmoord.’),
De stille kracht
(‘Nederlanders vechten in Nederlands-Indië tevergeefs tegen de ‘stille krachten’
van het Oosten.’) en Van oude menschen... (‘Een moord, gepleegd in een
ver verleden, hangt als een schaduw boven een hele familie.’). In het
bijbehorende ‘themaboek’ wordt Noodlot als leessuggestie gegeven bij het thema
‘Heimwee en verlangen’ (‘Een van de modernste boeken uit de vorige eeuw [dat was
in 1999, toen de methode verscheen, nog net de negentiende eeuw]. Als de
decadente Frank verliefd wordt op een vrouw, komt zijn vriend, die ook gevoelens
koestert [voor wie blijft onhelder], in opstand. Het loopt natuurlijk niet goed
af.’).
Eldorado
[7] is een vakoverstijgende methode. In de uiterst beknopte
literatuurgeschiedenis krijgt Couperus alleen het etiket ‘naturalist’ opgeplakt.
Verder prijken
14
Eline Vere en De stille kracht (uit 1899!) op de titellijst
van de negentiende eeuw,
De boeken der kleine zielen en Iskander op die van twintigste
eeuw. Voor enige inhoudelijke informatie kan men terecht in het werkboek, waarin
een minimale, algemene beschrijving staat. Couperus zou onder meer een meester
zijn in ‘het tot leven brengen van verhaalfiguren die meestal erg fijngevoelig
zijn, en zonder levensenergie’, en ‘de enigszins gekunstelde sierlijkheid van
zijn schrijfstijl past goed bij zijn onderwerpen’ (hoe wordt niet uitgelegd). Er
volgt een kort fragment waarin Eline Vere somber over haar leven peinst, met als
enige vraag: waaruit blijkt dat deze roman naturalistisch is, hetgeen op grond
van deze passage, zeker voor leerlingen, moeilijk te zeggen is. Daarna (in de
eerste druk
[8] nog niet) wordt van Couperus, als schrijver van historische romans
die geroemd worden om hun ‘waarheidsgetrouwe beeld van het verleden’, een
fragment uit
Iskander gegeven. De ‘basisopdracht’ hierbij is vijf voorbeelden van
beeldspraak (met de vorm) te noemen. De ‘verdiepingsopdracht’ is antwoord te
geven (met voorbeelden) op de vraag of je het taalgebruik ouderwets vindt.
Ten slotte Literatuur zonder grenzen
[9], dat, zoals de titel impliceert, vakoverstijgend is. In de eerste
druk wordt Couperus een plaats toebedeeld in het eigenaardige hoofdstuk ‘Moderne
literatuur 1850-1914’, samen met Hildebrand (die ook al een plek verworven heeft
in het voorgaande hoofdstuk ‘romantiek’, en eveneens met Camera Obscura,
uit 1839), Heijermans, Gorter en Van Schendel, een bonte club dus. Op de enkele
bladzijde voor Couperus wordt uitsluitend Eline Vere behandeld, waarbij
Couperus alleen als naturalistische schrijver naar voren komt. Het verwondert
dan ook niet dat hij bijvoorbeeld bij het hoofdstukje over symbolisme niet
vermeld wordt. In de tweede druk
[10]
van de methode, die expliciet ‘literatuurgeschiedenis’ genoemd wordt, komt zijn
naam slechts tweemaal terloops voor.
Digitalisering
Lesboeken zijn in het algemeen het fundament voor een docent, maar sluiten voor
velen onvoldoende aan op de lesstof. De docent kan, naar eigen inzicht of smaak
of volgens afspraak binnen de sectie, ter aanvulling (of compensatie) voor
stencils zorgen. Het kan dan gaan om informatie over Couperus of om (een
gedeelte uit) werk van hem, bijvoorbeeld ‘De binocle’. Ook voorlezen behoort tot
de mogelijkheden van een docent. Bovendien kan hij Couperus mondeling, als in
een college, behandelen, al zullen weinigen dit doen. Eventueel kunnen
fragmenten uit de verfilmingen van zijn romans worden vertoond. In hoeverre al
deze methodes worden gebruikt, is moeilijk te bepalen.
In het steeds digitalere tijdperk waarin we leven is papier
niet meer noodzakelijk om literatuur in het onderwijs onder de aandacht te
brengen. Er zijn verschillende websites die gebruikt kunnen worden als het om
ons literaire erfgoed gaat. De bekendste hiervan is
www.dbnl.org, dat met een aanzienlijke hoeveelheid secundaire (en primaire)
literatuur door leerlingen kan worden geraadpleegd, ook als het om Couperus
gaat. Veel meer websites zouden genoemd kunnen worden, niet te vergeten
louiscouperus.nl. Zeer geschikt voor het voortgezet onderwijs is
literatuurgeschiedenis.nl. Couperus krijgt hier de ruimte met twee pagina’s
voor hem alleen, één voor Eline Vere, de andere voor zijn hele oeuvre.
Over Couperus’ debuutroman wordt een treffende uitleg geboden, voorzien van het
fragment waarin Eline zelfmoord pleegt. De algemene pagina behelst een overzicht
van zijn werk (met de Haagse romans in de hoofdrol), een beschrijving van de
thema’s hierin en tevens van Couperus’ Nachleben.
15
Ook is er
leesadviezen.nl van Joop Dirksen (tevens auteur van
Dossier lezen), een docent die sterk voorstander is van de tweede fase en
het nieuwe leren, wat te zien valt aan de boekenlijst die hij voorstelt: op één
uitzondering na (niet Couperus!) geen boeken van voor 1945. De smaak en
leeservaring van de leerling staan centraal. De laatste website die ik vermeld,
is
lezenvoordelijst.nl. Leerlingen kunnen zich literair ontwikkelen aan de hand
van zes niveaus, van zeer onvoldoende (niveau 1) tot excellent (niveau 6). Bij
elk niveau worden titels gesuggereerd en zo kan stapsgewijs worden opgeklommen.
Couperus staat met De stille kracht en Van oude menschen… bij
niveau 5, wat voor een 6 vwo-leerling betekent dat zijn of haar literaire
competentie ‘uitgebreid’ is, dat de roman ‘complex’ is en het niveau ‘hoog’. Wil
een examenkandidaat een ‘excellent’ niveau hebben, dan dient hij bijvoorbeeld
Vondels Lucifer of Mystiek lichaam van Frans Kellendonk te lezen.
Voor een ‘normaal’ niveau (niveau 4) volstaan onder meer Nooit meer slapen
van W.F. Hermans en Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Het is jammer dat
met deze websites, ook al staan er veel klassiekers op, de literatuur zo
versmald wordt door de (relatief) korte lijsten. Toch zien veel docenten hierin
de oplossing voor het worstelen met bij elkaar geknipte en geplakte
boekverslagen van leerlingen, toenemende desinteresse, het lezen van uittreksels
in plaats van de werken zelf en het lezen van
16
ongeschikte (te makkelijke of moeilijke) boeken. Tal van geluiden wijzen
erop dat docenten literatuur meer en meer digitaal trachten over te dragen.
De massaal bezochte (en misbruikte) websites met
boekverslagen (scholieren.com,
nederlands.scholieren.samenvattingen.com en
collegenet.nl bijvoorbeeld) zijn ook een aardige indicatie van de plaats die
Couperus inneemt in het onderwijs, en dan vooral van wat er van hem gelezen
wordt. De verslagen, die overigens soms lachwekkend en onzinnig zijn, lijken aan
te tonen dat Eline Vere, Van oude menschen...,
De stille kracht
en Noodlot door leerlingen het meest gelezen worden (dat de andere Haagse
roman,
De boeken der kleine zielen, minder populair is, ligt ongetwijfeld
grotendeels aan de omvang). Ook Psyche doet het goed; verder behoren
Fidessa, Extaze en
Langs lijnen van geleidelijkheid tot het meer gelezen deel van Couperus’
oeuvre. De meningen over de romans lopen, om tal van redenen (onder meer stijl,
opbouw, psychologie, sfeer) erg uiteen.
Sombere toekomst
In hoeverre kan op grond van dit alles worden voorspeld hoe Couperus in de
toekomst onderwezen en gelezen zal worden? Dat blijft gissen. We hebben slechts
houvast aan de wijze waarop en de mate waarin hij nu op school aan bod komt. In
het algemeen kan over het literatuuronderwijs worden vastgesteld dat nogal wat
docenten in de praktijk moeite hebben om een klas geïnteresseerd te krijgen. Er
zit een kern van waarheid in het bekende beeld van jongeren die door de
beeldcultuur, zapcultuur en sms- en msn-cultuur waarin ze leven, minder
gemotiveerd en ook minder in staat zijn zich te concentreren op een langere
tekst. Het geduld en de verdieping zijn bij de meesten onvoldoende. Het is dan
ook de vraag of het e-book waarop sommigen hun hoop hebben gevestigd een
positieve kentering kan teweegbrengen. Voor deze integraal op internet
beschikbare werken moet immers dezelfde concentratie en hetzelfde geduld worden
opgebracht.
Over Couperus op school kan het volgende worden gezegd. Het
is duidelijk dat de Haagse romans, Eline Vere voorop, de meeste
belangstelling hebben, met de kanttekening dat De boeken der kleine zielen
minder gelezen wordt. Verder is
De stille kracht prominent. ‘De binocle’ doet nog steeds vaak dienst als
een geschikt verhaal om ofwel het naturalisme te behandelen, ofwel de thematiek
in heel (of veel van) Couperus’ werk.
Dat Eline Vere het meest geliefd is in het voortgezet
onderwijs, zal mede komen door de herkenbaarheid van een onzeker, jong iemand
met grote dromen in een vijandige omgeving, en door de vlotte stijl. In dat
opzicht lijkt de roman voor jongeren niet snel te verouderen. Er zijn redenen om
te denken dat Couperus op school behandeld blijft, bijvoorbeeld zijn status,
zijn herkenbare thema’s, zijn toegankelijkheid (met name van zijn realistische
romans), maar ook redenen om hieraan te twijfelen. Zo zijn zijn taalgebruik en
het milieu dat hij schetst voor veel leerlingen te ouderwets.
Wat, zo blijkt uit bestudering van de diverse
literatuurmethodes en websites, niet in het voordeel van Couperus gewerkt heeft,
is de verschraling van het literatuuronderwijs. Niet alleen Couperus lijdt
daaronder, het geldt voor elke schrijver. Multatuli, Vondel en Hermans krijgen
gemiddeld niet méér aandacht. Tijdgenoten als Emants of Heijermans worden
meestal niet behandeld, alleen genoemd, of zelfs dat nog niet eens. De meeste
methodes passen binnen het competentiegerichte onderwijs, waarin de leerling
vooral op zelfstandige wijze ‘gereedschapskennis’ (zoals Dossier lezen
het noemt) verkrijgt om met literatuur om te gaan. Daarbij gaat het vaak niet in
de eerste plaats om het werk,
17
maar om hoe de leerling dit ervaart, oftewel om zijn smaak en de
ontwikkeling daarvan. Dautzenberg is van alle auteurs van methodes nog het
traditioneelst en het meest gericht op de literatuur en haar context.
Het spreekt vanzelf dat ook door de afname van het verplichte
aantal te lezen boeken en van de lesstof Couperus minder naam onder de jeugd
maakt dan vroeger. De conclusie mag dan ook wat somber klinken. Uit de havo is
hij haast verbannen, om van het vmbo niet te spreken. Het is beslist niet
uitgesloten dat de jongeren van nu Couperus op latere leeftijd meer zullen
lezen, maar zijn bekendheid onder leerlingen is, onder meer door de
onderwijsvernieuwingen vanuit de politiek, onmiskenbaar verkleind. Die
vernieuwingen worden inmiddels, ook door politici, deels betreurd. Wellicht is
dat de redding en wordt zo vermeden dat Den Haag later zelfs de weg naar de
Haagse romans van Couperus voor leerlingen verspert.
| Noten |
| 1. | H.J.M.F. Lodewick, P. J.J. Coenen & A.A. Smulders, Literatuur. Geschiedenis en bloemlezing. Nieuwe versie (34ste druk, vijfde oplage). Den Bosch, 1985. |
| 2. | J.A. Dautzenberg, Nederlandse literatuur. Geschiedenis, bloemlezing en theorie. Den Bosch, 1998. |
| 3. | J.A. Dautzenberg, Literatuur. Geschiedenis en leesdossier. Derde druk. Den Bosch, 2004. |
| 4. | Gerrit van der Meulen & Ruud Kraaijeveld, Laagland. Globe. Literatuur voor de tweede fase vwo. Zutphen, 1998. |
| 5. | Joop Dirksen, Dossier lezen. Methode literatuur voor de tweede fase vwo. Amsterdam, 1998. |
| 6. | Corrie Joosten e.a., Metropool. Literatuur voor de tweede fase havo/vwo bovenbouw. Groningen, 1999. |
| 7. | Jos Schilleman e.a., Eldorado. vwo. Tweede druk. Utrecht/Zutphen, 2004. |
| 8. | Jos Schilleman e.a., Eldorado. vwo. Utrecht/Zutphen, 1998. |
| 9. | Lily Coenen e.a., Literatuur zonder grenzen tweede fase vwo. Amsterdam, 1998. |
| 10. | Lily Coenen e.a., Literatuur zonder grenzen tweede fase vwo literatuurgeschiedenis. Tweede druk. Amsterdam, 2002. |