Couperus in English

Zoals de expositie ‘Couperus in English’ in het Louis Couperus Museum overtuigend liet zien, was Couperus vooral in de jaren voor en vlak na de Eerste Wereldoorlog een gevierd auteur in de Engelssprekende wereld. Heden ten dage is daar echter nog nauwelijks aandacht voor zijn werk. Paul Vincent, die onder meer De ontdekking van de hemel in het Engels vertaalde, opende de tentoonstelling en vroeg zich af wat hiervan de reden kan zijn.

DOOR 

Dames en heren,

Het is voor mij een grote eer om vanmiddag een paar woorden te mogen zeggen bij de opening van de tentoonstelling ‘Couperus in English’, in dit mooie pand waar Couperus zelf weliswaar nooit gewoond heeft, maar dat zich in een straat bevindt waar hij en pension is geweest, een straat die bovendien - zoals men makkelijk in de jongste bundel van professor Bastet kan nagaan [1] - een rol speelt in drie bekende werken.
    Volgend jaar is het tachtigste sterfjaar van de schrijver, die nu al bijna honderdveertig jaar geleden in deze stad geboren is. De hoogste tijd dus, zou men zeggen, voor een terugblik op de wederwaardigheden van zijn werk in het Engelse taalgebied. Maar dan dringt de vraag zich op of er überhaupt nog wat te herdenken, laat staan te vieren valt rondom het thema ‘Couperus in English’.

Een bekende naam
Op dit moment is er namelijk praktisch niets meer van Couperus nieuw verkrijgbaar in Engelse vertaling; alleen de twee minder belangrijke werken Ecstasy en Psyche, beide verschenen bij de kleine Londense uitgeverij Pushkin Press. [2] Allang verramsjt is zelfs The Hidden Force (De stille kracht), die in 1985 door E.M. Beekman werd verzorgd als deel van de onvolprezen Amerikaanse reeks ‘Library of the Indies’. [3] De zogeheten ‘gewaagde’, in de oorspronkelijke vertaling van Alexander Teixeira de Mattos weggelaten passages, waren in deze uitgave toegevoegd. Nog in 1992 werd deze editie door Quartet Books op de Engelse markt gebracht, maar ondanks lovende besprekingen van
onder anderen Ian Buruma en Peter Carey is het boek intussen weer uit het zicht verdwenen. [4]
    In de jaren voor en vlak na de Eerste Wereldoorlog - zoals de tentoonstelling goed gedocumenteerd en overtuigend laat zien - lag dat anders. Couperus was destijds in Engeland en Amerika een bekende naam, hij oogstte lof van grootheden als Oscar Wilde, Katherine Mansfield en John Cowper Powys, en telde onder zijn kennissen gezaghebbende critici als Edmund Gosse. [5] Er verschenen geregeld vertalingen - vanaf 1892 tot 1921 meestal van de hand van Couperus’ lijfvertaler De Mattos. In 1921 sprak een Engelse criticus zelfs de hoop uit dat ‘today, when Louis Couperus is again beginning to be translated and admired (...) he may yet produce an effect on the development of English fiction.’ [6] Die hoop is niet in vervulling gegaan. Nog geen zes jaar later vindt D.H. Lawrence de roman Of Old People and the Things that Pass By - toch algemeen beschouwd als een van de hoogtepunten uit Couperus’ oeuvre – ‘quite a good contemporary novel’, die het

14
niettemin aflegt tegen Max Havelaar, ‘a far more real book.’ [7] Daarna heeft het bijna veertig jaar geduurd voordat er weer iets van Couperus in Engelse vertaling verscheen - ironisch genoeg, na de lauwe lof van Lawrence, Of Old People and the Things that Pass By (1963), in de mooie, maar slecht verkochte Bibliotheca Neerlandica-reeks. [8]

Blame the translator?
Verschillende commentatoren hebben in de loop der jaren een verklaring proberen te vinden voor het vrij plotselinge verdwijnen uit de aandacht van de Engelstalige lezer van de eens veelgelezen en bejubelde schrijver. De auteur van de catalogus bij deze tentoonstelling, Caroline de Westenholz, schrijft ergens over de ‘morele herbewapening’-achtige reactie op de ‘val’ van Oscar Wilde in 1895. Wilde en zijn kring voelden zich aangesproken door de verhuld-homo-erotische thematiek van bijvoorbeeld Footsteps of Fate (Noodlot). In het nieuwe klimaat paste de idealistische, ‘Ruritanian’, Prisoner of Zenda-achtige sfeer van Majesty (Majesteit) - die nu erg gedateerd overkomt - beter dan het decadentisme van bijvoorbeeld De berg van licht. Het hoeft ons niet te verbazen dat Engelse uitgevers wat huiverig stonden tegenover dit portret van de androgyne Romeinse keizer Heliogabalus, dat Mario Praz in zijn klassiek geworden studie The Romantic Agony als voorbeeld van een decadente roman noemt. [9] De Engelse uitgevers van bijvoorbeeld Emile Zola werden in deze periode wegens obsceniteit voor de rechter gedaagd. De berg van licht en Iskander, over de nadagen van Alexander de Grote, waarvan De Mattos de vertaling helaas niet meer heeft kunnen voltooien, blijven de grote leemte in de reeks Engelse Couperus-vertalingen, die mijns inziens nodig gevuld moet worden.
    J.G. Kooij heeft de schuld gegeven aan ontwikkelingen in de boekenmarkt en in leesgewoontes. [10] De ondergang van de dikke, driedelige romanpil waar in de negentiende eeuw de ‘subscription libraries’ op dreven, werd versneld door de opkomst en bloei van de stationsboekhandel - in Engeland vooral W.H. Smith - die gespecialiseerd was in handzame lectuur ‘voor onderweg’. Lengte wordt een bezwaar dus. Misschien is onder andere Eline Vere hier de dupe van geworden. De in 1892 voor het eerst in het Engels verschenen vertaling heeft nauwelijks weerklank gevonden. Het boek heeft zijn thema natuurlijk ook niet mee: aftakeling, isolement, al of niet opzettelijke dood, noodlot. Dat de virtuoze, haast Tolstojaanse afwisseling van close-ups van de hoofdfiguur met prachtige ensembles, grotendeels onopgemerkt is gebleven door Engelse en Amerikaanse recensenten, kan men alleen maar betreuren. Ligt het soms aan de vertaling, van de Nederlander J.T. Grein, volgens het principe ‘if in doubt, blame the translator’? Het antwoord daarop zou ons hier te ver voeren.

15
De Engelse romanschrijver Martin Amis - tevens een scherpzinnige criticus - formuleert in een boekbespreking uit 1980 nogal lapidair: ‘In Britain, the long novel was a fatal casualty of World War I.’ [11] Tegelijkertijd wijst Amis op een belangrijk transatlantisch verschil in smaak:

There are two kinds of long novel. Long novels of the first kind are short novels that go on for a long time. Most long novels are this kind of long novel, particularly in America - where writers routinely devastate acres of woodland for their spy thrillers, space operas, family sagas, and so on. Long novels of the second kind, on the other hand, are long because they have to be, earning their amplitude by the complexity of the demands they make on writer and reader alike. [12]

Ik laat even in het midden of alle ‘lange’ romans van Couperus in de eerste of tweede categorie thuishoren - maar dat ik vind dat bijvoorbeeld Eline Vere zijn omvang ruimschoots ‘verdient’ zal wel duidelijk zijn. Interessant is in dit verband in de catalogus te constateren dat terwijl in Amerika de romancyclus The Books of the Small Souls als toppunt van het oeuvre geldt, in Engeland het gedrongene, klassieke van Of Old People het meest gewaardeerd wordt. Evenwichtigheidshalve moet ik nog een kritisch geluid laten horen van een landgenoot van Couperus, wijlen R.P. Meijer, vroeger hoogleraar Nederlands te Londen en auteur van het standaardwerk Literature of the Low Countries. Bij alle waardering voor zijn positieve eigenschappen wijst Meijer Couperus per slot van rekening naar de tweede rang:

He powdered his style as he did his face, he manicured his sentences as he did his nails, he dressed up his novels in the same way as he dressed up his body. This dressing up and embellishing is one of his most conspicuous weaknesses, and together with his tendency to longwindedness and his fatal urge to continue a book beyond its logical ending prevented him from becoming a second Tolstoy, Flaubert or Henry James, in whose class he potentially belonged. [13]

Purple prose
Op dit punt wil ik even mijn betoog onderbreken en een persoonlijker toon aanslaan. Ik sta hier vandaag namelijk niet alleen beroepshalve als neerlandicus en vertaler, maar ook als bewonderaar, als fan. Voor mij is Couperus onlosmakelijk verbonden met mijn eigen leeservaring van bijna veertig jaar geleden als beginnende student Nederlands in Cambridge. Trouwens, voor deze beginneling was destijds geen enkele Nederlandse schrijver een begrip, of het moest Anne Frank zijn. In een razendsnel tempo moest ik de taal proberen machtig te worden en tegelijkertijd me enig idee vormen van de negentiende- en twintigste-eeuwse literatuur. Dit bracht zeker frustraties mee, maar ook openbaringen, zoals de verhalen van Willem Elsschot, het meesterwerkje van Louis Paul Boon Mijn kleine oorlog en een boek, uitgegeven op heel dun papier en in een roomkleurige band gestoken, dat als volgt begon:

De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindebomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van hare tragische tint, in een vage hemel op.

16
U weet het al: dit zijn de eerste regels van De stille kracht. [14] Nou, dat was proza dat me de volle laag gaf! ‘Purple prose’, dat wel. Het maakte rijkelijk gebruik van alliteratie en andere klankeffecten en belandde even verderop met een combinatie als ‘opblankende rissen’ midden in wat ik later ‘woordkunst’ zou leren noemen. Desondanks kreeg ik bij het lezen van dit begin - dat ik nu nog bijna uit mijn hoofd ken - en herhaaldelijk in de rest van de roman, rillingen over mijn rug - volgens sommigen de meest betrouwbare lezerstoets. Couperus mag dan wel in veel opzichten een poète manqué heten, dat wordt ruimschoots goedgemaakt door zijn vertelgenie, zijn karaktertekening (Van Oudijck, Léonie, Eva Eldersma, Addy), zijn dialogen, zijn visualiseringsvermogen (de douchescène), zijn zinnelijkheid, zijn visie op het kolonialisme en op het leven (bijvoorbeeld in de nederlaag van de resident).
    Ik heb het lange tijd jammer gevonden dat de roman nooit verfilmd is - Couperus had destijds namelijk de filmrechten voor $ 2000 aan Hollywood verkocht. Denk eens aan de tropische decors, de zwoele interieurs, zelfs in een stomme film - en tegenwoordig zou het unheimliche van de bekende douche-scène zeker kunnen profiteren van de special effects. Maar bij nader inzien vind ik het geen verlies; integendeel, eerder een winst. Zo heeft elke lezer zijn eigen Laboewangi. [15]
    In bevlogen bewoordingen benadrukt Ian Buruma de actualiteit van het boek voor moderne multiculturele samenlevingen:

His insight into the tragedy of European colonialism made Couperus a great writer. And his sympathy for the hybrid, the impure, the ambiguous gave him a peculiarly modern voice. It is extraordinary that this Dutch dandy, writing in the flowery language of fin-de-siècle decadence, should still sound so fresh. But we can only be grateful. For now that dreams of ethnic purity are making a comeback, his voice is more urgent than any other. [16]

Vurige bewondering horen we ook van een ietwat onverwachte kant in de persoon van de in 1996 overleden Sir Laurens van der Post - destijds de goeroe van de Engelse kroonprins en sinds zijn dood een nogal omstreden figuur - die in zijn memoires The Admiral’s Baby vertelt dat hij vlak na de Tweede Wereldoorlog aan boord van een vliegdekschip met de vrouw van Lord Mountbatten converseerde en kans zag The Hidden Force de hemel in te prijzen (als Zuid-Afrikaan had Van der Post Couperus vermoedelijk in het Nederlands gelezen):

When asked by Lady Mountbatten what she should read I said that perhaps best of all was a book by Louis Couperus, the greatest Dutch novelist I think of all time, which reveals the imperviousness of Europeans in their treatment of subject races. It is called De stille kracht, rather inadequately translated as The Hidden Force, and is a wonderful story of how a first-rate public servant in a remote province, doing his company duty correctly, is seen through and despised by his Indonesian servants. [17]

De uitdrukking ‘company duty’ klinkt nogal anachronistisch naar de VOC-tijd, maar voor de rest zijn deze woorden op maat gesneden voor de flaptekst bij een eventuele toekomstige uitgave van dit unieke boek.

Riskante investering
Ik zal nu niet langer blijven speculeren over de vraag waarom Couperus anno 2002 wat minder populair is dan tachtig jaar geleden. Over de ‘Nobel Prize that never was’ zal ik

17
maar liever niet beginnen. De wegen van de mode zijn uiteindelijk ondoorgrondelijk. Laat ik volstaan met iets toe te voegen aan het droomlijstje van vertalingen dat ik al eerder begonnen was met De berg van licht en Iskander. Enige jaren geleden heeft een collegavertaler van mij eens gepleit voor een integrale hervertaling van De boeken der kleine zielen. Het idee werd, meen ik, min of meer weggehoond. Zelf vond ik het een wat al te idealistische en riskante investering, en dat vind ik eigenlijk nog steeds. En toch... als men bedenkt hoeveel lof de vier romans destijds kregen toegezwaaid aan beide kanten van de Atlantische Oceaan door Katherine Mansfield en anderen... en als men bedenkt dat Galsworthys Forsyte Saga momenteel in een nieuwe bewerking op de Engelse televisie wordt uitgezonden... Waarom kan een Galsworthy-revival-wel en een Couperus-revival niet? Mag ik u allen tot slot veel lering en vermaak toewensen bij het bezichtigen van deze tentoonstelling. Laten we hopen dat er bij een eventuele volgende herdenking van ‘Couperus in English’ weer nieuwe vertalingen en/of herdrukken toe te voegen zullen zijn.

Toespraak bij de opening op 13 april 2002 van de tentoonstelling ‘Couperus in English. De verspreiding van het werk van Louis Couperus in het Engelse taalgebied’ in het Louis Couperus Museum in Den Haag.

Noten
1. Frédéric Bastet, Al die verloren paradijzen... Van en over Louis Couperus. Amsterdam, 2001, p.241-263; p.244, 247.
2. Respectievelijk 1998 en 1999.
3. Uitgegeven door de University of Massachusetts Press.
4. Respectievelijk in New York Review of Books 1994, 11 augustus en Pacific Review.
5. Over Oscar Wilde, zie Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.155; Katherine Mansfield, Novels and Novelists. London, 1930; J.C. Powys, The Art of Happiness (1935); E. Gosse, ‘The Dutch Sensitivists’. In: Louis Couperus, Footsteps of Fate. London, 1891.
6. A.W.G. Randall, ‘Literary Relations between England and Holland’. In: New World 4 (1920-21), 163-8, p. 63.
7. D.H. Lawrence [inleiding Max Havelaar]. In: Multatuli, Max Havelaar. Vertaling: W. Siebenhaar. New York, 1927, p.vi.
8. Een uitgave van Heinemann (London) en Sijthoff (Leiden).
9. Mario Praz, The Romantic Agony. Vertaling: A. Davidson. London, 1960, p.459.
10. J.G. Kooij, ‘Couperus en Engeland’. In: Merlijn 2 (1963-64), nr.5, p.11-28.
11. M. Amis, The War Against Cliché. Essays and Reviews, 1971-2000. London, 2001, p.121.
12. Idem.
13. R.P. Meijer, Literature of the Low Countries. Cheltenham, 1978, p.255.
14. Louis Couperus, De stille kracht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 17, p.5.
15. Een aantal toehoorders bij de opening heeft mij attent gemaakt op de televisiebewerking van de roman uit de jaren zestig. Een ervan heeft zelfs vriendelijk aangeboden mij de hele serie op videoband toe te sturen. Ik ben bijzonder benieuwd of ik gedwongen word mijn mening te herzien.
16. Ian Buruma, ‘Revenge in the Indies’. In: New York Review of Books 1994, 11 augustus.
17. Laurens van der Post, The Admiral’s Baby. London 1996, p. 82-83.

(Uit: Arabesken 10 (2002), nr.20, p.13-17.)