Deel I | Deel III | Deel IV | Deel V | Deel VI

De Indiase bronnen van Lombard en Couperus
Heliogabalus en de Vlam van de Lust II

In Arabesken nr.23 schreef Caroline de Westenholz over de mogelijke invloed van een oeroude Indiase godsdienst, het shivaïsme, op twee romans die in het fin de siècle aan de Côte d’Azur geschreven zijn: l’Agonie van Jean Lombard en De berg van licht van Louis Couperus. [1] Zij suggereerde dat Couperus en Lombard misschien dezelfde bronnen onder ogen hebben gehad. In dit tweede deel van haar essay vraagt De Westenholz zich af welke bronnen dit geweest kunnen zijn.

Door Caroline de Westenholz

Als we de mogelijke bronnen willen achterhalen die zowel Couperus als Lombard hebben geïnspireerd bij het schrijven van hun Heliogabalus-romans, dan dienen we ons vizier te richten op het negentiende-eeuwse Frankrijk. De romans zijn immers aan de Côte d’Azur ontstaan.
    Valkhoff verwees reeds naar de studies van Jean Réville en Franz Cumont uit respectievelijk 1883 en 1905. [2] Beide boeken bevinden zich in de Bibliothèque Dubouchage te Nice. Deze bibliotheek bestond reeds in de negentiende eeuw; toentertijd bevond deze zich aan Rue Saint-François-de-Paule 2 in de oude binnenstad, naast de opera van Nice. Helaas bleek het niet mogelijk te achterhalen of Lombard of Couperus er geweest zijn en wat voor boeken zij geleend hebben. [3] Geen van beide bronnen verklaart overigens de queeste van de androgyn zoals beschreven door respectievelijk Lombard en Couperus. Wat kunnen deze schrijvers nu hebben gelezen over Indiase mythologie, respectievelijk in de jaren 1880 en in het eerste decennium van de
twintigste eeuw?

20
De ontdekking van India
De ontdekking van het oude India had natuurlijk vooral plaats in Engeland. Vanaf 1600 handelde de East India Company met dit subcontinent. De indologie als serieuze studie kwam op gang vanaf 1780, onder het gouverneurschap van Warren Hastings. Om de nieuwe kolonie beter onder controle te krijgen, zo realiseerde de bezetter zich, was het noodzakelijk de taal, de godsdienst en lokale gebruiken te bestuderen. Tot dit doel werden verschillende instituten opgezet: een oriëntaalse universiteit in Fort William, een Sanskrietuniversiteit in Benares en de Asiatic Society te Bengal. De eerste vertalingen van oude Indiase geschriften, uit het Sanskriet, verschenen vanaf 1785. [4]
    De eerste vertalingen van oude Indiase mythologie en filosofie trokken spoedig ook de aandacht van Duitse geleerden. In 1808 verscheen Friedrich Schlegels Über die Sprache und Weisheit der Indier. De filosofie van Arthur Schopenhauer werd, zoals bekend, sterk geïnspireerd door de Upanishaden. [5]
   
In Arabesken nr. 23 verwees ik naar de vertalingen van de oude Indiase geschriften door de Duitser F. Max Müller (vanaf 1840). Deze bevatte teksten over hindoeïsme, boeddhisme, taoïsme, confucianisme, zoroastrianisme, jainisme en de islam – in het Engels. [6] Friedrich Maximilian Müller (1823- 1900) was een Duits filoloog en oriëntalist, afkomstig uit Dessau. Hij werd vooral bekend om zijn in zes delen verschenen vertaling, met commentaar, van de Rig-Veda (1849- 1873). Van 1875 tot aan zijn dood was hij bezig met de uitgave The sacred books of the East, in 51 delen.
    Frankrijk had vanaf de jaren 1720 al twee kleine kolonies in het zuiden van het subcontinent: Mahé in het westen en Pondichery in het oosten. [7]  In de loop van de negentiende eeuw trokken ook Franse geleerden naar India. Zodoende kwamen er ook Franse publicaties op de markt.

21
Indologie in Frankrijk
Tussen 1840 en 1850 werd een gedeelte van de Purana’s, de ‘bijbels’ van het shivaïsme, in het Frans gepubliceerd, in de vertaling van Eugène Burnouf. Dit betreft de Bhâgavata Purana, de eerste van de serie. [8]
   
De Bhâgavata Purana is één van populairste Indiase geschriften. Het handelt vooral over de avonturen van Krishna, een incarnatie van de god Vishnu, en beschrijft onder andere de kosmogonie, de theogonie en de geschiedenis van de verschillende wereldtijdperken. Volgens het oude hindoeïsme waren er vier wereldtijdperken: de satya yuga, het tijdperk van de waarheid of het gouden tijdperk; de tetra yuga, het zilveren tijdperk; de dvârapava yuga, het bronzen tijdperk en ten slotte de kali yuga, het ijzeren tijdperk of dat der conflicten, waar we nu in leven. Elk tijdperk duurt ongeveer een miljoen jaar – behalve het laatste, dat de helft daarvan bestrijken zal. Dan wordt de schepping verwoest door een groot vuur of een zondvloed, en breekt de nacht van Brahma aan. Wanneer Brahma weer wakker wordt, worden de zonnestelsels, de planeten, de aarde en de levende wezens opnieuw geschapen. [9] De kali yuga, het tijdperk waarin wij nu leven, is een periode van verval en decadentie. Het wachten is op de resorptie van de schepping: de grote wereldbrand.
    In de loop van de negentiende eeuw verschenen er in Frankrijk veel meer publicaties over de godsdiensten van het oude India. Omstreeks 1876 trok bijvoorbeeld Emile Guimet naar Zuid-India om een inventaris te maken van de heilige plaatsen daar. Dit resulteerde in het artikel ‘Huit jours aux Indes’ dat werd gepubliceerd in het boek Mirages Indiens. De Ceylon au Népal (1876-1886). Gustave Le Bon, medeauteur van het boek, was één van de eerste westerlingen die Nepal bezocht (in 1884-1886), waar hij het brahmanisme en het boeddhisme bestudeerde. In 1887 publiceerde hij het rijk geïllustreerde Les civilisations de l’Inde.
    De god Shiva en de rituelen rond zijn eredienst werden in Frankrijk aanvankelijk vooral beschreven door gechoqueerde reizigers. Zo wordt deze eredienst bijvoorbeeld uitgebreid vermeld in het boek van Louis Jacolliot: Christna et le Christ (Parijs,1877).
    De grote Franse indoloog was August Barth. Deze publiceerde vanaf 1880 in het nieuwe tijdschrift Revue de l’histoire des religions. In 1914 werden zijn artikelen verzameld in een feestbundel, getiteld Quarante ans d’Indianisme. Het eerste deel is gewijd aan de godsdiensten van het oude India. Het shivaïsme en de cultus van de goddelijke androgyn komen hierin uitgebreid aan de orde. [10]
   
De oeroude godsdienst van het shivaïsme in het bijzonder en die van het hindoeïsme in het algemeen waren in het Frankrijk van de negentiende eeuw dus gevoeglijk bekend. In intellectuele en artistieke kringen van het Frankrijk van omstreeks 1850 was de vertaling van de Bhâgavata Purana door Eugène Burnouf een openbaring. Kunstenaars die uitgekeken waren op het steeds academischer wordende classicisme, geschokt door de verburgerlijking en het toenemende materialisme in de maatschappij en teleurgesteld door het mislukken van de revolutie van 1848, zagen in het hindoeïsme een nieuwe droom. Dit gold met name voor de dichters en kunstenaars van het decadentisme en het symbolisme.
    ‘Dankzij de ontdekking van haar mythen en monumenten werd India het mystiek centrum voor de Europese intellectuelen,’ schrijft Philippe Jullian. [11] ‘(...) India was de inspiratiebron voor gedichten van Verhaeren, Moréas en Cazalis, de grote vriend van Redon; Moréas, de grondlegger van het symbolisme, nam zelfs de Indiase naam Lahor

22
aan.’ [12] Flaubert liet in zijn La tentation de Saint Antoine – in 1894 gedeeltelijk door Couperus in het Nederlands vertaald [13] – de goden uit de Veda’s de revue passeren. De schilder Gustave Moreau werd ook geïnspireerd door het oude India. Hij vond inspiratie in het tijdschrift Le tour du monde, dat ontstond aan het eind van het tweede keizerrijk. Moreau bezat het boven genoemde boek over India van Gustave Lebon, Les civilisations de l’Inde. [14]
   
Eén van de eerste Franse dichters die geïnspireerd werd door de vertaling van de Bhâgavata Purana door Eugène Burnouf was een jeugdfavoriet van Louis Couperus: Leconte de Lisle.

Leconte de Lisle
Charles Marie René Leconte de Lisle (1818-1894) werd geboren op het eiland Réunion – toen Bourbon geheten – in de Indische oceaan, als zoon van een militair chirurg; de familie bezat er een suikerplantage. Op vierjarige leeftijd verliet hij het eiland, maar keerde er vier maal terug. Als opgroeiende jongeman reisde hij uitgebreid door India. Vanaf 1846 vestigde hij zich voorgoed in Frankrijk, maar hij zou het tropische paradijs uit zijn jeugd nooit vergeten.
    Zoals zoveel intellectuelen uit zijn tijd raakte Leconte de Lisle bevlogen door de revolutionaire ontwikkelingen in Frankrijk. Toen hij zich in 1848 verkiesbaar had gesteld maar niet gekozen werd, keerde hij de politiek echter radicaal de rug toe en wijdde hij zich uitsluitend aan de poëzie.
    In 1852 verscheen zijn eerste gedichtenbundel, Poèmes classiques, tien jaar later gevolgd door Poèmes barbares en in 1884 door Poèmes tragiques. In het voorwoord van de eerste bundel zette Leconte de Lisle zijn doelstellingen uiteen. [15] Hij wilde in zijn werk de ontwikkeling van de verschillende wereldgodsdiensten weergeven: de polytheïstische der Hindoes, van het oude Scandinavië en het klassieke Griekenland en de monotheïstische uit het Midden-Oosten. Elke godsdienst was tot bloei gekomen en ten onder gegaan met zijn specifieke beschaving. De laatste religie was het christendom, en dat was nu op zijn beurt aan het uitsterven, aldus Leconte de Lisle. [16] Voor het menselijk ras was geen noemenswaardige toekomst te verwachten; hij voorzag slechts verval en uiteindelijk de definitieve ondergang. Voor kenners van het hindoeïsme is het duidelijk dat hij doelt op de kali yuga.
    Als Leconte de Lisle’s literaire voorbeeld golden dichters uit de tijd dat poëzie, religie en maatschappij nog met elkaar samenhingen, zoals Homerus met diens Ilias en het Ramayana van Valmiki. Sinds die klassieke tijden heeft ook de poëzie zijn vitaliteit verloren, zo betoogde hij: ‘...décadence et barbarie ont envahie l’esprit humain.’ Het is geen wonder dat Leconte de Lisle te boek staat als een aartspessimist.
    De Poèmes Classiques sloegen in als een bom. Vooral de hindoeïstische gedichten overrompelden het lezende publiek: ‘l’Orientalisme, avec les travaux de Burnouf, commence seulement à pénétrer les milieux cultivés,’ aldus een modern overzichtswerk. [17] De Poèmes Classiques werden bekroond door de Académie Française, waar Leconte de Lisle later de zetel van Victor Hugo zou innemen. De dichter werd in één klap de aanvoerder van de School der Parnassiërs, een stroming in de poëzie die, in de voetsporen van Théophile Gautier, de ‘l’art pour l’art’-theorie propageerde. Deze school zou echter spoedig overschaduwd worden door de reeds genoemde dichters van het decadentisme en symbolisme.

23
Louis Couperus en Leconte de Lisle
Leconte de Lisle was zoals gezegd één van Couperus’ favorieten uit zijn jeugd. De poëzie uit Couperus’ debuutperiode is duidelijk door de School der Paranassiers geïnspireerd: ‘Bacchanten, odalisken, sirenen en eunuchen bevolken deze parnassiens-poëzie, maar zij blijven operafiguren zonder veel inhoud,’ schrijft Bastet. [18] In een bespreking van Couperus’ Een lent van vaerzen (1884) schrijft zijn leraar Jan ten Brink dat Couperus de weg van onder andere Leconte de Lisle gevolgd heeft. [19]
   
Critici meenden ook elders voorbeelden te zien van de invloed van Leconte de Lisle. Op 2 september 1889 las Couperus Netschers bespreking van Eline Vere in het blad Nederland. Netscher schreef onder andere:

Op vele plaatsen zijn de tooneelen en beschrijvingen te Orientalistiesch en te Slaviesch (....). Uit zijn tijd, dat hij nog verzen maakte en door imitaties zijn bewondering voor Lecomte [sic] de Lisle aan den dag legde, dagteekent mogelijk zijn penchant naar een baroque kleurigheid van verwen, een mislukte Oosterschheid van luye weelderigheid, een schitteren met zoogenaamd Orientalistiesche beschrijvingen (…).
[20]

Het is interessant te weten wat Couperus zelf van deze kritiek vond. Een dag later weersprak hij een aantal zaken uit Netschers recensie in een brief:

Ook mijn zoogenaamd Orientalisme beschouw je verkeerd. Dit heb ik noch uit Leconte de Lisle noch uit een anderen dichter, maar wel uit mijzelven, uit mijn eigen karakter, uit mijn eigen indolentie. Juist omgekeerd als jij meent, bekoorde mij L.de L., omdat ik in zijne poëzie veel vond, dat mijn eigen neigingen convenieerde. En ik begrijp niet, dat jij, die me zoo lang kent, dezen fout hebt gemaakt, en nièt hebt ingezien, dat mijn ‘Orientalisme’ wel door lectuur gevoed werd, maar oorspronkelijk in mijzelven kiemde. [21]

In de roman Metamorfoze laat Couperus Hugo Aylva zijn favoriete lectuur opsommen: ‘Toen boeiden hem Gautier, Leconte de Lisle, Hamerling vooral.’ [22]

24
Omstreeks 1918 was Couperus uitgekeken op Leconte de Lisle. In dat jaar schreef hij aan de classicus W.E.J. Kuyper: ‘Leconte de Lisle, dien ik vroeger zeer bewonderde, heeft mij op den duur te leur gesteld door zijn onbewogenheid. Als U, vind ik zijn Polyfemos te statig en zie ik hem ook meer als een groote, goeie verliefde lobbes (...)’ [23]
    De poëzie van Leconte de Lisle bevat enkele thema’s die we regelrecht kunnen terugvinden in het werk van Louis Couperus. [24] Zo vinden we bij de Franse dichter het thema van de kosmogonie, het ontstaan van de kosmos, onder andere in het gedicht ‘La vision de Brahma’. Dit thema behandelt Couperus in God en goden. [25] In de gedichten ‘l’Astre rouge’ en ‘Soleils! Poussières d’or’ vinden we de dovende ster en zon terug, door Couperus ook genoemd in zijn feuilleton ‘Onder den Boeddha’. [26] De aanbidding van een zonnegod, een zonnecultus dus, is het onderwerp van het gedicht ‘Surya. Hymne Vedique’ (Surya is een hindoeïstische zonnegod); dit komt bij Couperus natuurlijk het duidelijkst aan de orde in De berg van licht. [27] In Leconte de Lisle’s gedichten ‘Qaïn’ en ‘La vigne de Naboth’ figureert de ‘jaloerse’ god Jahweh; precies ditzelfde thema komt voor in Couperus’ verhaal ‘Jahweh’ in God en goden. [28]
   
Ook de god Shiva komt voor in de gedichten van Leconte de Lisle. Shiva wordt allereerst genoemd in een gedicht, getiteld: ‘l’Arc de Çiva’, [29] dat handelt over het verhaal hoe Rama de boog van de god vernietigde. [30] Dit gedicht is voor ons doel niet erg interessant. In zijn laatste dichtbundel, Poèmes Tragiques et dernières poèmes, staat echter een belangrijk gedicht over de oudste god van India, getiteld ‘La joie de Siva’. [31] Om de toon van Leconte’s poëzie in het algemeen en de relevantie in verband met het werk van Louis Couperus weer te geven is het interessant dit korte gedicht hier in zijn geheel te citeren. Mijn vertaling – Leconte de Lisle is bij mijn weten nooit in het Nederlands vertaald – volgt direct op de Franse tekst (zie pagina 25).
    De god Shiva wordt hier bezongen in zijn destructieve hoedanigheid, als hij het universum ten onder heeft doen gaan. Tegelijkertijd wordt hier de fameuze kosmische dans van Shiva beschreven, waaruit de wereld ten slotte opnieuw zal ontstaan. Bij het eerste deel van mijn artikel werd een bekende illustratie hiervan afgebeeld; de ring van vlammen waarin het beeld in die foto gevangen is, stelt de brand van het universum voor. [32] Ten slotte wordt Shiva hier door Leconte de Lisle afgeschilderd als ‘dronken van wellust’, wellust om zijn destructie, in dit geval.

Jean Lombard en Leconte de Lisle
Het is zeer waarschijnlijk dat ook Jean Lombard bekend was met de gedichten van Leconte de Lisle.
    l’Agonie van Jean Lombard is onlangs opnieuw uitgegeven; [33] hierover leest u elders in deze Arabesken. Voor ons doel is het van belang dat de inleidster tot de heruitgave specifiek het thema van de dreigende apocalyps beschouwt als essentieel voor l’Agonie. De reden voor deze obsessie ligt vermoedelijk in het feit dat Jean Lombard, die een vurig socialist en vakbondsman was, zich evenals Leconte de Lisle op het schrijven stortte uit teleurstelling in de politiek. [34] Het verschil tussen het decadente Rome en het Frankrijk van de jaren 1880 was, voor socialistische tijdgenoten: ‘Pour Rome, ce fut la FIN; pour nous, ce sera la REGENERATION’, aldus een recensie getiteld ‘litterature socialiste’ (uit 1888), geciteerd achterin het boek. [35] De op handen zijnde ondergang van een decadente beschaving was omstreeks 1885 natuurlijk niet Leconte de Lisle’s exclusieve terrein meer.
    Eén specifiek motief in Lombards boek wijst regelrecht op de invloed van Leconte de Lisle: het motief van het bloedend oog (‘l’oeuil ensanglanté’) van de Brundisiër

25
Les siècles, où les Dieux, des longtemps oubliés, De eeuwen waarin de lang vergeten goden
Par millions, jadis, se sont multiplieés; Zich eertijds bij miljoenen vermenigvuldigden
Les innombrables jours des aurores futures De ontelbare dagen van toekomstige zonsopgangen
Qui luiront sur la Vie et ses vieilles tortures, Die schitteren over het Leven en haar oude martelingen
Et qui verront surgir, comme des spectres vains, En die, als ijdele spoken, nog miljoenen
Des millions encor d’Ephémères divins; Goddelijke Eendagsvliegen zullen zien rijzen;
Et l’age immesuré des astres en démence En de onmetelijke leeftijd van sterren in verval
Dont la poussière d’or tournoie au Vide immense, Waarvan het gouden stof ronddwarrelt in de immense
Pour s’engloutir dans l’ombre infinie où tout va; Leegte, om te worden verzwolgen door de oneindige
Tout cela n’est même pas un moment de Siva. schaduw waarin alles verdwijnt;
Et quand l’Illusion qui conçoit en qui crée, Dit alles is voor Siva zelfs niet eens een ogenblik.
Sterile, aura tari sa matrice sacrée En wanneer de Illusie die concipeert en die schept,
D’où sont nés l’homme antique et l’universe vivant; Steriel, haar heilige baarmoeder heeft uitgeput
Quand la terre et la flamme, et la mer et le vent, Waar de antieke mens en het levend universum uit geboren zijn;
Et la haine et l’amour, et le désir sans trêve, Wanneer de aarde en de vlam, en de zee en de wind,
Les larmes et le sang, le mensonge et le rêve, En de haat en de liefde, en de onuitputtelijke lust,
Et l’éblouissement des soleils radieux, En de tranen en het bloed, de leugen en de droom,
Dans la nuit immobile auront suivi les Dieux; En het gedoofd zijn van stralende zonnen,
Se faisant un collier de béantes machoires De Goden in de onbeweeglijke nacht hebben gevolgd;
Qui s’entre-choqueront sur ses épaules noires, Dan vervaardigt Siva een ketting van grijnzende kaken
Siva, dansant de joie, ivre de volupté, Die op zijn zwarte schouders rammelt,
O Mort, te chantera dans ton Eternité! En dansend van vreugde, dronken van wellust,
Bezingt hij, O Dood, jou in jouw Eeuwigheid!

Asprenas, dat in het boek zo vaak voorkomt, dat David het een Leitmotiv noemt. Precies hetzelfde motief wordt als metafoor gebruikt in het gedicht ‘l’Astre rouge’ van Leconte de Lisle. [36]

Conclusie
De vraag naar de mogelijke bronnen van Jean Lombard en Louis Couperus voor hun kennis van Indiase mythologie in het algemeen en het shivaïsme in het bijzonder is bij deze in zoverre beantwoord, dat we nu zeker weten dat de indologie, zeker in de jaren 1880 van de negentiende eeuw, in Frankrijk een gevestigde wetenschap was. Vele Franse kunstenaars werden erdoor geïnspireerd. De dichter Leconte de Lisle was één van de eersten die de kennis van de indologie in zijn werk zou gebruiken. Het is bekend dat Louis Couperus deze dichter bewonderde; waarschijnlijk is dat Jean Lombard dat ook deed.
    Maar komt het specifieke aspect dat centraal staat in zowel l’Agonie als De berg van licht, namelijk het bewuste terugstreven naar de oorspronkelijke androgyne staat, in de gedichten van Leconte de Lisle aan de orde? Dit is bij mijn weten niet het geval. Hiervoor moeten we in een andere dan een literaire richting gaan zoeken.
    Over deze materie hoop ik te berichten in een volgend nummer van Arabesken.
(Wordt vervolgd.)

26
Noten
1. Caroline de Westenholz, ‘Heliogabalus en de Vlam van de Lust. Heilig sensualisme in De berg van licht.’ In: Arabesken. Tijdschrift van het Louis Couperus Genootschap 12, nr. 23 (mei 2004), p.4-15.
2. P. Valkhoff, ‘Ontmoetingen tussen Nederland en Frankrijk.’ In: De Gids 1936 (I), p.357-372. Jean Réville, La réligion à Rome sous les Sévères. Parijs, 1886; Franz Cumont, Les réligions orientales dans le paganisme romain, conférences faites au Collège de France en 1905. Parijs, 1929.
3. De bezoekersregisters van de bibliotheek beslaan niet de periode dat Couperus in Nice woonde (zij gaan tot 1890) en de naam van Jean Lombard wordt niet genoemd (Lombard stierf in 1891). Vriendelijke mededeling van M. Giraud, conservator van de Bibliothèque Dubouchage, 4 december 2002.
4. Website The European discovery of India: Key Indological Sources to Romanticism. Zie: www.ganeshapublishing. com/India.htm. Zie ook: Philip Lawson, The East India Company. A history. Londen, 1993.
5. Zie bijvoorbeeld Arthur Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling. Vertaald en toegelicht door Hans Driessen. Amsterdam, 1997 [twee delen]. De Upanishaden vormen het vierde en laatste deel van de Veda, de heilige geschriften van het oude India. Zie Klaus K. Klostermaier, A concise encyclopedia of Hinduism. Oxford, 1998.
6. Zie website www.sacred-texts.com/sbe/.
7. Philip Lawson, The East India Company, p.82-83.
8. Eugène Burnouf (vertaling en redactie), (Le) Bhâgavata Purâna ou histoire poétique de Krichna. Parijs, 1840- 1898.
9. Alain Daniélou, Mythes et dieux de l’Inde. Le Polythéisme Hindou. Parijs, 1992 (eerste druk: 1975), p.383.
10. ‘Toute une moitié des religions çivaites est en effet caracterisée par le culte de la divinité androgyne ou de la divinité femelle… (…) Elle a ses racines lointaines dans ces conceptions aussi vieilles que l’Inde d’un dualisme sexuel placé a l’origine des choses (…).’ August Barth, ‘l’Hindouisme. II. Histoire et doctrines des sectes.’ In: Quarante ans d’Indianisme. Oeuvres d’August Barth recueuillis à l’occasion de son 80ème anniversaire. Deel 1: Les religions de l’Inde et bulletins des religions de l’Inde (1880-1885). Parijs, 1914, p.177.
11. Philippe Jullian, Decadente dromers. Symbolistische schilders uit de jaren 1890. Bussum, 1973 (eerste druk: Parijs, 1971), p.132.
12. Idem, p.133.
13. Gustave Flaubert, La tentation de Saint Antoine. Parijs, 1874; Louis Couperus, De verzoeking van de heilige Antonius. Naar Gustave Flaubert. Fragmenten. Volledige Werken Louis Couperus, deel 12. Op p.52 wordt de goddelijke androgyn genoemd, zij het in omfloerste termen: ‘ - Het is de allereerste twee-enigheid der Brahmanen (...).’
14. Pierre Louis Mathieu, Gustave Moreau. Complete edition of the finished paintings, watercolours and drawings. Oxford, 1977, p.174-176.
15. Voor een definitieve uitgave zie: Oeuvres poétiques. Genève, 1974 [vier delen]. Voor een kritische editie zie: Edgar Pich (ed.), Oeuvres de Leconte de Lisle. Parijs, 1971-1981 [vier delen]: Poèmes antiques (deel I, 1977), Poèmes barbares (deel II, 1976), Poèmes tragiques et dernières poèmes (deel III, 1981) en Oeuvres divers. Articles, préfaces, discours (deel IV, 1971). Het genoemde voorwoord staat in deze uitgave in het laatste deel.
16. Zie ook zijn Histoire populaire du christianisme (1871), een ware filippica tegen de kerk.
17. J.P. de Beaumarchais, Daniel Couty en Alain Reu, Dictionnaire des littératures de la langue française. Parijs, 1987, Vol. E-L, p.1351.
18. Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1989, p.108.
19. Idem, p.109.
20. Frans Netscher. In: Nederland 1918, deel III, nr.9, p.28 (zie voor de volledige tekst: http://www.louiscouperus.nl/Recensies/Eline Vere/Netscher - Eline Vere.htm). Deze ‘luye weelderigheid’ zou kunnen blijken uit de passage waar Eline wordt vergeleken met een ‘weenende, zoet lonkende sirene, die, met een kwijnenden kreet van verlangen, haar loome armen uit het blauw der baren beurt (…)’. Louis Couperus, Eline Vere. Volledige Werken Louis Couperus, deel 3, p.25-26.

27
21. Geciteerd bij Bastet, Louis Couperus. Een biografie, p.125.
22. Louis Couperus, Metamorfoze. Volledige Werken Louis Couperus, deel 13, p.27. Théophile Gautier (1811- 1872) is vooral bekend om zijn Mademoiselle de Maupin (1835); Robert Hamerling (1830-1889) was een Oostenrijks dichter-filosoof en schreef o.a. Amor und Psyche (1882).
23. Geciteerd bij Bastet, Louis Couperus. Een biografie, p.558.
24. W. Beversluis vestigde reeds de aandacht op mogelijke invloed van Leconte de Lisle op het esoterisch werk van Louis Couperus. Zie zijn doctoraalscriptie De invloed van de theosofie op het werk van Louis Couperus. Universiteit van Leiden, 1994, p.98.
25. Leconte de Lisle, Poèmes classiques, p.54-62 ; Louis Couperus, God en goden. Volledige Werken Louis Couperus, deel 22.
26. Leconte de Lisle, Poèmes tragiques, p. 22 en p.285-287 ; Louis Couperus, ‘Onder den Boeddha.’ In: Van en over mijzelf en anderen. Volledige Werken Louis Couperus, deel 27, p.552-557.
27. Leconte de Lisle, Poèmes classiques, p.3-5 ; Louis Couperus, De berg van licht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 24.
28. ‘Dieu triste, Dieu jaloux qui dérobes ta face,/Dieu qui mentais, disant que ton oeuvre était bon,/Mon souffle, ô Pétrisseur de l’antique limon,/Un jour redressera ta victime vivace. Tu lui diras: Adore! Elle repondra: Non!/ D’heure en heure, Jahvèh!…’ etcetera. Leconte de Lisle, Poèmes tragiques, p. 2-18 (citaat: p.15). Zie ook noot 25.
29. Leconte de Lisle, Poèmes classiques, p.29-34. De naam van de god wordt hier op ouderwetse manier gespeld.
30. Alain Daniélou, Mythes et dieux de l’Inde, p.262.
31. Leconte de Lisle, Poèmes Tragiques et dernières poèmes, p.229. Hier inderdaad als ‘Siva’ gespeld.
32. Zie Caroline de Westenholz, ‘Heliogabalus en de Vlam van de Lust’, p.8.
33. Jean Lombard, l’Agonie. Parijs, 2002. Gepresenteerd door Marie-France David en met facsimiles van de originele illustraties door Auguste Leroux.
34. Evenals Leconte de Lisle werd Lombard niet gekozen toen hij zich verkiesbaar had gesteld. Zie Jean Lombard, l’Agonie en P. Valkhoff, ‘Ontmoetingen tussen Nederland en Frankrijk.’
35. Jean Lombard, l’Agonie, p.511.
36. Leconte de Lisle, Poèmes tragiques, p.22.

(Uit: Arabesken 13 (2005), nr.25, p.19-27.)

Deel I | Deel III | Deel IV | Deel V | Deel VI