Deel I | Deel II | Deel IV | Deel V | Deel VI
Was Couperus een 'adept'?
Heliogabalus en de Vlam van de Lust III
![]() |
In eerdere afleveringen in deze reeks ging Caroline de Westenholz in op de oorsprong van het fenomeen 'goddelijke androgynie' in mogelijk de oudste godsdienst ter wereld: het shivaïsme in het oude India. [1] Vervolgens onderzocht zij hoe schrijvers als Jean Lombard en Louis Couperus aan kennis over deze godsdienst konden zijn gekomen. [2] Haar laatste artikel eindigde met de stelling: het specifieke aspect dat centraal staat in zowel l'Agonie als De berg van licht: het streven naar de originele, androgyne staat, moet worden gevonden in andere dan literaire bronnen. De Westenholz' speurtocht voert ons ditmaal naar de regionen van gnosticisme, hermetisme en alchemie.
Door Caroline de Westenholz
In het eerste hoofdstuk van De berg van licht maakt de lezer direct al kennis met Hydaspes de Magiër, de leraar van de jonge zonnepriester Bassianus. De laatste moet terugstreven naar de originele androgyne staat van de mensheid; in zijn heilige dans zal de godheid in hem incarneren als Man-Maagd. De relevante passage in De berg van licht werd geciteerd in een eerder nummer van Arabesken. [3] De jonge Bassianus, die wordt geschetst als een zeer vroom kind, doet zijn uiterste best om tweeslachtig te zijn. Ook wanneer hij eenmaal keizer geworden is, probeert hij dit vol te houden. Hij gaat een huwelijk aan met zowel een man als een vrouw. Heliogabalus wordt echter overtuigd homoseksueel. Dat dit in Couperus' roman als een mislukking, ontaarding, straf wordt uitgelegd, is al door anderen uit de doeken gedaan. [4]Madeh hield dus veel van Attilia [de zuster van Attilius, CdW], en alhoewel hij haar een vaag gevoel toedroeg – een gevoel alsnog ongeformuleerd in zijn obscuur organisme van min of meer gedeseksualiseerde efebe – koesterde hij geen enkele jaloerse gedachte of ontluikende begeerte jegens haar, geofferd als hij was, vanaf zijn jeugd, aan de Zon, gewijd aan de Zwarte Steen en bestemd voor de mannelijke liefde. Hij was bijna van dezelfde sekse als Attilia want net als een vrouw, hoorde hij aan een man toe, aan Attilius. [5]
24
(De lezer voelt het al: het gaat mis, in
de roman, omdat Madeh uiteindelijk een 'gewone' man blijkt te zijn en verliefd
wordt op Attilia – maar dat doet hier nu niet ter zake.) Attilius' tragiek -
zijn 'agonie' - is zijn onvoorwaardelijke overtuiging:
Voor haar [c.q. de cultus van de Zwarte Steen, CdW], ja, voor haar zou hij, Attilius zich over de hele wereld toeleggen op een strijd met de goden, en, door de hardnekkige vervolging van de mannelijke sekse dóór de mannelijke sekse, zou hij de vrouwelijke sekse of liever gezegd de menselijke biseksualiteit, buiten werking stellen en zodoende helpen bij de schepping, in het hart der dingen, van de ANDROGYN, het wezen dat genoeg heeft aan zichzelf omdat hij de twee seksen omvat, en hij zou de eenheid van het Leven herstellen waar de dualiteit zich manifesteerde. [6]
Het gaat hier dus niet alleen om het terugstreven naar een originele, ideale
staat, maar om een ideaal wezen van de toekomst. Bij Lombard is de androgyn
bijna een Messias. Dit aspect komt bij Couperus minder sterk aan de orde. Toch
is het niet geheel afwezig. Ook in De berg van licht wordt, bij monde van
de opperpriester Hydaspes, eenmaal gesproken van 'den vorm der Tweeslachtigheid,
de ziel van de Man-Maagd, het Enkel- Dubbele, tot Adam-Heva, die was en weêr
zijn zal in jou... o mijn Antoninus...'
[7]
Waar komt deze eigenaardige
messianistische visie nu vandaan?
Degeen die zich het meest indringend met deze vraag heeft
beziggehouden, is de grote Roemeense godsdiensthistoricus Mircea Eliade
(1907–1986). In een in het Roemeens geschreven 'jeugdwerk' verdiepte hij zich al
in de mythe van de reïntegratie van de twee seksen tot androgynie.
[8] Het thema wordt uitgewerkt in zijn boek
Méphistopheles ou l'androgyne (uit 1958).
[9]
25
'Hieros gamos' en androgynie
Het hieros gamos of heilige huwelijk is een bekend gegeven in de
vergelijkende godsdienstwetenschap. In de meeste culturen gaat het hier om een
huwelijk tussen de God-Hemel en de Godin-Moeder Aarde, waarbij de bevruchtende
regen het uitstorten van het sperma voorstelt.
[10] In een eerder artikel in
Arabesken zagen wij reeds dat het heilige huwelijk, in de zin van de
geslachtelijke vereniging van twee goden, bij de oude hindoes een analogie is
van de schepping van de kosmos als een fusie van energie en geest: 'De
werkelijke geslachtelijke vereniging is de vereniging van de opperste Shakti
met de Alziel (atman); de andere zijn slechts vleselijke betrekkingen tot de
vrouw,' zegt een tantrische tekst.
[11] Hiermee wordt het volgende bedoeld.
In het shivaïsme is het, ook op menselijk niveau, mogelijk de
gewenste 'heilige' gemeenschap te bereiken zonder dat een persoon van het andere
geslacht hierbij betrokken is. Het uiteindelijke doel van het tantrisme, de
'linkerweg' van het shivaïsme, is namelijk het verenigen van de twee
tegengestelde principes: Shiva en Shakti, materie en energie, in het eigen
lichaam. Dit wordt bereikt in het opwekken van de Shakti, een soort
elektrische energie die aan de basis van de wervelkolom van het menselijk
lichaam ligt, als een opgerolde slang. De doorsnee mens van tegenwoordig weet
niet eens dat deze kracht bestaat, maar de geoefende yogi is in staat de Shakti
langs zijn wervelkolom te doen oprijzen tot in de top van zijn kruin, waar dan
de vereniging van Shiva en Shakti plaats heeft.
[12] De
kundalini, zoals deze ervaring genoemd wordt, voelt aan als een vuur dat
vanuit het stuitje omhooggaand van het lichaam bezit neemt. Het opwekken ervan
is voor ongeoefenden niet zonder gevaar.
[13] Voor de doorgewinterde yogi betekent het beheersen van
de kundalini echter de ultieme zelfrealisatie (oftewel verlichting) waarover in
oude Indiase geschriften gesproken wordt.
[14] Deze 'stille kracht' om het zo te zeggen, het doen
rijzen van de kundalini, is precies wat Indiase fakirs of shamannen van oude
culturen die occulte macht geeft waarover men in de negentiende eeuw zoveel kon
vinden in de geschriften van madame Blavatsky. Kundalini-yoga wordt tot op de
dag van vandaag over de hele wereld beoefend.
Het doel van de mensheid in de hoogste vorm van yoga is dus:
de reïntegratie van het mannelijke en het vrouwelijke in het eigen lichaam
– en wat is dit anders dan androgynie?
[15] Dit ideaalbeeld zou in de westerse wereld een lange
geschiedenis krijgen.
Gnosticisme, hermetisme en kabbala
In de monotheïstische religies van de occidentale beschavingen heeft het hieros
gamos of heilig huwelijk, met de resulterende fusie van tegenpolen zoals dat in
oeroude polytheïstische religies voorkwam, geen directe plaats gekregen, al is
het natuurlijk duidelijk dat God de Vader de maagd Maria op sacrale wijze
bevrucht heeft; een normaal huwelijk was dit in elk geval niet. Voordat het
christendom als staatsgodsdienst gevestigd was, speelde deze materie echter een
centrale rol in de vele gnostische stromingen in de hellenistische wereld.
[16]
Een paar voorbeelden. De oospronkelijke
androgyn komt voor in de
Poimandros, het eerste tractaat van het Corpus Hermeticum.
[17] Gilles Quispel formuleert het als volgt:
De androgyne Vader van alle dingen, de Geest, die Licht en Leven is, baarde de Anthropos, die in alles in hem gelijk is en dus androgyn. Dat hadden joodse leden van de Hermetische loge blijkbaar aan hun Griekse en Egyptische broeders bijgebracht. Vanuit Alexandrië heeft zich die voorstelling voortgeplant, in de
26
Gnosis, in de secte der Mandaeërs, waar de Godmens Adam Quadmon heet, bij het manicheïsme, (de Oermens die in de stof valt), tot in de Kabbalah, waar Adam Quadmon een phallus en een vulva heeft. [18]
Mircea Eliade traceerde de androgyne oermens in de geschriften van Simon de
Tovenaar, waarin de oorspronkelijke hemelse mens, Adamas, mannelijk-vrouwelijk
wordt genoemd. Omdat de mensheid hiervan afstamt, hebben wij allemaal een stukje
van die androgyn in ons; spirituele perfectie bestaat in het terugvinden van de
androgyn in onszelf.
[19] De Naasseners zagen, volgens deze zelfde bron, drie
stadia in het kosmisch drama: ten eerste de onvergankelijke goddelijke en
universele logos; ten tweede de val met als resultaat fragmentatie van de
creatie en dus lijden, en ten slotte de komst van de Heiland die in zijn eenheid
de fragmenten weer bij elkaar zal rapen en de oorspronkelijke androgynie zal
herstellen.
[20] In het evangelie van Thomas zegt Jezus zelf: 'Als
jullie de twee een maakt, zullen jullie Zonen des Mensen worden (...).'
[21] Dit evangelie, nog maar onlangs door Quispel uit het
Koptisch vertaald en in zijn geheel gepubliceerd, leert dat de eerste mensen
androgyn waren, dat de splijting der geslachten de eigenlijke zondeval was en
dat Christus is gekomen om de strijd tussen de geslachten te beslechten en de
oorspronkelijke eenheid en heelheid te herstellen.
[22] Philo Judeaus van Alexandrië ten slotte, was van
mening dat het vrouwelijk geslacht maar moest worden opgeheven door het te laten
opgaan in het mannelijke
[23]
– enigszins in de lijn van wat het personage Attilius in de roman van Lombard
nastreeft.
Hier treffen we een versmelting aan tussen het ideale
androgyne wezen en de Messias van de christenen, die verschijnt aan het eind der
tijden, oftewel: Christus als androgyn. Dit thema werd onder andere weer
opgepakt door de middeleeuwse mysticus Jacob Boehme, voor wie de slaap van Adam
tijdens de creatie van Eva de eerste zondeval ver tegenwoordigde.
[24] Het ontstaan van de twee seksen is een direct gevolg
van deze eerste 'val', maar dankzij Christus zal de mens weer androgyn worden,
aldus Boehme.
[25]
27
Het mag inmiddels duidelijk zijn dat het streven van de personages
Attilius en Heliogabalus in de genoemde romans niet zomaar verzonnen is of
domweg ontleend aan de 'dubieuze' geschriften van mevrouw Blavatsky.
Alchemie
Na de vestiging van het christendom als staatsreligie in het jaar 312 waren al
de bovengenoemde gnostische sekten opeens verdacht. De heilige boeken werden
vernietigd, de officianten monddood gemaakt of regelrecht vermoord, terwijl de
officiële bijbel werd samengesteld uit die evangeliën die de goedkeuring van de
kerkvaders konden wegdragen. De brand in de bibliotheek van Alexandrië deed de
rest. Door de eeuwen heen doken echter steeds weer 'ketterse' sekten op die in
allerlei varianten de theorieën rond het hieros gamos en de toekomstige androgyn
bleven huldigen. Het meest consequent werd de leer uitgewerkt in de middeleeuwse
alchemie.
De alchemie kent zowel een theorie als een praktijk, doceert
de onlangs uitgekomen
Dictionary of Western Esoterica.
[26] De theorie kan lijken op natuurfilosofie van Griekse komaf,
of op een metaforische code voor processen van purificatie en initiatie zowel in
de alchemistische arbeid als in de ziel van de alchemist. De bedoeling is om een
zekere substantie tot prima materia te reduceren en vervolgens te
purifiëren en te veredelen met als eindresultaat de lapis philosophica of
steen der wijzen. De genoemde dictionaire wijst op de overeenkomst met het
streven van mystici: 'The salvational quests of both mysticism and alchemy lead
through purification and illumination by contemplation to the goal of unio
mystica or the Philosopher's Stone, respectively.'
[27] Ook hier
vinden we dus weer een heilige steen, zij het een symbolische.
De alchemie van de middeleeuwen stoelt op twee tradities. De
Griekse of liever gezegd Ionische natuuurfilosofen gingen ervan uit dat alle
dingen waren samengesteld uit vier elementen: aarde, water, vuur en lucht.
Aristoteles voegde hier – overigens in navolging van de Indiërs – het vijfde
element, ether of quintessentie, aan toe. De
28
Arabische alchemie gaat uit van twee elementen, zwavel en kwikzilver, die
elk weer zijn samengesteld uit de vier oorspronkelijke elementen en die beide
een planeet vertegenwoordigen: zwavel staat voor de zon, kwikzilver voor de
maan. De eerste stond daarnaast voor het mannelijke element en werd als zodanig
ook wel de koning genoemd, de tweede voor het vrouwelijke element, oftewel: de
koningin.
In het alchemistisch opus ging het erom, beide
tegengestelde principes te verzoenen in het zogenaamde mysterium
coniunctionis: het 'huwelijk' van het mannelijke en het vrouwelijke element,
oftewel: het huwelijk van de zon en de maan. De vrucht daarvan was de beroemde
steen der wijzen. Deze werd meestal als een androgyn afgebeeld, ook wel
homunculus genoemd en vaak vergeleken met Christus.
[28]
'De alchemie is te omschrijven als een
gnostische natuurfilosofie,' aldus Piet Meeuse in zijn verhelderende bundel
De slang die in zijn staart bijt; 'de stoffelijke wereld wordt beschouwd als
een manifestatie van het goddelijke. Het is de alchemist erom te doen, het
zuiver goddelijk beginsel uit de onzuivere materie te destilleren. Ofwel: zich
via de stoffelijke wereld te verheffen tot het goddelijk mysterie.'
[29] Essentieel is dat de mutatie van de materie die de alchemist
onder handen heeft, gepaard gaat met een innerlijke transformatie van de
alchemist zelf – evenals bij de yogi. Mircea Eliade trekt in zijn boek
The forge and the crucible de oorsprong van de alchemie terug tot de
ijzertijd. Hij wijst op de overeenkomsten met hatha yoga en het tantrisme in het
oude India.
[30]
Androgynie in de negentiende eeuw
De negentiende eeuw is zoals bekend de eeuw van het positivisme, van grote
ontwikkeling op het gebied van de exacte wetenschap. Aan de andere kant was er
een opleving van het mysticisme, zoals bijvoorbeeld vertegenwoordigd door
theosofie, spiritisme, occultisme en alchemie. De aanhangers van deze bewegingen
zochten verloren wijsheid uit het verre verleden op te sporen en te restaureren.
Sommigen, zoals de magiër Papus, wilde dit streven zelfs verheffen tot
wetenschap, om te worden onderwezen aan de universiteit.
[31] Ook de messianistische visie op de androgyn als ideaal
(toekomstig) dubbelwezen kwam hierbij weer in de belangstelling te staan.
Tegen het eind van de achttiende eeuw herleefde de
belangstelling voor de oude gnostiek vooral in de literatuur (Blake, Novalis,
Goethe).
[32] Johann Wilhelm Ritter, een bekend arts en vriend van de
dichter Novalis, gaf zijn visie in zijn Fragmente aus dem Nachlass eines
jungen Physikers (1810). De androgyn van de toekomst was volgens hem een
soort Christus:
Eva werd geschapen door de man, zonder hulp van een vrouw; Christus werd voortgebracht door een vrouw zonder hulp van een man; de Androgyn zal beide voortbrengen. Maar man en vrouw moeten samensmelten, in één en dezelfde slag. Het aldus ontstane lichaam zal onsterfelijk zijn.
Hier wordt, zoals Mircea Eliade terecht opmerkt, de taal van de alchemie gebruikt. [33] Eenzelfde thema werd reeds beschreven in Wilhelm von Hulmboldts essay Über die männliche und weibliche Form (1795) waar de goddelijke androgyn ter sprake kwam. [34] De volgende op de lijst is Friedrich von Schlegel in zijn essay Über die Diotima (1795). Deze behandelde eveneens de progressieve reïntegratie van de seksen tot androgynie. Gilles Quispel voegt aan dit lijstje nog een Nederlander toe, de Utrechtse taalgeleerde Willem Gerard Brill (1811-1896), die grote invloed zou hebben gehad op de theologen van
29
zijn tijd.
[35] De belangrijkste bijdrage aan het thema werd, aldus Eliade,
geleverd door de Boehme-geleerde Franz von Baader die meent dat de androgyn aan
het begin der tijden bestond en aan het eind weer zal verschijnen.
[36] Hij ontleende dit aan de ideeën van Jacob Boehme (zie boven).
Eliade verwijst naar de alchemie als een bron voor Boehmes mystieke visie.
[37]
Androgynie, alchemie en Heliogabalus
Eén van de eerste Franse schrijvers die het thema van de androgynie omarmde was
Honoré de Balzac. Naar eigen zeggen verslond hij als jongeman alle boeken van
Swedenborg in de bibliotheek van zijn moeder. Resultaat was onder andere de
roman
Séraphita (1835), een relaas over een op aarde terugkerende engel die in
de vorm van een androgyn wezen of hermafrodiet liefde oproept waar hij/zij maar
gaat. Twee slachtoffers van deze onbeantwoorde liefde, de jongeman Wilfred die
Séraphita als vrouw ziet en het meisje Minna dat Séraphitus als man ervaart,
worden uiteindelijk gemaand met elkaar te trouwen, terwijl Séraphita zelf
hemelwaarts stijgt. Eenzelfde thema – een androgyne hoofdpersoon die een
mannelijke en een vrouwelijke aanbidder krijgt, die elkaar uiteindelijk vinden –
komt voor in Théophile Gautiers tegelijkertijd geschreven boek
Mademoiselle de Maupin.
[38]
In de jaren 1880 werden de mystiek-occulte
tendenzen het leidende artistieke credo, vooral bij de kunstenaars van het
decadentisme en het symbolisme, en niet altijd in positieve zin: 'De ruim
twintig jaar die bekend staan als het fin de siècle werden in hun poging in een
apotheose van een Sardanapolus alle morele principes te vernietigen, beheerst
door de tweelingmachten mystiek en erotiek,' schrijft Philippe Jullian.
[39] Het thema androgynie werd in deze dagen bijna een obsessie.
Het bekendste voorbeeld is de Franse schrijver Joséphin Péladan die vanaf 1883
een serie boeken schreef onder de collectieve titel La décadence latine.
De twee voornaamste ideeën in deze serie zijn dat de androgyn het wezen der
toekomst is en dat de menselijke beschaving zo gecorrumpeerd is door
materialisme en goddeloosheid dat zij regelrecht op haar ondergang afstevent.
Deze twee noties hebben ingang gevonden in Lombards l'Agonie.
[40]
De belangstelling voor androgynie in het
Frankrijk van de negentiende eeuw hield gelijke tred met die voor de decadente
Romeinse keizer Heliogabalus. De literatuur rond dit laatste onderwerp in de
negentiende eeuw is in eerste instantie gecatalogiseerd door Mario Praz.
[41] In Nederland is eenzelfde poging ondernomen door Jaap
Goedegebuure.
[42]
De meest uitgebreide en meest recente inventarisatie van alle literatuur over
het fenomeen Heliogabalus door de eeuwen heen wordt op dit moment ondernomen
door Leo de Arrizabalago y Prado, een Spaans-Amerikaanse literatuurhistoricus
die onder de titel Studiae Varianae een database heeft aangelegd over
alles wat met de decadente Romeinse keizer te maken heeft. Elders in deze
Arabesken leest u over het 'Varian Symposium' over dit onderwerp dat deze
zomer plaatsvond op de Universiteit van Cambridge.
Een verklaring voor de gezamenlijke belangstelling in de
androgyn en in Heliogabalus in het laatste kwart van de negentiende eeuw is
gegeven door de man die wel 'de laatste alchemist' is genoemd: Fulcanelli.
[43] De fascinatie voor de legendarische zonnepriester van Emessa
en wel speciaal met het huwelijk tussen de zonnegod en de maangodin van Carthago
zoals Heliogabalus dat zou hebben bewerkstelligd, is volgens Fulcanelli niets
anders dan een metafoor van de verwezenlijking van het 'Grote Werk' van de
alchemie: de steen der wijzen. Hij legt uit dat de naam Heliogabalus in de taal
van de 'solar cabala'
30
Paard van de Zon betekent; dat de zwarte steen in de alchemie staat voor
de eerste materie, enzovoorts. Met andere woorden: Fulcanelli verwijst de ganse
historiografie over keizer Heliogabalus naar het rijk der esoterie.
[44]
Conclusie. Terug tot Lombard en Couperus
De historische oorsprong van het streven naar androgynie zoals beschreven in de
romans van Lombard en Couperus ligt hoogstwaarschijnlijk in het oude shivaïsme.
Tantrische yogatechnieken hebben de hereniging van Shiva en Shakti in het eigen
lichaam als doel, met andere woorden: het vinden van de androgyn in zichzelf.
In de hellenistische tijd vonden deze occulte praktijken uit
het oude India ingang in de gnostieke stromingen in het Midden-Oosten.
[45] Hier werd de originele androgyn die aan het begin van de
schepping zou hebben gestaan, geïdentificeerd met de Christus die aan het eind
der tijden weer terug zou komen. Zo kon het beeld ontstaan van een ideale,
androgyne 'Messias' die de eenheid zou herstellen waar de dualiteit heerste. Dit
beeld leefde in de westerse beschaving voort in de principes van de alchemie.
Het
hieros gamos of Mysterium coniunctionis ligt hier in het vinden
van de steen der wijzen die dikwijls als een androgyn wordt geïnterpreteerd.
Het personage Attilius in de roman van Lombard ziet de
toekomstige androgyne mens inderdaad als een soort Messias, in navolging van
gnostici, hermetici en bovengeciteerde Duitse romantici. Interessant is dat
Marie-France David in haar inleiding op de heruitgave van l'Agonie dit
messianisme moeiteloos in socialistische mystiek vertaalt door dit wezen te
schetsen als 'een ideaal van totale gelijkheid, zelfs tussen de seksen' – zonder
met een woord te reppen over de rijke geschiedenis van de goddelijke androgyn
door de eeuwen heen.
[46] Deze
tekortkoming maakt Davids uitleg moeilijk te begrijpen voor de lezer die haar
geloof in dit gelijkheidsideaal (zij het christelijk of socialistisch) niet
deelt.
De opdracht van Hydaspes aan zijn leerling Bassianus in de
roman van Louis Couperus staat daarentegen meer in de traditie van het vinden
van de steen der wijzen in de alchemie, een traditie, die via de gnostici en de
hermetica terugvoert tot het oude shivaïsme. Lombards inspiratie was dus van
christelijke achtergrond, en die van Couperus – het hoeft ons nauwelijks te
verbazen – meer paganistisch. Lombard en Couperus konden ruim kennis nemen van
de in dit artikel besproken fenomenen in de vele literatuur over esoterie die
gepubliceerd werd in de late negentiende eeuw, en wel vooral die over
gnosticisme, hermetisme, kabbala en alchemie.
[47] Couperus heeft zich zoals bekend bovendien verdiept in het
boek van Lucien von Römer, Über die androgynischen Idee des Lebens, waar
Shiva, de oorspronkelijke goddelijke androgyn, uitgebreid in wordt genoemd.
[48]
Betekent dit alles nu dat Louis Couperus
inderdaad op de hoogte was van alle boven genoemde ontwikkelingen – van
shivaïsme, gnosticisme, hermetica, alchemie? Of, scherper gesteld: is het
mogelijk dat Louis Couperus zelf een 'adept' was, dat wil zeggen: een ingewijde
in de 'geheime' kennis der esoterie?
Deze gedurfde veronderstelling voert ons terug naar de
stelling van Klaas Popma uit 1968: Couperus was niet in de eerste plaats
'estheticist'; Couperus was allereerst
theoloog, van een semi-gnostische religie van tanen, doven en ontaarden.
[49] Zoals bekend schreef Couperus tussen 1900 en 1904 een hele
reeks werken met een esoterische inslag: De stille kracht (over
goena-goena in het voormalig Nederlands-Indië, in 1900); Babel (een sprookje dat
doet denken aan de vrijmetselarij, in 1901); Over lichtende
31
drempels (theosofische verhalen, in 1902); God en goden
(een gnostische kosmologie, in 1903); en Dionyzos (een biografie van de
god van de antieke mysterieën, in 1904). Misschien zou deze stelling van Popma
eens onder de loep moeten worden genomen, en wel op de meest serieuze, grondige
en wetenschappelijke wijze – wat nog nooit is gebeurd, al heeft Maarten Klein
natuurlijk wel de aanzet hiertoe gegeven.
[50] Helaas wordt er over esoterie in academische kringen nog
steeds erg lacherig gedaan, voornamelijk omdat critici er weinig tot niets van
af weten.
Tot dit doel zou ik willen voorstellen dat al Couperus' werk
wordt onderzocht in het kader van de genoemde esoterische traditie. Om deze
gigantentaak naar behoren te kunnen ondernemen, heeft schrijfster dezes contact
opgenomen met Wouter Hanegraaff, hoogleraar in de westerse esoterica aan de
Universiteit van Amsterdam en samensteller van de zojuist verschenen
Dictionary of Western Esoterism. Hij blijkt tot mijn vreugde een groot fan
van het werk van Couperus te zijn. Over de resultaten van onze samenwerking
leest u meer in de volgende afleveringen van Arabesken.
(Wordt vervolgd.)
| Noten | |
| 1. | Caroline de Westenholz, 'Heliogabalus en de Vlam van de Lust. Heilig sensualisme in De berg van licht.' In: Arabesken. Tijdschrift van het Louis Couperus Genootschap 12 (2004), nr. 23, p.4-15. |
| 2. | Caroline de Westenholz, 'Heliogabalus en de Vlam van de Lust II. De Indiase bronnen van Lombard en Couperus.' In: Arabesken. Tijdschrift van het Louis Couperus Genootschap 14 (2005), nr. 25, p.19-27. |
| 3. | Louis Couperus, De berg van licht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 24, p.29-30. |
| 4. | Onder andere door Maarten Klein in Noodlot en wederkeer. De betekenis van de filosofie in het werk van Louis Couperus. Maastricht, 2000. |
| 5. | Jean Lombard, l'Agonie. Parijs, 2002, p.119. De citaten uit de roman zijn vertaald door Caroline de Westenholz. |
| 6. | Jean Lombard, l'Agonie, p.55. |
| 7. | Louis Couperus, De berg van licht, p.253. |
| 8. | Mircea Eliade, Mitul Reintegrârii. Boekarest, 1942. |
| 9. | Hier gebruikt: Méphistopheles ou l’androgyne, Edition Gallimard uit 1962. |
| 10. | Mircea Eliade, Das Heilige und das Profane. Hamburg, 1957, in het Nederlandse vertaald onder de eigenaardige en misleidende titel: De magie van het alledaagse. Utrecht/Antwerpen, 1992. Uit die laatste editie: p.80. |
| 11. | Naar Mircea Eliade, De magie van het alledaagse, p.94. |
| 12. | Zie o.a.: Mircea Eliade, Yoga. Immortality and Freedom. Princeton, 1990, vertaling van Le Yoga. Immortalité et liberté. Parijs, 1954; Alain Daniélou, Yoga. The method of re-integration. Its origin, its aims, its methods. London, 1973 (eerste druk: Parijs, 1949); John Woodroffe, The serpent power; the secrets of tantric and shaktic yoga. New York, 1964; Georg Feuerstein, Tantra. The path of ecstasy. Boston/Londen, 1998. |
| 13. | Zie bijvoorbeeld de ervaringen van Gopi Krishna in Feuerstein, Tantra. The path of ecstasy, p.166-168. |
| 14. | Zie bijvoorbeeld The Upanishads, translated for the modern reader by Eknath Easwaran. S.l., 1987. |
| 15. | Zie noot 11. Zie ook: Alain Daniélou, Shiva et Dionysos. La réligion de la nature et de l'éros. De la préhistoire à l'avenir. Parijs, 1979, p.83 en 84. |
| 16. | Mircea Eliade, Méphistopheles ou l'androgyne; zie ook Wouter J. Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis and Western Esoterism. Amsterdam, 2005; G. Quispel (red.), De hermetische gnosis in de loop der eeuwen. Baarn, 1992 en H. Leisegang, La Gnose. Paris, 1951. |
| 17. | Poimandros, I, 9: 'Maar God de Geest (Nous), die mannelijk-vrouwelijk is, terwijl Hij leven en licht is, heeft door een woord een tweede scheppende geest voortgebracht.' Naar G. Quispel, De hermetische gnosis in de loop der eeuwen, p.206. |
| 18. | Het evangelie van Thomas, uit het Koptisch vertaald en toegelicht door Gilles Quispel. Amsterdam, 2004, p.330. Adam Qadmon wordt, zoals bekend, ook genoemd door Blavatsky: Helena Blavatsky, Isis ontsluierd. Den Haag, 1911, deel 2, p.46. |
| 19. | Mircea Eliade, Méphistopheles ou l’androgyne, p.150-151. |
| 20. | Idem, p.152 e.v. Zie ook Andrew Welburn, Gnosis. The mysteries and Christianity. An anthology of Essene, gnostic and Christian writings. Edinburg, 1994. |
| 21. | G. Quispel, De hermetische gnosis in de loop der eeuwen, p.338. |
| 22. | Idem, p.342. |
| 23. | 'Vooruitgang is alleen mogelijk door opheffing van het vrouwelijke geslacht daardoor dat het in het mannelijke verandert.' Philo Judaeus van Alexandria in Quaestiones in Exodum, I, 8, geciteerd naar Quispel, De hermetische gnosis in de loop der eeuwen, p.330. Zie ook: R.A. Bitter, 'De androgynie van de mens bij Philo van Alexandrië, Origenes en de Russische orthodoxie.' In: Quispel, De hermetische gnosis in de loop der eeuwen, p.53-95. |
| 24. | Mircea Eliade, Méphistopheles ou l’androgyne, p.145-145. |
| 25. | Idem, p.146-147, citeert uit: Ernst Benz, Adam. Der mythus des Urmenschen. München, 1955, p.219. |
| 26. | Wouter J. Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis and Western Esoterism, deel I, p. 16 e.v. |
| 27. | Idem, p.20. |
| 28. | Piet Meeuse, De slang die in zijn staart bijt. Amsterdam, 1987, p.153-154. Zie ook Wouter J. Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis and Western Esoterism, deel I, p.20. |
| 29. | Piet Meeuse, De slang die in zijn staart bijt, p.153. |
| 30. | Mircea Eliade, The forge and the Crucible. Chicago/Londen, 1978 (eerste druk: Parijs, 1956), p.127-14: 'Indian alchemy.' |
| 31. | Christopher McIntosh, Eliphas Lévi and the French occult revival. Londen, 1972, p.27. Een eeuw later heeft Papus zijn zin gekregen. Er zijn nu twee leerstoelen in Europa gewijd aan het 'westers esoterisme': Antoine Faivre aan de Sorbonne te Parijs en Wouter Hanegraaff aan de Universiteit van Amsterdam (sinds 1996). Zie ook: Antoine Faivre en Jacob Needleman (ed.), Modern Esoteric Spirituality. New York, 1992. |
| 32. | Mircea Eliade, Méphistopheles ou l'androgyne. Zie ook Piet Meeuse, De slang die in zijn staart bijt, p.158 en speciaal over Goethes Faust: p.166-174. Over Goethe zie ook: Gilles Quispel, 'Faust en Hermes.' In: G. Quispel (ed.), De hermetische gnosis in de loop der eeuwen, p.492-538. |
| 33. | Mircea Eliade, Méphistopheles ou l'androgyne, p.145. Deze noemt ook: Fr. Giese, Der romantische Charakter, band 1: Die Entwicklung des androgynenproblems in der Frühromantiek. Langensalza, 1919. Zie ook: Achim Aurnhammer, Androgynie. Studien zu einem Motiv in der europäischen Literatur. Keulen /Wenen, 1986 en E. Zolla, The androgyne. Londen, 1982. |
| 34. | In: Schillers Horen, jg. 1795, St. 3, p.80-103 en St. 4, p.14-40. |
| 35. | Een van zijn leerlingen, Johan Herman Gunning, wijdde in zijn hoofdwerk Blikken in de openbaring (1866-1869) een heel hoofdstuk aan de androgynie. G. Quispel (ed.), De hermetische gnosis in de loop der eeuwen, p.81. |
| 36. | Mircea Eliade, Méphistopheles ou l'androgyne, p.146-147 noemt als bron: Franz von Baader, Gesammelte Werke, Band III, p. 309, gereproduceerd in Ernst Benz, Adam. Der mythus des Urmenschen, p.221 e.v. |
| 37. | Mircea Eliade, Méphistopheles ou l'androgyne, p.148. |
| 38. | Dit zijn dan ook hoogstwaarschijnlijk de bronnen van Jean Lombard voor zijn personage Madeh, die aanbeden wordt door een man (Attilus) en een vrouw (Attilia) in l'Agonie. |
| 39. | Philippe Jullian, Decadente dromers. Symbolistische schilders uit de jaren 1890. Bussum, 1973 (eerste druk: Parijs, 1971), p.101. |
| 40. | Maar naar mijn mening minder in Couperus' De berg van licht. Zie Maarten Klein, Noodlot en wederkeer. |
| 41. | Mario Praz, The romantic agony. Oxford, 1970. |
| 42. | Jaap Goedegebuure, Decadentie en literatuur. Amsterdam, 1987, p.72-105: 'Verschijningen van Heliogabalus.' |
| 43. | Fulcanelli, The dwellings of the philosophers, vertaald door Brigitte Donvez en Lionel Perrin. S.l., 1999. Vertaling van: Les demeures philosophales et le symbolisme hermetique dans ses rapports avec l'art sacré et l'ésoterisme du grand-oeuvre. Paris, 1964. |
| 44. | Fulcanelli, The dwellings of the philosophers, p.469. Goedegebuure, Decadentie en literatuur, p.126 wijst ook op een mogelijke connectie met alchemie in verband met Couperus 'theologie'. |
| 45. | Zie hiervoor o.a. ook Joseph Campbell, The Masks of God: Occidental Mythology. New York, 1985 (eerste druk: 1964), p.267-268. |
| 46. | Zie de introductie tot Jean Lombard, l'Agonie. |
| 47. | Zie bijvoorbeeld Edouard Schuré, Les grands initiés. Parijs, 1888; Frédéric-Guillaume Paulhan, Le Nouveau mysticisme. Parijs, 1892; voor de Nederlandse vertalingen van deze werken en de ontwikkelingen in ons land op dit gebied zie M.G. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle. Amsterdam, 2001. |
| 48. | Lucien von Römer, Über die androgynischen Idee des Lebens. Amsterdam, 1903, p.721. Afbeelding 5 in dit boek toont een beeld van Shiva in zijn aspect van hermafrodiet (Ardhanahisvara) uit de collectie van het Museum voor Volkenkunde te Leiden (inv. nr.: 1403-1763). |
| 49. | K.J. Popma, Beschouwingen over het werk van Louis Couperus (1863-1923). Amsterdam, 1968, p.10, 12, 157. |
| 50. | Zie Maarten Klein, Noodlot en wederkeer. |
(Uit: Arabesken 13 (2005), nr.26, p.23-33.)