Deel I | Deel II | Deel III | Deel V | Deel VI
Esoterische motieven in De berg van licht
Heliogabalus en de Vlam van de Lust IV
In haar vorige artikel in deze reeks poneerde Caroline de Westenholz dat het werk van Louis Couperus zou moeten worden onderzocht in het kader van de westerse esoterische traditie. Tot dit doel heeft zij contact opgenomen met Wouter Hanegraaff, eerste hoogleraar in de geschiedenis van de hermetische filosofie en verwante stromingen aan de Universiteit van Amsterdam. Hier volgt het eerste resultaat van deze samenwerking.
Door Caroline de Westenholz
Na overleg met professor Hanegraaff stel ik voor om de volgende methode te hanteren: ik neem bepaalde religieuze concepten uit De berg van licht onder de loep en bestudeer deze aan de hand van relevante lemma’s uit de recent uitgekomen Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. [1] Levert deze methode resultaten op (met andere woorden, werpt zij belangrijk nieuw licht op Couperus’ tekst), dan kan zij allicht ook worden toegepast op andere romans van de schrijver. [2] Aan de hand van het uiteindelijke resultaat kan dan worden bekeken of Couperus inderdaad een ‘adept’ was, oftewel: een ingewijde in de geheime kennis der esoterie.Hij [c.q. Heliogabalus, CdW] was geniaal, en artiest in alles wat hij deed. Hij is de laatste weerschijn van de Antieke Schoonheid en de Antieke (Egyptisch-Chaldeeuwse) Wijsheid. Wie zegt ons, dat de quintessens van zijn godsdienst niet zuiverder is dan die van het Christendom? De Zwarte Steen is symbool (voor het volk) van de Zon, die zelve symbool is (voor den priester) van het Licht, (dat weer symbool is, voor Magieërs en Ingewijden, van den onuitsprekelijken God). Er schuilt een diepe mystische Wetenschap achter dat alles, en vermoedelijk hebben onze latere Christelijke Eeuwen heel veel verloren, vergeten, verwaarloosd, van wat de ‘heidenen’ reeds zuiver, niet ‘geloofden’, maar ‘wisten’. [3]
Couperus geeft dus zelf heel duidelijk de richting aan. De religie van Heliogabalus was een weerslag van een antieke wijsheid – om precies te zijn: van Egyptisch- Chaldeeuwse oorsprong. De essentie van die religie was mogelijk superieur aan die van het christendom. De symboliek van de Zwarte Steen staat voor een diepe mystische Wetenschap - met een hoofdletter - die door de christenen is verloren, vergeten en verwaarloosd. De heidenen ‘wisten’ iets wat verloren is gegaan. Is er in de geschiedenis van de esoterie zoiets te vinden?
31
Chaldeeuws-Egyptische wijsheid: de Traditie
Onder het lemma ‘Traditie’ leert de Dictionary of Gnosis & Western
Esotericism ons het volgende: in de westerse esoterie bestaat een oude
overtuiging van een traditie van superieure spirituele wijsheid, die door de
eeuwen heen in tact is gehouden en doorgegeven door wijze lieden of groepen van
ingewijden.
[4] Deze wijsheid staat bekend onder verschillende namen: de
Dictionary noemt onder anderen prisca theologia,
philosophia perennis of perennial philosophy, ‘the wisdom of the
ancients’, of simpelweg de Traditie (met een hoofdletter T). Deze traditie zou
zijn als de stam van een boom, waaruit de occulte wetenschappen zijn
voortgesproten, ‘known under the name of magic, kabbalah, hermetic philosophy,
theosophy, pneumatology, theurgy, etc.’
[5]
Een van de eerste westerlingen die zich met deze materie bezighield was de
Byzantijnse platonist Giorgios Gemistos Plethon (circa 1360-1454). Hij noemde
als oudste vertegenwoordiger de Perzische profeet Zoroaster of Zarathoestra, die
volgens hem vijfduizend jaar voor de Trojaanse oorlog geleefd had, en de
aanvoerder van de Magi
32
of Magiërs zou zijn geweest. Hij zou de auteur zijn van de Chaldeeuwse
Orakelen, een traktaat dat voor de aanhangers van de Traditie als leidraad
gold. In werkelijkheid was dit echter een gnostisch werkstuk waarin een
neoplatoonse theürgie wordt verkondigd.
[6] Plethon legde de basis voor de ‘prisca theologia’.
In de Renaissance kwam ook dit aspect van de antieke
beschaving weer onder de aandacht. De genoemde Dictionary wijst op de
paradox dat deze wijsheid door christenen werd bestudeerd; in principe zou zij
immers superieur zijn aan de christelijke religie, maar dat was natuurlijk een
ketterse gedachte. Het ging er dus om zekere heidense principes te laten rijmen
met christelijke theologie. Marsilio Ficino (1433-1499) was de vertaler van het
uit Egypte afkomstige Corpus Hermeticum, dat eveneens oeroud zou zijn.
Dit geschrift werd de tweede ‘bijbel’ van volgelingen van de Traditie. Ook
Ficino zag Zoroaster als de eerste ‘priscus theologus’, en vervolgens noemt hij
Orpheus, Aglaophemus, Pythagoras en Plato. Evenals de Chaldeeuwsche Orakelen
dateert het
Corpus Hermeticum echter uit het begin van onze jaartelling.
[7]
Samenvattend: ‘de Traditie’ betrof een soort
originele, universele religie uit het verre, verre verleden, die aan de basis
lag van alle esoterische sekten door de eeuwen heen. De principes ervan waren
opgetekend in twee zogenaamd stokoude geschriften: de Chaldeeuwse Orakelen
en het Corpus Hermeticum. Het fenomeen was dus afkomstig – zo geloofde
men – uit Chaldea en Egypte.
Astrologie
In de loop der eeuwen, maar vooral in de negentiende eeuw, groeide de interesse
in deze ‘Traditie’ die vanwege het inherent ketterse karakter veelal in het
geheim moest worden bestudeerd. De ‘oude wijsheid’ was gestoeld op twee
disciplines: astrologie en magie. Beide onderwerpen worden uitgebreid beschreven
in de Dictionary of Gnosis & Western Esotericism.
De astrologie zou gevestigd zijn door een drietal mythische
stichters, de zogenaamde ‘gehelleniseerde magiërs’: Zoroaster (Zarathoestra),
Ostanes en Hystaspes, in het oude Chaldea of Babylonië.
[8] Van hen stamt een aantal apocriefe geschriften. Het bestuderen
van de nachtelijke hemel leerde de Chaldeeërs dat het hoogste principe, de
onbekende tijd, zich manifesteert in het firmament. De beweging der
hemellichamen geschiedt volgens een vast patroon dat jaarlijks terugkeert. Het
heelal wordt beheerst door een
33
onveranderlijke wenteling der sterren.
[9] Volgens de in de oudheid wijdverspreide theorie van
correspondentie - het bekende axioma ‘zoals boven, zo ook beneden’
[10] - is er een analogie tussen tussen hemel en aarde, de wereld
van de goden en die der mensen, de krachten van het universum en die in de mens
zelf. Als de wentelingen in het heelal gehoorzamen aan eeuwige wetten, dan geldt
dat dus ook voor de levensloop van het individu. Deze analogie leert dan ook dat
de mens onderworpen is aan een in de sterren geschreven lot. Het basisprincipe
was dus een verregaand fatalisme.
[11] Dit fatalisme is prachtig verwoord in Joseph Campbells
Occidental Mythology:
Like a jewel, ever turning facets to the light, apparently in change but actually unchanging, this Bronze Age image of the cosmos, still intact in the Orient, renders a fixed world of fixed duties, roles, and possibilities: not a process, but a state; and the individual, whether man or god, is but a flash among the facets. [12]
De Chaldeeuwse (Babylonische) doctrines bereikten het Romeinse rijk via
Syrische priesters en waarschijnlijk via de astrologische school van Cos, in een
verloren gegaan geschrift. De wetenschap beïnvloedde het pythagorisme en het
orfisme. Het werd de basis voor de astrologische doctrine. Dit is: door de
analogie tussen de loop van de sterren en het leven van de mensheid te
benadrukken, wordt er tevens bewijs geleverd voor een stukje goddelijke natuur
in de mens. Astrologie werd een middel tot gnosis of hereniging met de godheid.
[13]
Na de keizerlijke veroveringen op het
Midden-Oosten vanaf de eerste eeuw werd de astrologie populair in Rome. Zij werd
hier geïmporteerd tegelijkertijd met de Syrische Baälcultus, de Mithrasdienst en
de magie, die hieronder ter sprake komt. Maar eerst moeten we nu gaan kijken
naar de plaats die de astrologie krijgt in De berg van licht.
Astrologie in De berg van licht
In het begin van Couperus’ roman is Bassianus, Hogepriester van de Zon, op weg
naar de Oppermagiër Hydaspes, die hem zijn horoscoop beloofd heeft: ‘...en ik
wil met hem in de sterrren lezen en luisteren naar de Geheime Dingen...’ (p.11)
Hydaspes doet hem naast zich zitten en zegt:
- Zie! Zei de Magiër. Waren ooit de starren deze maand glanzender!
Zie, Bassianus, je eigen star! Daár!! Ze straalt als een zon.
- Zij is de aarde genaderd…?
- Neen, zij heft de aarde tot zich toe...
(...)
- Wat beduidt dat?
- Misschien het hoogste... (p.16 )
Het is duidelijk: Bassianus zal keizer worden, want het staat in de sterren
geschreven.
Hydaspes weet nog meer. Hij is in het bezit van allerlei
geheime kennis: ‘Geen vlakke schijf is deze aarde, omspoeld door een hemelzee en
ether van oneindigheid, maar een bol is zij, die vurig was (…).’ (p.17). En even
verderop legt hij uit:
Kind... zie... zie: zoo als, zoo je heél lange tuurt, je de sterren ziet bewegen en gaan om ons rond, zoo gaan wij om de starren rond, en, bol, gaan wij om onszelve, maar
34
dit, mijn kind, wat ik je zeg, is ons het geheim, het geheim van ons Magiërs, want onze wetenschap is heilig en wij geven ze niet aan het volk. (p.17)
Bassianus is diep onder de indruk: ‘O Hydaspes... ik huiver soms van al wat
je mij vertelt...! Weet dan niemand in Emessa dan jij, onze Magiërs en IK, dat
de aarde een bol is, als alle sterren, die meêwentelt met de sterren...’ (p.17)
Het interessantst is echter dat Hydaspes ziet dat het
verkeerd afloopt met zijn pupil. Als hij verder naar de nachtelijke hemel
staart, ziet hij de sterren ‘drijven op een zee van bloed.’ (p.18) De hemel is
één rood visioen, zo vertelt hij Bassianus, en hij ziet ook bloed rond diens
ster... Maar het zou niet in hem opkomen om Bassianus van zijn noodlot te laten
weglopen (door hem bijvoorbeeld af te raden het keizerschap te aanvaarden):
Hij had dezen knaap lief, en deze liefde was hem de eenige aandoening geweest, die zijn hart vermenschelijkt had. Hij had Bassianus lief met den mystiek-sensueelen aandrang zijner Aziatische natuur, wie, hoe naar het Onzienlijke ook gericht, de zinnelijkheid toch als een warme stroom ging door zijn broeiend bloed; en hij had hem lief met een immensen weemoed, omdat hij, voor zich, onbetwijfelbaar, zag in de starren en zag in Bassianus’ eigene oogen, dat het onverbiddelijke Noodlot loerde op dit heerlijk kind, als op een fel begeerde prooi. Hij zàg het, met éen doordringenden flits, dat dit kind – deze bloemziel, uitbloeiend in de lucht, die haar eigen was, eene bekoring kon zijn, zoo groot, dat zij zelfs de grofste zinnen trof... dat zij, overgeplant en opschietende onder andere hemelen, zoû uitstrengelen in wilde verwarring en de slaking harer aromen een walm vol vergift zoû wekken... En terwijl hij neêrstaarde op het kind, wist hij, dat het zoo zoû zijn, en dat er niets aan te doen was, omdat de machtige goden besloten hadden: de machtigste, die zijn onzegbaar; die welke alle zegbare goden zelve overheerschen... Het zoû zoo zijn... (p.81; cursivering van mij, CdW)
Magiërs en magie
Boven werd reeds gesproken over de Perzische profeet Zarathoestra, die de
aanvoerder van de Magi of Magiërs zou zijn geweest. In De berg van licht
is ook sprake van ‘Magiërs’ (met een hoofdletter). Wat zijn dit eigenlijk?
Onder het lemma ‘Magic’ vinden we in de Dictionary of
Gnosis & Western Esotericism – en met gebruik van aldaar genoemde bronnen –
het volgende.
[14] Magie is de kunst van de Μαγοι, oud-Perzisch voor priesters.
Deze kunst omvat mysteriecultussen, bezweringen (met groot geloof in amuletten
zoals het Abraxas-zegel) en waarzeggerij: het uitleggen van dromen,
lijkschouwerij, en natuurlijk het voorspellen van de toekomst, op alle mogelijke
manieren.
[15]
De godsdienst van het oeroude Perzië kende als
oppergod Ahoura-mazda. Deze zou tweelingbroers hebben voortgebracht: het goed en
het kwaad, die elkaar eeuwig bestrijden.
[16] Dit werd de basis van het Mazdeïsme oftewel het Perzisch – en
later het christelijk en het mohammedaans – dualisme. Volgens deze doctrine is
het hele leven een gevecht tegen slechte geesten en demonen; het is dus zaak die
kwade invloeden voortdurend goed in de gaten te houden. Het bezweren van boze
geesten werd (zwarte) magie genoemd. Deze had ook in de klassieke oudheid al een
bedenkelijke reputatie. ‘Magus’ betekende dus oorspronkelijk priester, maar
sinds ongeveer 500 voor Christus kreeg het woord de betekenis van ‘tovenaar’.
Toen de Perzische vorst Cyrus I Babylonië
35
veroverde vestigden Perzische priesters zich in dat land. Vanaf dat
moment raakten Chaldeeuwse en Perzische rituelen verstrengeld. De eerste
Magiërs, Zarathoestra, Ostanes en Hystaspes, combineerden de bezweringen van het
kwaad uit het mazdeïsme met de astrologische speculaties van de Chaldeeërs.
[17] Zodoende werd het woord Magiër een definitie voor een dubieus
soort uitoefenaar van µαγεια of magie.
De oosterse magische praktijken bereikten Rome rond de tijd
van de regering van Marcus Aurelius (161-180). In die periode vond een
versmelting plaats tussen magie en filosofie, en er werd meteen een nieuwe naam
voor gevonden: theürgie. In deze vorm was magie helemaal geen zwarte kunst maar
de oude manier om de goden te vereren, ook wel thaumaturgie genoemd of – later –
cabala.
[18] Beoefenaars ervan zouden in alle oude culturen te vinden zijn
geweest. Theürgie is letterlijk ‘werken met het goddelijke’. Uitvinders van de
theürgie waren Julianus de Chaldeeuwer en diens zoon, Julianus de Theürgist, de
ware auteurs van de Chaldeeuwse Orakelen. Theürgie was een rituele
techniek waarmee het opstijgen tot de godheid werd gezien als de ultieme bron
van kennis. Deze toestand van extase was onder andere beleefd door Plotinus.
[19] Voor de neoplatonisten waren de Chaldeeuwse Orakelen
een ware bijbel. Een andere Egyptische bron, naast het Corpus Hermeticum,
was het hermetische geschrift Asclepius. Een derde magische traditie zou
die van het judaïsme vanaf Mozes zijn geweest (kabbala).
[20]
In het Romeinse keizerrijk werden uitoefenaars
van magie, theürgie of thaumaturgie, evenals de vroege christenen, hevig
vervolgd. De neopythagoreeër Apollonius van Thyana bijvoorbeeld, werd door
keizer Domitianus van magische praktijken beschuldigd. Aan de neoplatoonse
filosoof Apuleius danken we een Apologeia, die veel waardevolle
informatie geeft over magie. Plotinus’ leering Iamblichus verdedigde theürgie
als filosofische techniek tegenover zijn medeleerling Porphyrius in het
geschrift De Mysteriis. Onder keizer Julianus (de Afvallige) werd de
theürgie weer tijdelijk in ere hersteld.
Het wordt tijd om eens te gaan kijken naar de rol die de
magie speelt in
De berg van licht.
Magie in De berg van licht
In De berg van licht wordt Heliogabalus van jongs af aan omringd door
Magiërs (met een hoofdletter). Het lijkt erop dat dit woord genomen wordt in de
oorspronkelijke betekenis van priester. Voor Hydaspes worden (Opper)magiër en
(Opper)priester beurtelings gebruikt. Zelf is Heliogabalus natuurlijk
hogepriester van de zon. De functie van de Magiërs in de roman is vooral een
rituele:
Huiverend stemgeruisch suizelde, eerbiediglijk, op, toen de Oppermagiër binnentrad, in zijn wit-en-gouden sarapis, omringd door de andere Magiërs, bewaarders der occulte wetenschappen, allen met de transe-oogen starende voor zich uit. (p.56)
36
De roman bevat een gruwelijk voorbeeld van hun praktijken: het
kinderoffer dat Heliogabalus laat uitvoeren om te weten te komen of zijn
toekomstige huwelijk met Hierocles onder gunstige voortekenen staat:
Maar de priester heeft op het outer het kindje naakt nedergelegd en om de koude van de marmeren offerplaat begint luide de offerzuigeling uit te huilen. Zijn kreten doorkrijschen den Tempel. Rondom hem brommen basstemmig, gedempt, de handen geheven, vijf Magiërs de hymne: Sanctus Deus Sol, Deus Invictus Sol... maar de zesde, de Archimagus, wiens lange zwarte baard, nu hij zich bukt, kriebelveegt over het rillende lijfje, houdt het gouden mes mikkend gericht. Tusschen de omringende, roode mantels en de zwarte baarden der Magiërs zes, ligt het kindje spartelend als een atoompje blank leven, het kopje roodboos van het huilen. Maar de groote handen der Magiërs leggen zich plots, als met eéne beweging, drukken het kind vast op de plaat, bij het kopje, de beentjes, de armpjes en het gouden mes flikkert
37
een bliksem en slacht het kind, met zekere snede, dwars over het rillend buikje. Een kreet, het bloed fonteint òp, sprenkelt dunnetjes onzichtbaar over de roode mantels; aan een zwarten baard hangt een levend robijntje en tikkelt weêr neêr. En het mes, met breed lemmet, legt open en vijf andere messen ontlichten aan het nog lillende lijfje het ingewand en spreiden het op gouden schaal voorzichtiglijk uit, zoo breed mogelijk, met zorg groot speurend, naar de voorbeschikking van het teedere ingewand, dat heden de toekomst spelt. (p.232-233)
Couperus en de Traditie
[21]
Gaan wij nog even terug naar de tekst uit de prospectus voor De berg van
licht, dan valt nu het volgende op te merken. Door het noemen van het begrip
‘Antieke (Egyptisch- Chaldeeuwse) Wijsheid’ geeft Couperus aan op de hoogte te
zijn van de ‘Traditie’, die stoelt op twee zogenaamd oeroude geschriften,
afkomstig uit Chaldea en Egypte: de
Chaldeeuwse Orakelen en het Corpus Hermeticum. Dat Couperus bekend
was met het Corpus Hermeticum is niet nieuw. Voor de rol die dit
geschrift speelt in de roman
Antiek toerisme (1911), verwijs ik gaarne naar de analyse in het boek van
Maarten Klein, Noodlot en wederkeer.
[22] Daar blijkt ook dat Couperus de renaissancistische
nterpretatie van het concept, waarbij Hermes Trismegistus als tijdgenoot van
Mozes werd gezien, voor waarheid aangenomen heeft. Maarten Klein wees reeds op
Couperus’ommentaar op een mozaïek in de kathedraal van Siena (in Uit blanke
steden onder blauwe lucht):
‘(...) de kurieuze voorstelling van Hermes Trismegistus, den Egyptischen halfgoddelijken profeet, wijsgeer en wetgever, die ook Jezus Christus voorspeld zoû hebben: “God, die zich zichtbaar maakte in Zijn eigenen Zoon: het Heilige Woord”...’ [23]
Eigenaardig is in dit verband een uitspraak in een brief aan zijn uitgever
Veen uit de winter van 1905-190 , waarin Couperus zegt die winter Egypte te
willen gaan bezoeken, en terloops naar een mogelijke Egyptische roman verwijst.
[24] Dit duidt erop dat hij in de periode van publicatie van De
berg van licht al met het land – en mogelijk al met het
Corpus Hermeticum – bezig is geweest.
De hellenistische wetenschappers kenden waarschijnlijk al de
heliocentrische theorie van het universum.
[25] Ook dit heeft Hydaspes, of liever gezegd Couperus, dus niet
verzonnen. Het feit dat Bassianus dit als een groot geheim krijgt medegedeeld
hoeft ons ook niet te verwonderen. De mysterieculten uit het oosten bevatten
immers een exoterische kant voor het algemene publiek en een
esoterische voor ingewijden. De laatste ging inderdaad gepaard met leringen
van astrologie en astrolatrie zoals beschreven in De berg van licht.
Hydaspes’ voorspellingen voor het leven van de latere Heliogabalus zijn geheel
in overeenstemming met de theorieën van de Chaldeeuwse astrologie, waarin de
Tijd (oftewel: het Noodlot) fatalistisch boven alle andere goden staat.
Couperus was, zoals bekend,
[26] uitstekend op de hoogte van de geschiedenis van het Romeinse
keizerrijk, en daarmee van het bestaan van theürgie en of thaumaturgie. Dit
blijkt ook wel uit feuilletons zoals ‘Julianus’ laatste ure’ over de heidense
keizer,
[27] waarin de theürgie en Julianus’ leermeester daarin, Maximus
van Efeze, met name genoemd worden, en ‘Apollonius van Thyana’.
[28] Een aantal van deze personages komt al voor in Flauberts
La tentation de Saint Antoine, dat Couperus in 1895 vertaald had.
[29] Dat hij
38
Apuleius gelezen had is eveneens bekend. Daarnaast is het uiterst
waarschijnlijk dat Couperus Iamblichus’ De Mysteriis in zijn jeugd al in
handen heeft gehad. Het stond in zijn ouderlijk huis gewoon in de boekenkast, in
een Engelse vertaling.
[30]
De magische praktijken in De berg van licht
zijn vooral toegespitst op de waarzeggerij. Het verband met de astrologie is
hier evident. Het lezen van de toekomst in de lillende ingewanden van een vers
geslachte baby zoals zo plastisch wordt beschreven door Couperus, komt geheel
overeen met historische kennis van dergelijke fenomenen in de late Romeinse
oudheid.
[31]
Couperus moet al vrij jong op de hoogte zijn
geweest van de reputatie van Chaldeeërs als sterrenwichelaars; in een van zijn
eerste gedichten, ‘Semiramis’, dat gaat over de ondergang van Babylon, komt al
een profeterende Chaldeeër voor.
[32]
Epiloog: Hydaspes
Eigenaardig detail in verband met de priester/magiër Hydaspes, die zo knap in de
sterren leest, is dat Couperus op een carnavalsfeest in Nice in februari 1902
als astroloog verkleed was.
[33] Probeerde hij zich in te leven in een personage zoals
Hydaspes was, in
De berg van licht? Is er over dit personage misschien nog iets meer op te
merken?
Boven werd al vermeld dat de eerste magiërs Zoroaster
(Zarathoestra), Ostanes en Hystaspes zouden zijn geweest. Volgens deze
‘historische’ Perzische priester/magiër Hystaspes is de wereld verdeeld in zeven
maal duizend jaar, elke duizend onder invloed van een bepaalde planeet, die op
zijn beurt weer geassocieerd is met een bepaald metaal. De zevende was de zon en
diens metaal was goud. Na de apocalyps werd de wereld hernieuwd en heerste het
paradijs (in de achtste duizend jaar). Ook voorspelde hij de verwoesting van
Rome en de overname door de oriënt.
[34] Is het mogelijk dat de naam van deze magiër iets te maken
heeft met de bijna gelijkluidende naam van de opperpriester Hydaspes in De
berg van licht? Dit is moeilijk te zeggen. Zeker is dat Hydaspes in de roman
in de sterren de ondergang van Heliogabalus leest (maar niet noodzakelijkerwijze
de verwoesting van heel Rome). In het algemeen is er een groot verschil tussen
het historisch zoroastrisch dualisme en de holistische gnostiek van Couperus in
De berg van licht.
De naam Hydaspes komt echter letterlijk voor in de antieke
roman
Aethiopica.
Theagenes et Charicleia van de hand van de Griekse schrijver Heliodorus
uit Emessa, Syrië, die waarschijnlijk dateert uit de derde eeuw.
[35] Dit boek verhaalt de levensgeschiedenis van Chariclea, de
dochter van de Ethiopische koning Hydaspes, die tevens priester is van de zon,
de maan en Dionyzus. Chariclea is blank en uit vrees dat de zwarte vader zijn
vrouw van vreemdgaan zal betichten, smokkelt haar moeder haar als baby in het
geheim het land uit; zij groeit op in het Griekse Delphi. Daar wordt zij
verliefd op de Thessaliër Theagenes, en het orakel voorspelt het tweetal een
gelukkige toekomst. Samen trekt het paar naar Ethiopië, en na vele hachelijke
avonturen wordt Chariclea na terugkomst in haar vaderland samen met haar
geliefde bijna ritueel geofferd aan respectievelijk de maan en de zon. Gelukkig
wordt haar ware identiteit net op tijd ontdekt. Theagenes en Charicleia mogen
trouwen en worden zelf priesters van zon en maan. Zou Couperus de naam van deze
Ethiopische zonnepriester gebruikt hebben voor zijn roman? Het lijkt uiterst
waarschijnlijk. Heliodorus’ Aethiopica bevond zich eveneens in de
bibliotheek van zijn ouderlijk huis, in een Franse vertaling.
[36]
Het moge wezen dat Couperus geen Grieks kon
lezen, en Latijn slechts met een Franse vertaling ernaast. Classici zijn geneigd
deze tekortkoming met enige
39
zelfgenoegzaamheid te vermelden.
[37]
Toch lijkt het er op dat hij de vertalingen van klassieke werken, en zeker die
van Griekse romans, beter gelezen heeft dan menig filoloog het origineel.
Conclusie
De in het begin van dit artikel voorgestelde methode blijkt vruchten af te
werpen. Couperus was duidelijk goed ingevoerd in de twee belangrijkste aspecten
van ‘de Traditie’: de astrologie en de magie. Gaan wij nog eenmaal terug naar de
prospectus voor De berg van licht, dan blijft echter nog één vraag
onbeantwoord. Wat bedoelde Couperus toen hij schreef:
De Zwarte Steen is symbool (voor het volk) van de Zon, die zelve symbool is (voor den priester) van het Licht, (dat weer symbool is, voor Magieërs en Ingewijden, van den onuitsprekelijken God). Er schuilt een diepe mystische Wetenschap achter dat alles, en vermoedelijk hebben onze latere Christelijke Eeuwen heel veel verloren, vergeten, verwaarloosd, van wat de “heidenen” reeds zuiver, niet “geloofden”, maar “wisten”.
In een volgend artikel zal ik hierop ingaan met behulp van een eigentijdse
bron, die Couperus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gebruikt moet
hebben.
(Wordt vervolgd.)
| Noten | |
| 1. | Tot mijn ergernis moest ik constateren dat ik de titel van dit boek in mijn vorige artikel tot twee keer toe fout gespeld hebt. De correcte titel is: Wouter J. Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Leiden en Boston, 2005 (in twee delen). |
| 2. | Popma heeft een dergelijk onderzoek verricht: nadat hij stelde dat Couperus theoloog was van een religie van tanen, doven en ontaarden, heeft hij geprobeerd dit thema te vinden in al Couperus’ werk. Dit lukte niet altijd. Zijn fout was dat hij het fenomeen esoterie tot dit ene, inderdaad vaak bij Couperus voorkomende fenomeen probeerde te herleiden. Esoterie heeft echter veel meer aspecten. (K.J. Popma, Beschouwingen over het werk van Louis Couperus (1863-1923). Amsterdam, 1968). |
| 3. | F.L. Bastet (ed.), Amice. Brieven van Louis Couperus aan zijn uitgever. Deel II (190 -1919). ’s-Gravenhage, 1977, brief 405a, met een foto van de tekst voor de voor L.J. Veen in 1905 geschreven prospectus. |
| 4. | Lemma ‘Tradition’ in Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Deel 2, p.1125-1135. |
| 5. | Idem, p.1130. |
| 6. | Idem, p.1127. |
| 7. | Lemma’s ‘Hermes Trismegistus’ en ‘Hermetism’, in: Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Deel 1, p. 474 -571; en ‘Ficino, Marsilio’ op p. 360-367. |
| 8. | ‘Astrology I –V’, in: Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Deel 1, p.109-141. |
| 9. | Zie hiervoor nog steeds: Joseph Bidez & Franz Cumont, Les Mages hellénisés. Zoroastre, Ostanès et Hystaspe, d’après la tradition greque. Paris, 1938 (in twee delen; deel 1: Introduction; deel 2: Les textes. Relevante passage: deel 1, p.63-71). |
| 10. | De frase is afkomstig uit het hermetische geschrift Tabula smaragdina. Zie noot 7. |
| 11. | Zie ook: Franz Cumont, Religions Orientales dans le paganisme Romain, Conférences faites au collège de France en 1905. Parijs, 1907. |
| 12. | Joseph Campbell, The Masks of God: Occidental Mythology. New York, 1985 (eerste druk: 1964), p.5. |
| 13. | Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Deel 1, p.113. |
| 14. | ‘Magic I-V’, in Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Deel 2, p.716-744. |
| 15. | Zie ook: ‘Divinatory arts’, in Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Deel 1, p. 313-319. |
| 16. | Idem, deel 2, p.721; Bidez/Cumont, Les Mages hellénisés. Deel 1, p.VI-XIII. |
| 17. | Idem, deel 1, p.34-35. |
| 18. | Over de geheime taal van de ‘cabala’ in de middeleeuwen zie: Fulcanelli, Les demeures philosophales et le symbolisme hermetique dans ses rapports avec l’art sacré et l’ésoterisme du grand-oeuvre. Parijs, 1964 (eerste druk: 1930). |
| 19. | Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis & Western Esotericism, deel 2, p.721. |
| 20. | Voor de kabbala zie het lemma ‘Jewish influences I-V’ in Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Deel 2, p.633-647. |
| 21. | Dit kopje heeft dus niets te maken met het artikel onder die titel: Jaap Goedegebuure, ‘Couperus en de traditie.’ In: Tirade 20 (1976), I, p.51-64, hetgeen handelt over de literaire traditie. |
| 22. | ‘Herboren worden in dit leven. Over Antiek toerisme (1911).’ Hoofdstuk 7, in: Maarten Klein, Noodlot en wederkeer. De betekenis van de filosofie in het werk van Louis Couperus. Maastricht, 2000, p.195-206. |
| 23. | Louis Couperus, Uit blanke steden onder blauwe lucht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 33, p.187. In een vrije weergave van de tekst van het vloermozaïek, zie Klein, Noodlot en wederkeer, p.205, noot 5. |
| 24. | ‘Wij denken volgenden winter niet meer hier in te huren. Zes jaar winterverblijf Nice is voor ons, vagebonden, genoeg. Zetten den boel op zolder en gaan er van door, naar Egypte. Wie weet wat voor mooie Egyptische romans je dus nog van me krijgt…’ Ongedateerde brief (maar na 28 november 1905 en voor 7 mei 1906). Brief nr.422, in F.L. Bastet (ed.), Amice, p.81-82. |
| 25. | Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis & Western Esotericism, deel 1, p.112. |
| 26. | Zie bijvoorbeeld Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p.517. |
| 27. | ‘Julianus’ laatste ure.’ In: Louis Couperus, Ongebundeld werk. Volledige Werken Louis Couperus, deel 49, p.374 -380. |
| 28. | ‘Apollonius van Thyana’, ‘Romeinsche portretten. VII.’ In: Louis Couperus, Proza. Volledige Werken Louis Couperus, deel 46, p.322-328. |
| 29. | Louis Couperus, De verzoeking van de H. Antonius. Naar Gustave Flaubert. Fragmenten. Volledige Werken Louis Couperus, deel 12. |
| 30. | Een gedeelte van de klassieke bibliotheek van de familie Couperus is terechtgekomen in de collectie van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (nu in de Universiteitsbibliotheek van Leiden; zie Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie, p.517). Daaronder bevond zich: Iamblichus on the Mysteries of the Egyptians, Chaldeans and Assyrians. Translated from the Greek by Thomas Taylor. Chiswick, 18 1. Met dank aan dr. Anton van der Lem. |
| 31. | Bijvoorbeeld in een passage die een opsomming bevat van de gruwelijkste magische praktijken: ‘… immolations d’enfants pour lire l’avenir dans leurs entrailles palpitantes…’ In hoofdstuk ‘l’Astrologie et la magie’, in Cumont, Religions Orientales dans le paganisme Romain, p. 231. |
| 32. | ‘...een Chaldeeuwer, zinneloos/Van geestvervoeringen, zijn profetie/uitschreeuwt:....’ Zie: ‘Semiramis.’ In: Louis Couperus, Williswinde, Volledige Werken Louis Couperus, deel 2, p.41-63, citaat: p.42. |
| 33. | Zie Caroline de Westenholz, Een witte stad van weelde. Louis Couperus in Nice (1900-1910). (Couperus Cahier III). Den Haag, 1996, p.22. |
| 34. | ‘l’Apocalypse Mazdéenne’, oftewel die van Hystaspes: deze houdt in dat Rome een wereldrijk wordt en te gronde gaat. Zie Bidet/Cumont, Les Mages hellénisés, deel I, ‘Hystaspe’, p.215-223. |
| 35. | Heliodorus, Aethiopica (Theagenes et Charicleia), ed. G.H. Hirschig, in Erotici Scriptores. Parijs, 1936. Met dank aan dr. F. Naerebout, die mij – in een ander verband – op het bestaan van dit boek opmerkzaam maakte. Voor een moderne vertaling zie: Heliodorus, An Ethiopian Romance. Translated with introduction by Moses Hadas. Philadelphia, 1957. |
| 36. | Chefs d’oeuvre de la littérature grecque. Parijs, 1841, bevattende: Les romans grecs: les pastorales de longus ou Daphnis et Chloé (traduction d’Amyot; refondue par Paul-Louis Courier.), Les Ethiopiennes d’Héliodore ou Theagenes et Charicleia (traduction de Quenneville). Collectie van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Universiteitsbibliotheek van Leiden). Met dank aan dr. Anton van der Lem. |
| 37. | ‘Couperus kende geen grieks en kon latijn alleen lezen met een vertaling ernaast. Advies van deskundigen kon hem niet van zijn vooroordelen afbrengen...’ enzovoort. J.P. Guépin, ‘De oudheid van Louis Couperus.’ In: Hollands Maandblad 11 (1969), nr. 261-262, p.50-54. Citaat: p.54. |
(Uit: Arabesken 14 (2006), nr.27, p.30-41.)