Deel II | Deel III | Deel IV | Deel V | Deel VI

Heilig sensualisme in De berg van licht
Heliogabalus en de Vlam van de Lust

'De kosmische dans van Shiva.' Bronzen beeld van de Chola-dynastie uit Tanjore (Zuid-India), elfde eeuw. Collectie Nationaal Museum, New Dehli  

Volgens Maarten Klein is het androgynische ideaal van Heliogabalus, de jonge keizer uit De berg van licht, geïnspireerd op de religieuze ideeën van de Franse negentiende-eeuwse mysticus Joséphin Péladan. Maar er zijn genoeg aanwijzingen om te veronderstellen dat Couperus zijn licht vooral heeft opgestoken bij de oeroude godsdienst van de Hindoes: het shivaïsme.

Door Caroline de Westenholz

In Arabesken nr.15 (mei 2000) publiceerde Maarten Klein een artikel onder de titel ‘Couperus en androgynie’. [1] Voorheen en sindsdien hebben Klein en ik vele malen gesproken over dit onderwerp. Ik uitte mijn bewondering voor Kleins onderzoek maar heb door de jaren heen tevens mijn bezwaren geopperd. Couperus zou, aldus Klein, de godsdienst van Heliogabalus – en daarmee die van het oude Syrië zoals dat in De berg van licht herschapen is – voornamelijk hebben ontleend aan de theorieën van Joséphin (de Sâr) Péladan, een laat negentiende-eeuws mysticus die onder andere het boek l’Androgyne op zijn naam heeft staan. [2] Het leek mij echter, zo heb ik bij herhaling tegen Klein gezegd, veel waarschijnlijker dat Couperus zijn inspiratie putte uit bronnen die afkomstig zijn uit de godsdienst van het oude India. Via de theosofie, via het gnosticisme misschien – maar veel van Couperus’ ideeën en theorieën in de boeken die hij schreef in het begin van de vorige eeuw (ik denk ook aan Jahve en De zonen der zon) leken regelrecht afkomstig uit wat ik zo vaag wist van de kosmogonie van de Hindoes in oeroude geschriften als de Veda. De godsdienst van Heliogabalus, met zijn queeste van terugstreven naar de staat van androgyne middelaar, moest op meer zijn gebaseerd dan op de theorieën van een schrijver die zelfs in zijn eigen tijd niet altijd serieus genomen werd, zo argumenteerde ik. Maar iets bewijzen kon ik niet.
    In een gesprek met mijn vriendin Marcelle Hanselaar, een Nederlandse schilderes die sinds jaar en dag in Londen woont, schoot het mij plotseling te binnen dat zij misschien de juiste persoon was om raad te vragen. Marcelle is in de jaren zestig, zoals zoveel van haar generatiegenoten, op de bonnefooi naar India gelift. Gefascineerd door land en cultuur, is zij er zes jaar gebleven. Ze heeft Urdu geleerd en het boeddhisme ontdekt. Toen ze terugkwam in Europa is ze gaan wonen in een atelier in het pand van de Buddhist Society aan Eccleston Square, en heeft onbeperkt toegang tot de bibliotheek van deze vereniging. [3] Marcelle had De berg van licht gelezen, maar dat was lang geleden. Toen ik haar het centrale principe weer voor de geest riep – de aanbidding van een zwarte steen in combinatie met extatische dansen, en het terugstreven naar androgynie – riep zij echter onmiddellijk: dat gaat terug op de Shiva-cultus van het oude India. Zij gaf mij de titel van het boek dat ik lezen moest om meer van de materie te begrijpen: Alain Daniélou, Mythes et dieux de l’Inde. Le Polythéisme Hindou, uit 1975. [4] Ik zocht en vond het boek in de Tao-boekwinkel aan de Rue de l’Hôtel des Postes te Nice. Gaarne doe ik hierbij verslag van mijn bevindingen.

5
De vorm der Tweeslachtigheid
Waar gaat het ook weer om, in De berg van licht? De eredienst van Emessa kent – volgens Couperus – de volgende opdracht. Bassianus, de latere keizer Heliogabalus, heeft als Hogepriester van de Zon de opdracht om terug te streven tot het Sekseloze Licht. Dit kan hij alleen doen door zich eerst te incarneren als androgyne Middelaar tussen mens en godheid. Zo zegt opperpriester Hydaspes tegen zijn leerling:

– Ik zoû je wenschen strevende terug tot den Oorsprong, die sekseloos was.
– Voor HET...
– Schepping en Geboorte dacht, en beide seksen in zich borg...
– Maar om te bereiken den zielstoestand van het sekselooze Licht...?
– Moet de Uitverkoren Ziel eerst terug streven tot dien menschelijkeren vorm: de vorm der Tweeslachtigheid...
– Ik begrijp.
– Moet de Uitverkoren Ziel terug streven tot de androgynische ziel van de Man- Maagd.
– Ik begrijp...
– Zoó was onze eerste Vader...
– Adam...
– Adam-Heva...
– Ja, zoo was hij... toen hij woonde in het Paradijs aan den Eufraat.
– Adam-Heva was hij, onze Vader: Man-Maagd was hij, tweeslachtig en enkeldubbel... Maar zoo als het Licht, sekseloos, zich splitste in zich tot Man en tot Maagd, zoo splitste – o ondoorgrondelijk geheim des waaroms! – Adam-Heva, na een hevige smart over zijn wezen, zich tot twee: tot Adam, tot Heva...
– Tot Man en tot Maagd...
– Tot Man en tot Maagd... Voór hij zich splitste, in zijn droom van smart en onvruchtbaar verlangen – want het was hem niet gegeven zich te bevruchten, zoo als het Licht zichzelve bevrucht had – spilde hij iederen nacht de essens van zijn wezen, en op die verspilling stortten zich de demonische larven, die, demoniesch, ons altijd omringen, ons, nageslacht van den Man en de Maagd...
– Ik begrijp, ik begrijp, Hydaspes...
– Dus de Uitverkoren Ziel streeft terug tot den vorm der Tweeslachtigheid.
[5]

Het ritueel dat volgt op dit gesprek is echter minder verheven dan wat in dit gesprek wordt gesuggereerd.
    Tijdens de dans rond de zwarte steen ondergaat de Hogepriester van de Zon, de vertegenwoordiger van het Sekseloze Licht, een metamorfose. Op het ‘allerheiligst moment’ nam men aan ‘dat de erbarmende Ziel van de Zon zelve neêrdaalde en zich incarneerde in den Middelaar tot Man-Maagd’. [6] Dat moment heeft twee betekenissen: een esoterische voor de ingewijden, een exoterische, zinnelijke voor het algemene volk: ‘Wie de mysteriën kende, zwolg in extaze; wie niet meer dan zinnelijk was, voelde zijn zinnelijkheid opzwiepen tot een verlangen van razernij: mannen verlangden, vrouwen verlangden; kinderen strekten de handen uit naar het idool.’ [7]
    Wat hier gebeurt is dus allesbehalve ‘sekseloos’ – integendeel. Deze uiterste sensuele dans en het feit dat Bassianus daarin zou moeten ‘incarneren’ in een androgyne tussenvorm tussen mens en godheid zijn voor alle onderzoekers altijd een probleem

6
gebleven, niet in het minst vanwege het seksuele aspect. Laten we hier eens wat nader naar kijken.
    Klein heeft zoals gezegd het denkbeeld van de androgynie als ideaal uitsluitend kunnen vinden in de geschriften van de Franse schrijver en ‘magiër’ de Sâr Péladan, die zich zijn leven lang met dit onderwerp heeft beziggehouden. Klein noemt hem ‘de kampioen van de androgyne helden’. [8] De androgyn van de ‘Sâr’ is echter bepaald aseksueel. Klein citeert uit een verslag, door W. van Tricht, van een lezing door Péladan voor de Haagsche Kunstkring in 1892 over zijn ideaal: ‘Lichamelijk zingenot kan en mag bij den mensch van het Ideaal – of den artiest, wat voor hem hetzelfde is – niet bestaan.’ De kunstenaar moet zijn lustleven dus sublimeren in zijn werk, aldus de Sâr: ‘Andrugenê, dàt moet de artiest wezen, en als hij dat is, en onvermoeid streeft naar ’t Ideaal ‘alors, artiste, tu seras vraiment artiste, tu seras prêtre, tu seras mage, tu seras une émanation de Dieu lui-même.’ [9]
    Klein concludeert dat er geen antieke gnosis in de literatuur te vinden is waar het bewust terugstreven naar een androgyne Middelaar, zoals beschreven in De berg van licht, centraal staat. [10]

Een kunstenaar in zijn sensualisme
Er zijn twee dingen waar Klein mee in zijn maag blijft zitten met zijn bronverwijzing: het feit dat de Sâr in zijn theorieën alle lichamelijk zingenot verwerpt, terwijl Bassianus zo onbeschaamd zinnelijk is, en de reden voor de uiterst sensuele dans rond de zwarte steen in De berg van licht.
    De onverenigbaarheid van de passie voor het scheppen van de kunstenaar met de liefde voor een vrouw, met het dikwijls daaruit volgende steriele huwelijk, is een thema dat typisch is voor de late negentiende eeuw. Met name kunnen we denken aan Zola’s roman l’Oeuvre (1885), waarin de hoofdpersoon zich ophangt als hij heeft toegegeven aan de smeekbeden van zijn vrouw om weer de liefde met haar te bedrijven.
    Dit thema komt in allerlei varianten in veel van Couperus’ boeken voor, maar niet in De berg van licht. De jonge Bassianus is een kunstenaar in zijn sensualisme. Tijdens de tot in details beschreven extatische dans rond de zwarte steen in het begin van het boek staat expliciet hoe zijn lid ‘in streving gericht’ is. [11] Niet alleen worden seksualiteit en creativiteit hier regelrecht met elkaar in verband gebracht: in zijn opdracht om de incarnatie van de godheid, de androgyne man-maagd te worden, is zijn seksualiteit zelfs cruciaal. Vrouwen en mannen proeven van hem, zo wordt er letterlijk gezegd: ‘Magiërs zich buigende over zijn vrouwelijken mond: danseressen over zijn mannelijk lid...’ [12]
    Hoe belangrijk de dans rond de zwarte steen voor Couperus was blijkt wel uit het feit dat hij tegen André de Ridder zei dat hij aanvankelijk dacht een ‘novelle’ te zullen schrijven over dit ritueel, in plaats van een hele roman over het leven van Heliogabalus. [13]
    Waar komt deze merkwaardige, uiterst zinnelijke godsdienst nu vandaan? Couperus heeft in De berg van licht elementen uit een aantal oeroude religies met elkaar versmolten.

7
Het Sekseloze Licht als oerbron van alle bestaan is een gnostische opvatting. Popma is de eerste die hier aandacht aan heeft besteed. Hij heeft ook als eerste het verband tussen mystiek en zinnelijkheid in Couperus’ tekst naar voren gebracht. [14] Dit verband wordt niet nader uitgelegd.
    Bogaerts verwijst wat dit laatste aspect betreft naar een libertijnse stroming in de geschiedenis van de gnosis: die rond Basilides en Isodorus en de sekte der Carpocratianen. [15] Guépin corrigeert dit weer en noemt in plaats daarvan de Naässeners of de Valentianen. Een afdoende verklaring geven deze auteurs evenmin. [16]
    De androgyne Adam-Heva is in ieder geval afkomstig uit de gnosis en de Kabbala, bronnen die in De berg van licht overigens expliciet genoemd worden. [17] Dat er in het oude Emessa een zwarte steen werd vereerd – vermoedelijk een meteoriet – is een historisch gegeven. Hoe die godsdienst precies in elkaar zat is niet bekend. Lukkenaer en Das hebben in de antieke en eigentijdse historische bronnen slechts oppervlakkige beschrijvingen van de zonnegodsdienst aangetroffen. ‘Wel komen voor: de zwarte steen van de zonnegod Heliogabalus en de rituele dans daarbij van Bassianus.’ [18]
    De achtergrond van deze religie, het shivaïsme uit het alleroudste India, is te vinden in het eerdergenoemde werk van Alain Daniélou.

Shivaïsme
Het shivaïsme was de godsdienst van de prearische bevolking: de Dravidische stammen die in het zesde millennium voor Christus het schiereiland in bezit namen. Zij concentreerden zich vooral rond de vallei van de Indus. [19] Shiva is de god van creatie en vernietiging, van seks en erotiek, maar ook van moord en destructie. Zijn dier is de stier, zijn domein is het woud, zijn heilige berg is in Nysa. Hij bestrooit zich met as – want de dood genereert het leven – draagt een halssnoer van schedeltjes, zijn favoriete kleur is saffraangeel, de kleur van de rouw. Zijn symbool is de opgerichte steen. Shiva wordt namelijk vereerd in de vorm van een lingua, een vlam – symbool van de lust – of fallus, die moet worden opgericht op het altaar van een yoni, symbool voor het vrouwelijk orgaan. Deze fallus is bij voorkeur een natuurlijk gevonden voorbeeld of gehakt uit de rots van een berg. Hij moet met eerbied worden bekleed en omkranst.
    De bijbels van de Shiva-dienst zijn de Purâna’s. Zij dateren uit de prehistorie maar zijn omstreeks 500 voor Christus opgeschreven om de leer van de Veda’s te verduidelijken voor het gewone volk. De Veda’s zijn de oudste Indiase geschriften en bestaan uit Purâna’s, de historische boeken, de Agama’s (beschrijvingen van tradities) en de Tantra’s (riten van initiatie en magie).
    De intellectuele techniek van de Shiva-dienst is de yoga; de lichamelijke training is het tantrisme. Beheersing en concentratie van het lichaam door middel van yoga en tantristische (erotische) technieken leiden tot hereniging met de godheid. Dit is het doel van het menselijk bestaan.
    Essentieel in Shiva’s eredienst is namelijk de seksualiteit. In de seksuele vereniging van man en vrouw of liever gezegd in het orgasme (dat wil zeggen: het mannelijk orgasme) [20] wordt de dualiteit van het bestaan overwonnen en de oorspronkelijke eenheid van de Creatie bereikt. De seksuele extase in zijn opperste vorm is als een ervaring van het absolute, goddelijke licht, het licht van de Gnosis, zoals de Roemeense godsdiensthistoricus, Myrcia Eliade, het ook wel heeft genoemd. [21]
    Deze seksuele extase is als de staat van androgynie die aan het begin van alle zijn ten grondslag ligt. De oude Hindoes zagen het heelal namelijk als volgt. In de kosmologie van de Purâna’s heeft het universum geen substantie. Materie, leven en gedachten zijn

8
slechts vlietende verbindingen van energie, als ritme, beweging en seksuele attractie. [22] De oorspronkelijke staat van de kosmos was die van een latente staat van wording (Shiva), die in actie werd gebracht door de verbinding met scheppende energie (Shakti). De creatie begon met de verbinding tussen beide, in andere woorden: de vereniging van Shiva en Shakti is de eerste werkelijkheid. [23] De schepping wordt gesymboliseerd door Shiva in zijn aspect van de hermafrodiet (Ardhanarisvara). De aard van dit wezen is pure lust: ‘Wanneer Zijn en Bewustzijn zich verenigen, bestaat hun vereniging uit genot, en in dit genot ligt hun werkelijkheid. Hun gescheiden existentie is slechts fictie’, zegt een oude Indiase tekst. [24]
    Dit is de ware achtergrond van het begrip ‘Goddelijke Hermafrodiet’ (of androgyn, al naar gelang welke terminologie men verkiest), dat negentiende-eeuwse schrijvers – zoals onder andere de Sâr Péladan – zo heeft gefascineerd.
    De eredienst van Shiva wordt gevierd door middel van extatische dansen. Aansluitend bij de opvatting dat het universum slechts uit vlietende verbindingen bestaat, wordt een grote betekenis toegekend aan ritme, muziek en dans. Shiva is de god van dans en theater. Evenals Dionysos wordt hij omringd door een menigte extatisch dansende volgelingen. Er zijn verschillende soorten dansen: ritueel of symbolisch, extatisch, erotisch en theatraal. [25]

9
Shiva en Dionysos
De overeenkomsten tussen de goden Shiva en Dionysos zijn zo talrijk dat Alain Daniélou er een heel boek aan heeft gewijd: Shiva et Dionysos. La réligion de la nature et de l’éros. De la préhistoire à l’avenir (Parijs, 1979). Er werd in het bovenstaande reeds uit geciteerd. Het dionysisme is volgens Daniélou de occidentale vorm van het shivaïsme. [26] Ik geef, heel in het kort, een samenvatting van zijn argumentatie.
    Het zijn beide natuurgodsdiensten, verbonden met dood en regeneratie in de natuur. Zowel Shiva als Dionysos waren goden die de mysteriën van dood en voortplanting in zich verenigden; het waren allebei chtonische goden. De feesten van beide goden hadden plaats in de lente. Deze liggen ten grondslag aan het huidige Carnaval. [27] Shiva en Dionysos zijn allebei goden van extase en vervoering. Die extase wordt gezocht in mateloosheid, in seks (shivaïsme) en dronkenschap (dionysisme), en in beide gevallen wordt zij uitgeleefd in extatische dansen. In beide religies slaat de god meedogenloos toe, als zijn autoriteit wordt getart: ook in het shivaïsme bestaan talrijke mythen over de ‘manie’ van de god. [28] Beide goden kennen een leger van totaal toegewijde volgelingen, die hun idool vereren in bezeten rituelen van muziek, dans, en wilde orgieën. De volgelingen van Shiva werden ‘bakchai’ genoemd, die van Dionysos ‘bacchanten’. [29] Het zijn beide religies van geheime inwijdingsrituelen, met eigen technieken (yoga en tantra bij Shiva) en mysteriën (bij Dionysos). Doel van die rituelen is een mystieke eenwording met de godheid. Als zodanig vormen het shivaïsme en het dionysisme de basis voor alle geheime esoterische sekten door de eeuwen heen. [30]
    Zowel in het shivaïsme als in het dionysisme wordt de fallus vereerd. Interessant in dit verband is een bron die wordt geciteerd door Jean Réville in diens La réligion à Rome sous les Sévères uit 1886, een bron uit Couperus’ dagen: deze verwijst naar het boek De dea Syria van Lucianus van Samosate (circa 150 na Christus), een relaas over de historische zonnecultus van het niet ver van Emessa gelegen Hierapolis, waar Dionysos/ Bacchus op zijn terugtocht naar Griekenland twee uit India meegenomen fallussen zou hebben opgericht in de aan hem gewijde tempel. [31]
    Het dionysisme werd door de Grieken verklaard door Dionysos’ reis naar Indië; de herkomst ervan was in de oudheid dus al bekend. Tegelijkertijd spreken oude Indiase teksten over de verspreiding van het shivaïsme naar het Westen. [32] Dit laatste had al plaats in de zesde eeuw voor Christus. De symbolen van de Shiva-cultus: de versierde fallus, de gehoornde god, verering van stier, slang, ram en vrouw van de bergen zijn aangetroffen in het prehistorische Anatolië, Sumerië, Egypte en vooral op Kreta. [33]

10
Zelfs qua etymologische achtergrond zijn de goden verwant. Dionysos betekent: god van Nyzos (het mythische Nyza in Thracië). Shiva’s heilige berg lag in Nysa in India, niet ver van het huidige Peshawar. Daniélou citeert hoe de soldaten van Alexander de Grote ‘hun broeders in Dionysos omhelsden’ toen ze bij het (shivaïtisch) heiligdom van Nysa arriveerden. [34]
    Maar wat het allerbelangrijkste is: beide godsdiensten geven een essentie van heidens godsbegrip van voor de introductie van het zondebesef. Die essentie is: de ware wijsheid ligt in de lyrische overgave, in de dronkenschap van liefde en extase. Deze maakt directe, mystieke communicatie tussen natuur en godheid mogelijk – een ervaring die buiten en boven de rationele verstandelijke analyse ligt. [35]

Terug naar Couperus
Het lijkt mij zonneklaar dat Louis Couperus op de hoogte was van de overeenkomsten tussen de goden Shiva en Dionysos, en daarmee van de religie van het shivaïsme.
    Het concept ‘androgynie’ komt reeds aan de orde in de roman Dionyzos en wel in de persoon van Hermafroditos, de zoon van Hermes en Afrodite en een dubbelgeslachtelijk wezen. In een vermoeden van zijn eigen natuur zegt deze: ‘En toch bruischte mij stormwind eens toe, dat Oorsprong van goden en hemelen en aarde en menschen niet anders was dan ik, knaap en maagd beide.’ [36] Een regelrechte verwijzing naar de schepping uit het shivaïsme zoals boven beschreven. De androgyne natuur van de god Dionysos in de gelijknamige roman en die van Bassianus in De berg van licht zijn elders reeds uitvoerig behandeld. [37]
    De zwarte steen in De berg van licht is een ‘fallussymbool van Helegabalus’. [38] Elders wordt gesproken van ‘het fallus-symbool, den Steen, van het groote Symbool, de Zon.’ [39] De opgerichte fallus kan met de zon, de allesbevruchtende warmte, geïdentificeerd worden in zijn functie van levensgenerend principe: de vlam van de lust. Dit is geheel in overeenstemming met het shivaïsme. Bovendien zou de steen, vermoedelijk een meteoriet, uit het heelal afkomstig zijn.
    De dans rond de zwarte steen is ook afkomstig uit het shivaïsme. Wat er namelijk gebeurt, tijdens die dans, is precies wat de bhaktas uit het gevolg van Shiva – of de Bacchanten van Dionysos – meemaakten: ekstasis, een buiten zichzelf treden; enthousiasmos, vervuld worden van de god en thiasos, het eenworden met de god. [40]
    In de extatische dansen die met de Shiva-dienst verbonden waren is het zo verwoord: de deelnemers raakten buiten zichzelf, traden in contact met de godheid en ontvingen een ‘wijsheidsboodschap’. [41] Iets dergelijks gebeurt met Bassianus: ‘... en in de goudene kussens zonk de Middelaar achterover en symbolizeerde zijn lichaam er het Altaar van Ontferming. De jubelende dans der deernen en de juichende hymne der Magiërs vierden de Blijdschap der Aarde, haar verlossing en dankbare extaze...’ [42] In shivaïetische termen zou men kunnen zeggen dat Bassianus’ lichaam op dat moment de conceptie van het Al symboliseert – op verschillende, dat wil zeggen exoterische en esoterische niveaus. Dit is de verklaring voor het grenzeloze, maar toch ‘heilige’ sensualisme van het hoofdpersonage in De berg van licht.

Couperus’ bronnen
De vraag is natuurlijk: hoe zou Couperus dit allemaal hebben moeten weten?
    Hij zal allereerst op het pad zijn gebracht door zijn leermeester Jan ten Brink. Deze onderwees Couperus volgens eigen zeggen in de Oosterse letterkunde: ‘Ik deed mijn best hem den samenhang der voornaamste Europeesche litteratuur in het oog te doen

11
vallen, hem te wijzen op de classieke letteren der oudheid en het nauw verband van Grieksche en Oostersche (Indische, Syrische, Perzische, soms ook Hebreeuwsche en Arabische) Letteren. Aan deze studie wijdde Couperus zich met hart en ziel...’  [43] Als bron voor dit onderwijs kunnen we hierbij bijvoorbeeld denken aan boeken als dat van Dr. W. Doorenbos, Geschiedenis der letterkunde (Arnhem/Roeselare, 1869), dat begint met een overzicht van de oude Indische letteren. Het vertelt hoe de Veda’s voor het eerst in Europa zijn bekendgeworden door de vertaling van Max Müller (1849-1854). [44]
    Als tweede invloed is daar natuurlijk de gnosis, die Couperus moet hebben leren kennen via de theosofie. Zelf zei hij in een interview met André de Ridder in 1917 dat hij tussen zijn twintigste en zijn dertigste veel nadacht, onder andere over spiritisme en theosofie. [45] Het is genoegzaam bekend dat Couperus in zijn jonge jaren zeer geïnteresseerd was in deze ‘wijsheids-godsdienst’. Bastet beschrijft het uitgebreid in zijn biografie. [46]
    Maar wat hierbij nooit vermeld wordt is de bron waarop de theosofie op haar beurt is gebaseerd: het oude Hindoeïsme.
    Wat schrijft mevrouw Blavatsky, de stichtster van de theosofische beweging, immers zelf over de aard en oorsprong van de door haar gestichte beweging: ‘De bewijzen voor deze volkomen gelijkheid in de fundamenteele leer der oude godsdiensten worden gevonden in het algemeen voorkomen van een stelsel van inwijding, in de geheime priesterkasten die de mystieke machtwoorden onder hun bewaring hadden, en in het openlijk ten toon spreiden van een phenomeenale beheersching over de natuurkrachten (...). Wij hebben gezien dat dit het geval was bij de Eleusinische en Bacchische mysteriën, onder de Chaldeesche magi en de Egyptische hierofanten, terwijl dezelfde regel sinds onheugelijke tijden had gegolden bij de Hindoes, aan wie zij alle waren ontleend.’ [47]
    Vanaf de jaren 1840 werd de Indiase literatuur op grote schaal voor het Westen ontsloten. Tussen 1840 en 1910 publiceerde Oxford University Press de serie The sacred books of the East. [48] Een gedeelte van de Purana’s was tussen 1840 en 1850 al in het Frans gepubliceerd, in de vertaling van Eugène Burnouf. [49] De ontsluiting van de Veda’s en andere geschriften van de godsdienst van het alleroudste India in de loop van de negentiende eeuw lag ten grondslag aan de oprichting van de theosofische beweging. Het kan haast niet anders dan dat Louis Couperus hiervan uitstekend op de hoogte is geweest.

l’Agonie
Het doorslaggevende argument voor de stelling dat Couperus veel wist van het oude Hindoeïsme is echter te vinden in de vaak geciteerde, maar weinig gelezen roman van Jean Lombard, l’Agonie, die ook het leven van Heliogabalus tot onderwerp heeft.
    Guépin suggereerde in 1969 al dat een studie van de bronnen van Couperus voor De berg van licht zich eerst eens zou moeten bezighouden met de bronnen van Lombard. [50] Het is de moeite waard de Franse roman eens te bekijken in het kader van de boven voorgestelde visie.
    Het grote verschil met de roman van Couperus is dat l’Agonie meer handelt over de entourage van Heliogabalus dan over de keizer zelf. De overeenkomst is dat we bij Lombard eveneens een aantal elementen uit de boven beschreven Indiase mythologie terugvinden. En evenals in De berg van licht staat in l’Agonie het thema van het terugstreven naar androgynie centraal.
    Attilius, een homoseksueel Romeins volgeling van Heliogabalus, legt in l’Agonie de cultus van de zwarte steen als volgt uit: ‘In het Allereerste begin bevruchtte het unisek-

12
suele leven zichzelf en plantte zichzelf voort; sinds de scheiding van de seksen vond de wereld geen Geluk meer; evenzo bestond de Perfectie uit het opgaan van de generatieve kracht in het Ene. Dit was de ware betekenis van het symbool van de Zwarte Steen.’ [51] Dit is een variant op de Indiase kosmogonie, maar de symboliek van de zwarte steen is in principe juist getroffen: die staat voor de vlam van de lust, voor het moment van de seksuele extase dat de Schepping symboliseert.
    De androgyn definieert Lombard als volgt: ‘De ANDROGYN, het wezen dat aan zichzelf genoeg heeft omdat het de beide seksen herenigt en de eenheid van het Leven tot stand zou brengen waar de dualiteit ervan zich manifesteerde.’ [52] De goddelijke opdracht van Heliogabalus is bij Lombard het doen herleven van de schepping: ‘...Antoninus Heleogabalus die, androgyn als de Eerste Kracht, zijn lichaam moest geven aan allen, mannen en vrouwen, voor het duistere en onverklaarbare mysterie van de schepping...’ [53] Het staat er letterlijk.
    Bij Lombard wordt androgynie echter vooral vertaald als homoseksualiteit, een visie die rond 1900 meer voorkwam; zulks vermoedelijk ten gevolge van de opvatting van Edward Carpenter, die meende dat de homoseksueel mannelijke en vrouwelijke eigenschappen combineerde, zo de scheiding tussen de seksen oversteeg en een soort superieur wezen geworden was: een ‘androgyn’. [54] Attilius ziet zijn dispositie als een heilige opdracht: ‘En hij volhardde in zijn visie van mannelijke toenadering, die, op wereldse wijze herhaald, zou moeten uitkomen in de schepping van een mensheid die beide seksen in een individu verenigde, als de Androgyn uit oosterse mythen.’ [55] Lombard duidde dus zelf de herkomst van de theorie aan.
    Guépin verwees in dit verband naar het hoofdstuk over goddelijke hermafrodieten in Helena Blavatsky’s The secret doctrine. [56] Dit kan een verklaring zijn van het gebruik van de naam Adam-Heva door Louis Couperus, maar het genoemde boek kan Jean Lombard onmogelijk tot voorbeeld hebben gediend aangezien het verscheen in hetzelfde jaar als l’Agonie, en in het Engels. [57] Isis unveiled dateert weliswaar uit 1877, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat een autodidact als Jean Lombard dit tamelijk duistere Engelse boek zou hebben gelezen. Het werd niet in het Frans vertaald, althans niet in de tijd dat Lombard zich met het onderwerp bezighield. [58] Lombards bron was dus ongetwijfeld: een boek over Indiase mythologie. Misschien was het wel dezelfde bron die Louis Couperus heeft geconsulteerd. Beide schrijvers schreven hun romans immers aan de Côte d’Azur. [59] (Wordt vervolgd.)

Caroline de Westenholz bereidt momenteel een studie voor over de tien jaren die Louis Couperus te Nice heeft doorgebracht, en de boeken die hij er heeft geschreven (van Babel tot en met Antiek toerisme)

Noten
1. In uitgebreidere vorm ook te vinden in Maarten Klein, Noodlot en wederkeer. De betekenis van de filosofie in het werk van Louis Couperus. Maastricht, 2000, p.157-162.
2. Deze mogelijkheid was overigens ook al geopperd door W.J. Lukkenaer, De omrankte staf. Couperus’ antieke werk deel 1: van Dionysos t/m Herakles. Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden, 1989, p.44.
3. Website Marcelle Hanselaar: www.marcellehanselaar.com
4. Hier gebruikt: Alain Daniélou, Mythes et dieux de l’Inde. Le Polythéisme Hindou. Parijs, 1992 (eerste druk: 1975).
5. Louis Couperus, De berg van licht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 24, p.29-30.
6. Idem, p.40-41.

13
7. Idem, p.61.
8. Maarten Klein, Noodlot en wederkeer, p.159.
9. Idem, p.161-162.
10. Idem, p.173.
11. Louis Couperus, De berg van licht, p.68.
12. Idem, p.69.
13. ‘Ik wilde in den beginne alleen den dans van den jongen keizer Helegabalus beschrijven, ’t moest een novelle van 20, 30 bladzijden worden...’ André de Ridder, Bij Louis Couperus. Amsterdam, 1917, p.43.
14. ‘Explosies van erotiek, ook en zelfs bij voorkeur de tegennatuurlijke, worden dienstbaar geacht aan het proces van de terugstreving naar het Licht.’ K.J. Popma, Beschouwingen over het werk van Louis Couperus (1863-1923). Amsterdam, 1968, p.161.
15. Theo Bogaerts, De antieke wereld van Louis Couperus. Amsterdam, 1969, p.81.
16. J.P. Guépin, ‘De oudheid van Louis Couperus.’ In: Hollands Maandblad 11 (1969), nr.261-262, p.50-54; herdrukt in De tweede wet van Guépin. Amsterdam, 1974, p.85-94. Zijn verwijzing naar Blavatsky’s boek uit 1893 (hij bedoelt: H.P. Blavatsky, The secret doctrine. Londen, 1888, deel II) komt in de laatste paragraaf van dit artikel aan bod.
17. Bijvoorbeeld: ‘....geheimzinnig vol occult geheim van door de Magiërs verborgen Kabbalisme...’; ‘... het Opperwezen van onze Gnosis...’; ‘...de hem nog maar even ontsluierde wijsheden der Gnosis en der Kabbala.’ Louis Couperus, De berg van licht, respectievelijk p.23, 77 en 79.
18. Elly Das en Pim Lukkenaer, ‘Bronnen van “De Berg van Licht.”’ In: Hermeneus 61 (1989), nr. 4 (oktober), p.242-248.
19. Het hierna volgende naar Alain Daniélou, Mythes et dieux de l’Inde. Le Polythéisme Hindou, p.289-358, en Alain Daniélou, Shiva et Dionysos. La réligion de la nature et de l’éros. De la préhistoire à l’avenir. Parijs, 1979.
20. ‘Pour que la création puisse avoir lieu, l’union d’un être qui perçoit et d’une chose perçue, d’un être qui jouit et d’une chose dont on jouit, d’un principe actif et d’un principe passif, d’un organe male et d’une organe femelle est indispensable.’ Alain Daniélou, Mythes et dieux de l’Inde, p.346. Voer voor feministen!
21. Myrcia Eliade, Méphistopheles et l’androgyne. Parijs, 1962, p.46 en 49; naar Alain Daniélou, Shiva et Dionysos, p.199.
22. ‘D’après la cosmologie hindou, l’univers n’a pas de substance. La matière, la vie, la pensée ne sont que de des rélations énergétiques, que rhythme, mouvement et attraction mutuelle’. Alain Daniélou, Shiva et Dionysos, p.73.
23. Alain Daniélou, Mythes et dieux de l’Inde, p.311-313.
24. ‘Quand l’Existence et la Conscience s’unissent, leur union est une volupté, et c’est dans cette volupté que reside leur réalité. Leur existence separée n’est qu’une fiction.’ Idem, p.312.
25. Alain Daniélou, Shiva et Dionysos, p.249-254.
26. Idem, p.20.
27. Idem, p.20, 47, 52, 90 en 94.
28. Idem, p.20-21, 47, 63 en 66.
29. Idem, p.21, 129 en 189-190.
30. Idem, p.23; Alain Daniélou, Mythes et dieux de l’Inde, p.290.
31. Jean Réville, La réligion à Rome sous les Sévères. Parijs, 1886, p.71. P. Valkhoff, ‘Ontmoetingen tussen Nederland en Frankrijk.’ In: De Gids 1936 (I), p.357-372; herdrukt in P. Valkhoff, Ontmoetingen tussen Nederland en Frankrijk. Den Haag, 1943, wees reeds op deze bron. Lucianus van Samothace (115-190).
32. Alain Daniélou, Shiva et Dionysos, p.41-49.
33. Idem, p.30 en 44-45.
34. Idem, p. 48 en 170-171. Shiva gezeten op een berg: p.323.
35. Idem, p.22-23. Zie ook: H. Jeanmaire, Dionysos, histoire du culte de Bacchus. Parijs, 1951, p.423.

14
36. Louis Couperus, Dionyzos, Volledige Werken Louis Couperus, deel 23, p.22-23.
37. O.a. door Popma, Beschouwingen over het werk van Louis Couperus (1863-1923), Bogaerts, De antieke wereld van Louis Couperus, Bastet, Louis Couperus, een biografie, Lukkenaer, De omrankte staf en Klein, Noodlot en wederkeer. Zie over het androgyne aspect van de god Dionysos ook Alain Daniélou, Shiva et Dionysos, p.82-83.
38. Louis Couperus, De berg van licht, p.23.
39. Idem, p.31. Ook: ‘de Zwarte Steen, immense fallus van git...’, p.56.
40. Eric M. Moorman en Wilfried Uitterhoeve, Van Achilleus tot Zeus. Thema’s uit de klassieke mythologie in literatuur, muziek, beeldende kunst en theater. Nijmegen, 1995, p.90.
41. ‘C’est par la danse extatique et sacrée que les fidèles du dieu, les bhaktas, ou bacchants, prennent contact avec lui [c.q. Shiva, CdW] et reçoivent le message de la Sagesse.’ Alain Daniélou, Shiva et Dionysos, p.66. Zie ook p.129-133.
42. Louis Couperus, De berg van licht, p.69.
43. Bastet, Louis Couperus. Een biografie, p.93, en F.L. Bastet, Een zuil in de mist. Van en over Louis Couperus. Amsterdam, 1980, p.16-17: Ten Brink zei dit in Het Boek in 1900, oktober 1900, p.10 e.v.; zie ook zijn Geschiedenis der Noord Nederlandse letteren in de XIXde eeuw (verzorgd en bijgewerkt door Taco H. de Beer), 1904, deel III, p.351 e.v.
44. W. Doorenbos, Geschiedenis der letterkunde. Arnhem/Roeselare, 1869, p.3-4.
45. De Ridder, Bij Louis Couperus, p.22.
46. Bastet, Louis Couperus. Een biografie, p.37-43.
47. H.P. Blavatsky, Isis unveiled. New York, 1877 en Isis Ontsluierd. Een sleutel op de mysteriën van de oude en de hedendaagsche wetenschap en godgeleerdheid. Vertaald door J.D. van Ketwich Verschuur. Den Haag, 1911, in twee delen; citaat: deel II, p.118.
48. Deze bevat teksten over hindoeïsme, boeddhisme, taoïsme, confucianisme, zoroastrianisme, jainisme en de islam. Zie website www.sacred-texts.com/sbe.
49. Dit betreft: Bhâgavata Purana, de eerste van de achttien Purana’s. Eugène Burnouf (vertaling en redactie), (Le) Bhâgavata Purâna. Parijs, 1840-1847, in drie delen; en Eugène Burnouf (vertaling en redactie), (Le) Bhâgavata Purâna ou histoire poétique de Krichna. Parijs, 1840-1898, onuitgegeven manuscript, maar herdrukt in 1981.
50. J.P. Guépin, ‘De oudheid van Louis Couperus.’ Voor zover mij bekend heeft tot nog toe niemand dit ooit gedaan. Mocht ik mij hierin vergissen dan hoor ik dat graag.
51. ‘Au commencement de Tout, la Vie unisexuelle engendrait et enfantait d’elle-même; le monde était en impuissance de Bonheur depuis la séparation des sexes; aussi, la Perfection consistait-elle à fondre la force generatrice dans l’Unité. C’était la signification vraie du Symbole de la Pierre-Noire...’ Jean Lombard, l’Agonie. Met een voorwoord van Octave Mirbeau. Parijs, 1902 (eerste druk 1888), p.14. Vertaling CdW. De roman is nooit in het Nederlands vertaald.
52. ‘l’ANDROGYNE, l’être qui se suffit a lui-meme parce qu’il referme les deux sexes, et établirait l’unite de la Vie là où sa dualité s’étalait.’ Jean Lombard, l’Agonie, p.22.
53. ‘...Antoninus Elagabalus qui, androgyne comme la Force Première, devait donner son corps a tous, mâles et femelles, pour le ténébreux et inexpliqué mystère de la création…’ Idem, p.140.
54. Zie Martijn Icks, De weifelende sekse. Opvattingen rond homoseksualiteit rond 1900 en het werk van Louis Couperus. Catalogus tentoonstelling Louis Couperus Museum 20 november 2003 – 2 mei 2004. De vermeende superioriteit van deze en andere ‘androgynen’ gaat op zich ook terug op het oude shivaïsme: ‘L’Androgyne, l’homosexuel, le travesti ont une valeur de symbole et on les considère comme des êtres priviligées, images de l’ Ardhanahisvara.’ Alain Daniélou, Shiva et Dionysos, p.83.
55. ‘Et il s’obstinait à agrandir alors sa vision du rapprochement mâle, qui, séculairement répeté, aboutirait à la création d’une humanité réunissant les deux sexes en l’individu, devenue l’Androgyne des mythes orientaux.’ Jean Lombard, l’Agonie, p.162.

15
56. H.P. Blavatsky, The secret doctrine. Zie J.P. Guépin, ‘De oudheid van Louis Couperus.’
57. The secret doctrine verscheen elf jaar na publicatie in Franse vertaling: La doctrine sécrète, synthèse de la science, de la réligion et de la philosophie. Parijs, 1899.
58. Tussen 1887 en 1890 circuleerden er drie theosofische tijdschriften in Parijs: Le Lotus, revue des hautes études théosophiques (1887-1889); Revue théosophique (1889-1890) en Le lotus bleu (1890-1891). l’Agonie werd zoals bekend gepubliceerd in 1888.
59. Volgens Valkhoff (‘Ontmoetingen tussen Nederland en Frankrijk’, p.246) woonde Jean Lombard tot 1889 in Marseille.

(Uit: Arabesken 12 (2004), nr.23, p.4-15.)

Deel II | Deel III | Deel IV | Deel V | Deel VI