Contemporaine reacties op de poëzie van Louis Couperus
‘Verrassend schoone,
betooverende taalmuziek’
![]() |
Voor de literatuurminnaar uit het voorlaatste decennium van de negentiende eeuw was Couperus in de eerste plaats een dichter. Ondanks zijn relatieve onbekendheid kregen zijn dichtbundels toch redelijk wat aandacht van recensenten. Hoe keken zijn tijdgenoten eigenlijk aan tegen de poëzie van de jonge, nog onbekende Louis Couperus?
Door Menno Voskuil
Wie tegenwoordig aan Louis Couperus denkt, ziet onmiddellijk het deftige Den Haag van het fin de siècle voor zich, of het oude Rome van keizer Heliogabalus, of de mondaine stad Nice. Slechts weinigen zullen bij de naam van Couperus denken aan dichtregels als ‘Op zee in schomlend schuitjen, / Zoo rank gelijk een zwaan’ of ‘Hoe zij stoeijen, dartlen, kruipen, / Over ’t sneeuwen halsjen sluipen!’ En dat terwijl Couperus wel met dergelijke regels zijn debuut in de Nederlandse letteren maakte.23
op welwillende toon. Hij prees de auteur om zijn virtuoze taalgevoel, maar tekende
tegelijkertijd aan: ‘Uit zijn eigen glas drinkt Couperus nog wel niet.’
Van Hall zag duidelijk de invloeden van grootheden als P.C. Hooft, Vondel, Heinrich
Heine en Potgieter. Couperus ging echter ‘met zooveel gratie, met zulk een hoffelijken
zwier’ om met het geleende, dat het gebrek aan eigenheid hem meteen vergeven werd.
De recensent liet het zelfs niet na te spreken van ‘verrassend schoone, betooverende
taalmuziek’.
Toch voorzag Van Hall zijn lovende artikel ook van een kritische noot. De zo
teer aandoende gedichten van Couperus zouden regelmatig tegen het gekunstelde
aanleunen, waardoor teerheid in weekheid overging, en gevoel in sentimentaliteit.
Couperus kreeg deze overpeinzing mee als waarschuwing, want Van Hall zag veel in
deze jonge dichter.
‘Een grooter toekomst’
Ook M.G.L. van Loghem oordeelde positief over Een lent van vaerzen. Onder het
pseudoniem Scaramouche schreef hij in juli 1884 in het weekblad De Amsterdammer [2]
dat in de poëzie van Louis Couperus ‘de gedachte wijkt, zoodra zij begint te werken,
maar zij heeft voor het oogenblik een onbegrijpelijke intensiteit; zij spat uiteen als de
zeepbel, maar evenaart deze in kleurige pracht’.
In hetzelfde weekblad verscheen in november 1884 een meer kritische, tweedelige
bespreking van de hand van J.A. Alberdingk Thijm over Een Lent van Vaerzen. [3] Alberdingk
Thijm stelde in deze uitgebreide recensie voornamelijk de woordkeuze van Louis
Couperus aan de orde: ‘In ’t geheel heeft de stoutheid van ’s dichters woordgebruik iets
aantreklijks. Moed kan echter wel in overmoed ontaarden; en gewaagde zijn niet altijd
naauwkeurig gewogen vormen. Wat zijn “zwijmlend-zwoele” geuren?’
Net als Van Hall heeft Alberdingk Thijm lovende woorden over voor de mooie uitgave
van Beijers, ofschoon hij de illustratie op het omslag, riet en waterbloemen, niet echt
van toepassing op de inhoud van de bundel vindt. De recensie eindigt met de haast
profetische woorden: ‘Voor zijn vak is er, naar mijne bescheiden meening, voor den Heer
Couperus nog veel te leeren van Copée en Hélène Swarth. (…) maar misschien heeft de
Heer Couperus grooter toekomst.’
Lint of Lente?
Onder het motto ‘Beter laat dan nooit’ besprak H. Burger in het tijdschrift De
Portefeuille [4] de debuutbundel van Couperus, ruim een jaar na verschijnen. In de eerste
alinea vroeg deze recensent zich af wat de dichter nu eigenlijk bedoelde met het
woord ‘Lent’ uit de titel, lint of lente? Hij kwam, dankzij enkele regels uit het gedicht
‘Rijnstroom’ van Vondel, tot de conclusie dat het hier om een lint moest gaan.
Burger wees in zijn recensie allereerst op de punten waar de debuterende dichter
zijns inziens de fout in ging: de overdaad aan verkleinwoordjes, het verouderde
taalgebruik, de opgesmuktheid en de gekunsteldheid van de verzen. ‘Zelfs de
welwillendste lezer heeft van al die zwijmel-zwoele teederheid spoedig genoeg.’
De zoetheid van Couperus’ gedichten stoorde Burger het meest: ‘Dat gekunstelde,
die overzoetheid, zij wijzen op iets verwijfds.’ Hij ging zelfs zo ver in zijn artikel te stellen
dat het hier om iets pathologisch zou gaan: niet alleen een ziekelijk taalgebruik, maar
juist iets ziekelijks ‘dat zich ook terugvindt in de gedachten, die ons in deze gedichten
worden medegedeeld’.
24
Toch zag Burger, net als zijn voorganger Van Hall, wel degelijk iets in het dichterschap
van Couperus. Niet voor niets wijdde hij immers zovele maanden na verschijnen toch nog
een stuk aan Een Lent van Vaerzen. De lichtpuntjes, gevormd door slechts een handjevol
gedichten, boden hoop voor de toekomst. Burger eindigde zijn recensie dan ook met de
woorden: ‘Met verlangen zien alle konstminners een nieuwen bundel van den dichter te
gemoet’.
Een sterk oostersch parfum
In 1886 verscheen Orchideeën bij uitgever A. Rössing te Amsterdam. Hierin werden vele
al eerder gepubliceerde gedichten gebundeld, waaronder ook Couperus’ debuutvers
‘Erinnering’, oorspronkelijk in juli 1883 verschenen in het tijdschrift Nederland. Ook
enkele prozaschetsen werden opgenomen, zoals het zich in Florence afspelende ‘Een
middag bij Vespaziano’.
J.N. van Hall recenseerde Orchideeën in een, wederom anoniem verschenen, artikel
in De Gids uit 1887. [5] In een gecombineerde bespreking met
Nosca van H. Cosman,
eveneens verschenen bij uitgever A. Rössing, liet Van Hall zijn waardering blijken voor
de poëzie van Couperus. Weliswaar meende hij nog steeds dat Couperus’ manier iets
zoetelijks en iets gekunstelds had, en dat zijn gedichten de lezer niet diep zouden
raken, maar ‘zijt ge in een stemming om een zinnenbekorend zuidelijk landschap, vol
kleuren en zangen en geuren, te genieten (…), ziet ge niet op tegen de bedwelming
van een sterk oostersch parfum, neem dan de bundel Orchideeën ter hand’. Van Hall
schroomde ook niet te wijzen op het feit dat veel gedichten uit Couperus’ nieuwe bundel
hun voorpublicatie beleefden in De Gids, waaronder het lange gedicht De Gravinne van
Salisbury, dat de recensent prefereerde boven alle andere verzen uit Orchideeën.
Uit een geheel ander vaatje tapte collega-dichter Willem Kloos, toch al geen groot
liefhebber van Couperus’ poëzie. [6] In een anoniem gepubliceerd stuk in de tweede
aflevering van De Nieuwe Gids uit 1887 [7] geeft Kloos zijn niet mis te verstane mening
over Couperus’ werk en persoon. ‘Ik wilde wel iets van Louis Couperus zeggen, nu de
menschen beweren dat hij zoo artistiek is.’
De Nieuwe Gids was enkele jaren eerder opgericht door de jonge Beweging van
Tachtig, waar Van Eeden, Kloos en Verwey deel van uitmaakten. Zij konden zich niet
vinden in de bestaande literatuur uit die tijd. Vooral De Gids, het literaire tijdschrift dat
al sinds 1837 verscheen, moest het ontgelden: in de ogen van de Tachtigers werd hierin
voornamelijk burgerlijke domineespoëzie gepubliceerd. Louis Couperus werd door hen
dan ook beschouwd als een typische Gids-auteur.
Kloos vond in de eerste plaats Couperus’ poëzie ‘om helsch te worden.’ De
gedichten uit Orchideeën voldeden geenszins aan de poëtica die in De Nieuwe Gids werd
gepropageerd. In Kloos’ ogen waren verzen als ‘Chloë’ en ‘De Moorsche Koopman’
niets meer dan een betekenisloze weelderigheid van taal, precies datgene waar hij
en zijn literaire vrienden van De Nieuwe Gids zo tegen streden.‘Couperus zingt niet
voluit’, zo meende hij, ‘(…) hij tracht niet weêr te geven, nauwkeurig, datgene wat hij in
zichzelven verneemt, – hij zet klanken naast elkander als aardigheidjes tot een streeling
des gehoors, hij speelt bouwdoosje met de taal, hij coquetteert met ons mooi open,
Hollandsch geluid. Dat noem ik ónartistiek zijn.’
In de tweede plaats had Kloos een krachtige mening over de mens Couperus. Hij
omschreef de auteur als ‘zich bewegend in een fantasiewereld van affectatie en onwaarheid
en flauwigheid, zich suikeren tempeltjes bouwend met goud papier beplakt, rococo-
25
sentimentjes uitkirrend met een stemmetje van
was, zich verkneuterend kortom in de bonte en
zoetige banaliteit van een modisten-ideaal.’
Kloos vond het merkwaardig om te zien
dat bij Couperus dichter en mens in een
noodlottige wisselwerking met elkaar staan.
Het zoete en weke in Couperus’ poëzie zou
een zekere, negatieve uitwerking op zijn
persoon hebben, en omgekeerd versterkte
het affectieve karakter van de dichter het
krachteloze en onbeduidende taalgebruik.
Toch kon één vers in de ogen van Kloos
genade vinden, ‘Santa Chiara’, oorspronkelijk
gepubliceerd in De Gids 47 uit 1883. In
datzelfde jaar had Albert Verwey onder het
pseudoniem Homunculus in De Amsterdammer [8]
al geschreven over dit gedicht. Toen deze
‘Santa Chiara’ las, meende hij dat het tijdschrift
nu eindelijk eens iets van kwaliteit de wereld
in had gestuurd, en een auteur had ontdekt die
een belofte inhield. ‘Helaas, het heeft niet zoo
mogen zijn! Laten wij hopen op de toekomst.’
Een aantal jaar later besteedde ook de
letterkundige J. van den Oude (pseudoniem van
Carel van Nievelt) in een recensie [9] aandacht
aan Orchideeën. In 1895 verscheen zowel de tweede druk van deze bundel als
Het Lied
van Schijn en Wezen van Frederik van Eeden. Van den Oude vergeleek beide bundels in
een stuk dat later werd opgenomen in zijn Litterarische Interludiën uit 1899.
Vooral het on-Nederlandse karakter van Orchideeën viel Van den Oude op: ‘Alles
is kleurig, fijn en fraai - maar alles is uit den vreemde, niets van ons noordsche,
Hollandsche eigen.’ De recensent bewonderde de woordkeus en beeldspraak die
Couperus hanteerde, maar zag in de weelderigheid van de taal tegelijkertijd een zwakte.
Daar waar de lezer Het Lied van Schijn en Wezen dikwijls opzij moest leggen om
over de tekst na te denken, werd hij volgens Van den Oude gedwongen Orchideeën met
onderbrekingen te lezen om bij te komen van de overdaad aan taalweelde. Net als de
andere critici verweet hij Couperus de gekunsteldheid van zijn gedichten.
Vroege Verzen
Na Orchideeën publiceerde Couperus in 1889 zijn eerste roman, Eline Vere. Het schrijven
van proza bleek hem beter te liggen dan het schrijven van poëzie. Zijn aspiraties als
dichter werden aan de kant gezet en Couperus legde zich toe op het vervaardigen van
een reeks zeer indrukwekkende romans, feuilletons en verhalen.
Toch zou nog eenmaal een bundel poëzie het licht zien. De Amsterdamse uitgever
L.J. Veen verwierf in 1892 het recht op uitgave van zowel Een Lent van Vaerzen als
Orchideeën. Toen Veen een herdruk van Couperus’ debuuutbundel voorbereidde, kwam
de auteur met een voorstel: ‘Zoo U pleizier heeft in mijne poëzie, zoû ik U nog een
aardigen bundel kunnen formeeren: wat zoû U hiervan denken?’
26
Couperus had het plan een aantal eerder gepubliceerde
gedichten te bundelen onder de titel Vroege Verzen. [10] Uitgever
Veen zag echter aanvankelijk weinig in dit idee. Pas in 1895,
toen bij Veen de herdruk verscheen van Orchideeën, vond het
plan een bundel met vroege verzen uit te geven toch doorgang.
De titel werd echter veranderd in Williswinde.
De pers besteedde weinig aandacht aan deze bundel. Twee
verschillende redenen zijn hiervoor aan te wijzen. Enerzijds eiste
de in hetzelfde jaar verschenen roman Wereldvrede alle aandacht
op. Grote namen als Lodewijk van Deyssel en Frans Netscher
schreven uitgebreide artikelen over deze roman. Anderzijds gaf
Williswinde weinig aanleiding tot nieuwe reflecties over Couperus
als dichter. De in deze bundel opgenomen gedichten waren
niet erg recent en lieten derhalve weinig tot geen ontwikkeling
zien. Eigenlijk was alles wat er te zeggen viel over zijn poëzie al
gezegd: gekunsteld, weelderig en overzoet, maar geschreven met een zeker talent. Louis
Couperus hield een belofte in, een belofte die hij echter niet als dichter waarmaakte,
maar wel op overtuigende wijze als romancier.
| Noten |
| 1. | De Gids 48 (1884), nr.3, p.358-361. |
| 2. | De Amsterdammer nr.370 (1884, 27 juli), p.4-5. |
| 3. | De Amsterdammer nr.384 en 385 (1884, 2 en 9 november), p.7-8 en p.7-8. |
| 4. | De Portefeuille 1885, 29 augustus, p.626. |
| 5. | De Gids 51 (1887), nr.1, p.392-398. |
| 6. | Zie hierover: Willem Kloos en Albert Verwey, Van de liefde die vriendschap heet. Brieven 1881-1925. Bezorgd door Ilona Brinkman en Rob van de Schoor. Nijmegen, 2008, p.66. |
| 7. | De Nieuwe Gids 2 (1887), nr.2, p.134-137. |
| 8. | De Amsterdammer nr.332 (1883, 4 november) p.4-5. |
| 9. | Gepubliceerd in Het Nieuws van den Dag, waar Van Nievelt de literaire recensies voor verzorgde. |
| 10. | Louis Couperus, Williswinde. Volledige Werken Louis Couperus, deel 10, p.73-74. |