Contemporaine reacties op de poëzie van Louis Couperus
‘Verrassend schoone, betooverende taalmuziek’

Voor de literatuurminnaar uit het voorlaatste decennium van de negentiende eeuw was Couperus in de eerste plaats een dichter. Ondanks zijn relatieve onbekendheid kregen zijn dichtbundels toch redelijk wat aandacht van recensenten. Hoe keken zijn tijdgenoten eigenlijk aan tegen de poëzie van de jonge, nog onbekende Louis Couperus?

Door Menno Voskuil

Wie tegenwoordig aan Louis Couperus denkt, ziet onmiddellijk het deftige Den Haag van het fin de siècle voor zich, of het oude Rome van keizer Heliogabalus, of de mondaine stad Nice. Slechts weinigen zullen bij de naam van Couperus denken aan dichtregels als ‘Op zee in schomlend schuitjen, / Zoo rank gelijk een zwaan’ of ‘Hoe zij stoeijen, dartlen, kruipen, / Over ’t sneeuwen halsjen sluipen!’ En dat terwijl Couperus wel met dergelijke regels zijn debuut in de Nederlandse letteren maakte.
    Zijn eerste verzen schreef Couperus tijdens zijn studiejaren, aangemoedigd door zijn docent dr. Jan ten Brink. Deze was zeer belangrijk voor de ontwikkeling van het literaire talent van de jonge Couperus. Ten Brink liet hem op geheel andere wijze kennismaken met de letterkunde dan hij gewend was. De literatuur werd zodoende een tweede wereld voor Couperus, met eigen wetten en een eigen bewustzijn. Niet voor niets droeg de jonge dichter zijn debuutbundel op aan zijn leraar.
    Couperus liet zich voor zijn gedichten inspireren door vooral klassieke dichters. Voor Laura, een episch dichtwerk in terzinen, uiteindelijk gepubliceerd in Orchideeën (1886), was Petrarca de belangrijkste inspiratiebron. Ook de stijl van Ouida, de door Couperus ooit zo bewonderde romanschrijfster, valt duidelijk te herkennen in zijn poëzie. De exotische romantiek die haar romans zo kenmerkt, keert in tal van de weelderige dichtregels van Couperus terug.
    Na onder meer enkele zangen uit het hierboven genoemde Laura gepubliceerd te hebben in het letterkundig tijdschrift De Gids debuteerde Couperus in juni 1884 met Een lent van vaerzen, uitgegeven door de Utrechtse boekhandelaar en uitgever J.L. Beijers. ‘Wat het smaakvolle der uitvoering aangaat, [een bundel die] alles overtreft wat (…) Beijers (…) in den laatsten tijd uitgaf’, zo meende J.N. van Hall in een anoniem gepubliceerde recensie van de bundel.
    Van Hall besprak in een aflevering van De Gids uit 1884 [1] de zojuist verschenen poëziebundel van Couperus  

23
op welwillende toon. Hij prees de auteur om zijn virtuoze taalgevoel, maar tekende tegelijkertijd aan: ‘Uit zijn eigen glas drinkt Couperus nog wel niet.’
    Van Hall zag duidelijk de invloeden van grootheden als P.C. Hooft, Vondel, Heinrich Heine en Potgieter. Couperus ging echter ‘met zooveel gratie, met zulk een hoffelijken zwier’ om met het geleende, dat het gebrek aan eigenheid hem meteen vergeven werd. De recensent liet het zelfs niet na te spreken van ‘verrassend schoone, betooverende taalmuziek’.
    Toch voorzag Van Hall zijn lovende artikel ook van een kritische noot. De zo teer aandoende gedichten van Couperus zouden regelmatig tegen het gekunstelde aanleunen, waardoor teerheid in weekheid overging, en gevoel in sentimentaliteit. Couperus kreeg deze overpeinzing mee als waarschuwing, want Van Hall zag veel in deze jonge dichter.

‘Een grooter toekomst’
Ook M.G.L. van Loghem oordeelde positief over Een lent van vaerzen. Onder het pseudoniem Scaramouche schreef hij in juli 1884 in het weekblad De Amsterdammer [2] dat in de poëzie van Louis Couperus ‘de gedachte wijkt, zoodra zij begint te werken, maar zij heeft voor het oogenblik een onbegrijpelijke intensiteit; zij spat uiteen als de zeepbel, maar evenaart deze in kleurige pracht’.
    In hetzelfde weekblad verscheen in november 1884 een meer kritische, tweedelige bespreking van de hand van J.A. Alberdingk Thijm over Een Lent van Vaerzen. [3] Alberdingk Thijm stelde in deze uitgebreide recensie voornamelijk de woordkeuze van Louis Couperus aan de orde: ‘In ’t geheel heeft de stoutheid van ’s dichters woordgebruik iets aantreklijks. Moed kan echter wel in overmoed ontaarden; en gewaagde zijn niet altijd naauwkeurig gewogen vormen. Wat zijn “zwijmlend-zwoele” geuren?’
    Net als Van Hall heeft Alberdingk Thijm lovende woorden over voor de mooie uitgave van Beijers, ofschoon hij de illustratie op het omslag, riet en waterbloemen, niet echt van toepassing op de inhoud van de bundel vindt. De recensie eindigt met de haast profetische woorden: ‘Voor zijn vak is er, naar mijne bescheiden meening, voor den Heer Couperus nog veel te leeren van Copée en Hélène Swarth. (…) maar misschien heeft de Heer Couperus grooter toekomst.’

Lint of Lente?
Onder het motto ‘Beter laat dan nooit’ besprak H. Burger in het tijdschrift De Portefeuille [4] de debuutbundel van Couperus, ruim een jaar na verschijnen. In de eerste alinea vroeg deze recensent zich af wat de dichter nu eigenlijk bedoelde met het woord ‘Lent’ uit de titel, lint of lente? Hij kwam, dankzij enkele regels uit het gedicht ‘Rijnstroom’ van Vondel, tot de conclusie dat het hier om een lint moest gaan.
    Burger wees in zijn recensie allereerst op de punten waar de debuterende dichter zijns inziens de fout in ging: de overdaad aan verkleinwoordjes, het verouderde taalgebruik, de opgesmuktheid en de gekunsteldheid van de verzen. ‘Zelfs de welwillendste lezer heeft van al die zwijmel-zwoele teederheid spoedig genoeg.’
    De zoetheid van Couperus’ gedichten stoorde Burger het meest: ‘Dat gekunstelde, die overzoetheid, zij wijzen op iets verwijfds.’ Hij ging zelfs zo ver in zijn artikel te stellen dat het hier om iets pathologisch zou gaan: niet alleen een ziekelijk taalgebruik, maar juist iets ziekelijks ‘dat zich ook terugvindt in de gedachten, die ons in deze gedichten worden medegedeeld’.

24
Toch zag Burger, net als zijn voorganger Van Hall, wel degelijk iets in het dichterschap van Couperus. Niet voor niets wijdde hij immers zovele maanden na verschijnen toch nog een stuk aan Een Lent van Vaerzen. De lichtpuntjes, gevormd door slechts een handjevol gedichten, boden hoop voor de toekomst. Burger eindigde zijn recensie dan ook met de woorden: ‘Met verlangen zien alle konstminners een nieuwen bundel van den dichter te gemoet’.

Een sterk oostersch parfum
In 1886 verscheen Orchideeën bij uitgever A. Rössing te Amsterdam. Hierin werden vele al eerder gepubliceerde gedichten gebundeld, waaronder ook Couperus’ debuutvers ‘Erinnering’, oorspronkelijk in juli 1883 verschenen in het tijdschrift Nederland. Ook enkele prozaschetsen werden opgenomen, zoals het zich in Florence afspelende ‘Een middag bij Vespaziano’.
    J.N. van Hall recenseerde Orchideeën in een, wederom anoniem verschenen, artikel in De Gids uit 1887. [5] In een gecombineerde bespreking met Nosca van H. Cosman, eveneens verschenen bij uitgever A. Rössing, liet Van Hall zijn waardering blijken voor de poëzie van Couperus. Weliswaar meende hij nog steeds dat Couperus’ manier iets zoetelijks en iets gekunstelds had, en dat zijn gedichten de lezer niet diep zouden raken, maar ‘zijt ge in een stemming om een zinnenbekorend zuidelijk landschap, vol kleuren en zangen en geuren, te genieten (…), ziet ge niet op tegen de bedwelming van een sterk oostersch parfum, neem dan de bundel Orchideeën ter hand’. Van Hall schroomde ook niet te wijzen op het feit dat veel gedichten uit Couperus’ nieuwe bundel hun voorpublicatie beleefden in De Gids, waaronder het lange gedicht De Gravinne van Salisbury, dat de recensent prefereerde boven alle andere verzen uit Orchideeën.
    Uit een geheel ander vaatje tapte collega-dichter Willem Kloos, toch al geen groot liefhebber van Couperus’ poëzie. [6] In een anoniem gepubliceerd stuk in de tweede aflevering van De Nieuwe Gids uit 1887 [7] geeft Kloos zijn niet mis te verstane mening over Couperus’ werk en persoon. ‘Ik wilde wel iets van Louis Couperus zeggen, nu de menschen beweren dat hij zoo artistiek is.’
    De Nieuwe Gids was enkele jaren eerder opgericht door de jonge Beweging van Tachtig, waar Van Eeden, Kloos en Verwey deel van uitmaakten. Zij konden zich niet vinden in de bestaande literatuur uit die tijd. Vooral De Gids, het literaire tijdschrift dat al sinds 1837 verscheen, moest het ontgelden: in de ogen van de Tachtigers werd hierin voornamelijk burgerlijke domineespoëzie gepubliceerd. Louis Couperus werd door hen dan ook beschouwd als een typische Gids-auteur.
    Kloos vond in de eerste plaats Couperus’ poëzie ‘om helsch te worden.’ De gedichten uit Orchideeën voldeden geenszins aan de poëtica die in De Nieuwe Gids werd gepropageerd. In Kloos’ ogen waren verzen als ‘Chloë’ en ‘De Moorsche Koopman’ niets meer dan een betekenisloze weelderigheid van taal, precies datgene waar hij en zijn literaire vrienden van De Nieuwe Gids zo tegen streden.‘Couperus zingt niet voluit’, zo meende hij, ‘(…) hij tracht niet weêr te geven, nauwkeurig, datgene wat hij in zichzelven verneemt, – hij zet klanken naast elkander als aardigheidjes tot een streeling des gehoors, hij speelt bouwdoosje met de taal, hij coquetteert met ons mooi open, Hollandsch geluid. Dat noem ik ónartistiek zijn.’
    In de tweede plaats had Kloos een krachtige mening over de mens Couperus. Hij omschreef de auteur als ‘zich bewegend in een fantasiewereld van affectatie en onwaarheid en flauwigheid, zich suikeren tempeltjes bouwend met goud papier beplakt, rococo-

25
sentimentjes uitkirrend met een stemmetje van was, zich verkneuterend kortom in de bonte en zoetige banaliteit van een modisten-ideaal.’
    Kloos vond het merkwaardig om te zien dat bij Couperus dichter en mens in een noodlottige wisselwerking met elkaar staan. Het zoete en weke in Couperus’ poëzie zou een zekere, negatieve uitwerking op zijn persoon hebben, en omgekeerd versterkte het affectieve karakter van de dichter het krachteloze en onbeduidende taalgebruik.
    Toch kon één vers in de ogen van Kloos genade vinden, ‘Santa Chiara’, oorspronkelijk gepubliceerd in De Gids 47 uit 1883. In datzelfde jaar had Albert Verwey onder het pseudoniem Homunculus in De Amsterdammer [8] al geschreven over dit gedicht. Toen deze ‘Santa Chiara’ las, meende hij dat het tijdschrift nu eindelijk eens iets van kwaliteit de wereld in had gestuurd, en een auteur had ontdekt die een belofte inhield. ‘Helaas, het heeft niet zoo mogen zijn! Laten wij hopen op de toekomst.’
    Een aantal jaar later besteedde ook de letterkundige J. van den Oude (pseudoniem van Carel van Nievelt) in een recensie [9] aandacht aan Orchideeën. In 1895 verscheen zowel de tweede druk van deze bundel als Het Lied van Schijn en Wezen van Frederik van Eeden. Van den Oude vergeleek beide bundels in een stuk dat later werd opgenomen in zijn Litterarische Interludiën uit 1899.
    Vooral het on-Nederlandse karakter van Orchideeën viel Van den Oude op: ‘Alles is kleurig, fijn en fraai - maar alles is uit den vreemde, niets van ons noordsche, Hollandsche eigen.’ De recensent bewonderde de woordkeus en beeldspraak die Couperus hanteerde, maar zag in de weelderigheid van de taal tegelijkertijd een zwakte.
    Daar waar de lezer Het Lied van Schijn en Wezen dikwijls opzij moest leggen om over de tekst na te denken, werd hij volgens Van den Oude gedwongen Orchideeën met onderbrekingen te lezen om bij te komen van de overdaad aan taalweelde. Net als de andere critici verweet hij Couperus de gekunsteldheid van zijn gedichten.

Vroege Verzen
Na Orchideeën publiceerde Couperus in 1889 zijn eerste roman, Eline Vere. Het schrijven van proza bleek hem beter te liggen dan het schrijven van poëzie. Zijn aspiraties als dichter werden aan de kant gezet en Couperus legde zich toe op het vervaardigen van een reeks zeer indrukwekkende romans, feuilletons en verhalen.
    Toch zou nog eenmaal een bundel poëzie het licht zien. De Amsterdamse uitgever L.J. Veen verwierf in 1892 het recht op uitgave van zowel Een Lent van Vaerzen als Orchideeën. Toen Veen een herdruk van Couperus’ debuuutbundel voorbereidde, kwam de auteur met een voorstel: ‘Zoo U pleizier heeft in mijne poëzie, zoû ik U nog een aardigen bundel kunnen formeeren: wat zoû U hiervan denken?’

26
Couperus had het plan een aantal eerder gepubliceerde gedichten te bundelen onder de titel Vroege Verzen. [10] Uitgever Veen zag echter aanvankelijk weinig in dit idee. Pas in 1895, toen bij Veen de herdruk verscheen van Orchideeën, vond het plan een bundel met vroege verzen uit te geven toch doorgang. De titel werd echter veranderd in Williswinde.
    De pers besteedde weinig aandacht aan deze bundel. Twee verschillende redenen zijn hiervoor aan te wijzen. Enerzijds eiste de in hetzelfde jaar verschenen roman Wereldvrede alle aandacht op. Grote namen als Lodewijk van Deyssel en Frans Netscher schreven uitgebreide artikelen over deze roman. Anderzijds gaf Williswinde weinig aanleiding tot nieuwe reflecties over Couperus als dichter. De in deze bundel opgenomen gedichten waren niet erg recent en lieten derhalve weinig tot geen ontwikkeling zien. Eigenlijk was alles wat er te zeggen viel over zijn poëzie al gezegd: gekunsteld, weelderig en overzoet, maar geschreven met een zeker talent. Louis Couperus hield een belofte in, een belofte die hij echter niet als dichter waarmaakte, maar wel op overtuigende wijze als romancier.
 
Noten
1. De Gids 48 (1884), nr.3, p.358-361.
2. De Amsterdammer nr.370 (1884, 27 juli), p.4-5.
3. De Amsterdammer nr.384 en 385 (1884, 2 en 9 november), p.7-8 en p.7-8.
4. De Portefeuille 1885, 29 augustus, p.626.
5. De Gids 51 (1887), nr.1, p.392-398.
6. Zie hierover: Willem Kloos en Albert Verwey, Van de liefde die vriendschap heet. Brieven 1881-1925. Bezorgd door Ilona Brinkman en Rob van de Schoor. Nijmegen, 2008, p.66.
7. De Nieuwe Gids 2 (1887), nr.2, p.134-137.
8. De Amsterdammer nr.332 (1883, 4 november) p.4-5.
9. Gepubliceerd in Het Nieuws van den Dag, waar Van Nievelt de literaire recensies voor verzorgde.
10. Louis Couperus, Williswinde. Volledige Werken Louis Couperus, deel 10, p.73-74.

(Uit: Arabesken 17 (2009), nr.34, p.22-26.)

[Naar boven]