Een vraaggesprek met Hafid Bouazza
Het rekken van taal en geest
![]() |
Hafid Bouazza werd op jonge leeftijd geraakt door Couperus. Die leerde hem hoe rijk en zinderend taal kan zijn. Voor hem is Couperus een fatalist, een man van het grote gebaar, die als tragische schrijver over zeldzame kwaliteiten beschikte.
Door Rémon van Gemeren
Bouazza is met Couperus in aanraking gekomen op de middelbare school, toen hij een jaar of dertien, veertien was. ‘Ik had een heel goede leraar Nederlands, Ton Lohman, die verschillende boeken over Biesheuvel heeft geschreven. Het eerste verhaal dat ik, voor zover ik me herinner, van Couperus gelezen heb, is ‘De binocle’. Dat vind ik een prachtig verhaal. Ik heb later een cursus creative writing gegeven, over het schrijven van korte verhalen, en toen heb ik dit verhaal en ‘Signalen en symbolen’ van Nabokov als voorbeelden genomen.’27
bij Couperus terug. Mensen zitten vast aan een noodlot, zijn ergens voor
bestemd en kunnen daar niet onderuit komen. ‘In Eline Vere is dat ook al
aanwezig, al vind ik het in deze roman te schematisch uitgewerkt, meer in de
trant van Zola. Het wordt te veel duidelijk gemaakt dat de omgeving Eline
bepaalt en dat er voor haar geen ontkomen aan is. Bij die roman had ik
onvermijdelijk het betere Madame Bovary in mijn hoofd, dat ik veelvuldig
gelezen heb.’
Wat Bouazza bewondert in Eline Vere, is dat Couperus,
zoals alleen echt goede schrijvers dat kunnen, een overtuigend vrouwelijk
personage heeft neergezet. Dat bedoelt hij niet zozeer in psychologische zin,
als wel in fysieke zin. Een auteur als Proust beschrijft vrouwen nauwelijks,
alleen hun kleding. Weinigen geven zo uitgebreid het uiterlijk van een vrouw
weer als Couperus doet, zodat de lezer haar voor zich ziet. ‘Dat is het
moeilijkste wat er is en tevens de grootste uitdaging. Flaubert was daarin een
meester.’ Ook het Den Haag van Eline wordt sterk verbeeld. ‘Toen ik er later
eens wandelde, herkende ik de omgeving goed uit het boek.’
Broeierige sfeer
De stille kracht heeft Bouazza meerdere keren gelezen en het stond op
school ook op zijn boekenlijst. De eerste indruk is altijd overheersend
gebleven. ‘Het horrorelement sprak
28
me erg aan, de hadji in witte kleding die telkens door het verhaal loopt,
en het idee dat er iets broeit dat exotisch en onbegrijpelijk is voor de
westerlingen. Ik vond Van Oudijck heel overtuigend om de manier waarop zijn
onbegrip duidelijk wordt gemaakt. Hij is een persoonlijkheid, maar is verloren
en weet dat het voorbij is. Léonie vond ik minder sterk, de wijze waarop haar
wellust en haar erotiek aan het licht komen, vond ik wat braaf.’
Tegelijkertijd vielen Bouazza ook in deze roman de rijkdom en
kleurigheid van de taal op. De beschrijvingen van de tropische omgeving, van de
lucht en de geluiden, brachten een hevige zindering in hem teweeg. ‘Die zijn erg
mooi. Je kunt eraan aflezen dat Couperus goed voor zich zag wat hij beschreef,
dat hij uit eigen ervaringen putte. Het knappe is ook dat hij die broeierige
sfeer weet te creëren zonder in clichés of stereotypen te vervallen. De badscène
vond ik geweldig. Wat ik nog steeds opmerkelijk vind, is de wellust van
Couperus’ taal. Ik zou nooit zo durven schrijven. Ik denk niet dat het nu
mogelijk is zonder parodiërend of ironisch over te komen. Daarvoor is het te
pathetisch. In Dionyzos gaat Couperus daarmee nog verder. Daar wordt hij
echt geil.’
Pas later, toen Bouazza een en ander wist over
Nederlands-Indië, ging er meer op zijn plaats vallen, maar de eerste indruk is
het belangrijkst gebleven. Tussen zijn twaalfde en negentiende las hij meer dan
hij daarna ooit gedaan heeft, en het enthousiasme waarmee dat in de puberteit
gepaard gaat, ervaar je, denkt hij, nooit meer. Toen hij De stille kracht
later opnieuw las, moest hij erom glimlachen, niet minachtend of
minzaam,
maar omdat hij er een zekere onschuld in zag. ‘Ik wist toen dat Couperus
homoseksueel was en met die wetenschap las ik het boek anders, wat ik eigenlijk
jammer vind.’ Dat geldt ook voor
De verliefde ezel, dat gebaseerd is op een werk van Apuleius. Die is veel
openhartiger in de seksscènes dan Couperus. Wat Bouazza echter gewaagd vindt aan
De stille kracht is dat de vrouw wordt neergezet met eigen seksuele
behoeftes, vol erotiek en sensualiteit. ‘Ik denk dat dat voor veel mannen
moeilijk te verteren was, en nog steeds is. Hoe dan ook is Léonie, net als de
andere personages, geen karikatuur of tweedimensionale figuur.’
‘Wat me van Van oude menschen, de dingen, die voorbij
gaan... het meest is bijgebleven, is het einde. Lange tijd gebeurt er niets
en dan opeens zie je in dat dat lange leven van die twee mensen een straf is.’
Het duurde lang voordat het boek in Bouazza was bezonken. Het bleef hem ook lang
bij. Ondertussen werd het steeds melancholischer, niet grimmig, maar somberder.
‘Ik houd van sombere verhalen. Extaze maakte daarom op mij een zwakke
indruk. Dat happy ending vond ik onmogelijk, te geforceerd. Ik geloofde
het niet. Het bezingen van het huwelijksgeluk overtuigde me niet. De
biografische kennis dat Couperus dit boek in een moeilijke periode in zijn leven
schreef, maakt het er niet beter op.’
Couperus was nu eenmaal een fatalist. Maar een wanhopig mens
was hij volgens Bouazza niet. Het draaide bij hem om het noodlot, niet om de
acceptatie daarvan, maar om het besef dat je gevangen bent. Je bent ook een
gevangene van jezelf. Alles wat je ertegen doet, is futiel. Je kunt tegen alles
in opstand komen, maar het brengt je alleen maar dieper de afgrond in. ‘Couperus
is dus ook een tragische schrijver in de klassieke betekenis. Hij zal de oude
Grieken goed gelezen hebben, maar hij is wel een authentieke schrijver geworden,
minder statisch dan de Griekse tragedieschrijvers.’
Invloeden
Couperus heeft Bouazza sterk beïnvloed, al heeft hij nooit geprobeerd hem te
imiteren. Hij heeft hem de ogen geopend voor de mogelijkheden van het
Nederlands. Couperus verruimde zijn geest. ‘Veel woorden uit zijn werk zocht ik
vergeefs op in het woordenboek. Ik liftte naar Amsterdam en vond ze in een
bibliotheek in een uitgebreider woordenboek,
29
het WNT.’ Couperus weet het Nederlands een bepaalde wellust, zindering en
zinnelijkheid te geven, die nieuw voor Bouazza waren. Taal maakt de schrijver
niet, maar de schrijver maakt de taal. ‘Dat is voor mij heel belangrijk.
Couperus veroorzaakte op jonge leeftijd een kentering. Wat ik daarvoor te lezen
kreeg – Nescio, Elsschot – was voor mij een voorbeeld. Zo moest het, dacht ik.
Couperus leerde me dat ik me niet moest laten beperken door de taal, maar haar
juist moest oprekken. Ik moest de zinnen zo lang maken als ik zelf wilde, om
iets uit te drukken dat op geen andere manier uit te drukken is. Couperus heeft
me dus stilistisch gevormd.’
‘Op een gegeven moment heb ik zijn poëtisch werk ontdekt.
Daar heb ik een zwak voor. Ik lees het geregeld.’ Bouazza vindt dit wat
prozaïscher dan zijn proza. Het impressionistische taalgebruik is minder
aanwezig in zijn gedichten. Ze doen hem aan rondelen denken door de simpliciteit
van gevoelens, de natuur en de verwondering. ‘Ik vind ze heel lieflijk en
bevallig. Er spreekt een ontvankelijke geest uit, die overal voor openstaat,
niet uit naïviteit maar uit verwondering. De muziek ervan is heel mooi.’
Bouazza denkt niet dat Couperus nog veel gelezen wordt. Of
hij op latere schrijvers invloed gehad heeft, kan hij moeilijk zeggen. ‘Het
lijkt me dat iemand als Van der Heijden Couperus goed gelezen heeft, misschien
Claus ook.’ Iedereen die schrijft, die gepubliceerd is of wil zijn en die
zichzelf serieus neemt als schrijver, kan niet zonder kennis van de geschiedenis
van de Nederlandse literatuur, vindt Bouazza. ‘Hoe je het ook wendt of keert,
ook al zit je niet in een stroming, je zit wel in een traditie. Ik denk dat het
voor schrijvers van groot belang is deze uitvoerig te bestuderen. Als een
schrijver niet beïnvloed zegt te zijn, is dat onzin.’
Wanneer hij buitenlandse schrijvers met Couperus moet
vergelijken, komen Flaubert en Zola het eerst in hem op. ‘Zola vind ik een
minder grote schrijver dan Couperus, zijn werk is een theorie verpakt in
romans.’ Couperus kan wedijveren met bijvoorbeeld Flaubert en Proust. Met zijn
prismatische romans was hij een voorloper. In veel nietwesterse landen, waar
schrijvers als Márquez en Pamuk vandaan komen, begon men dergelijke romans pas
halverwege de twintigste eeuw te schrijven.
Couperus nu
‘Ik heb het idee dat Couperus nu wordt beschouwd als iemand die in zijn tijd
heel belangrijk was en die de roman een impuls en een internationale allure gaf.
Ik vrees dat hij minder belangstelling krijgt dan hij verdient. Nederland is
toch al slecht in het eren en waarderen van vroegere schrijvers.’ Bouazza kan
wel begrijpen dat mensen niet snel Couperus gaan lezen. Nederlanders zijn erg
modegevoelig wat betreft literaire tendenzen. Hij zou ervóór zijn als Couperus
op school verplicht gesteld wordt, bijvoorbeeld
De stille kracht of De verliefde ezel, niet te dikke boeken. ‘Daar
moeten de leerlingen zich doorheen
30
bijten. Harold Bloom zei: “Literatuur is moeilijk genot.” Alle kunst is
moeilijk genot. Wiskunde vinden veel kinderen ook niet leuk. Als er maar één is
die ervoor openstaat en erdoor geraakt wordt, mag je tevreden zijn. De anderen
vergeten het toch weer.
Los daarvan brengen klassieke schrijvers de geschiedenis van
een land beter in beeld. De visie van een schrijver kun je verbinden aan je
eigen visie op de geschiedenis en dat is een waardevolle aanvulling op de droge
feiten. Ik vrees wel dat als belangrijke literatuur verplicht gesteld wordt, er
nogal om gelachen zal worden. Om de geschiedeniscanon is ook veel gelachen.
Zoiets is in Nederland heel moeilijk.’
Men vindt Couperus ouderwets, mogelijk geaffecteerd, wat hij,
meent Bouazza, lang niet altijd is. ‘Je moet bedenken dat de wereld toentertijd
veel groter was dan nu en dat de verwondering over wat je zag dus ook groter
was. De overweldiging was sterker, de indruk dieper, en bij het beschrijven
hiervan werd die opwinding door uitvergroting van emoties voelbaar. In dat
opzicht is “geaffecteerd” niet het juiste woord.’ Een schrijver als Couperus is,
evenals bijvoorbeeld Dickens, wel eens sentimenteel. Maar zij leefden in een
andere wereld en hun werken brengen de lezer van nu in een andere wereld. ‘Daar
is niets mis mee, dat is juist mooi. Het uitdrukken van hevige gevoelens, hoe
vreemd ook, is van alle tijden.’
Achterhaald als Zola is Couperus daarom beslist niet. ‘De
gevoelswereld van Eline Vere kan heel mooi aansluiten bij die van sommige
meisjes. Eline maakt als het ware een verlate puberteit door. Dat zogenaamd
geaffecteerde van Couperus is dus geen bezwaar voor identificatie. Het is een
onderdeel van zowel de Nederlandse literatuur als de Nederlandse geest. Je ziet
het nu nog, die opgeblazen gevoelens, op televisie, op straat, overal. Het
uitvergroten van gevoelens zoals Couperus dat deed, is nog heel actueel.’ Voor
drama, of melodrama, heb je niets aan kleine gebaren. Er moeten grote gebaren
zijn, het moet theatraal zijn. ‘Couperus wist dat en daarom zal hij gelezen
blijven worden, door een kleine groep mensen. Lezen geeft ook plezier. Hoe dat
plezier voor een even grote of zelfs grotere groep lezers kan worden opgeroepen
in de toekomst, zou ik niet weten. Het begint in elk geval bij het onderwijs,
waarin de begeestering kan worden overgedragen, niet voor een bepaald boek of
een bepaalde schrijver, maar voor het lezen zelf. Couperus is daarbij zeker aan
te raden. Hij is ongetwijfeld één van de grootste schrijvers van Nederland.’
Wat hemzelf betreft, vindt Bouazza het mooi dat hij Couperus
onbevangen is gaan lezen. Er was niemand die het hem afraadde. Andere leerlingen
maakten braakgeluiden, maar hij had nooit van Couperus gehoord en was niet
bevooroordeeld. ‘Daardoor werd ik geraakt. Dat is het bewijs dat literatuur
werkt.’
Dit is het veertiende deel van een serie vraaggesprekken met literaire auteurs over de betekenis van Couperus voor hun werk. Hafid Bouazza studeerde Arabische talen letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef novellen, essays en romans, waaronder De voeten van Abdullah, Een beer in bontjas, Paravion en meest recentelijk Spotvogel. Daarnaast vertaalde hij toneelwerk van Shakespeare en poëzie van verscheidene Arabische dichters.
(Uit: Arabesken 17 (2009), nr.34, p.27-31.)