Schoon talent
'Er zijn maar zeer weinige auteurs onder de schrijvers van zijn leeftijd en
onder zijne voorgangers, die hem evenaren in fantazie, in schilderachtige
voorstelling, in beeldende kracht. Couperus blijft met zijn schoon talent een
modern romanticus, een zoon van Théophile Gautier in de kunst.'
Jan ten Brink. In:
Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 1896, nr.6, p.104
Mindere-rangsch
'Ik weet zeker dat als over honderd jaar iemant met verstand van Literatuur in
Nederland de geschiedenis van dézen tijd zal schrijven, hij zal schrijven dat er
ook nog een mindere-rangsche feuilleton- of romanschrijver, genaamd Couperus,
leefde, die in zijn jeugd echter wel wat goeds heeft gemaakt.'
Lodewijk van Deyssel. Uit: 'G. van Hulzen en Louis Couperus.' In:
Verzamelde opstellen. Zevende bundel. Amsterdam 1904, p.6-7
Beter dan niets
'Zoo een roman, die minder-soortig maar goed is, is toch misschien beter dan
niets. Ik heb dezen roman heelemaal uitgelezen. Hij is mij onderhoudend
voorgekomen, terwijl ik mij anders misschien aller-akeligst had verveeld.'
Lodewijk van Deyssel [over De boeken der kleine zielen]. In:
Verzamelde opstellen. Zevende bundel. Amsterdam 1904, p.114
Antipathie ooverwonnen
'Dit vind ik nu het mooye in Couperus, dat ik hem vroeger eigenlijk niet
uitstaan kon, dat ik ook zijn boeken niet bizonder goed vond, lang zoo goed niet
als hun reputatie, ook Eline Vere, dat zijn beste werk genoemd werd, niet, - en
dat ik nu volkoomen vrede heb met zijn figuur in onze literaire waereld. Hij
heeft mijn antipathie geheel ooverwonnen, zonder dat hij, naar mijn weeten, ooit
een woord oover mij en mijn werk gezegd heeft, - en die ooverwinning behaalde
hij door zijn geduld, zijn rustige, eerlijke volharding, door zijn
goedmoedigheid, zijn vriendelijke ironie, zijn kalme zelfbeschouwing.'
Frederik van Eeden [over De komedianten]. In: De Amsterdammer
nr.2110 (1917, 1 december), p.2
Overprikkelde fantasie
'Zoo de personen, in Exstase [SIC] geschilderd, den kring vormen waarin Couperus
leeft, dan beklaag ik hem diep, en ik hoop zelfs, hoe wreed het schijne, dat het
slechts beelden zijn zijner overprikkelde fantasie.'
Flanor. In: De
Nederlandsche Spectator 1892, 9 januari, p.16
Liefde voor personages
'Uit de manier waarop hij over mensen schrijft, blijkt dat hij over hen nadenkt,
zich echt in hen verdiept. Neem nu de dienstbodes bijvoorbeeld. Zij zijn slechts
onbeduidende bijfiguren in de romans, maar Couperus geeft ons net die details,
die hen voor de lezer bijzonder levend maken. Dat is een soort van aandacht, een
liefde voor personages die je niet zo veel meer tegenkomt. Dat is wat ik nu zo
enorm waardeer in Couperus: hoe hij alleen al door middel van dialogen, zonder
ze verder te beschrijven, mensen weet te typeren, zodat je ze helder voor je
ziet… ik vind dat buitengewoon knap. Ik geloof dat het vermogen om waar te nemen
het kostbaarste bezit is wat een schrijver bij zijn geboorte meekrijgt.'
Hella Haasse in gesprek met Erik Schoonhoven. In: Arabesken 13
(2005), nr.25, p.16
Gratie
'Couperus bezat vóór alles, bòven alles gratie. En men moet jaar in jaar
uit aan deze zwaar-op-de-handsche, Potgietersch-degelijke literatuur van Holland
getrouwd zijn, om te weten welk en zeldzame en kostbare schat ten onzent gratie
is. Zoo iets als radium onder de alledaagsche elementen!
Een veelzijdig man was Couperus; het zou te veel zijn om te
zeggen dat hij alles kon, maar zijn gratie maakte dat hij ook dàn genietbaar
bleef, wanneer hij iets niet zoo heel erg goed meester was, wanneer hetzelfde
werk bij een ander reeds lang en breed op en mislukking zou zijn uitgeloopen.'
Albert Helman. In: De
Groene Amsterdammer nr.2832 (1933, 12 augustus), p.16
Visionair
'Men vond zijn werk mistroostig en onchristelijk, en dat is het ook vaak. Van
oude menschen… en
Iskander gaan over vergankelijkheid en de zinloosheid van het menselijk
streven. Deze thematiek maakt Couperus tot een groot schrijver, niet dat hij
mooi en onbevangen over seks schrijft. In alles wat ik over Couperus heb
geschreven, heb ik dat aspect willen benadrukken, want deze visie op de
menselijke conditie maakt hem tot de beste romancier die Nederland ooit gekend
heeft. Wanneer je zijn boeken herleest, dan is het altijd anders dan je het je
herinnerde, ze gaan steeds weer over andere dingen dan je dacht. Couperus is in
zijn beste werken een visionair: hij kijkt dwars door de alledaagse
werkelijkheid heen.'
Bas Heijne in gesprek met Erik Schoonhoven. In:
Arabesken 12 (2004), nr.23, p.17
Fouten
'De sterkste eigenschap van de Nederlanders, hun critische zin, is tegelijk ook
hun onverdragelijkste omdat zij zonder grootmoedigheid is; en ook van Couperus
zijn de fouten twintig keer uitgerekend en nageteld en telkens vond men er meer:
zijn fatalisme, zijn hedonisme, zijn heidendom, zijn oosterse praalzucht - en
inderdaad, áls dat fouten zijn, heeft hij die fouten gehad. Hij had zelfs
talrijke fouten en hij kwam er open voor uit, met de halfbevreesde zelfironie
van een man die weet dat het een hachelijk ding is in de hollandse kou royaal in
zijn hemd te gaan staan.'
H. Marsman. In:
Verzameld werk (ed. D.A.M. Binnendijk en A. Vigoleis Thelen). Em. Querido's
Uitgeverij, Amsterdam, p. 521-523
Paradoxaal
'Hij moest toch duizend pagina's volschrijven, dan ga je niet als Flaubert over
elke zin een week nadenken. Tegelijkertijd zorgen die rommeligheid en die
snelheid ervoor dat je wordt meegesleept. Daar zit de frictie, het paradoxale in
het werk van Couperus: dat wat me tegenstaat vind ik tegelijkertijd ook heel
aantrekkelijk.'
Willem Melchior in gesprek met Erik Schoonhoven. In: Arabesken 11
(2003), nr.21, p.25
Niets menschelijks
'(…) een troep luiaards, kokette nesten, halfbeschaafde dames, zoutelooze
geldverknoeiende jongens en in de hoofdpersoon een ziekelijk, karakterloos,
harteloos schepsel, dat bij vergissing zelfmoord pleegt, worden voorgesteld als
de wereld, als menschen, terwijl er niets menschelijks in de hoogere beteekenis
van het woord aan hen is.'
W. van Nes [over Eline
Vere].
Uit: 'Louis Couperus'. In: Ons Tijdschrift 2
(1897), p.249-274
Voelangels
'Zij vormden de twee uitersten onzer gesprekken: Couperus in bewondering voor
het marmerwerk van Vosmaer, hem wel wat te koud, te wit vinden, maar hoog in lof
over zijn fijn classicisme, zijn intelligentie, aangetrokken door zijn liefde
voor het curieus mooie, het beschaafd aristocratische zijner voelingen en
uitingen - ik aan de zijde van Emants, zijn partij nemend tegenover mijn vriend,
die hem te grof, te ruw, te realistisch vond, hem een gebrek aan fantasie van
vermooiïng verweet, als werden zijne fijne voelangels gekwetst.'
Frans Netscher. In:
'Louis Couperus'. In:
Woord en Beeld 1897, p.288-290
Divan
'Op andere keeren vonden wij hem liggende in zijn kamerhitte op een divan, die
hij tegen den achterwand had laten maken. Achterover, met een boek in de hand,
savoureerde hij de gezellige warmte en de gedichten, die hij aan 't lezen was.
En zijn stem was zwak, zijn bewondering zonder heftige woorden of gebaren, en
hij kon spreken over het mooi, dat hij genoten had, met een stemgeluid, dat
veraf klonk, als afwezig van de dingen rond hem - zóó was dan zijn divan-leven,
zijn divan-genot, dat naderhand in als zijn werken terug komt.'
Frans Netscher. Uit:
'Louis Couperus'. In : Woord en Beeld 1897, p.290
Lauw
'En ik moet er mij over verbazen dat zijn werk door onze literaire critici
niet met grooter vreugde over zooveel talent, over zoo krachtig-productief
kúnnen begroet wordt. Ik kan bezwaarlijk gelooven dat het in later jaren onzer
hedendaagsche critiek tot een eere gerekend zal worden, dat haar houding over
het algemeen zóo lauw was tegenover een schrijver van zóo groote gaven.'
W.G. van Nouhuys [Over De boeken der kleine zielen]. In:
Nederlandsche Belletrie 1901-1903 (1904), p.247
Demonisme
'Couperus kent z'n geslacht, heeft al heel wat gekleurde hoepels om z'n reputatie-kuip geslagen. Hoe weet ie den schrik voor reëelen stank te weren. Couperus brengt direkt om z'n hoofd den geur van 'n koiffeur mee. Z'n hartkamers zijn ingericht als fijne boudoirtjes, broeiende interieurtjes van allerbroost aandoeningsspel. De wanden zijn wel van vloeiend, heel bloed, maar dat merk je eerst als je stil en devotelijk achter z'n zieledeurtjes gesloten bent. Waarachtig, op die wijze zit er ook nog 'n beetje demonisme in de dandyfantasmagorie van z'n gesprook.'
I.S. Querido [Over Fidessa]. In: Over literatruur. De erven
F. Bohn. Haarlem, 1904, p.165
Wezenlijk
talent
'Alle nagemaakte en opgeplakte
genialiteit van de dozijnen en nog eens dozijnen groote schrijvers en
schrijfsters en dichters en dichteressen, waarop ons vaderland kan bogen,
volgens de verschillende critieken, recensieën, literatuur-overzichten,
bloemlezingen, en wat dies meer zij, zullen lang reeds vergeten zijn door een
ondankbaar (of
rechtvaardig-oordeelend?) nageslacht, wanneer de roem van Couperus nog
onverzwakt zal voortleven; als zijn hem bevittende, becritiseerende, ook heel
dikwijls uit jaloezie boosaardig naar beneden halende tijdgenooten er niet meer
zullen zijn, om hem te oordeelen, en zijn beroemdheid te misgunnen, dan zal de
toekomst onpartijdiger, en, ik durf het voorspellen, zeker niet slechter of
minder waardeerend over hem vonnissen, dan nu geschiedt. O, zeker, men zal dan
uitziften, zijn diepzinnigheden van bombast zal men meten met den juisten
maatstaf, zijn vlug daarheen-geworpen romannetjes niet hooger stellen, dan ze
verdienen. Maar óók, zijn blijvend werk zal worden geëerd, geprezen als een
bewijs, dat wij in onzen verziekelijkten, verdwaasden tijd van
jammerlijk-leelijke literaire wangedrochten toch óók bezaten hier en daar
schrijvers van wezenlijk talent, die scheppen konden boeken van wáárde!'
Anna de Savornin Lohman [Over De berg van licht]. In:
De Hollandsche Lelie 21 (1907), p.247
Visionnaire verbeelding
'Bij vergelijking van de stof die de antieken hem boden met wat Couperus ervan
maakte, blijkt duidelijk welk een wonderbaarlijk scheppingsvermogen, welk een
visionnaire verbeelding hij bezat. Een enkele dorre mededeling, een eenvoudige
anekdote — bij Herodotus of een ander — weet hij te herscheppen tot een
aangrijpend, onvergetelijk toneel.'
P. Valkhoff [Over De berg van licht]. In: De Gids 100
(1936), I, p.357-372.)