![]()
Begin/Nieuwe
binocle |
RSS
| Nieuws
![]() |
Wij houden onze binocle oplettend gericht op verschillende media, altijd alert
op de opduikende gestalte van Louis Couperus. Ontging ons iets? Zou kunnen...
Neem het ons niet kwalijk, maar
mail en breng ons
op de hoogte!
Let op: internet is een veranderlijk medium. Sommige links kunnen u inmiddels leiden naar
niet bedoelde pagina's of... helemaal niets.
Couperus en de islam
'Voor Couperus was de islam in de eerste plaats een godsdienst met een bepaalde stemming, een gemoedsgesteldheid die kenmerkend was voor de wereld van het Oosten.' Aldus Jan Fontijn in
zijn essay 'Weemoed op weemoed gestapeld. De melancholie van de islam', dat onlangs in
Tirade (nr.427, maart 2009) verscheen. Fontijn
peilt de overeenkomsten tussen Couperus, de contemporaine schrijver van haremromans Pierre Loti, en de avontuurlijke woestijnreizigster Isabelle Eberhardt, die alledrie de 'melancholie van de islam' beschreven.
Vooral de vergelijking met Loti levert interessante inzichten op in het 'oriëntalisme' van Couperus. Thema's als melancholie, fantasie, exotisme, het verleden als tegengesteld aan een onbevredigend heden en de 'broosheid der dingen' treft men zowel in Loti's
Figures et choses qui passaient (uit 1898!) als bij de auteur van Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan...
'Bastet, de biograaf van Couperus, meent dat diens indrukken van het Midden-Oosten oppervlakkig blijven. Ik ben het daar niet mee eens,' schrijft Fontijn. 'Het picturale oog waarmee hij de oosterse werkelijkheid bekeek verraadt een grote vertrouwdheid met de oosterse traditie in de negentiende-eeuwse schilderkunst in binnen- en buitenland (...). Zonder overdrijving kan men stellen dat het leven van Louis Couperus door de wereld van het Oosten werd bepaald.' Couperus verwerkte zijn indrukken van het Oosten onder andere in de postuum uitgegeven bundel reisverslagen
Oostwaarts en in de roman De ongelukkige. Fontijn vergeet ook niet de passage uit
De stille kracht te citeren, waarin resident Van Oudijck door de Arabische wijk van Laboewangi rijdt, een 'stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan het notabele Laboewangi', dat 'het onuitzegbare mysterie [scheen] uit te donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad, of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond...'
(29 maart 2009)
Ommezwaai
Het septembernummer van het tijdschrift
Indische Letteren is in z’n geheel gewijd aan Louis Couperus. De interessantste bijdrage is van de Zweedse onderzoeker Åsa Josefson. Centraal in
het gedegen betoog staan de twee diametraal tegenover elkaar staande visies die Couperus op het kolonialisme ontvouwt in respectievelijk
De stille kracht (1900)
en Oostwaarts (1923). In de eerstgenoemde roman is de verteller bijzonder kritisch tegenover de westerse overheersing in Indië, en lijkt het einde daarvan aanstaande en onomkeerbaar. Ruim twintig jaar later is Couperus' standpunt
in deze kwestie ronduit reactionair: het gekolonialiseerde
volk is geboren om
te dienen, zo vindt de auteur, en hij zingt de lof van de hard werkende overheersers, die worden voorgesteld als helden. Bovendien: 'Met onbreekbare banden zijn wij aan Indië verbonden, een ramp zoû het zijn voor Holland en Indië beiden, zoo ooit dezen werden gebroken.'
Josefson geeft drie mogelijke verklaringen voor deze ommezwaai.
Ten eerste het verschil tussen het genre van de roman en de journalistiek ('Couperus kon dieper gaan in een roman dan in een krant'). Als tweede mogelijkheid noemt de auteur de gevoelens van nostalgie die zich van de oudere Couperus meester zouden hebben gemaakt, en ten derde zou het tijdsverschil een rol kunnen spelen: 'de maatschappij is geëvolueerd, wat zeker weerspiegeld wordt in de teksten van Couperus', aldus Josefson.
Een vierde, nogal voor de hand liggende hypothese blijft onvermeld. Zoals bekend heeft Couperus bij het schrijven van
De stille kracht de hulp ingeroepen van zijn zwager Gerard de la Valette, destijds resident te Passoeroean. Heeft Couperus, die immers ook in die tijd niet bepaald als progressief denker bekend stond, niet alleen dankbaar gebruik gemaakt van diens kennis van bestuurlijke aangelegenheden, maar misschien ook de dramatische mogelijkheden ingezien van de (wellicht kritische) visie van zijn zwager op het kolonialisme? Men zou om deze vraag te kunnen beantwoorden de vele publicaties die Valette, overigens een bewonderaar van Multatuli, in Indische tijdschriften publiceerde, nader moeten bestuderen.
(19 oktober 2008)
Een fontein van champagne
In 2006 publiceerde de historicus Martijn Icks het
Couperus Cahier
Heliogabalus: geschiedenis, droom en nachtmerrie, waarin hij zich afvroeg
of de Romeinse keizer eigenlijk wel zo door- en doorslecht was als de antieke
bronnen ons willen doen geloven. Voor het tijdschrift Geschiedenis der
Geneeskunde (nr.1, december 2007), stelt hij zich de vraag waarom het juist
Heliogabalus was die in het fin de siècle kon uitgroeien tot hét icoon van de
androgynie. Daarbij passeert niet alleen De berg van licht de revue, maar
betrekt Icks ook Élagabal van Henry Mirande, Héliogabale van
Auguste Villeroy, L'agonie van Jean Lombard en kunstwerken van
Gustav Adolf-Mossa en
Simeon Solomon in zijn verhaal. Hieruit blijkt onder meer dat alleen Louis
Couperus echt sympathie voor zijn onderwerp kon opbrengen.
De berg van licht heeft al een aantal jaren de
niet-aflatende aandacht van publiciste Caroline de Westenholz. Waar het Icks
vooral te doen is om de (beeldvorming van de) historische figuur van keizer
Heliogabalus, daar belicht De Westenholz de religieuze achtergronden van
Couperus’ magnum opus. Dat deed ze zeer uitgebreid in
een indrukwekkende reeks van publicaties voor Arabesken; voor
Kleio, tijdschrift voor oude talen en antieke cultuur (nr.1,
oktober-december 2007) zet ze haar bevindingen nog eens kernachtig uiteen. Ze
betoogt dat Couperus in deze historische roman een aantal oeroude religies met
elkaar verbond. Zo is de kosmologie, zoals uiteengezet door hogepriester
Hydaspes, ontleend aan de van oorsprong joodse kabbala, terwijl het concept van
de androgyne messias een gnostische opvatting is. Heliogabalus' dans rond de
Zwarte Steen is weer geïnspireerd door het tantrisme, het 'linkerpad' van het
shivaïsme uit het alleroudste India. De ondertitel van haar opstel, 'Een fontein
van champagne', verwijst naar een dorstigmakende anekdote in het begin van haar
betoog, die de abstracte stof op een aardige manier inzichtelijk maakt.
(6 februari 2008)
Verledene opulentie
'Ah, de romantiek van vergane glorie! Al in
de jaren zeventig lazen we Louis Couperus' novelle
Aan de weg der vreugde (...). Meteen wilden we erheen: naar Bagni
di Lucca! Maar er kwam, zoals het gaat met die dingen niets van. Soms reden wij er op slechts veertig kilometer voorbij, met spoed op weg naar nog verder
zuidwaarts gelegen bestemmingen, en eenmaal was ik zelfs met de racefiets in het
Lucca, een prachtige stad, vooral voor tienen en na zevenen als de stoeten
dagjesmensen verdwenen zijn en je voetstappen weerklinken tegen de oude muren van de wonderlijk goed bewaard gebleven vestingstad.
En nu, dertig jaar later, zijn we toch
nog op weg naar Bagni di Lucca. We willen er niet zomaar aankomen, per trein of bus, maar het te voet benaderen.'
John Jansen van Galen treedt in de voetsporen van Couperus en bezocht voor
Het Parool het Toscaanse dorp,
waar 'een adem van vroegere vorstelijkheid, van verledene opulentie dreef tussen
de groene schaduwen'. Na urenlang dwalen moest de wandelaar toch een lift
accepteren van landgenoten om er te geraken en vraagt zich vervolgens af hoe
lang zulke schilderachtige plaatsen nog zullen bestaan: 'Er wonen doorgaans
alleen een paar bejaarde mensen en er staan gerenoveerde tweede huizen van rijke Engelsen.'
(23 september 2007)
Van oude lullen
Verleden week werd bekend dat de auteurs Marjan Berk en Yvonne Kroonenberg zijn
aangezocht om hun boeken om te werken tot versies die ook door laaggeletterden
begrepen kunnen werken. Wellicht een gat in de markt?
Wim de Bie stelt op zijn
Bieslog voor om ook het werk van grote dode schrijvers te hertalen. Immers: ook hooggeletterden zijn vaak zwakke lezers.
De Bie vroeg zich af hoe het begin van Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... zou kunnen worden bewerkt. Hij deed de volgende poging:
Oude lullen moeten weg
Een man die Stein heette had een lage stem. In het halletje van zijn huis riep hij de hond die Jack heette:
- Kom Jack, ga je mee met de baas? Kom!
De hond was boven. Hij begon meteen te blaffen. En hij rende de trap af.
De vrouw van Stein heette Ottilie. Zij zat in de huiskamer te lezen.
Zij werd kwaad op Stein omdat hij zo hard om de hond riep.
- O, die lage rotstem! zei ze boos.
Charles Pauws was de zoon van Ottilie. Hij keek naar zijn moeder en glimlachte. Na het eten dronk hij met zijn moeder een kopje koffie voordat hij naar zijn vriendin Elly zou gaan. Vader was met de hond uitgegaan en het werd stil in huis. Charles Pauws keek naar zijn schoenen. Hij vond dat ze goed zaten.
- Waar is Stein naar toe, Lot? vroeg de moeder. Ze klonk ongerust.
- Vader is gaan wandelen met hond Jack, zei Charles Pauws zachtjes. Charles Pauws is een moeilijke naam. Daarom werd hij thuis ook wel Lot genoemd. - Nee, hij is naar zijn vriendin toe! zei moeder Ottilie boos. Lot (Charles Pauws dus) greep even met een hand naar zijn hoofd. Moe werd je ervan.
- Hè moeder, zei hij. Rustig nou. Ik ga straks naar mijn vriendin Elly. Ik zit nu even met u gezellig een kopje koffie te drinken. Mijn vader is toch je man? Je moet niet zo'n ruzie met hem schoppen. Daar word je vroeg oud van.
De oorspronkelijke, hondsmoeilijke tekst staat
hier.
(5 augustus 2007)
Weemoedige rondleiding
'In het buitenland is men nog geneigd een scheet van een beroemde
schrijver in een flesje op te vangen en deze te koop aan te bieden, maar in
Nederland is men niet zo vereerderig', aldus schrijver Bart Chabot in een item
van actualiteitenrubriek
EenVandaag over het woonhuis van Couperus, dat nu alweer enkele maanden te
koop staat. Ondanks een pleidooi van Couperus-biograaf Frédéric Bastet om het
fraaie pand aan de Surinamestraat een passende bestemming te geven, houdt de
gemeente Den Haag de hand op de knip. Er is immers al een museum, waar een
gedeelte van Couperus' schrijfkamer is nagebootst (de auteur als pop van kunststof achter het authentieke schrijfbureau), en dat is al mooi genoeg.
Grote kans dus dat de zonnige kamer waar Eline Vere werd geboren straks
wordt verbouwd tot speelruimte voor rijke Haagse kids.
De sleutel tot de voordeur kost namelijk bijna drie miljoen euro, een bedrag dat het Genootschap, het Museum, of een andere stichting met warme gevoelens voor de auteur alleen maar bij elkaar kunnen drómen.
Wel was de makelaar bereid om, nu het nog kan, Eugenie Boer, conservator van
het Couperus Museum, een kijkje te laten nemen in de statige kamers van dit
cultuurmonument. Het zal een weemoedige en tantaliserende rondleiding
geweest zijn.
Hier kunnen we met haar meekijken. En fantaseren hoe de wereld er uit zou
zien als zij werd bestuurd door lieden met enig historisch besef.
(25 februari 2007)
Stem Couperus!
Naar het voorbeeld van het succesvolle Britse literaire
evenement The Big Read organiseren de NPS en NRC Handelsblad de verkiezing van
'het beste boek aller tijden'. Via de website
hetbesteboek.nl kan het publiek een keuze maken uit 250 voorgeselecteerde Nederlandstalige boeken. Men ook kan echter ook zelf een titel aandragen. Op 5 februari verschijnt op de website een shortlist van de tien beste boeken. Hierop kan men opnieuw een stem uitbrengen. Tijdens een
televisieuitzending, op zondag 11 maart, wordt uiteindelijk de winnaar
bekendgemaakt.
Welke auteur met deze eer dient te gaan strijken is natuurlijk volkomen
duidelijk. De vraag is alleen: met welk boek? Op de longlist staan alvast
drie titels van de schrijver genomineerd:
Eline Vere,
Van oude menschen... en
De stille kracht.
Maak een keus, maar aarzel niet, en zorg dat
De avond van het boek de avond van Louis Couperus wordt!
Tip: een goed gemotiveerde keuze telt dubbel!
(11 januari 2007)
De collectie-Eekhof
Op zaterdag 4 november zond
de
Avro een korte documentaire uit over de verkoop van de collectie-Eekhof, de grootste Couperus-verzameling ter wereld, aan het
Letterkundig Museum
en de
Koninklijke Bibliotheek. De documentaire is nu ook op
internet te zien.
Behalve Anton Korteweg, Frédéric Bastet en Eugenie Boer, komt ook Jan Eekhof zelf aan het woord.
De verzamelaar biecht op dat hij niet altijd even
eerlijk aan zijn spullen kwam. Toen hij ooit eens een mooi affiche van een
Eline Vere-voorstelling wilde hebben en zich met dat doel bij het desbetreffende theater vervoegde, bleken er geen exemplaren
meer van het hebbeding voorradig te zijn. Eekhof is toen maar op zijn knieën
gegaan en heeft toen - héél
voorzichtig - het affiche van de muur gepulkt.
Zoals
die andere grote Nederlandse auteur
ooit schreef: 'Een parelduiker vreest den modder niet.'
(7 januari 2007)
(Gu)(El)inevere
In het jongste nummer van
De Parelduiker
(2006, nr.3) verricht Frédéric Bastet, de nestor van het
hedendaagse Couperus-onderzoek, de aftrap voor een nieuwe reeks publicaties
die ongetwijfeld het licht zal zien naar aanleiding van de openbaarmaking van de
collectie-Eekhof. De omvangrijke Couperus-verzameling werd in juni
van dit jaar verkocht aan het
Letterkundig Museum en de
Koninklijke Bibliotheek, zodat het vermaarde, maar altijd met veel geheimzinnigheid omgeven Bibliofiele Wonder eindelijk
voor iedereen toegankelijk is. De verkoop werd zelfs belangrijk genoeg geacht
voor een uitgebreide
coverage op het
NOS-journaal.
Bastet buigt zich over een handgeschreven opdracht van Couperus in een eerste druk van
Eline Vere, die deel uitmaakt van de Eekhof-verzameling:
Aan mijne onvermoeide Secretaresse, met
het verzoek, altijd door,
aangedreven
te worden tot het schrijven van nieuwe romans.
Hoewel op zichzelf weinig opzienbarend, en bovendien reeds lang bekend bij
ingewijden, inspireerde de korte tekst de Couperus-biograaf
tot een onnavolgbaar staaltje biografisch associëren. Vroeg
Elsbeth Etty
zich nog onlangs af wie de aangesprokene zou kunnen zijn, voor Bastet is er
geen greintje twijfel dat de opdracht gericht is aan Elisabeth Baud. Sterker:
Couperus' eerste roman is een rechtstreekse hommage aan zijn latere vrouw, wat bovendien óók tot uitdrukking komt in de titel.
Om zijn stelling te onderbouwen wijst Bastet op het Guinevere-motief dat al vroeg in het
werk van Couperus opduikt. Elisabeth zou zich sterk hebben geïdentificeerd
met de echtgenote van de mythische koning Arthur, terwijl de auteur zichzelf
herkende in Lancelot, haar ridderlijke minnaar. Naamkundig gesproken is het maar
een kleine stap van Guinevere naar Eline Vere: men vervange de eerste
twee letters van de koningin door de eerste twee van Elisabeths naam. Aldus,
zo besluit Bastet zijn betoog, wordt 'een aantal afzonderlijke elementen in
een onweerlegbaar zinvol onderling verband geplaatst'.
(9 september 2006)
Eddy Merckx denderde over Kleine Zielen heen
Regelmatig wordt ons gevraagd of de televisieserie
De kleine zielen ooit weer eens wordt herhaald, of wanneer er nu
eindelijk eens een dvd-uitgave van de legendarische reeks wordt uitgebracht.
'Nooit,' is dan helaas steevast ons antwoord. De opname is namelijk deels
verloren gegaan. Wat is het geval? De NCRV - die de tiendelige serie in 1969 op
de televisie bracht - heeft op een gegeven moment de banden uitgeleend aan de BRT. Toen de Belgische omroep
een wielerwedstrijd met nationale held Eddy Merckx wilde vastleggen, greep men in de haast naar de band met het negende deel uit de serie... Tot zover de duurste productie uit de Nederlandse televisiegeschiedenis tot dan toe.
Wel heeft de NCRV nog op 22 mei 2002 in het kader van haar jubileum een bijna twee uur durende compilatie van De kleine zielen uitgezonden.
Voor wie vergeten is deze uitzending op te nemen is er nu wat digitale troost. Op de website van de NCRV zijn nu
enkele fragmenten uit de serie
te bekijken. Ook zijn daar allerlei
feitjes en wetenswaardigheden over de productie bij elkaar gebracht. Daarmee
zullen we het moeten doen. Of zal men in Hilversum het toch ooit nog eens op de
heupen krijgen en een nieuwe versie durven maken? Ellen Vogel, die toen
Constance speelde, zou nu in ieder geval een prachtige mama van Lowe kunnen
vertolken.
(14 mei 2006)
Leesclub
Een mooi initiatief
van een oud medium, waarbij het nieuwe medium, het
internet, een grote rol speelt: de
leesclub van NRC Handelsblad. Redacteuren van de krant
discussiëren samen met lezers over klassiekers uit de Nederlandse
literatuur. Iedere maand staat een ander boek centraal. Men begon met
Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans; in mei werd
De stille kracht van
Louis Couperus besproken.
NRC-medewerkers
Bas Heijne ('Als klein jongetje
zat Louis Couperus doodsbang in een donkere Indische badkamer. De resonantie
van die angst maakt De stille kracht tot een visionaire roman.'),
Michiel Leezenberg
('Couperus' kolonialisme heeft niets te maken met uitbuiting of
onderdrukking'),
Elsbeth Etty ('De stille kracht is geen kritiek op het koloniale
Europa') en
Pieter Steinz
('Het verhaal van de tragische held Van Oudijck is niet alleen Couperus'
beste boek, maar ook een van de grote werken van de wereldliteratuur') gaven
een voorzet, lezers reageren. En dat kan, na de verplichte registratie, overigens nog steeds.
(11 juni 2005)
'Ik zal me beperken'
Een unicum op de vaderlandse televisie: een avondvullend programma over literatuur. Op prime time nota bene! De quiz - ja, het moet
natuurlijk wel allemaal leuk blijven - vormde de opmaat van de zeventigste Boekenweek. Presentator Jeroen Pauw strooide luchtig met smakelijk kijkvoer voor de
beschaafde mens en stelde vragen die gelukkig eenvoudig genoeg waren om de gemiddelde
lezer het gevoel van enige deskundigheid te verschaffen.
Ook de vraag die over Louis Couperus werd gesteld leverde de kandidaten
geen problemen op. Deze werd ingeleid door het inmiddels beroemde, helaas geluidloze
filmpje waarop een pratende Couperus te zien is. De opname is gemaakt op 9 juni 1923,
tijdens een feestelijke huldiging ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag.
Een deskundige liplezer heeft ons geopenbaard wat de auteur
ons te vertellen heeft. Het zijn de weinig opzienbarende woorden: 'Ja, wat ik wou zeggen... ja dat heb ik... o tja... ik zal me
beperken...'
Voor degenen die het unieke fragment met Couperus hebben gemist: klik
hier. Als u de hele uitzending
van De avond van het Boek, door de NPS
uitgezonden op 7 maart op Nederland 3, wilt terugzien, klik dan
hier. De winnaar van
de quiz won, behalve een plek in de jury van de
AKO-literatuurprijs, een sculptuur van Jan Wolkers, geïnspireerd
op de roman De berg van licht van... Louis Couperus.
(9 maart 2005)
Hink-stap-sprong
De toekenning van de P.C. Hooft-prijs aan classicus, dichter, romancier, essayist en
Couperus-biograaf Frédéric Bastet (78) was voor velen een complete verrassing, niet in
de laatste plaats voor de gelauwerde zelf: 'het kwam als de bekende donderslag bij heldere
hemel. Zeker op mijn leeftijd. Doorgaans krijg je eerst de Constantijn Huygensprijs en
daarna maak je misschien kans op de P.C. Hooftprijs. Ik heb dus echt in één keer een
hink-stap-sprong gemaakt,' aldus Bastet in een vraaggesprek met Floor Ligtvoet in de Haagsche
Courant.
Vanzelfsprekend komt ook Louis Couperus ter sprake. Zijn biografie
maakte Bastet (en in zekere mate ook Couperus weer) bekend bij het grote publiek. In
hoeverre lijkt Bastet eigenlijk op zijn held, wil Ligtvoet weten: 'Ik houd wel van
Schoonheid met een hoofdletter, mooie spullen en muziek. Toch lijk ik niet op hem. Anderen
zeggen van wel, maar daar trek ik me niets meer van aan. We leiden toch echt andere
levens. Couperus was continue aan het reizen. Ik heb ook veel gereisd voor mijn beroep als
archeoloog, maar ik vond dat eigenlijk niets. Het liefst was ik thuis. Ik ben ook nooit
getrouwd geweest. Of ik wel homoseksueel ben? Daar laat ik mij niet over uit.'
(22 december 2004)
Een echte vent
Week-vrouwelijk, fatterig, suikerzoet, pompeus, overdreven, onecht. Ziehier enkele
kwalificaties waarmee Couperus door de contemporaine kritiek regelmatig om de oren werd
geslagen. In de tijd dat het estheticisme tot op zekere hoogte als literaire norm gold,
was die 'aanstellerij' van Couperus blijkbaar al te veel van het goede.
Men zou misschien verwachten dat de redactie van het tijdschrift Forum,
die zich in het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw immers met veel bravoure
aan het Démasqué der
Schoonheid wijdde, het werk van Couperus al helemaal als brandhout zou beschouwen. Het
tegendeel is waar. De Haagse auteur wordt in de eerste jaargang van het tijdschrift (1932)
zelfs naar voren geschoven als voorbeeld par excellence van een echte 'vent',
zoals de Forummers die zo graag zagen.
De 'open brief' aan
een zekere J.B. eindigt met: 'Ik zou - je kunt er om lachen of niet - willen volhouden,
dat Couperus, de kwast, de zijden, verfijnde dandy, een der weinige kerels is
geweest, die in het hollandsch geschreven hebben....'
Auteur van de 'brief' is de dichter Hendrik Marsman; zijn pleidooi voor
het werk van Couperus is ongeëvenaard in zijn enthousiasme. Behalve Langs lijnen van
geleidelijkheid is het vooral 'De binocle' die Marsmans geestdrift gaande maakt:
'(...) weet jij één verhaal, niet alleen van Couperus, maar van onze heele literatuur,
dat daarbij haalt?'
Alle vier de jaargangen van Forum, zonder twijfel
het invloedrijkste literaire tijdschrift
van de vorige eeuw, zijn vanaf heden te lezen op de website van de alsmaar uitdijende Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren.
(4 augustus 2004)
Help Couperus op de longlist!
De KRO organiseert dit jaar de Verkiezing
van de Grootste Nederlander Aller Tijden. Op de bijbehorende website kan de bezoeker
een keuze maken uit een royale lijst van 200 namen uit heden en verleden en uit
verschillende disciplines. Naar aanleiding van deze selectie wordt in het najaar een top
100 samengesteld. Na een afvalrace blijven de tien hoogstgeplaatsten over. Op 15 november
wordt bekendgemaakt wie uiteindelijk de prestigieuze titel, al dan niet postuum, in de
wacht sleept.
Aangezien rang- en hitlijstjes even amusant als onzinnig zijn, surfde
uw redacteur gezwind naar de website om in ieder geval vast één stem voor Neerlands
grootste romancier veilig te stellen. Even op de categorie 'Schrijvers
en dichters' klikken... aha! Daar staat Multatuli. Even verder zoeken... Bomans,
zozo... Reve, Wolkers, Campert, nounou... Vondel, Cats... goh, de oudjes doen gelukkig ook
mee. Maar waar staat Couperus toch? Even in de ogen wrijven en nog eens kijken...
Hadewijch, Hofland, Nijhoff, Vestdijk... Dan dringt het tot me door. Ongelooflijk, maar
waar: niks geen Couperus! Louis Marie Anne Couperus (1863-1923) staat niet op de lijst!
Kijk, nou wil ik niet gaan jammeren, ik begrijp dat het moeilijk kiezen
was, ik ben me er terdege van bewust dat Remco Campert een véél groter auteur dan
Couperus is, en ik weet heus wel dat onze auteur uiteindelijk geen enkele kans maakt tegen
Johan Cruijff en Pim Fortuyn, maar een longlist van 200 Nederlanders waarop Louis Couperus
schittert door afwezigheid: dat moet op een ongelukkig misverstand berusten!
Vooral als men bedenkt dat de lijst is samengesteld door onder anderen een neerlandicus
(Herman Pleij) en een literair auteur (Joost Zwagerman).
Gelukkig hebben zij rekening gehouden met blinde vlekken bij zichzelf.
Op de website kunt u via een formulier iemand nomineren die niet op de lijst voorkomt. Dus
er is nog hoop! Voorkom gezichtsverlies bij de jury! KLIK ALLEN HIER
en verstuur het formulier. Opdat gerechtigheid geschiede.
(1 mei 2004)
Couperus plagiaris?
Het zo beladen 'P-woord' valt nergens, maar het hangt als een donkere wolk boven haar
artikel: onderzoek dat neerlandica Mary Kemperink verrichtte naar de bronnen van Couperus'
reisschetsen toont aan dat de auteur, op z'n zachtst gezegd, wel erg zwaar leunde op
bekende reisboeken uit zijn tijd. Hij plunderde ze niet alleen voor allerhande feitjes en
anekdoten, uit enkele veelzeggende voorbeelden blijkt dat Couperus dikwijls passages uit
deze boeken (bijna) letterlijk overnam.
In haar essay 'De gidsen van Couperus. Bronnen en brongeruik in zijn
Italiaanse reisschetsen' (Spiegel der Letteren 2004, nr.1) is het Kemperink er
echter niet om te doen Couperus als plagiaris te ontmaskeren. Zij vraagt zich in de eerste
plaats af wat de manier waarop de auteur met zijn bronnen omgaat ons leert over zijn
poëtica. Hierdoor komt het accent vanzelf te liggen op wat hij veranderde, benadrukte,
wegliet en toevoegde.
Kemperink: 'Couperus blijkt zijn bronnen tamelijk nauwgezet te volgen,
maar er tegelijk sterk zijn eigen artistieke stempel op te drukken. Centraal staat steeds
de zintuiglijke ervaring van het moment en de emotie die deze ervaring bij hem teweeg
brengt. Persoonlijke (poëticale) elementen daarin zijn: de ervaring van de schoonheid en
weemoed, de bijna visionaire evocatie van het verleden, de esthetisch-decadente
verheerlijking van het gruwelijke, de zelfprojectie in het verleden, de voorkeur voor de
klassieke godsdienst boven het christendom en de sympathie voor homoseksuele
verhoudingen.'
(1 april 2004)
Op zoek naar de nieuwe Orlando
Op 27 november 1909 maakt de Nederlandse lezer voor het eerst kennis met de Italiaanse
vriend van Couperus. Vanaf dat moment zal deze vrijgezelle bon-vivant onder de fictieve
naam Orlando Orlandini regelmatig opduiken in Couperus' wekelijkse feuilletons voor de
krant Het Vaderland.
Gezien de erotische geladenheid van deze vriendschap ('Ik heb hem eens
gezegd dat hij mooi was, als een antiek beeld in een muzeum') is het niet verwonderlijk
dat deze Orlando Couperus-vorsers altijd tot de verbeelding heeft gesproken. Wie gaat er
schuil achter deze figuur?
Hoewel sommige onderzoekers hebben geopperd dat Orlando als individu
helemaal niet heeft bestaan en wellicht is samengesteld uit verschillende mensen uit
Couperus' omgeving, heeft de theorie van biograaf Frédéric Bastet uiteindelijk de meeste
ingang gevonden: hij identificeerde Orlando als Giulio Lodomez, broer van Couperus'
vriendin Emma Garzes.
In het nieuwste nummer van De Parelduiker, dat bijna geheel
aan Couperus is gewijd, trekt José Buschman, historica en medeoprichter van het Couperus
Genootschap, Bastets veronderstelling in twijfel. Is het bijvoorbeeld niet vreemd dat de
naam van Giulo niet één keer wordt genoemd in de brieven die Couperus aan Emma en haar
moeder schreef? Bovendien diende zich onverwacht een nieuwe Orlando-kandidaat aan.
Buschman bezocht het Italiaanse klooster, waar Couperus met Orlando zou hebben overnacht.
In de bewaard gebleven gastenboeken trof zij inderdaad de naam van Couperus en diens vrouw
aan, maar niet die van Giulio Lodomez. Boven de handtekening van Couperus stond wel een
andere naam die haar aandacht trok: Bernardino Mario Ciarabalà. Buschman: 'Het zijn twee
verschillende handschriften, maar als je goed kijkt, is het alsof Ciarabalà en Couperus
wel dezelfde (vul)pen hebben gebruikt. Lag die pen soms destijds op het visiteboek? Of
kwam die uit de binnenzak van Orlando?'
Daar zullen we ongetwijfeld meer van horen. De speurtocht naar Orlando,
de mysterieuze vriend van Couperus, kan opnieuw beginnen.
(7 maart 2004)
De psyche ontrafeld
Ondanks Couperus' grondige afkeer van ziekte en ouderdom, legde hij een grote interesse
aan den dag voor personen met allerlei psychische afwijkingen. Vooral Het heilige
weten, het vierde en laatste deel van de romancyclus De boeken der kleine zielen
biedt de lezer een staalkaart van uiteenlopende neurosen, verenigd in één familie. Voor
een recensente
destijds aanleiding om zich geïrriteerd af te vragen of de roman niet beter
'Gekken-zielen' had kunnen heten.
Op 22 november 2003 organiseerde de Brakmankring,
de Vestdijkkring
en het Louis Couperus Genootschap het symposium 'De zieke mens in de romanliteratuur',
naar het gelijknamige essay van Simon Vestdijk uit 1964. Karin Peterson, oud-voorzitter
van het Louis Couperus Genootschap, sprak daar over ziektebeelden in het werk van
Couperus. Haar lezing is gepubliceerd in de nieuwste aflevering van de Vestdijkkroniek
(nr.103, februari 2004).
In 'De psyche ontrafeld' toont Peterson aan dat Couperus in zijn roman
niet zomaar een stoet krankzinnigen aan ons voorbij laat trekken; zijn visie op psychische
stoornissen is sterk beïnvloed door de psychiatrische wetenschap, die rond 1900 een
grote ontwikkeling doormaakte. 'Etaleerde Couperus in Eline Vere nog een statisch
en deterministisch mensbeeld, waarin de temperamentenleer goed thuishoorde, in de laatste
roman [De boeken der kleine zielen] beschrijft hij met veel liefde een situatie,
waarin aandacht bestaat voor de onderliggende traumatische oorzaken die het gedrag van de
psychiatrische patiënt bepalen.'
De Vestdijkkroniek is gratis voor leden van de Vestdijkkring;
losse nummers kosten
6,-.
(26 februari 2004)
Mooie sokken
Behalve als wekelijks opinieweekblad verschijnt Elsevier dit jaar
ook als maandelijkse glossy: Elsevier Thema. Het septembernummer is gewijd aan mannenmode.
Onder de titel 'Orchidee onder de uien' laat Couperus-biograaf
Frédéric Bastet in dit nummer nog eens alle clichés over Couperus als perfect geklede
dandy de revue passeren.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog schnabbelde de immer om geld verlegen
auteur bij door voor te dragen uit eigen werk. Het publiek had bij deze gelegenheden meer
oog voor zijn onberispelijk toilet dan oor voor zijn schrijfsels. Zijn confrater Johan de
Meester schreef: 'ik was mij tot gisteren onbewust, dat er zúlke mooie sokken bestaan,
met één breed wit streepje en vele smalle, fijn uit de lage lak schoentjes lijnend.'
En dan is er nog Couperus' beruchte roze smoking, die heden ten dage
als een koddige relikwie in het Letterkundig
Museum wordt bewaard. Denken velen misschien dat Couperus hierin over het Lange
Voorhout huppelde, als opzichtige relnicht avant la lettre, in werkelijkheid was het een
kostuum dat Couperus zich speciaal had laten aanmeten voor het carnaval in Nice, toen roze
de voorgeschreven kleur was. Eigenlijk was Couperus' smaak betrekkelijk sober. Dat blijkt
tenminste uit zijn bijdrage voor een reclamefolder van het kleding magazijn Kattenburg
& Co. Hierin schreef hij dat hij dankbaar was dat 'onze mode zoo praktisch was, zoo
eenvoudig, zoo streng.' Maar, zo relativeert Bastet weer, hij kon moeilijk iets anders
beweren: hij kreeg van Kattenburg maar liefst vijfentwintig gulden voor zijn artikeltje.
Hoe dan ook: hij mocht dan misschien een 'kunstig bloeisel van fatterigheid' zijn, zoals
André de Ridder ooit schreef, Couperus was blijkbaar bovenal een praktisch persoon, een
man van de wereld, die wist wat er te koop was én verkocht kon worden.
(10 september 2003)
Drakevlerken
Tachtig jaar geleden reisde Couperus als speciaal correspondent van de Haagsche Post
naar het Verre Oosten. De reportages die hij schreef over Japan en China werden in 1925,
bijna twee jaar na zijn dood, gebundeld in het boek Nippon.
Toen fotograaf Paul van Riel dit
boek onlangs in handen kreeg, realiseerde hij zich hoe goed de foto's die hij de afgelopen
jaren had gemaakt, aansloten bij de beschrijvingen van Couperus. In nr. 18 (mei 2003) van HP/De Tijd, de opvolger van de Haags(ch)e Post, staan enkele
foto's van de fotograaf afgedrukt, met daaronder een aantal citaten van Couperus.
En inderdaad: of het nu gaat om 'de jonkezeilen als drakevlerken of
immense vinnen van reuzenvisschen' op de Parelrivier bij Guangzhou, 'de visschen karmijn
op den graat de vleezen bloederig purper' in de winkels van Canton, of 'al die papiertjes,
die gewonden zijn om de takken van een prachtigen magnolia-heester in vollen bloei' in
Nikko, het is er allemaal nog, zoals de foto's van Paul van Riel mooi laten zien. Van Riel
deelt de gemengde gevoelens die Couperus koesterde voor het moderne Japan: 'Natuurlijk is
er nog steeds veel moois te zien in Japan, maar in een relatief klein land dat in
Couperus' tijd al overbevolkt was en inmiddels 120 miljoen inwoners heeft, (
),
worden al die tempels, heiligdommen en parken steeds meer opgeslokt door het uiterst
chaotische straatbeeld. (
) Wanneer hij klaagt over de barstensvolle treinen en de
bij elke tempel en elk station aanwezige lawaaiige groepen scholieren, dan voel ik met hem
mee.'
(3 mei 2003)
Het graf van Eline Vere
Toen de eerste afleveringen van Eline Vere in Het Vaderland waren verschenen, gonsde het in de
hofstad van de geruchten. Welke jonge, Haagse freule stond model voor de ongelukkige
heldin? Couperus wist haar immers zó levensecht te beschrijven, dat zij wel haar
equivalent in de werkelijkheid móest hebben. Hoewel Couperus, in navolging van Flaubert,
verklaarde: 'Eline Vere, dat ben ikzelf', sluit zijn biograaf Frédéric Bastet niet uit
dat de hoofdpersoon van de roman deels is terug te voeren op een meisje van vlees en
bloed. Degene die volgens Bastet de beste papieren bezat, was Virginie la Chapelle. Zij
componeerde de muziek voor de kinderoperette De schoone slaapster in het bosch,
waarvoor Couperus het libretto schreef. Zij stierf op jonge leeftijd aan tuberculose.
Casper Postmaa van de Haagsche Courant wist het graf van Couperus' muze te traceren. Zij
ligt begraven op dezelfde plek als Couperus: Oud Eik en Duinen in Den Haag. Dat het graf niet eerder was opgemerkt,
wekt geen verwondering: op de steen geen spoor van haar naam, maar slechts de tekst 'to be
or not to be, that's the question' en 'Heilig deze tombe met smarte gewijd aan de
verstorvene jeugd'.
(20 april 2003)
Grimmige genootschappen
Naast alle hijgerige publiciteit over hommeles in het koningshuis, is er in weekblad HP/De Tijd (nr.10)
gelukkig ook nog ruimte voor een reportage over zoiets bedaagds als literaire
genootschappen. Hoewel... bedaagd? Volgens Peter Hoomans, schrijver van het artikel, is
ook de wereld der schrijverskluppies een ware slangenkuil. Ondanks dat de meeste leden
allang met korting de bus in mogen - de vergrijzing is voor veel genootschappen een groot
probleem - schijnen ze elkaar geregeld in de uitgedunde haren te vliegen. Haat en nijd
binnen de Vestdijkkring. Kinnesinne in The Blue Poet Society (de
Boudewijn Büch-fanclub). Gekrakeel tussen twee Hermans Genootschappen. 'Ik dacht dat ik
in het bestuur van en literair genootschap zat,' vertelt Ria Albers, secretaris van de
Vestdijkkring, 'maar het leek wel oorlog.'
Het Louis Couperus Genootschap wordt door Hoomans, samen met het Multatuli Genootschap en het Willem Elsschot Genootschap, tot de braafste
jongetjes van de klas gerekend: 'Gezelschappen als deze vergaderen niet alleen uitgebreid
over de verenigingsstructuur en slaan elkaar niet alleen bij tijd en wijle het hoofd in
over de te varen koers, maar organiseren ook wandelingen langs woonplaatsen van de auteur
of plekken die een rol spelen in zijn werk; ze geven jaarboeken uit en een periodiek
waarin alles wordt bijgehouden waarin de naam van de geliefde auteur opduikt.' Waarvan
akte.
(5 maart 2003)
Kokette cocotte
De biografische honger van Frédéric Bastet lijkt nog niet gestild. In het laatste nummer
van De Parelduiker (nr.5) onderzoekt de Couperus-biograaf in hoeverre de
flamboyante Brusselse tante van Eline Vere, Elize, gebaseerd kan zijn op een bestaande
figuur.
In het boek Uit de suiker in de tabak (1884) van P.A. Daum is een kleine rol weggelegd voor een opmerkelijke dame. Nou
ja, dame: ondanks haar naam - barones Coombergh de Resfeldt - is zij van oorsprong een
levenslustig deerntje uit de Rotterdamse achterbuurten. Zij wist toevallig een oude baron
aan de haak te slaan, die al snel na hun huwelijk overleed. Gerard Temorshuizen schrijft
in zijn biografie van Daum dat de romanfiguur is gemodelleerd naar de lichtzedige Elise
van der Meyde die trouwde met de veertig jaar oudere Jonkheer Otto Carel Holmberg de
Beckfelt, een voormalige bestuursambtenaar op Java die schatten heeft verdiend in de
suiker.
Bastet, die in zijn artikel een aantal aardige anekdotes over deze
Elise serveert, probeert op zijn beurt de lezer ervan te overtuigen dat Elize, de
romanfiguur uit Eline Vere, wel erg veel overeenkomsten heeft met de wufte douairière die
eerder Daum inspireerde. Couperus heeft hem waarschijnlijk goed gelezen, maar vond tevens
dat Daum kansen had laten liggen, aldus Bastet. Hij suggereert hiermee dat de auteur van
Eline Vere het portret van Elize gedeeltelijk naar de werkelijkheid heeft geschilderd en
de kokette cocotte dus persoonlijk heeft gekend.
Het is een miniscuul pareltje dat Bastet uit de modder van de
geschiedenis heeft gevist. Dat wil niet zeggen dat zijn verhaal niet lezenswaard is, ook
al zullen we waarschijnlijk nooit zeker weten of het een vals pareltje betreft.
(28 januari 2003)
Handen nog warm van de fazant
L.H. Wiener is behalve auteur ook leraar Engels. In Van Gigch, een personage uit zijn pas
verschenen roman Nestor, portretteert Wiener deels zichzelf als lesgevende schrijver.
In de Haagsche Courant van 29 november vertelt Wiener onder meer
over zijn ervaringen als docent: 'De leraar is in het huidige onderwijs gereduceerd tot
een boekhouder. Hij mag administreren welke werkstukjes zijn leerlingen hebben gemaakt. Ik
heb meegemaakt dat ik op een gegeven moment alleen nog maar zat te speuren naar de
opzettelijke fouten in de werkstukken van leerlingen, gemaakt om de informatie die zij van
het internet hadden geplukt nog een persoonlijk tintje te geven. Maar zo'n leraar wil ik
niet zijn. Dat staat niet in mijn contract. Ik wil mijn enthousiasme voor literatuur over
kunnen brengen, ik wil kunnen vertellen. Ik wil leerlingen een gedicht voorleggen en er op
zo'n manier over praten, dat er iets gaat leven. Al zijn het maar een of twee leerlingen,
dat is genoeg. Daarbij zal wel meespelen dat ik zelf zo'n jongetje was. Ik heb een leraar
Nederlands gehad die op zo'n plechtstatige, gedreven manier voorlas uit de Naumachie van
Couperus. Daar zat ik dan, mijn handen nog warm van de fazant die ik in de duinen had
gevangen, en ik was diep onder de indruk.'
(29 december 2002)
Couperus wird neu entdeckt
In Duitsland is er een échte cultuurzender, waar men regelmatig aandacht besteedt aan...
literatuur. Zelfs, jawohl, aan een obscure, bijna tachtig jaar dode, Nederlandse auteur.
Luister en kijk naar een fragment van 'Kulturzeit', een programma van de zender Sat3: Catherine Ann Berger in gesprek met de Duitse literatuurcriticus
Thomas Steinfeld over Die langen Linien der Allmählichkeit, de nieuwe Duitse
vertaling van Couperus' roman Langs lijnen van geleidelijkheid (1900).
(15 december 2002)
Animale gevoelens
J.L. Heldring, de éminence grise van columnerend Nederland, wordt 85 en verhuist
binnenkort naar een serviceflat. Daar kan hij slechts een klein deel van zijn bibliotheek
onderbrengen, maar zijn Couperussen gaan in ieder geval mee. In 'zijn' NRC belijdt Heldring in een paginagroot interview
zijn liefde voor het werk van Louis Couperus:
'Couperus is een goede schrijver, een van de grootste in Nederland.
[...] Hij is wijdlopig, maar zijn beschrijvingen van de psychologie van zijn personages,
van het typisch Haagse milieu waarin ze leven, van hun drama's - die zijn goed.'
Heldring las twee keer aan zijn vrouw Langs lijnen van geleidelijkheid voor.
Vooral de beschrijving van de 'fysieke, bijna animale gevoelens' van de hoofdpersoon kan
hem wel bekoren:
'Couperus beschrijft het prachtig, maar zonder in details te treden.
Die kende hij waarschijnlijk niet. Zijn Engelse uitgever had bezwaar tegen die laatste
scène, als de vrouw in bed ligt te wachten op wat komen gaat. Dat woord "bed"
wilde hij er niet in hebben. Couperus schreef aan zijn vertaler: maak er dan maar
"sofa" van.'
(9 december 2002)
Wat is er tegen restauratie?
In de VPRO-gids nr.47
staat een discussie afgedrukt tussen architect Herman Hertzberger en Wim T. Schippers, die
zich beijvert voor de herbouw van het Amsterdamse
Paleis voor Volksvlijt. Couperus fungeert als argument:
Hertzberger: 'Prima, zo'n glaspaleis, maar bouw het op een moderne
manier. Je gaat toch ook niet een roman schrijven in de stijl van Louis Couperus?'
Schippers: 'Het is alsof wij de resten van een roman van Couperus
hebben gevonden en die roman willen we reconstrueren. Het is geweldig om dat schitterende
gebouw op die plaats terug te zien, dat is het enige wat ik wil. Wat is er tegen
restauratie?'
(24 november 2002)