Begin/Nieuwe binocle | RSS | Nieuws

Wij houden onze binocle oplettend gericht op verschillende media, altijd alert op de opduikende gestalte van Louis Couperus. Ontging ons iets? Zou kunnen... Neem het ons niet kwalijk, maar mail en breng ons op de hoogte!
Let op: internet is een veranderlijk medium. Sommige links kunnen u inmiddels leiden naar niet bedoelde pagina's of... helemaal niets.


Flat characters

Het juninummer van het tijdschrift Indische Letteren is gewijd aan 'het beeld van de inheemse bevolking in de Indisch-Nederlandse literatuur'. Vanzelfsprekend wordt hierin ook aandacht besteed aan Couperus' De stille kracht (1900). In een beknopt artikel bespreekt Geert Onno Prins de personages Soenario, Si-Oudijck, Oerip en Saïna in het licht van de veranderende verhoudingen tussen het Europese en inlandse bestuur rond 1900. Deze personages zijn volgens Prins flat characters; ze maken, in tegenstelling tot hun Nederlandse tegenspelers, geen ontwikkeling door, maar ze nuanceren wel het 'stereotiepe beeld' dat uit andere romans uit diezelfde periode naar voren komt. Vooral het conflict tussen resident Van Oudijck en regent Soenario zou de veranderende economische verhoudingen tussen de Europese koloniale mogendheden en hun Aziatische kolonies weerspeigelen. Daarbij blijft Couperus zijn personages, ook de 'inlanders', als mensen van vlees en bloed beschrijven, zonder ze expliciet te veroordelen: 'niets menselijks is hun vreemd', aldus Prins. Indische Letteren wordt uitgegeven door de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde. Losse nummers kunnen worden besteld door 8,50 euro over te maken op postbanknummer 1977068 onder vermelding van het betreffende nummer.
(12 september 2009)

Couperus en de islam
'Voor Couperus was de islam in de eerste plaats een godsdienst met een bepaalde stemming, een gemoedsgesteldheid die kenmerkend was voor de wereld van het Oosten.' Aldus Jan Fontijn in zijn essay 'Weemoed op weemoed gestapeld. De melancholie van de islam', dat onlangs in Tirade (nr.427, maart 2009) verscheen. Fontijn peilt de overeenkomsten tussen Couperus, de contemporaine schrijver van haremromans Pierre Loti, en de avontuurlijke woestijnreizigster Isabelle Eberhardt, die alledrie de 'melancholie van de islam' beschreven. Vooral de vergelijking met Loti levert interessante inzichten op in het 'oriëntalisme' van Couperus. Thema's als melancholie, fantasie, exotisme, het verleden als tegengesteld aan een onbevredigend heden en de 'broosheid der dingen' treft men zowel in Loti's Figures et choses qui passaient (uit 1898!) als bij de auteur van Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan...
    'Bastet, de biograaf van Couperus, meent dat diens indrukken van het Midden-Oosten oppervlakkig blijven. Ik ben het daar niet mee eens,' schrijft Fontijn. 'Het picturale oog waarmee hij de oosterse werkelijkheid bekeek verraadt een grote vertrouwdheid met de oosterse traditie in de negentiende-eeuwse schilderkunst in binnen- en buitenland (...). Zonder overdrijving kan men stellen dat het leven van Louis Couperus door de wereld van het Oosten werd bepaald.' Couperus verwerkte zijn indrukken van het Oosten onder andere in de postuum uitgegeven bundel reisverslagen Oostwaarts en in de roman De ongelukkige. Fontijn vergeet ook niet de passage uit De stille kracht te citeren, waarin resident Van Oudijck door de Arabische wijk van Laboewangi rijdt, een 'stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan het notabele Laboewangi', dat 'het onuitzegbare mysterie [scheen] uit te donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad, of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond...'
(29 maart 2009)

Ommezwaai
Het septembernummer van het tijdschrift Indische Letteren is in z’n geheel gewijd aan Louis Couperus. De interessantste bijdrage is van de Zweedse onderzoeker Åsa Josefson. Centraal in het gedegen betoog staan de twee diametraal tegenover elkaar staande visies die Couperus op het kolonialisme ontvouwt in respectievelijk De stille kracht (1900) en Oostwaarts (1923). In de eerstgenoemde roman is de verteller bijzonder kritisch tegenover de westerse overheersing in Indië, en lijkt het einde daarvan aanstaande en onomkeerbaar. Ruim twintig jaar later is Couperus' standpunt in deze kwestie ronduit reactionair: het gekolonialiseerde volk is geboren om te dienen, zo vindt de auteur, en hij zingt de lof van de hard werkende overheersers, die worden voorgesteld als helden. Bovendien: 'Met onbreekbare banden zijn wij aan Indië verbonden, een ramp zoû het zijn voor Holland en Indië beiden, zoo ooit dezen werden gebroken.'
    Josefson geeft drie mogelijke verklaringen voor deze ommezwaai. Ten eerste het verschil tussen het genre van de roman en de journalistiek ('Couperus kon dieper gaan in een roman dan in een krant'). Als tweede mogelijkheid noemt de auteur de gevoelens van nostalgie die zich van de oudere Couperus meester zouden hebben gemaakt, en ten derde zou het tijdsverschil een rol kunnen spelen: 'de maatschappij is geëvolueerd, wat zeker weerspiegeld wordt in de teksten van Couperus', aldus Josefson.
    Een vierde, nogal voor de hand liggende hypothese blijft onvermeld. Zoals bekend heeft Couperus bij het schrijven van De stille kracht de hulp ingeroepen van zijn zwager Gerard de la Valette, destijds resident te Passoeroean. Heeft Couperus, die immers ook in die tijd niet bepaald als progressief denker bekend stond, niet alleen dankbaar gebruik gemaakt van diens kennis van bestuurlijke aangelegenheden, maar misschien ook de dramatische mogelijkheden ingezien van de (wellicht kritische) visie van zijn zwager op het kolonialisme? Men zou om deze vraag te kunnen beantwoorden de vele publicaties die Valette, overigens een bewonderaar van Multatuli, in Indische tijdschriften publiceerde, nader moeten bestuderen.
(19 oktober 2008)

Een fontein van champagne
In 2006 publiceerde de historicus Martijn Icks het Couperus Cahier Heliogabalus: geschiedenis, droom en nachtmerrie, waarin hij zich afvroeg of de Romeinse keizer eigenlijk wel zo door- en doorslecht was als de antieke bronnen ons willen doen geloven. Voor het tijdschrift Geschiedenis der Geneeskunde (nr.1, december 2007), stelt hij zich de vraag waarom het juist Heliogabalus was die in het fin de siècle kon uitgroeien tot hét icoon van de androgynie. Daarbij passeert niet alleen De berg van licht de revue, maar betrekt Icks ook Élagabal van Henry Mirande, Héliogabale van Auguste Villeroy, L'agonie van Jean Lombard en kunstwerken van Gustav Adolf-Mossa en Simeon Solomon in zijn verhaal. Hieruit blijkt onder meer dat alleen Louis Couperus echt sympathie voor zijn onderwerp kon opbrengen.
    De berg van licht heeft al een aantal jaren de niet-aflatende aandacht van publiciste Caroline de Westenholz. Waar het Icks vooral te doen is om de (beeldvorming van de) historische figuur van keizer Heliogabalus, daar belicht De Westenholz de religieuze achtergronden van Couperus’ magnum opus. Dat deed ze zeer uitgebreid in een indrukwekkende reeks van publicaties voor Arabesken; voor Kleio, tijdschrift voor oude talen en antieke cultuur (nr.1, oktober-december 2007) zet ze haar bevindingen nog eens kernachtig uiteen. Ze betoogt dat Couperus in deze historische roman een aantal oeroude religies met elkaar verbond. Zo is de kosmologie, zoals uiteengezet door hogepriester Hydaspes, ontleend aan de van oorsprong joodse kabbala, terwijl het concept van de androgyne messias een gnostische opvatting is. Heliogabalus' dans rond de Zwarte Steen is weer geïnspireerd door het tantrisme, het 'linkerpad' van het shivaïsme uit het alleroudste India. De ondertitel van haar opstel, 'Een fontein van champagne', verwijst naar een dorstigmakende anekdote in het begin van haar betoog, die de abstracte stof op een aardige manier inzichtelijk maakt.
(6 februari 2008)

Verledene opulentie
'Ah, de romantiek van vergane glorie! Al in de jaren zeventig lazen we Louis Couperus' novelle Aan de weg der vreugde (...). Meteen wilden we erheen: naar Bagni di Lucca! Maar er kwam, zoals het gaat met die dingen niets van. Soms reden wij er op slechts veertig kilometer voorbij, met spoed op weg naar nog verder zuidwaarts gelegen bestemmingen, en eenmaal was ik zelfs met de racefiets in het Lucca, een prachtige stad, vooral voor tienen en na zevenen als de stoeten dagjesmensen verdwenen zijn en je voetstappen weerklinken tegen de oude muren van de wonderlijk goed bewaard gebleven vestingstad. En nu, dertig jaar later, zijn we toch nog op weg naar Bagni di Lucca. We willen er niet zomaar aankomen, per trein of bus, maar het te voet benaderen.'
    John Jansen van Galen treedt in de voetsporen van Couperus en bezocht voor Het Parool het Toscaanse dorp, waar 'een adem van vroegere vorstelijkheid, van verledene opulentie dreef tussen de groene schaduwen'. Na urenlang dwalen moest de wandelaar toch een lift accepteren van landgenoten om er te geraken en vraagt zich vervolgens af hoe lang zulke schilderachtige plaatsen nog zullen bestaan: 'Er wonen doorgaans alleen een paar bejaarde mensen en er staan gerenoveerde tweede huizen van rijke Engelsen.'
(23 september 2007)

Van oude lullen
Verleden week werd bekend dat de auteurs Marjan Berk en Yvonne Kroonenberg zijn aangezocht om hun boeken om te werken tot versies die ook door laaggeletterden begrepen kunnen werken. Wellicht een gat in de markt?
    Wim de Bie stelt op zijn Bieslog voor om ook het werk van grote dode schrijvers te hertalen. Immers: ook hooggeletterden zijn vaak zwakke lezers. De Bie vroeg zich af hoe het begin van Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... zou kunnen worden bewerkt. Hij deed de volgende poging:

Oude lullen moeten weg

Een man die Stein heette had een lage stem. In het halletje van zijn huis riep hij de hond die Jack heette:
- Kom Jack, ga je mee met de baas? Kom!
De hond was boven. Hij begon meteen te blaffen. En hij rende de trap af.
De vrouw van Stein heette Ottilie. Zij zat in de huiskamer te lezen.
Zij werd kwaad op Stein omdat hij zo hard om de hond riep.
- O, die lage rotstem! zei ze boos.
Charles Pauws was de zoon van Ottilie. Hij keek naar zijn moeder en glimlachte. Na het eten dronk hij met zijn moeder een kopje koffie voordat hij naar zijn vriendin Elly zou gaan. Vader was met de hond uitgegaan en het werd stil in huis. Charles Pauws keek naar zijn schoenen. Hij vond dat ze goed zaten.
- Waar is Stein naar toe, Lot? vroeg de moeder. Ze klonk ongerust.
- Vader is gaan wandelen met hond Jack, zei Charles Pauws zachtjes. Charles Pauws is een moeilijke naam. Daarom werd hij thuis ook wel Lot genoemd. - Nee, hij is naar zijn vriendin toe! zei moeder Ottilie boos. Lot (Charles Pauws dus) greep even met een hand naar zijn hoofd. Moe werd je ervan.
- Hè moeder, zei hij. Rustig nou. Ik ga straks naar mijn vriendin Elly. Ik zit nu even met u gezellig een kopje koffie te drinken. Mijn vader is toch je man? Je moet niet zo'n ruzie met hem schoppen. Daar word je vroeg oud van.

De oorspronkelijke, hondsmoeilijke tekst staat hier.
(5 augustus 2007)

Weemoedige rondleiding
'In het buitenland is men nog geneigd een scheet van een beroemde schrijver in een flesje op te vangen en deze te koop aan te bieden, maar in Nederland is men niet zo vereerderig', aldus schrijver Bart Chabot in een item van actualiteitenrubriek EenVandaag over het woonhuis van Couperus, dat nu alweer enkele maanden te koop staat. Ondanks een pleidooi van Couperus-biograaf Frédéric Bastet om het fraaie pand aan de Surinamestraat een passende bestemming te geven, houdt de gemeente Den Haag de hand op de knip. Er is immers al een museum, waar een gedeelte van Couperus' schrijfkamer is nagebootst (de auteur als pop van kunststof achter het authentieke schrijfbureau), en dat is al mooi genoeg. Grote kans dus dat de zonnige kamer waar Eline Vere werd geboren straks wordt verbouwd tot speelruimte voor rijke Haagse kids.
    De sleutel tot de voordeur kost namelijk bijna drie miljoen euro, een bedrag dat het Genootschap, het Museum, of een andere stichting met warme gevoelens voor de auteur alleen maar bij elkaar kunnen drómen.
    Wel was de makelaar bereid om, nu het nog kan, Eugenie Boer, conservator van het Couperus Museum, een kijkje te laten nemen in de statige kamers van dit cultuurmonument. Het zal een weemoedige en tantaliserende rondleiding geweest zijn. Hier kunnen we met haar meekijken. En fantaseren hoe de wereld er uit zou zien als zij werd bestuurd door lieden met enig historisch besef.
(25 februari 2007)

Stem Couperus!
Naar het voorbeeld van het succesvolle Britse literaire evenement The Big Read organiseren de NPS en NRC Handelsblad de verkiezing van 'het beste boek aller tijden'. Via de website hetbesteboek.nl kan het publiek een keuze maken uit 250 voorgeselecteerde Nederlandstalige boeken. Men ook kan echter ook zelf een titel aandragen. Op 5 februari verschijnt op de website een shortlist van de tien beste boeken. Hierop kan men opnieuw een stem uitbrengen. Tijdens een televisieuitzending, op zondag 11 maart, wordt uiteindelijk de winnaar bekendgemaakt.
    Welke auteur met deze eer dient te gaan strijken is natuurlijk volkomen duidelijk. De vraag is alleen: met welk boek? Op de longlist staan alvast drie titels van de schrijver genomineerd: Eline Vere, Van oude menschen... en De stille kracht.
    Maak een keus, maar aarzel niet, en zorg dat De avond van het boek de avond van Louis Couperus wordt! Tip: een goed gemotiveerde keuze telt dubbel!
(11 januari 2007)

De collectie-Eekhof
Op zaterdag 4 november zond de Avro een korte documentaire uit over de verkoop van de collectie-Eekhof, de grootste Couperus-verzameling ter wereld, aan het Letterkundig Museum en de Koninklijke Bibliotheek. De documentaire is nu ook op internet te zien. Behalve Anton Korteweg, Frédéric Bastet en Eugenie Boer, komt ook Jan Eekhof zelf aan het woord.
    De verzamelaar biecht op dat hij niet altijd even eerlijk aan zijn spullen kwam. Toen hij ooit eens een mooi affiche van een Eline Vere-voorstelling wilde hebben en zich met dat doel bij het desbetreffende theater vervoegde, bleken er geen exemplaren meer van het hebbeding voorradig te zijn. Eekhof is toen maar op zijn knieën gegaan en heeft toen - héél voorzichtig - het affiche van de muur gepulkt. Zoals die andere grote Nederlandse auteur ooit schreef: 'Een parelduiker vreest den modder niet.'
(7 januari 2007)

(Gu)(El)inevere
In het jongste nummer van De Parelduiker (2006, nr.3) verricht Frédéric Bastet, de nestor van het hedendaagse Couperus-onderzoek, de aftrap voor een nieuwe reeks publicaties die ongetwijfeld het licht zal zien naar aanleiding van de openbaarmaking van de collectie-Eekhof. De omvangrijke Couperus-verzameling werd in juni van dit jaar verkocht aan het Letterkundig Museum en de Koninklijke Bibliotheek, zodat het vermaarde, maar altijd met veel geheimzinnigheid omgeven Bibliofiele Wonder eindelijk voor iedereen toegankelijk is. De verkoop werd zelfs belangrijk genoeg geacht voor een uitgebreide coverage op het NOS-journaal.
    Bastet buigt zich over een handgeschreven opdracht van Couperus in een eerste druk van Eline Vere, die deel uitmaakt van de Eekhof-verzameling:

Aan mijne onvermoeide Secretaresse, met
het verzoek, altijd door, aangedreven
te worden tot het schrijven van nieuwe romans.


Hoewel op zichzelf weinig opzienbarend, en bovendien reeds lang bekend bij ingewijden, inspireerde de korte tekst de Couperus-biograaf tot een onnavolgbaar staaltje biografisch associëren. Vroeg Elsbeth Etty zich nog onlangs af wie de aangesprokene zou kunnen zijn, voor Bastet is er geen greintje twijfel dat de opdracht gericht is aan Elisabeth Baud. Sterker: Couperus' eerste roman is een rechtstreekse hommage aan zijn latere vrouw, wat bovendien óók tot uitdrukking komt in de titel. Om zijn stelling te onderbouwen wijst Bastet op het Guinevere-motief dat al vroeg in het werk van Couperus opduikt. Elisabeth zou zich sterk hebben geïdentificeerd met de echtgenote van de mythische koning Arthur, terwijl de auteur zichzelf herkende in Lancelot, haar ridderlijke minnaar. Naamkundig gesproken is het maar een kleine stap van Guinevere naar Eline Vere: men vervange de eerste twee letters van de koningin door de eerste twee van Elisabeths naam. Aldus, zo besluit Bastet zijn betoog, wordt 'een aantal afzonderlijke elementen in een onweerlegbaar zinvol onderling verband geplaatst'.
(9 september 2006)

Eddy Merckx denderde over Kleine Zielen heen

Regelmatig wordt ons gevraagd of de televisieserie De kleine zielen ooit weer eens wordt herhaald, of wanneer er nu eindelijk eens een dvd-uitgave van de legendarische reeks wordt uitgebracht. 'Nooit,' is dan helaas steevast ons antwoord. De opname is namelijk deels verloren gegaan. Wat is het geval? De NCRV - die de tiendelige serie in 1969 op de televisie bracht - heeft op een gegeven moment de banden uitgeleend aan de BRT. Toen de Belgische omroep een wielerwedstrijd met nationale held Eddy Merckx wilde vastleggen, greep men in de haast naar de band met het negende deel uit de serie... Tot zover de duurste productie uit de Nederlandse televisiegeschiedenis tot dan toe. Wel heeft de NCRV nog op 22 mei 2002 in het kader van haar jubileum een bijna twee uur durende compilatie van De kleine zielen uitgezonden.
    Voor wie vergeten is deze uitzending op te nemen is er nu wat digitale troost. Op de website van de NCRV zijn nu enkele fragmenten uit de serie te bekijken. Ook zijn daar allerlei feitjes en wetenswaardigheden over de productie bij elkaar gebracht. Daarmee zullen we het moeten doen. Of zal men in Hilversum het toch ooit nog eens op de heupen krijgen en een nieuwe versie durven maken? Ellen Vogel, die toen Constance speelde, zou nu in ieder geval een prachtige mama van Lowe kunnen vertolken.
(14 mei 2006)

Leesclub

Een mooi initiatief van een oud medium, waarbij het nieuwe medium, het internet, een grote rol speelt: de leesclub van NRC Handelsblad. Redacteuren van de krant discussiëren samen met lezers over klassiekers uit de Nederlandse literatuur. Iedere maand staat een ander boek centraal. Men begon met Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans; in mei werd De stille kracht van Louis Couperus besproken.
    NRC-medewerkers Bas Heijne ('Als klein jongetje zat Louis Couperus doodsbang in een donkere Indische badkamer. De resonantie van die angst maakt De stille kracht tot een visionaire roman.'), Michiel Leezenberg ('Couperus' kolonialisme heeft niets te maken met uitbuiting of onderdrukking'), Elsbeth Etty ('De stille kracht is geen kritiek op het koloniale Europa') en Pieter Steinz ('Het verhaal van de tragische held Van Oudijck is niet alleen Couperus' beste boek, maar ook een van de grote werken van de wereldliteratuur') gaven een voorzet, lezers reageren. En dat kan, na de verplichte registratie, overigens nog steeds.
(11 juni 2005)

'Ik zal me beperken'
Een unicum op de vaderlandse televisie: een avondvullend programma over literatuur. Op prime time nota bene! De quiz - ja, het moet natuurlijk wel allemaal leuk blijven - vormde de opmaat van de zeventigste Boekenweek. Presentator Jeroen Pauw strooide luchtig met smakelijk kijkvoer voor de beschaafde mens en stelde vragen die gelukkig eenvoudig genoeg waren om de gemiddelde lezer het gevoel van enige deskundigheid te verschaffen.
    Ook de vraag die over Louis Couperus werd gesteld leverde de kandidaten geen problemen op. Deze werd ingeleid door het inmiddels beroemde, helaas geluidloze filmpje waarop een pratende Couperus te zien is. De opname is gemaakt op 9 juni 1923, tijdens een feestelijke huldiging ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag.
    Een deskundige liplezer heeft ons geopenbaard wat de auteur ons te vertellen heeft. Het zijn de weinig opzienbarende woorden: 'Ja, wat ik wou zeggen... ja dat heb ik... o tja... ik zal me beperken...'
    Voor degenen die het unieke fragment met Couperus hebben gemist: klik hier. Als u de hele uitzending van De avond van het Boek, door de NPS uitgezonden op 7 maart op Nederland 3, wilt terugzien, klik dan hier. De winnaar van de quiz won, behalve een plek in de jury van de AKO-literatuurprijs, een sculptuur van Jan Wolkers, geïnspireerd op de roman De berg van licht van... Louis Couperus.
(9  maart 2005)

Hink-stap-sprong

De toekenning van de P.C. Hooft-prijs aan classicus, dichter, romancier, essayist en Couperus-biograaf Frédéric Bastet (78) was voor velen een complete verrassing, niet in de laatste plaats voor de gelauwerde zelf: 'het kwam als de bekende donderslag bij heldere hemel. Zeker op mijn leeftijd. Doorgaans krijg je eerst de Constantijn Huygensprijs en daarna maak je misschien kans op de P.C. Hooftprijs. Ik heb dus echt in één keer een hink-stap-sprong gemaakt,' aldus Bastet in een vraaggesprek met Floor Ligtvoet in de Haagsche Courant.
    Vanzelfsprekend komt ook Louis Couperus ter sprake. Zijn biografie maakte Bastet (en in zekere mate ook Couperus weer) bekend bij het grote publiek. In hoeverre lijkt Bastet eigenlijk op zijn held, wil Ligtvoet weten: 'Ik houd wel van Schoonheid met een hoofdletter, mooie spullen en muziek. Toch lijk ik niet op hem. Anderen zeggen van wel, maar daar trek ik me niets meer van aan. We leiden toch echt andere levens. Couperus was continue aan het reizen. Ik heb ook veel gereisd voor mijn beroep als archeoloog, maar ik vond dat eigenlijk niets. Het liefst was ik thuis. Ik ben ook nooit getrouwd geweest. Of ik wel homoseksueel ben? Daar laat ik mij niet over uit.'
(22 december 2004)

Een echte vent
Week-vrouwelijk, fatterig, suikerzoet, pompeus, overdreven, onecht. Ziehier enkele kwalificaties waarmee Couperus door de contemporaine kritiek regelmatig om de oren werd geslagen. In de tijd dat het estheticisme tot op zekere hoogte als literaire norm gold, was die 'aanstellerij' van Couperus blijkbaar al te veel van het goede.
    Men zou misschien verwachten dat de redactie van het tijdschrift Forum, die zich in het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw immers met veel bravoure aan het Démasqué der Schoonheid wijdde, het werk van Couperus al helemaal als brandhout zou beschouwen. Het tegendeel is waar. De Haagse auteur wordt in de eerste jaargang van het tijdschrift (1932) zelfs naar voren geschoven als voorbeeld par excellence van een echte 'vent', zoals de Forummers die zo graag zagen.
    De 'open brief' aan een zekere J.B. eindigt met: 'Ik zou - je kunt er om lachen of niet - willen volhouden, dat Couperus, de kwast, de zijden, verfijnde dandy, een der weinige kerels is geweest, die in het hollandsch geschreven hebben....'
    Auteur van de 'brief' is de dichter Hendrik Marsman; zijn pleidooi voor het werk van Couperus is ongeëvenaard in zijn enthousiasme. Behalve Langs lijnen van geleidelijkheid is het vooral 'De binocle' die Marsmans geestdrift gaande maakt: '(...) weet jij één verhaal, niet alleen van Couperus, maar van onze heele literatuur, dat daarbij haalt?'
    Alle vier de jaargangen van Forum, zonder twijfel het invloedrijkste literaire tijdschrift
van de vorige eeuw, zijn vanaf heden te lezen op de website van de alsmaar uitdijende Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren.
(4 augustus 2004)

Help Couperus op de longlist!
De KRO organiseert dit jaar de Verkiezing van de Grootste Nederlander Aller Tijden. Op de bijbehorende website kan de bezoeker een keuze maken  uit een royale lijst van 200 namen uit heden en verleden en uit verschillende disciplines. Naar aanleiding van deze selectie wordt in het najaar een top 100 samengesteld. Na een afvalrace blijven de tien hoogstgeplaatsten over. Op 15 november wordt bekendgemaakt wie uiteindelijk de prestigieuze titel, al dan niet postuum, in de wacht sleept.
    Aangezien rang- en hitlijstjes even amusant als onzinnig zijn, surfde uw redacteur gezwind naar de website om in ieder geval vast één stem voor Neerlands grootste romancier veilig te stellen. Even op de categorie 'Schrijvers en dichters' klikken... aha! Daar staat Multatuli. Even verder zoeken... Bomans, zozo... Reve, Wolkers, Campert, nounou... Vondel, Cats... goh, de oudjes doen gelukkig ook mee. Maar waar staat Couperus toch? Even in de ogen wrijven en nog eens kijken... Hadewijch, Hofland, Nijhoff, Vestdijk... Dan dringt het tot me door. Ongelooflijk, maar waar: niks geen Couperus! Louis Marie Anne Couperus (1863-1923) staat niet op de lijst!
    Kijk, nou wil ik niet gaan jammeren, ik begrijp dat het moeilijk kiezen was, ik ben me er terdege van bewust dat Remco Campert een véél groter auteur dan Couperus is, en ik weet heus wel dat onze auteur uiteindelijk geen enkele kans maakt tegen Johan Cruijff en Pim Fortuyn, maar een longlist van 200 Nederlanders waarop Louis Couperus schittert door afwezigheid: dat moet op een ongelukkig misverstand berusten! Vooral als men bedenkt dat de lijst is samengesteld door onder anderen een neerlandicus (Herman Pleij) en een literair auteur (Joost Zwagerman).
    Gelukkig hebben zij rekening gehouden met blinde vlekken bij zichzelf. Op de website kunt u via een formulier iemand nomineren die niet op de lijst voorkomt. Dus er is nog hoop! Voorkom gezichtsverlies bij de jury! KLIK ALLEN HIER en verstuur het formulier. Opdat gerechtigheid geschiede.
(1 mei 2004)

Couperus plagiaris?
Het zo beladen 'P-woord' valt nergens, maar het hangt als een donkere wolk boven haar artikel: onderzoek dat neerlandica Mary Kemperink verrichtte naar de bronnen van Couperus' reisschetsen toont aan dat de auteur, op z'n zachtst gezegd, wel erg zwaar leunde op bekende reisboeken uit zijn tijd. Hij plunderde ze niet alleen voor allerhande feitjes en anekdoten, uit enkele veelzeggende voorbeelden blijkt dat Couperus dikwijls passages uit deze boeken (bijna) letterlijk overnam.
    In haar essay 'De gidsen van Couperus. Bronnen en brongeruik in zijn Italiaanse reisschetsen' (Spiegel der Letteren 2004, nr.1) is het Kemperink er echter niet om te doen Couperus als plagiaris te ontmaskeren. Zij vraagt zich in de eerste plaats af wat de manier waarop de auteur met zijn bronnen omgaat ons leert over zijn poëtica. Hierdoor komt het accent vanzelf te liggen op wat hij veranderde, benadrukte, wegliet en toevoegde.
    Kemperink: 'Couperus blijkt zijn bronnen tamelijk nauwgezet te volgen, maar er tegelijk sterk zijn eigen artistieke stempel op te drukken. Centraal staat steeds de zintuiglijke ervaring van het moment en de emotie die deze ervaring bij hem teweeg brengt. Persoonlijke (poëticale) elementen daarin zijn: de ervaring van de schoonheid en weemoed, de bijna visionaire evocatie van het verleden, de esthetisch-decadente verheerlijking van het gruwelijke, de zelfprojectie in het verleden, de voorkeur voor de klassieke godsdienst boven het christendom en de sympathie voor homoseksuele verhoudingen.'
(1 april 2004)

Op zoek naar de nieuwe Orlando
Op 27 november 1909 maakt de Nederlandse lezer voor het eerst kennis met de Italiaanse vriend van Couperus. Vanaf dat moment zal deze vrijgezelle bon-vivant onder de fictieve naam Orlando Orlandini regelmatig opduiken in Couperus' wekelijkse feuilletons voor de krant Het Vaderland.
    Gezien de erotische geladenheid van deze vriendschap ('Ik heb hem eens gezegd dat hij mooi was, als een antiek beeld in een muzeum') is het niet verwonderlijk dat deze Orlando Couperus-vorsers altijd tot de verbeelding heeft gesproken. Wie gaat er schuil achter deze figuur?
    Hoewel sommige onderzoekers hebben geopperd dat Orlando als individu helemaal niet heeft bestaan en wellicht is samengesteld uit verschillende mensen uit Couperus' omgeving, heeft de theorie van biograaf Frédéric Bastet uiteindelijk de meeste ingang gevonden: hij identificeerde Orlando als Giulio Lodomez, broer van Couperus' vriendin Emma Garzes.
    In het nieuwste nummer van De Parelduiker, dat bijna geheel aan Couperus is gewijd, trekt José Buschman, historica en medeoprichter van het Couperus Genootschap, Bastets veronderstelling in twijfel. Is het bijvoorbeeld niet vreemd dat de naam van Giulo niet één keer wordt genoemd in de brieven die Couperus aan Emma en haar moeder schreef? Bovendien diende zich onverwacht een nieuwe Orlando-kandidaat aan. Buschman bezocht het Italiaanse klooster, waar Couperus met Orlando zou hebben overnacht. In de bewaard gebleven gastenboeken trof zij inderdaad de naam van Couperus en diens vrouw aan, maar niet die van Giulio Lodomez. Boven de handtekening van Couperus stond wel een andere naam die haar aandacht trok: Bernardino Mario Ciarabalà. Buschman: 'Het zijn twee verschillende handschriften, maar als je goed kijkt, is het alsof Ciarabalà en Couperus wel dezelfde (vul)pen hebben gebruikt. Lag die pen soms destijds op het visiteboek? Of kwam die uit de binnenzak van Orlando?'
    Daar zullen we ongetwijfeld meer van horen. De speurtocht naar Orlando, de mysterieuze vriend van Couperus, kan opnieuw beginnen.
(7 maart 2004)

De psyche ontrafeld
Ondanks Couperus' grondige afkeer van ziekte en ouderdom, legde hij een grote interesse aan den dag voor personen met allerlei psychische afwijkingen. Vooral Het heilige weten, het vierde en laatste deel van de romancyclus De boeken der kleine zielen biedt de lezer een staalkaart van uiteenlopende neurosen, verenigd in één familie. Voor een recensente destijds aanleiding om zich geïrriteerd af te vragen of de roman niet beter 'Gekken-zielen' had kunnen heten.
    Op 22 november 2003 organiseerde de Brakmankring, de Vestdijkkring en het Louis Couperus Genootschap het symposium 'De zieke mens in de romanliteratuur', naar het gelijknamige essay van Simon Vestdijk uit 1964. Karin Peterson, oud-voorzitter van het Louis Couperus Genootschap, sprak daar over ziektebeelden in het werk van Couperus. Haar lezing is gepubliceerd in de nieuwste aflevering van de Vestdijkkroniek (nr.103, februari 2004).
    In 'De psyche ontrafeld' toont Peterson aan dat Couperus in zijn roman niet zomaar een stoet krankzinnigen aan ons voorbij laat trekken; zijn visie op psychische stoornissen is sterk beïnvloed door de psychiatrische wetenschap, die rond 1900 een grote ontwikkeling doormaakte. 'Etaleerde Couperus in Eline Vere nog een statisch en deterministisch mensbeeld, waarin de temperamentenleer goed thuishoorde, in de laatste roman [De boeken der kleine zielen] beschrijft hij met veel liefde een situatie, waarin aandacht bestaat voor de onderliggende traumatische oorzaken die het gedrag van de psychiatrische patiënt bepalen.'
    De Vestdijkkroniek is gratis voor leden van de Vestdijkkring; losse nummers kosten
€ 6,-.
(26 februari 2004)

Mooie sokken
Behalve als wekelijks opinieweekblad verschijnt Elsevier dit jaar ook als maandelijkse glossy: Elsevier Thema. Het septembernummer is gewijd aan mannenmode.
    Onder de titel 'Orchidee onder de uien' laat Couperus-biograaf Frédéric Bastet in dit nummer nog eens alle clichés over Couperus als perfect geklede dandy de revue passeren.
    Tijdens de Eerste Wereldoorlog schnabbelde de immer om geld verlegen auteur bij door voor te dragen uit eigen werk. Het publiek had bij deze gelegenheden meer oog voor zijn onberispelijk toilet dan oor voor zijn schrijfsels. Zijn confrater Johan de Meester schreef: 'ik was mij tot gisteren onbewust, dat er zúlke mooie sokken bestaan, met één breed wit streepje en vele smalle, fijn uit de lage lak schoentjes lijnend.'
    En dan is er nog Couperus' beruchte roze smoking, die heden ten dage als een koddige relikwie in het Letterkundig Museum wordt bewaard. Denken velen misschien dat Couperus hierin over het Lange Voorhout huppelde, als opzichtige relnicht avant la lettre, in werkelijkheid was het een kostuum dat Couperus zich speciaal had laten aanmeten voor het carnaval in Nice, toen roze de voorgeschreven kleur was. Eigenlijk was Couperus' smaak betrekkelijk sober. Dat blijkt tenminste uit zijn bijdrage voor een reclamefolder van het kleding magazijn Kattenburg & Co. Hierin schreef hij dat hij dankbaar was dat 'onze mode zoo praktisch was, zoo eenvoudig, zoo streng.' Maar, zo relativeert Bastet weer, hij kon moeilijk iets anders beweren: hij kreeg van Kattenburg maar liefst vijfentwintig gulden voor zijn artikeltje. Hoe dan ook: hij mocht dan misschien een 'kunstig bloeisel van fatterigheid' zijn, zoals André de Ridder ooit schreef, Couperus was blijkbaar bovenal een praktisch persoon, een man van de wereld, die wist wat er te koop was én verkocht kon worden.
(10 september 2003)

Drakevlerken
Tachtig jaar geleden reisde Couperus als speciaal correspondent van de Haagsche Post naar het Verre Oosten. De reportages die hij schreef over Japan en China werden in 1925, bijna twee jaar na zijn dood, gebundeld in het boek Nippon.
    Toen fotograaf Paul van Riel dit boek onlangs in handen kreeg, realiseerde hij zich hoe goed de foto's die hij de afgelopen jaren had gemaakt, aansloten bij de beschrijvingen van Couperus. In nr. 18 (mei 2003) van HP/De Tijd, de opvolger van de Haags(ch)e Post, staan enkele foto's van de fotograaf afgedrukt, met daaronder een aantal citaten van Couperus.
    En inderdaad: of het nu gaat om 'de jonkezeilen als drakevlerken of immense vinnen van reuzenvisschen' op de Parelrivier bij Guangzhou, 'de visschen karmijn op den graat de vleezen bloederig purper' in de winkels van Canton, of 'al die papiertjes, die gewonden zijn om de takken van een prachtigen magnolia-heester in vollen bloei' in Nikko, het is er allemaal nog, zoals de foto's van Paul van Riel mooi laten zien. Van Riel deelt de gemengde gevoelens die Couperus koesterde voor het moderne Japan: 'Natuurlijk is er nog steeds veel moois te zien in Japan, maar in een relatief klein land dat in Couperus' tijd al overbevolkt was en inmiddels 120 miljoen inwoners heeft, (…), worden al die tempels, heiligdommen en parken steeds meer opgeslokt door het uiterst chaotische straatbeeld. (…) Wanneer hij klaagt over de barstensvolle treinen en de bij elke tempel en elk station aanwezige lawaaiige groepen scholieren, dan voel ik met hem mee.'
(3 mei 2003)

Het graf van Eline Vere
Toen de eerste afleveringen van Eline Vere in Het Vaderland waren verschenen, gonsde het in de hofstad van de geruchten. Welke jonge, Haagse freule stond model voor de ongelukkige heldin? Couperus wist haar immers zó levensecht te beschrijven, dat zij wel haar equivalent in de werkelijkheid móest hebben. Hoewel Couperus, in navolging van Flaubert, verklaarde: 'Eline Vere, dat ben ikzelf', sluit zijn biograaf Frédéric Bastet niet uit dat de hoofdpersoon van de roman deels is terug te voeren op een meisje van vlees en bloed. Degene die volgens Bastet de beste papieren bezat, was Virginie la Chapelle. Zij componeerde de muziek voor de kinderoperette De schoone slaapster in het bosch, waarvoor Couperus het libretto schreef. Zij stierf op jonge leeftijd aan tuberculose.
    Casper Postmaa van de Haagsche Courant wist het graf van Couperus' muze te traceren. Zij ligt begraven op dezelfde plek als Couperus: Oud Eik en Duinen in Den Haag. Dat het graf niet eerder was opgemerkt, wekt geen verwondering: op de steen geen spoor van haar naam, maar slechts de tekst 'to be or not to be, that's the question' en 'Heilig deze tombe met smarte gewijd aan de verstorvene jeugd'.
(20 april 2003)

Grimmige genootschappen
Naast alle hijgerige publiciteit over hommeles in het koningshuis, is er in weekblad HP/De Tijd (nr.10) gelukkig ook nog ruimte voor een reportage over zoiets bedaagds als literaire genootschappen. Hoewel... bedaagd? Volgens Peter Hoomans, schrijver van het artikel, is ook de wereld der schrijverskluppies een ware slangenkuil. Ondanks dat de meeste leden allang met korting de bus in mogen - de vergrijzing is voor veel genootschappen een groot probleem - schijnen ze elkaar geregeld in de uitgedunde haren te vliegen. Haat en nijd binnen de Vestdijkkring. Kinnesinne in The Blue Poet Society (de Boudewijn Büch-fanclub). Gekrakeel tussen twee Hermans Genootschappen. 'Ik dacht dat ik in het bestuur van en literair genootschap zat,' vertelt Ria Albers, secretaris van de Vestdijkkring, 'maar het leek wel oorlog.'
    Het Louis Couperus Genootschap wordt door Hoomans, samen met het Multatuli Genootschap en het Willem Elsschot Genootschap, tot de braafste jongetjes van de klas gerekend: 'Gezelschappen als deze vergaderen niet alleen uitgebreid over de verenigingsstructuur en slaan elkaar niet alleen bij tijd en wijle het hoofd in over de te varen koers, maar organiseren ook wandelingen langs woonplaatsen van de auteur of plekken die een rol spelen in zijn werk; ze geven jaarboeken uit en een periodiek waarin alles wordt bijgehouden waarin de naam van de geliefde auteur opduikt.' Waarvan akte.
(5 maart 2003)

Kokette cocotte
De biografische honger van Frédéric Bastet lijkt nog niet gestild. In het laatste nummer van De Parelduiker (nr.5) onderzoekt de Couperus-biograaf in hoeverre de flamboyante Brusselse tante van Eline Vere, Elize, gebaseerd kan zijn op een bestaande figuur.
    In het boek Uit de suiker in de tabak (1884) van P.A. Daum is een kleine rol weggelegd voor een opmerkelijke dame. Nou ja, dame: ondanks haar naam - barones Coombergh de Resfeldt - is zij van oorsprong een levenslustig deerntje uit de Rotterdamse achterbuurten. Zij wist toevallig een oude baron aan de haak te slaan, die al snel na hun huwelijk overleed. Gerard Temorshuizen schrijft in zijn biografie van Daum dat de romanfiguur is gemodelleerd naar de lichtzedige Elise van der Meyde die trouwde met de veertig jaar oudere Jonkheer Otto Carel Holmberg de Beckfelt, een voormalige bestuursambtenaar op Java die schatten heeft verdiend in de suiker.
    Bastet, die in zijn artikel een aantal aardige anekdotes over deze Elise serveert, probeert op zijn beurt de lezer ervan te overtuigen dat Elize, de romanfiguur uit Eline Vere, wel erg veel overeenkomsten heeft met de wufte douairière die eerder Daum inspireerde. Couperus heeft hem waarschijnlijk goed gelezen, maar vond tevens dat Daum kansen had laten liggen, aldus Bastet. Hij suggereert hiermee dat de auteur van Eline Vere het portret van Elize gedeeltelijk naar de werkelijkheid heeft geschilderd en de kokette cocotte dus persoonlijk heeft gekend.
    Het is een miniscuul pareltje dat Bastet uit de modder van de geschiedenis heeft gevist. Dat wil niet zeggen dat zijn verhaal niet lezenswaard is, ook al zullen we waarschijnlijk nooit zeker weten of het een vals pareltje betreft.
(28 januari 2003)

Handen nog warm van de fazant
L.H. Wiener is behalve auteur ook leraar Engels. In Van Gigch, een personage uit zijn pas verschenen roman Nestor, portretteert Wiener deels zichzelf als lesgevende schrijver.
    In de Haagsche Courant van 29 november vertelt Wiener onder meer over zijn ervaringen als docent: 'De leraar is in het huidige onderwijs gereduceerd tot een boekhouder. Hij mag administreren welke werkstukjes zijn leerlingen hebben gemaakt. Ik heb meegemaakt dat ik op een gegeven moment alleen nog maar zat te speuren naar de opzettelijke fouten in de werkstukken van leerlingen, gemaakt om de informatie die zij van het internet hadden geplukt nog een persoonlijk tintje te geven. Maar zo'n leraar wil ik niet zijn. Dat staat niet in mijn contract. Ik wil mijn enthousiasme voor literatuur over kunnen brengen, ik wil kunnen vertellen. Ik wil leerlingen een gedicht voorleggen en er op zo'n manier over praten, dat er iets gaat leven. Al zijn het maar een of twee leerlingen, dat is genoeg. Daarbij zal wel meespelen dat ik zelf zo'n jongetje was. Ik heb een leraar Nederlands gehad die op zo'n plechtstatige, gedreven manier voorlas uit de Naumachie van Couperus. Daar zat ik dan, mijn handen nog warm van de fazant die ik in de duinen had gevangen, en ik was diep onder de indruk.'
(29 december 2002)

Couperus wird neu entdeckt

In Duitsland is er een échte cultuurzender, waar men regelmatig aandacht besteedt aan... literatuur. Zelfs, jawohl, aan een obscure, bijna tachtig jaar dode, Nederlandse auteur. Luister en kijk naar een fragment van 'Kulturzeit', een programma van de zender Sat3: Catherine Ann Berger in gesprek met de Duitse literatuurcriticus Thomas Steinfeld over Die langen Linien der Allmählichkeit, de nieuwe Duitse vertaling van Couperus' roman Langs lijnen van geleidelijkheid (1900).
(15 december 2002)

Animale gevoelens
J.L. Heldring, de éminence grise van columnerend Nederland, wordt 85 en verhuist binnenkort naar een serviceflat. Daar kan hij slechts een klein deel van zijn bibliotheek onderbrengen, maar zijn Couperussen gaan in ieder geval mee. In 'zijn' NRC belijdt Heldring in een paginagroot interview zijn liefde voor het werk van Louis Couperus:
    'Couperus is een goede schrijver, een van de grootste in Nederland. [...] Hij is wijdlopig, maar zijn beschrijvingen van de psychologie van zijn personages, van het typisch Haagse milieu waarin ze leven, van hun drama's - die zijn goed.'
Heldring las twee keer aan zijn vrouw Langs lijnen van geleidelijkheid voor. Vooral de beschrijving van de 'fysieke, bijna animale gevoelens' van de hoofdpersoon kan hem wel bekoren:
    'Couperus beschrijft het prachtig, maar zonder in details te treden. Die kende hij waarschijnlijk niet. Zijn Engelse uitgever had bezwaar tegen die laatste scène, als de vrouw in bed ligt te wachten op wat komen gaat. Dat woord "bed" wilde hij er niet in hebben. Couperus schreef aan zijn vertaler: maak er dan maar "sofa" van.'
(9 december 2002)

Wat is er tegen restauratie?
In de VPRO-gids nr.47 staat een discussie afgedrukt tussen architect Herman Hertzberger en Wim T. Schippers, die zich beijvert voor de herbouw van het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt. Couperus fungeert als argument:
    Hertzberger: 'Prima, zo'n glaspaleis, maar bouw het op een moderne manier. Je gaat toch ook niet een roman schrijven in de stijl van Louis Couperus?'
    Schippers: 'Het is alsof wij de resten van een roman van Couperus hebben gevonden en die roman willen we reconstrueren. Het is geweldig om dat schitterende gebouw op die plaats terug te zien, dat is het enige wat ik wil. Wat is er tegen restauratie?'
(24 november 2002)

[Naar boven]