Wij houden onze binocle oplettend gericht op verschillende media,
altijd alert op de opduikende gestalte van Louis Couperus. Ontging ons iets? Zou
kunnen... Neem het ons niet kwalijk, maar
mail en
breng ons op de hoogte!
Let op: internet is een veranderlijk medium. Sommige links kunnen u inmiddels
leiden naar niet bedoelde pagina's of... helemaal niets.
Door Peter Hoffman
Epifanie
Couperus in de canon!
In 2011 bestaat de Nederlandse televisie 60 jaar. De publieke omroep staat uitgebreid stil bij de ontwikkeling van de televisie door de jaren heen. In de afgelopen 60 jaar zijn er vele programma's op de buis verschenen. Welke van deze programma's staan in uw geheugen gegrift? Waar keek u vroeger graag naar?
In het kader van 60 jaar televisie is het idee ontstaan om te komen tot een canon van 60 programmatitels. Het is een publiekscanon, dat betekent dat de Nederlandse bevolking bepaalt welke programmatitels erin komen. De canon is opgedeeld in twaalf categorieën; talkshow, spiritualiteit, human interest, cultuur, drama, humor, kinderen/jeugd, muziek, amusement, actualiteit, diversen en sport. Voor elke categorie zijn twaalf programmatitels geselecteerd waaruit het publiek kan kiezen. Uit elke categorie gaan in totaal vijf programmatitels door naar de uiteindelijke lijst van 60 titels, waaruit de canon bestaat.
Op 16 maart was er bij het VARA-programma De wereld draait door een item te zien over
de canon van televisiedrama. Acteurs Ellen Vogel, Gijs Scholten van Aschat en toneelschrijfster Maria Goossen werden geïnterviewd, en alledrie noemden ze de TV-series naar het werk van Louis Couperus uit de jaren 1970:
De boeken der kleine zielen, Van oude mensen..., De stille kracht. Minstens een van die series moest in de canon, was de eensgezinde mening van deze toneelmensen.
Als u dit ook vindt, dan kunt u meestemmen op de site van
www.tvcanon.nl. Nu Couperus niet meer op de leeslijsten van de scholen prijkt, laat dan tenminste een van de TV-series in de canon komen!
Snel gaan stemmen!
De stemming is begonnen op 1 februari. Elke twee weken komt er een nieuwe categorie bij. De laatste categorie wordt op 5 juli gepubliceerd. Daarna wordt de uiteindelijke canon samengesteld.
(Door Caroline de Westenholz.)
(12 april 2011)
Stille krachtmeting
Natuurlijk schreeuwt De stille kracht om eens fatsoenlijk verfilmd te worden, en dat leek uiteindelijk ook te gaan gebeuren, maar wat te denken van het
nieuws dat nu twee regisseurs zich hebben vastgebeten in hetzelfde been? Loopt een derde ermee heen? Of, waarschijnlijker in een klein filmland als Nederland, komt het er dan helemaal niet meer van?
Op lokatie hoeven ze elkaar in ieder geval niet voor de voeten te lopen - Indonesië is groot genoeg. Maar ook in artistieke zin hoeft dat niet per se het geval te zijn.
Er is het hoopgevende voorbeeld van de verfilming van Les Liaisons dangereuses, de magistrale briefroman van Pierre Choderlos de Laclos. Zowel Stephen Frears als Milos Forman begon op ongeveer hetzelfde moment aan een eigen filmversie, aanvankelijk onwetend van elkaars plannen. Zo kon het gebeuren dat Michelle Pfeiffer tegelijkertijd de rol van Marquise de Mertuil en die van Mme de Tourvel kreeg aangeboden. Beide heren zullen toen ongetwijfeld hun regisseurspet hebben afgenomen om zich eens uitgebreid op het achterhoofd te krabben. Maar ze lieten zich niet door elkaar intimideren en gingen hun eigen weg. Met twee zeer verschillende, maar uitstekende films als resultaat, ongeacht of je uiteindelijk de voorkeur geeft aan de cynische, kille ondertoon in Dangerous Liaisons of dat je je liever laaft aan de warmbloedige erotiek in Valmont.
Wie weet heeft juist de wetenschap dat een ander met dezelfde muze vrijt de regisseurs tot grote hoogte gestuwd.
Laten we dan maar hopen op een soortgelijke artistieke wedloop tussen Paul Verhoeven en Orlow Seunke. Misschien levert die eindelijk eens een prachtige Couperusverfilming op. Dat moet toch eens lukken, want geen enkele auteur is zo goed verfilmbaar als Couperus, die immers schreef met een cinematografische pen. Nu nog een regisseur die over een literaire lens beschikt. En over een grote zak met geld natuurlijk.
(8 maart 2011)
Dreigende duisternis
'De binocle', de naamgever van deze rubriek, is ongetwijfeld het meest geanalyseerde verhaal van Louis Couperus. In
Uitgaan op niveau, vriendenboek voor Ad Zuiderent bij zijn afscheid van de Opleiding Nederlandse Taal en Cultuur van de Vrije Universiteit in Amsterdam op 24 april 2009, houdt ook neerlandica Jacqueline Bel het duistere verhaal nog eens tegen het licht.
De titel van dit verhaal, aldus Bel, waarschuwt de lezer al dat er hier iets met de wijze van zien, met het perspectief, aan de hand is. Er verandert iets definitiefs met de feestelijke ruimte van het operagebouw zodra de lichten worden gedoofd, de gordijnen opengaan en op het podium 'het-verhaal-in-het-verhaal' begint. Vooral de duisternis speelt daarbij een belangrijke rol; niet alleen door de dreiging die ervan uitgaat, ook door de versterkende werking ervan op de 'duistere' neigingen van het hoofdpersonage: 'Tijdens [het] eerste operabezoek weet de hoofdpersoon zijn neiging te onderdrukken. Zijn kijker laat hij achter, alsof hij geschrokken is van de duisternis die de binocle binnen in hem heeft blootgelegd. Als de hoofdpersoon vijf jaar later echter voor de tweede keer een bezoek brengt aan Dresden en hij opnieuw naar Die Walküre gaat met een plaats op het vierde balkon, slaat het noodlot wel toe.' Ook de motieven van de binocle-werper lijken duister, volgens Bel. 'Couperus karakteriseert hem als een "Indo-Nederlander". In andere werken, zoals
De stille kracht, schrijft Couperus deze koloniale "tussenklasse" vaker deviant gedrag toe.
Die Walküre is een geschiedenis van wraak. In dit geval dient de opera als spiegel en functionele ruimte voor de aanslag met de verrekijker.' Volgens Bel biedt 'uitgaan' in een verhaal de mogelijkheid tot locatieverandering. Dat dient vaak weer als reflectie van veranderingen in het innerlijk van personages. 'De binocle' is hier een goed voorbeeld van. 'Hoe het ook zij,' concludeert Bel, 'het loopt dus vaak minder goed af in de letteren als personages zich overgeven aan uitgaan, feesten en partijen.'
(15 november 2009)
Flat characters
Het juninummer van het tijdschrift Indische Letteren is gewijd aan 'het
beeld van de inheemse bevolking in de Indisch-Nederlandse literatuur'.
Vanzelfsprekend wordt hierin ook aandacht besteed aan Couperus'
De stille kracht (1900). In een beknopt artikel bespreekt Geert Onno
Prins de personages Soenario, Si-Oudijck, Oerip en Saïna in het licht van de
veranderende verhoudingen tussen het Europese en inlandse bestuur rond 1900.
Deze personages zijn volgens Prins flat characters; ze maken, in tegenstelling
tot hun Nederlandse tegenspelers, geen ontwikkeling door, maar ze nuanceren wel
het 'stereotiepe beeld' dat uit andere romans uit diezelfde periode naar voren
komt. Vooral het conflict tussen resident Van Oudijck en regent Soenario zou de
veranderende economische verhoudingen tussen de Europese koloniale mogendheden
en hun Aziatische kolonies weerspeigelen. Daarbij blijft Couperus zijn
personages, ook de 'inlanders', als mensen van vlees en bloed beschrijven,
zonder ze expliciet te veroordelen: 'niets menselijks is hun vreemd', aldus
Prins. Indische Letteren wordt uitgegeven door de
Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde. Losse nummers kunnen worden
besteld door 8,50 euro over te maken op postbanknummer 1977068 onder vermelding
van het betreffende nummer.
(12 september 2009)
Couperus en de islam
'Voor Couperus was de islam in de eerste plaats een godsdienst met een bepaalde
stemming, een gemoedsgesteldheid die kenmerkend was voor de wereld van het
Oosten.' Aldus Jan Fontijn in zijn essay 'Weemoed op weemoed gestapeld. De
melancholie van de islam', dat onlangs in
Tirade
(nr.427, maart 2009) verscheen. Fontijn peilt de overeenkomsten tussen Couperus,
de contemporaine schrijver van haremromans Pierre Loti, en de avontuurlijke
woestijnreizigster Isabelle Eberhardt, die alledrie de 'melancholie van de
islam' beschreven. Vooral de vergelijking met Loti levert interessante inzichten
op in het 'oriëntalisme' van Couperus. Thema's als melancholie, fantasie,
exotisme, het verleden als tegengesteld aan een onbevredigend heden en de
'broosheid der dingen' treft men zowel in Loti's
Figures et choses qui passaient (uit 1898!) als bij de auteur van Van
oude menschen, de dingen, die voorbij gaan...
'Bastet, de biograaf van Couperus, meent dat diens
indrukken van het Midden-Oosten oppervlakkig blijven. Ik ben het daar niet mee
eens,' schrijft Fontijn. 'Het picturale oog waarmee hij de oosterse
werkelijkheid bekeek verraadt een grote vertrouwdheid met de oosterse traditie
in de negentiende-eeuwse schilderkunst in binnen- en buitenland (...). Zonder
overdrijving kan men stellen dat het leven van Louis Couperus door de wereld van
het Oosten werd bepaald.' Couperus verwerkte zijn indrukken van het Oosten onder
andere in de postuum uitgegeven bundel reisverslagen
Oostwaarts en in de roman De ongelukkige. Fontijn vergeet ook niet
de passage uit
De stille kracht te citeren, waarin resident Van Oudijck door de
Arabische wijk van Laboewangi rijdt, een 'stadsgedeelte nog tragischer
geheimzinnig dan het notabele Laboewangi', dat 'het onuitzegbare mysterie
[scheen] uit te donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de
héele stad, of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid
uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond...'
(29 maart 2009)
Ommezwaai
Het septembernummer van het tijdschrift
Indische Letteren is in z’n geheel gewijd aan Louis Couperus. De
interessantste bijdrage is van de Zweedse onderzoeker Åsa Josefson. Centraal in
het gedegen betoog staan de twee diametraal tegenover elkaar staande visies die
Couperus op het kolonialisme ontvouwt in respectievelijk
De stille kracht (1900) en Oostwaarts (1923). In de eerstgenoemde
roman is de verteller bijzonder kritisch tegenover de westerse overheersing in
Indië, en lijkt het einde daarvan aanstaande en onomkeerbaar. Ruim twintig jaar
later is Couperus' standpunt in deze kwestie ronduit reactionair: het
gekolonialiseerde volk is geboren om te dienen, zo vindt de auteur, en hij zingt
de lof van de hard werkende overheersers, die worden voorgesteld als helden.
Bovendien: 'Met onbreekbare banden zijn wij aan Indië verbonden, een ramp zoû
het zijn voor Holland en Indië beiden, zoo ooit dezen werden gebroken.'
Josefson geeft drie mogelijke verklaringen voor deze
ommezwaai. Ten eerste het verschil tussen het genre van de roman en de
journalistiek ('Couperus kon dieper gaan in een roman dan in een krant'). Als
tweede mogelijkheid noemt de auteur de gevoelens van nostalgie die zich van de
oudere Couperus meester zouden hebben gemaakt, en ten derde zou het
tijdsverschil een rol kunnen spelen: 'de maatschappij is geëvolueerd, wat zeker
weerspiegeld wordt in de teksten van Couperus', aldus Josefson.
Een vierde, nogal voor de hand liggende hypothese blijft
onvermeld. Zoals bekend heeft Couperus bij het schrijven van
De stille kracht de hulp ingeroepen van zijn zwager Gerard de la Valette,
destijds resident te Passoeroean. Heeft Couperus, die immers ook in die tijd
niet bepaald als progressief denker bekend stond, niet alleen dankbaar gebruik
gemaakt van diens kennis van bestuurlijke aangelegenheden, maar misschien ook de
dramatische mogelijkheden ingezien van de (wellicht kritische) visie van zijn
zwager op het kolonialisme? Men zou om deze vraag te kunnen beantwoorden de vele
publicaties die Valette, overigens een bewonderaar van Multatuli, in Indische
tijdschriften publiceerde, nader moeten bestuderen.
(19 oktober 2008)
Een fontein van champagne
In 2006 publiceerde de historicus Martijn Icks het
Couperus Cahier
Heliogabalus: geschiedenis, droom en nachtmerrie, waarin hij zich afvroeg
of de Romeinse keizer eigenlijk wel zo door- en doorslecht was als de antieke
bronnen ons willen doen geloven. Voor het tijdschrift Geschiedenis der
Geneeskunde (nr.1, december 2007), stelt hij zich de vraag waarom het juist
Heliogabalus was die in het fin de siècle kon uitgroeien tot hét icoon van de
androgynie. Daarbij passeert niet alleen De berg van licht de revue, maar
betrekt Icks ook Élagabal van Henry Mirande, Héliogabale van
Auguste Villeroy, L'agonie van Jean Lombard en kunstwerken van
Gustav Adolf-Mossa en
Simeon Solomon in zijn verhaal. Hieruit blijkt onder meer dat alleen Louis
Couperus echt sympathie voor zijn onderwerp kon opbrengen.
De berg van licht heeft al een aantal jaren de
niet-aflatende aandacht van publiciste Caroline de Westenholz. Waar het Icks
vooral te doen is om de (beeldvorming van de) historische figuur van keizer
Heliogabalus, daar belicht De Westenholz de religieuze achtergronden van
Couperus’ magnum opus. Dat deed ze zeer uitgebreid in
een indrukwekkende reeks van publicaties voor Arabesken; voor
Kleio, tijdschrift voor oude talen en antieke cultuur (nr.1,
oktober-december 2007) zet ze haar bevindingen nog eens kernachtig uiteen. Ze
betoogt dat Couperus in deze historische roman een aantal oeroude religies met
elkaar verbond. Zo is de kosmologie, zoals uiteengezet door hogepriester
Hydaspes, ontleend aan de van oorsprong joodse kabbala, terwijl het concept van
de androgyne messias een gnostische opvatting is. Heliogabalus' dans rond de
Zwarte Steen is weer geïnspireerd door het tantrisme, het 'linkerpad' van het
shivaïsme uit het alleroudste India. De ondertitel van haar opstel, 'Een fontein
van champagne', verwijst naar een dorstigmakende anekdote in het begin van haar
betoog, die de abstracte stof op een aardige manier inzichtelijk maakt.
(6 februari 2008)
Verledene opulentie
'Ah, de romantiek van vergane glorie! Al in de jaren zeventig lazen we Louis
Couperus' novelle
Aan de weg der vreugde (...). Meteen wilden we erheen: naar Bagni di
Lucca! Maar er kwam, zoals het gaat met die dingen niets van. Soms reden wij er
op slechts veertig kilometer voorbij, met spoed op weg naar nog verder
zuidwaarts gelegen bestemmingen, en eenmaal was ik zelfs met de racefiets in het
Lucca, een prachtige stad, vooral voor tienen en na zevenen als de stoeten
dagjesmensen verdwenen zijn en je voetstappen weerklinken tegen de oude muren
van de wonderlijk goed bewaard gebleven vestingstad. En nu, dertig jaar later,
zijn we toch nog op weg naar Bagni di Lucca. We willen er niet zomaar aankomen,
per trein of bus, maar het te voet benaderen.'
John Jansen van Galen treedt in de voetsporen van Couperus en
bezocht voor
Het Parool het Toscaanse dorp, waar 'een adem van vroegere vorstelijkheid,
van verledene opulentie dreef tussen de groene schaduwen'. Na urenlang dwalen
moest de wandelaar toch een lift accepteren van landgenoten om er te geraken en
vraagt zich vervolgens af hoe lang zulke schilderachtige plaatsen nog zullen
bestaan: 'Er wonen doorgaans alleen een paar bejaarde mensen en er staan
gerenoveerde tweede huizen van rijke Engelsen.'
(23 september 2007)
Van oude lullen
Verleden week werd bekend dat de auteurs Marjan Berk
en Yvonne Kroonenberg zijn aangezocht om hun boeken om te werken tot versies die
ook door laaggeletterden begrepen kunnen werken. Wellicht een gat in de markt?
Wim de Bie stelt op zijn
Bieslog voor om ook het werk van grote dode schrijvers te hertalen. Immers:
ook hooggeletterden zijn vaak zwakke lezers. De Bie vroeg zich af hoe het begin
van Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... zou kunnen worden
bewerkt. Hij deed de volgende poging:
Oude lullen moeten weg
Een man die Stein heette had een lage stem. In het halletje van zijn huis riep hij de hond die Jack heette:
- Kom Jack, ga je mee met de baas? Kom!
De hond was boven. Hij begon meteen te blaffen. En hij rende de trap af.
De vrouw van Stein heette Ottilie. Zij zat in de huiskamer te lezen.
Zij werd kwaad op Stein omdat hij zo hard om de hond riep.
- O, die lage rotstem! zei ze boos.
Charles Pauws was de zoon van Ottilie. Hij keek naar zijn moeder en glimlachte. Na het eten dronk hij met zijn moeder een kopje koffie voordat hij naar zijn vriendin Elly zou gaan. Vader was met de hond uitgegaan en het werd stil in huis. Charles Pauws keek naar zijn schoenen. Hij vond dat ze goed zaten.
- Waar is Stein naar toe, Lot? vroeg de moeder. Ze klonk ongerust.
- Vader is gaan wandelen met hond Jack, zei Charles Pauws zachtjes. Charles Pauws is een moeilijke naam. Daarom werd hij thuis ook wel Lot genoemd. - Nee, hij is naar zijn vriendin toe! zei moeder Ottilie boos. Lot (Charles Pauws dus) greep even met een hand naar zijn hoofd. Moe werd je ervan.
- Hè moeder, zei hij. Rustig nou. Ik ga straks naar mijn vriendin Elly. Ik zit nu even met u gezellig een kopje koffie te drinken. Mijn vader is toch je man? Je moet niet zo'n ruzie met hem schoppen. Daar word je vroeg oud van.
De oorspronkelijke, hondsmoeilijke tekst staat
hier.
(5 augustus 2007)
Weemoedige rondleiding
'In het buitenland is men nog geneigd een scheet van een beroemde
schrijver in een flesje op te vangen en deze te koop aan te bieden, maar in
Nederland is men niet zo vereerderig', aldus schrijver Bart Chabot in een item
van actualiteitenrubriek
EenVandaag over het woonhuis van Couperus, dat nu alweer enkele maanden te
koop staat. Ondanks een pleidooi van Couperus-biograaf Frédéric Bastet om het
fraaie pand aan de Surinamestraat een passende bestemming te geven, houdt de
gemeente Den Haag de hand op de knip. Er is immers al een museum, waar een
gedeelte van Couperus' schrijfkamer is nagebootst (de auteur als pop van
kunststof achter het authentieke schrijfbureau), en dat is al mooi genoeg. Grote
kans dus dat de zonnige kamer waar Eline Vere werd geboren straks wordt verbouwd
tot speelruimte voor rijke Haagse kids.
De sleutel tot de voordeur kost namelijk bijna drie miljoen
euro, een bedrag dat het Genootschap, het Museum, of een andere stichting met
warme gevoelens voor de auteur alleen maar bij elkaar kunnen drómen.
Wel was de makelaar bereid om, nu het nog kan, Eugenie
Boer, conservator van het Couperus Museum, een kijkje te laten nemen in de
statige kamers van dit cultuurmonument. Het zal een weemoedige en tantaliserende
rondleiding geweest zijn.
Hier kunnen we met haar meekijken. En fantaseren hoe de wereld er uit zou
zien als zij werd bestuurd door lieden met enig historisch besef.
(25 februari 2007)
Stem Couperus!
Naar het voorbeeld van het succesvolle Britse literaire evenement The Big
Read organiseren de NPS en NRC Handelsblad de verkiezing van 'het
beste boek aller tijden'. Via de website
hetbesteboek.nl kan het publiek een keuze maken uit 250 voorgeselecteerde
Nederlandstalige boeken. Men ook kan echter ook zelf een titel aandragen. Op 5
februari verschijnt op de website een shortlist van de tien beste boeken. Hierop
kan men opnieuw een stem uitbrengen. Tijdens een
televisieuitzending, op zondag 11 maart, wordt uiteindelijk de winnaar
bekendgemaakt.
Welke auteur met deze eer dient te gaan strijken is
natuurlijk volkomen duidelijk. De vraag is alleen: met welk boek? Op de longlist
staan alvast drie titels van de schrijver genomineerd:
Eline Vere,
Van oude menschen... en
De stille kracht.
Maak een keus, maar aarzel niet, en zorg dat
De avond van het boek de avond van Louis Couperus wordt! Tip: een goed
gemotiveerde keuze telt dubbel!
(11 januari 2007)
De collectie-Eekhof
Op zaterdag 4 november zond de
Avro een korte documentaire uit over de verkoop van de collectie-Eekhof, de
grootste Couperus-verzameling ter wereld, aan het
Letterkundig Museum
en de
Koninklijke Bibliotheek. De documentaire is nu ook op
internet te zien. Behalve Anton Korteweg, Frédéric Bastet en Eugenie Boer,
komt ook Jan Eekhof zelf aan het woord.
De verzamelaar biecht op dat hij niet altijd even
eerlijk aan zijn spullen kwam. Toen hij ooit eens een mooi affiche van een
Eline Vere-voorstelling wilde hebben en zich met dat doel bij het
desbetreffende theater vervoegde, bleken er geen exemplaren meer van het
hebbeding voorradig te zijn. Eekhof is toen maar op zijn knieën gegaan en heeft
toen - héél voorzichtig - het affiche van de muur gepulkt. Zoals
die andere grote Nederlandse auteur
ooit schreef: 'Een parelduiker vreest den modder niet.'
(7 januari 2007)
(Gu)(El)inevere
In het jongste nummer van
De Parelduiker
(2006, nr.3) verricht Frédéric Bastet, de nestor van het hedendaagse
Couperus-onderzoek, de aftrap voor een nieuwe reeks publicaties die ongetwijfeld
het licht zal zien naar aanleiding van de openbaarmaking van de
collectie-Eekhof. De omvangrijke Couperus-verzameling werd in juni van dit jaar
verkocht aan het
Letterkundig Museum en de
Koninklijke Bibliotheek, zodat het vermaarde, maar altijd met veel
geheimzinnigheid omgeven Bibliofiele Wonder eindelijk voor iedereen toegankelijk
is. De verkoop werd zelfs belangrijk genoeg geacht voor een uitgebreide
coverage op het
NOS-journaal.
Bastet buigt zich over een handgeschreven opdracht van
Couperus in een eerste druk van
Eline Vere, die deel uitmaakt van de Eekhof-verzameling:
Aan mijne onvermoeide Secretaresse, met
het verzoek, altijd door, aangedreven
te worden tot het schrijven van nieuwe romans.
Hoewel op zichzelf weinig opzienbarend, en bovendien reeds lang bekend bij
ingewijden, inspireerde de korte tekst de Couperus-biograaf tot een onnavolgbaar
staaltje biografisch associëren. Vroeg
Elsbeth Etty
zich nog onlangs af wie de aangesprokene zou kunnen zijn, voor Bastet is er
geen greintje twijfel dat de opdracht gericht is aan Elisabeth Baud. Sterker:
Couperus' eerste roman is een rechtstreekse hommage aan zijn latere vrouw, wat
bovendien óók tot uitdrukking komt in de titel. Om zijn stelling te onderbouwen
wijst Bastet op het Guinevere-motief dat al vroeg in het werk van Couperus
opduikt. Elisabeth zou zich sterk hebben geïdentificeerd met de echtgenote van
de mythische koning Arthur, terwijl de auteur zichzelf herkende in Lancelot,
haar ridderlijke minnaar. Naamkundig gesproken is het maar een kleine stap van
Guinevere naar Eline Vere: men vervange de eerste twee letters van de koningin
door de eerste twee van Elisabeths naam. Aldus, zo besluit Bastet zijn betoog,
wordt 'een aantal afzonderlijke elementen in een onweerlegbaar zinvol onderling
verband geplaatst'.
(9 september 2006)
Eddy Merckx denderde over Kleine Zielen heen
Regelmatig wordt ons gevraagd of de televisieserie
De kleine zielen ooit weer eens wordt herhaald, of wanneer er nu
eindelijk eens een dvd-uitgave van de legendarische reeks wordt uitgebracht.
'Nooit,' is dan helaas steevast ons antwoord. De opname is namelijk deels
verloren gegaan. Wat is het geval? De NCRV - die de tiendelige serie in 1969 op
de televisie bracht - heeft op een gegeven moment de banden uitgeleend aan de
BRT. Toen de Belgische omroep een wielerwedstrijd met nationale held Eddy Merckx
wilde vastleggen, greep men in de haast naar de band met het negende deel uit de
serie... Tot zover de duurste productie uit de Nederlandse televisiegeschiedenis
tot dan toe. Wel heeft de NCRV nog op 22 mei 2002 in het kader van haar jubileum
een bijna twee uur durende compilatie van De kleine zielen uitgezonden.
Voor wie vergeten is deze uitzending op te nemen is er nu wat
digitale troost. Op de website van de NCRV zijn nu
enkele fragmenten uit de serie te bekijken. Ook zijn daar allerlei
feitjes en wetenswaardigheden over de productie bij elkaar gebracht.
Daarmee zullen we het moeten doen. Of zal men in Hilversum het toch ooit nog
eens op de heupen krijgen en een nieuwe versie durven maken? Ellen Vogel, die
toen Constance speelde, zou nu in ieder geval een prachtige mama van Lowe kunnen
vertolken.
(14 mei 2006)
Leesclub
Een mooi initiatief van een oud medium, waarbij het nieuwe medium, het
internet, een grote rol speelt: de
leesclub van NRC Handelsblad. Redacteuren van de krant discussiëren
samen met lezers over klassiekers uit de Nederlandse literatuur. Iedere maand
staat een ander boek centraal. Men begon met
Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans; in mei werd
De stille kracht van Louis Couperus besproken.
NRC-medewerkers
Bas Heijne ('Als klein jongetje zat Louis Couperus doodsbang in een donkere
Indische badkamer. De resonantie van die angst maakt De stille kracht tot
een visionaire roman.'),
Michiel Leezenberg
('Couperus' kolonialisme heeft niets te maken met uitbuiting of
onderdrukking'),
Elsbeth Etty ('De stille kracht is geen kritiek op het koloniale
Europa') en
Pieter Steinz
('Het verhaal van de tragische held Van Oudijck is niet alleen Couperus'
beste boek, maar ook een van de grote werken van de wereldliteratuur') gaven een
voorzet, lezers reageren. En dat kan, na de verplichte registratie, overigens
nog steeds.
(11 juni 2005)
'Ik zal me beperken'
Een unicum op de vaderlandse televisie: een avondvullend programma
over literatuur. Op prime time nota bene! De quiz - ja, het moet natuurlijk
wel allemaal leuk blijven - vormde de opmaat van de
zeventigste Boekenweek.
Presentator Jeroen Pauw strooide luchtig met smakelijk kijkvoer voor de
beschaafde mens en stelde vragen die gelukkig eenvoudig genoeg waren om de
gemiddelde lezer het gevoel van enige deskundigheid te verschaffen.
Ook de vraag die over Louis Couperus werd gesteld leverde
de kandidaten geen problemen op. Deze werd ingeleid door het inmiddels
beroemde, helaas geluidloze
filmpje waarop een pratende Couperus te
zien is. De opname is gemaakt op 9 juni 1923, tijdens een feestelijke
huldiging ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag.
Een deskundige liplezer heeft ons geopenbaard wat de auteur
ons te vertellen heeft. Het zijn de weinig opzienbarende woorden: 'Ja, wat
ik wou zeggen... ja dat heb ik... o tja... ik zal me beperken...'
Voor degenen die het unieke fragment met Couperus hebben
gemist: klik
hier. Als u de
hele uitzending van De avond van het Boek, door de
NPS
uitgezonden op 7 maart op Nederland 3, wilt terugzien, klik dan
hier. De winnaar van de quiz won, behalve een plek in de jury van de
AKO-literatuurprijs, een sculptuur van Jan Wolkers, geïnspireerd op de
roman De berg van licht van... Louis Couperus.
(9 maart 2005)
Hink-stap-sprong
De toekenning van de P.C. Hooft-prijs aan classicus, dichter, romancier,
essayist en Couperus-biograaf Frédéric Bastet (78) was voor velen een
complete verrassing, niet in de laatste plaats voor de gelauwerde zelf: 'het
kwam als de bekende donderslag bij heldere hemel. Zeker op mijn leeftijd.
Doorgaans krijg je eerst de Constantijn Huygensprijs en daarna maak je
misschien kans op de P.C. Hooftprijs. Ik heb dus echt in één keer een
hink-stap-sprong gemaakt,' aldus Bastet in een vraaggesprek met Floor
Ligtvoet in de
Haagsche Courant.
Vanzelfsprekend komt ook Louis Couperus ter sprake. Zijn
biografie maakte Bastet (en in zekere mate ook Couperus weer) bekend bij het
grote publiek. In hoeverre lijkt Bastet eigenlijk op zijn held, wil Ligtvoet
weten: 'Ik houd wel van Schoonheid met een hoofdletter, mooie spullen en
muziek. Toch lijk ik niet op hem. Anderen zeggen van wel, maar daar trek ik
me niets meer van aan. We leiden toch echt andere levens. Couperus was
continue aan het reizen. Ik heb ook veel gereisd voor mijn beroep als
archeoloog, maar ik vond dat eigenlijk niets. Het liefst was ik thuis. Ik
ben ook nooit getrouwd geweest. Of ik wel homoseksueel ben? Daar laat ik mij
niet over uit.'
(22 december 2004)
Een echte vent
Week-vrouwelijk, fatterig, suikerzoet, pompeus, overdreven, onecht. Ziehier
enkele kwalificaties waarmee Couperus door de contemporaine kritiek regelmatig
om de oren werd geslagen. In de tijd dat het estheticisme tot op zekere hoogte
als literaire norm gold, was die 'aanstellerij' van Couperus blijkbaar al te
veel van het goede.
Men zou misschien verwachten dat de redactie van het
tijdschrift Forum, die zich in het begin van de jaren dertig van de
twintigste eeuw immers met veel bravoure aan het Démasqué
der Schoonheid wijdde, het werk van Couperus al helemaal als brandhout zou
beschouwen. Het tegendeel is waar. De Haagse auteur wordt in de eerste jaargang
van het tijdschrift (1932) zelfs naar voren geschoven als voorbeeld par
excellence van een echte 'vent', zoals de Forummers die zo graag zagen.
De 'open
brief' aan een zekere J.B. eindigt met: 'Ik zou - je kunt er om lachen of
niet - willen volhouden, dat Couperus, de kwast, de zijden, verfijnde dandy, een
der weinige kerels is geweest, die in het hollandsch geschreven
hebben....'
Auteur van de 'brief' is de dichter Hendrik Marsman; zijn
pleidooi voor het werk van Couperus is ongeëvenaard in zijn enthousiasme.
Behalve Langs lijnen van geleidelijkheid is het vooral 'De binocle' die
Marsmans geestdrift gaande maakt: '(...) weet jij één verhaal, niet alleen van
Couperus, maar van onze heele literatuur, dat daarbij haalt?'
Alle vier de jaargangen van Forum, zonder
twijfel het invloedrijkste literaire tijdschrift
van de vorige eeuw, zijn vanaf heden te lezen op de website van de alsmaar
uitdijende Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren.
(4 augustus 2004)
Help Couperus op de longlist!
De KRO organiseert dit jaar de
Verkiezing van de Grootste Nederlander Aller Tijden. Op de bijbehorende
website kan de bezoeker een keuze maken uit een royale lijst van 200 namen
uit heden en verleden en uit verschillende disciplines. Naar aanleiding van deze
selectie wordt in het najaar een top 100 samengesteld. Na een afvalrace blijven
de tien hoogstgeplaatsten over. Op 15 november wordt bekendgemaakt wie
uiteindelijk de prestigieuze titel, al dan niet postuum, in de wacht sleept.
Aangezien rang- en hitlijstjes even amusant als onzinnig
zijn, surfde uw redacteur gezwind naar de website om in ieder geval vast één
stem voor Neerlands grootste romancier veilig te stellen. Even op de categorie
'Schrijvers en dichters' klikken... aha! Daar staat Multatuli. Even verder
zoeken... Bomans, zozo... Reve, Wolkers, Campert, nounou... Vondel, Cats... goh,
de oudjes doen gelukkig ook mee. Maar waar staat Couperus toch? Even in de ogen
wrijven en nog eens kijken... Hadewijch, Hofland, Nijhoff, Vestdijk... Dan
dringt het tot me door. Ongelooflijk, maar waar: niks geen Couperus! Louis Marie
Anne Couperus (1863-1923) staat niet op de lijst!
Kijk, nou wil ik niet gaan jammeren, ik begrijp dat het
moeilijk kiezen was, ik ben me er terdege van bewust dat Remco Campert een véél
groter auteur dan Couperus is, en ik weet heus wel dat onze auteur uiteindelijk
geen enkele kans maakt tegen Johan Cruijff en Pim Fortuyn, maar een longlist van
200 Nederlanders waarop Louis Couperus schittert door afwezigheid: dat moet
op een ongelukkig misverstand berusten! Vooral als men bedenkt dat de lijst is
samengesteld door onder anderen een neerlandicus (Herman Pleij) en een literair
auteur (Joost Zwagerman).
Gelukkig hebben zij rekening gehouden met blinde vlekken bij
zichzelf. Op de website kunt u via een formulier iemand nomineren die niet op de
lijst voorkomt. Dus er is nog hoop! Voorkom gezichtsverlies bij de jury!
KLIK ALLEN
HIER
en verstuur het formulier. Opdat gerechtigheid geschiede.
(1 mei
2004)
Couperus plagiaris?
Het zo beladen 'P-woord' valt nergens, maar het hangt als een donkere wolk boven
haar artikel: onderzoek dat neerlandica Mary Kemperink verrichtte naar de
bronnen van Couperus' reisschetsen toont aan dat de auteur, op z'n zachtst
gezegd, wel erg zwaar leunde op bekende reisboeken uit zijn tijd. Hij plunderde
ze niet alleen voor allerhande feitjes en anekdoten, uit enkele veelzeggende
voorbeelden blijkt dat Couperus dikwijls passages uit deze boeken (bijna)
letterlijk overnam.
In haar essay 'De gidsen van Couperus. Bronnen en brongeruik
in zijn Italiaanse reisschetsen' (Spiegel der Letteren 2004, nr.1) is
het Kemperink er echter niet om te doen Couperus als plagiaris te ontmaskeren.
Zij vraagt zich in de eerste plaats af wat de manier waarop de auteur met zijn
bronnen omgaat ons leert over zijn poëtica. Hierdoor komt het accent vanzelf te
liggen op wat hij veranderde, benadrukte, wegliet en toevoegde.
Kemperink: 'Couperus blijkt zijn bronnen tamelijk nauwgezet
te volgen, maar er tegelijk sterk zijn eigen artistieke stempel op te drukken.
Centraal staat steeds de zintuiglijke ervaring van het moment en de emotie die
deze ervaring bij hem teweeg brengt. Persoonlijke (poëticale) elementen daarin
zijn: de ervaring van de schoonheid en weemoed, de bijna visionaire evocatie van
het verleden, de esthetisch-decadente verheerlijking van het gruwelijke, de
zelfprojectie in het verleden, de voorkeur voor de klassieke godsdienst boven
het christendom en de sympathie voor homoseksuele verhoudingen.'
(1 april 2004)
Op zoek naar de nieuwe Orlando
Op 27 november 1909 maakt de Nederlandse lezer voor het eerst kennis met de
Italiaanse vriend van Couperus. Vanaf dat moment zal deze vrijgezelle bon-vivant
onder de fictieve naam Orlando Orlandini regelmatig opduiken in Couperus'
wekelijkse feuilletons voor de krant Het Vaderland.
Gezien de erotische geladenheid van deze vriendschap ('Ik heb
hem eens gezegd dat hij mooi was, als een antiek beeld in een muzeum') is het
niet verwonderlijk dat deze Orlando Couperus-vorsers altijd tot de verbeelding
heeft gesproken. Wie gaat er schuil achter deze figuur?
Hoewel sommige onderzoekers hebben geopperd dat Orlando als
individu helemaal niet heeft bestaan en wellicht is samengesteld uit
verschillende mensen uit Couperus' omgeving, heeft de theorie van biograaf
Frédéric Bastet uiteindelijk de meeste ingang gevonden: hij identificeerde
Orlando als Giulio Lodomez, broer van Couperus' vriendin Emma Garzes.
In het nieuwste nummer van De Parelduiker, dat
bijna geheel aan Couperus is gewijd, trekt José Buschman, historica en
medeoprichter van het Couperus Genootschap, Bastets veronderstelling in twijfel.
Is het bijvoorbeeld niet vreemd dat de naam van Giulo niet één keer wordt
genoemd in de brieven die Couperus aan Emma en haar moeder schreef? Bovendien
diende zich onverwacht een nieuwe Orlando-kandidaat aan. Buschman bezocht het
Italiaanse klooster, waar Couperus met Orlando zou hebben overnacht. In de
bewaard gebleven gastenboeken trof zij inderdaad de naam van Couperus en diens
vrouw aan, maar niet die van Giulio Lodomez. Boven de handtekening van Couperus
stond wel een andere naam die haar aandacht trok: Bernardino Mario Ciarabalà.
Buschman: 'Het zijn twee verschillende handschriften, maar als je goed kijkt, is
het alsof Ciarabalà en Couperus wel dezelfde (vul)pen hebben gebruikt. Lag die
pen soms destijds op het visiteboek? Of kwam die uit de binnenzak van Orlando?'
Daar zullen we ongetwijfeld meer van horen. De speurtocht
naar Orlando, de mysterieuze vriend van Couperus, kan opnieuw beginnen.
(7 maart 2004)
De psyche ontrafeld
Ondanks Couperus' grondige afkeer van ziekte en ouderdom, legde hij een grote
interesse aan den dag voor personen met allerlei psychische afwijkingen. Vooral
Het heilige weten, het vierde en laatste deel van de romancyclus De
boeken der kleine zielen
biedt de lezer een staalkaart van uiteenlopende neurosen, verenigd in één
familie. Voor een
recensente
destijds aanleiding om zich geïrriteerd af te vragen of de roman niet beter
'Gekken-zielen' had kunnen heten.
Op 22 november 2003 organiseerde de
Brakmankring, de
Vestdijkkring
en het Louis Couperus Genootschap het symposium 'De zieke mens in de
romanliteratuur', naar het gelijknamige essay van Simon Vestdijk uit 1964. Karin
Peterson, oud-voorzitter van het Louis Couperus Genootschap, sprak daar over
ziektebeelden in het werk van Couperus. Haar lezing is gepubliceerd in de
nieuwste aflevering van de Vestdijkkroniek
(nr.103, februari 2004).
In 'De psyche ontrafeld' toont Peterson aan dat Couperus in
zijn roman niet zomaar een stoet krankzinnigen aan ons voorbij laat trekken;
zijn visie op psychische stoornissen is sterk beïnvloed door de psychiatrische
wetenschap, die rond 1900 een grote ontwikkeling doormaakte. 'Etaleerde Couperus
in Eline Vere nog een statisch en deterministisch mensbeeld, waarin de
temperamentenleer goed thuishoorde, in de laatste roman [De boeken der
kleine zielen] beschrijft hij met veel liefde een situatie, waarin aandacht
bestaat voor de onderliggende traumatische oorzaken die het gedrag van de
psychiatrische patiënt bepalen.'
De Vestdijkkroniek is gratis voor leden van de
Vestdijkkring; losse nummers kosten
€ 6,-.
(26 februari 2004)
Mooie sokken
Behalve als wekelijks opinieweekblad verschijnt Elsevier
dit jaar ook als maandelijkse glossy: Elsevier Thema. Het septembernummer is
gewijd aan mannenmode.
Onder de titel 'Orchidee onder de uien' laat
Couperus-biograaf Frédéric Bastet in dit nummer nog eens alle clichés over
Couperus als perfect geklede dandy de revue passeren.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog schnabbelde de immer om geld
verlegen auteur bij door voor te dragen uit eigen werk. Het publiek had bij deze
gelegenheden meer oog voor zijn onberispelijk toilet dan oor voor zijn
schrijfsels. Zijn confrater Johan de Meester schreef: 'ik was mij tot gisteren
onbewust, dat er zúlke mooie sokken bestaan, met één breed wit streepje en vele
smalle, fijn uit de lage lak schoentjes lijnend.'
En dan is er nog Couperus' beruchte roze smoking, die heden
ten dage als een koddige relikwie in het
Letterkundig Museum wordt bewaard. Denken velen misschien dat Couperus
hierin over het Lange Voorhout huppelde, als opzichtige relnicht avant la
lettre, in werkelijkheid was het een kostuum dat Couperus zich speciaal had
laten aanmeten voor het carnaval in Nice, toen roze de voorgeschreven kleur was.
Eigenlijk was Couperus' smaak betrekkelijk sober. Dat blijkt tenminste uit zijn
bijdrage voor een reclamefolder van het kleding magazijn Kattenburg & Co. Hierin
schreef hij dat hij dankbaar was dat 'onze mode zoo praktisch was, zoo
eenvoudig, zoo streng.' Maar, zo relativeert Bastet weer, hij kon moeilijk iets
anders beweren: hij kreeg van Kattenburg maar liefst vijfentwintig gulden voor
zijn artikeltje. Hoe dan ook: hij mocht dan misschien een 'kunstig bloeisel van
fatterigheid' zijn, zoals André de Ridder ooit schreef, Couperus was blijkbaar
bovenal een praktisch persoon, een man van de wereld, die wist wat er te koop
was én verkocht kon worden.
(10 september 2003)
Drakevlerken
Tachtig jaar geleden reisde Couperus als speciaal correspondent van de
Haagsche Post
naar het Verre Oosten. De reportages die hij schreef over Japan en China werden
in 1925, bijna twee jaar na zijn dood, gebundeld in het boek Nippon.
Toen fotograaf Paul van Riel
dit boek onlangs in handen kreeg, realiseerde hij zich hoe goed de foto's die
hij de afgelopen jaren had gemaakt, aansloten bij de beschrijvingen van
Couperus. In nr. 18 (mei 2003) van HP/De Tijd, de opvolger van de Haags(ch)e Post,
staan enkele foto's van de fotograaf afgedrukt, met daaronder een aantal citaten
van Couperus.
En inderdaad: of het nu gaat om 'de jonkezeilen als
drakevlerken of immense vinnen van reuzenvisschen' op de Parelrivier bij
Guangzhou, 'de visschen karmijn op den graat de vleezen bloederig purper' in de
winkels van Canton, of 'al die papiertjes, die gewonden zijn om de takken van
een prachtigen magnolia-heester in vollen bloei' in Nikko, het is er allemaal
nog, zoals de foto's van Paul van Riel mooi laten zien. Van Riel deelt de
gemengde gevoelens die Couperus koesterde voor het moderne Japan: 'Natuurlijk is
er nog steeds veel moois te zien in Japan, maar in een relatief klein land dat
in Couperus' tijd al overbevolkt was en inmiddels 120 miljoen inwoners heeft,
(…), worden al die tempels, heiligdommen en parken steeds meer opgeslokt door
het uiterst chaotische straatbeeld. (…) Wanneer hij klaagt over de barstensvolle
treinen en de bij elke tempel en elk station aanwezige lawaaiige groepen
scholieren, dan voel ik met hem mee.'
(3 mei 2003)
Het graf van Eline Vere
Toen de eerste afleveringen van Eline Vere in Het Vaderland waren verschenen, gonsde
het in de hofstad van de geruchten. Welke jonge, Haagse freule stond model voor
de ongelukkige heldin? Couperus wist haar immers zó levensecht te beschrijven,
dat zij wel haar equivalent in de werkelijkheid móest hebben. Hoewel Couperus,
in navolging van Flaubert, verklaarde: 'Eline Vere, dat ben ikzelf', sluit zijn
biograaf Frédéric Bastet niet uit dat de hoofdpersoon van de roman deels is
terug te voeren op een meisje van vlees en bloed. Degene die volgens Bastet de
beste papieren bezat, was Virginie la Chapelle. Zij componeerde de muziek voor
de kinderoperette De schoone slaapster in het bosch, waarvoor Couperus
het libretto schreef. Zij stierf op jonge leeftijd aan tuberculose.
Casper Postmaa van de Haagsche Courant wist het graf van Couperus' muze te
traceren. Zij ligt begraven op dezelfde plek als Couperus: Oud Eik en Duinen in Den Haag. Dat het graf niet eerder was
opgemerkt, wekt geen verwondering: op de steen geen spoor van haar naam, maar
slechts de tekst 'to be or not to be, that's the question' en 'Heilig deze tombe
met smarte gewijd aan de verstorvene jeugd'.
(20 april 2003)
Grimmige genootschappen
Naast alle hijgerige publiciteit over hommeles in het koningshuis, is er in
weekblad HP/De Tijd
(nr.10) gelukkig ook nog ruimte voor een reportage over zoiets bedaagds als
literaire genootschappen. Hoewel... bedaagd? Volgens Peter Hoomans, schrijver
van het artikel, is ook de wereld der schrijverskluppies een ware slangenkuil.
Ondanks dat de meeste leden allang met korting de bus in mogen - de vergrijzing
is voor veel genootschappen een groot probleem - schijnen ze elkaar geregeld in
de uitgedunde haren te vliegen. Haat en nijd binnen de Vestdijkkring. Kinnesinne in The Blue Poet
Society (de Boudewijn Büch-fanclub). Gekrakeel tussen twee Hermans
Genootschappen. 'Ik dacht dat ik in het bestuur van en literair genootschap
zat,' vertelt Ria Albers, secretaris van de Vestdijkkring, 'maar het leek wel
oorlog.'
Het Louis Couperus Genootschap wordt door Hoomans, samen met
het Multatuli Genootschap en
het Willem Elsschot Genootschap, tot de
braafste jongetjes van de klas gerekend: 'Gezelschappen als deze vergaderen niet
alleen uitgebreid over de verenigingsstructuur en slaan elkaar niet alleen bij
tijd en wijle het hoofd in over de te varen koers, maar organiseren ook
wandelingen langs woonplaatsen van de auteur of plekken die een rol spelen in
zijn werk; ze geven jaarboeken uit en een periodiek waarin alles wordt
bijgehouden waarin de naam van de geliefde auteur opduikt.' Waarvan akte.
(5 maart 2003)
Kokette cocotte
De biografische honger van Frédéric Bastet lijkt nog niet gestild. In het
laatste nummer van De Parelduiker (nr.5) onderzoekt de Couperus-biograaf in
hoeverre de flamboyante Brusselse tante van Eline Vere, Elize, gebaseerd kan
zijn op een bestaande figuur.
In het boek Uit de suiker in de tabak (1884) van P.A. Daum is een kleine rol weggelegd voor een opmerkelijke
dame. Nou ja, dame: ondanks haar naam - barones Coombergh de Resfeldt - is zij
van oorsprong een levenslustig deerntje uit de Rotterdamse achterbuurten. Zij
wist toevallig een oude baron aan de haak te slaan, die al snel na hun huwelijk
overleed. Gerard Temorshuizen schrijft in zijn biografie van Daum dat de
romanfiguur is gemodelleerd naar de lichtzedige Elise van der Meyde die trouwde
met de veertig jaar oudere Jonkheer Otto Carel Holmberg de Beckfelt, een
voormalige bestuursambtenaar op Java die schatten heeft verdiend in de suiker.
Bastet, die in zijn artikel een aantal aardige anekdotes over
deze Elise serveert, probeert op zijn beurt de lezer ervan te overtuigen dat
Elize, de romanfiguur uit Eline Vere, wel erg veel overeenkomsten heeft met de
wufte douairière die eerder Daum inspireerde. Couperus heeft hem waarschijnlijk
goed gelezen, maar vond tevens dat Daum kansen had laten liggen, aldus Bastet.
Hij suggereert hiermee dat de auteur van Eline Vere het portret van Elize
gedeeltelijk naar de werkelijkheid heeft geschilderd en de kokette cocotte dus
persoonlijk heeft gekend.
Het is een miniscuul pareltje dat Bastet uit de modder van de
geschiedenis heeft gevist. Dat wil niet zeggen dat zijn verhaal niet lezenswaard
is, ook al zullen we waarschijnlijk nooit zeker weten of het een vals pareltje
betreft.
(28 januari 2003)
Handen nog warm van de fazant
L.H. Wiener is behalve auteur ook leraar Engels. In Van Gigch, een personage uit
zijn pas verschenen roman Nestor, portretteert Wiener deels zichzelf als
lesgevende schrijver.
In de Haagsche Courant van 29 november vertelt Wiener
onder meer over zijn ervaringen als docent: 'De leraar is in het huidige
onderwijs gereduceerd tot een boekhouder. Hij mag administreren welke
werkstukjes zijn leerlingen hebben gemaakt. Ik heb meegemaakt dat ik op een
gegeven moment alleen nog maar zat te speuren naar de opzettelijke fouten in de
werkstukken van leerlingen, gemaakt om de informatie die zij van het internet
hadden geplukt nog een persoonlijk tintje te geven. Maar zo'n leraar wil ik niet
zijn. Dat staat niet in mijn contract. Ik wil mijn enthousiasme voor literatuur
over kunnen brengen, ik wil kunnen vertellen. Ik wil leerlingen een gedicht
voorleggen en er op zo'n manier over praten, dat er iets gaat leven. Al zijn het
maar een of twee leerlingen, dat is genoeg. Daarbij zal wel meespelen dat ik
zelf zo'n jongetje was. Ik heb een leraar Nederlands gehad die op zo'n
plechtstatige, gedreven manier voorlas uit de Naumachie van Couperus. Daar zat
ik dan, mijn handen nog warm van de fazant die ik in de duinen had gevangen, en
ik was diep onder de indruk.'
(29 december 2002)
Couperus wird neu entdeckt
In Duitsland is er een échte cultuurzender, waar men regelmatig aandacht
besteedt aan... literatuur. Zelfs, jawohl, aan een obscure, bijna tachtig jaar
dode, Nederlandse auteur. Luister en kijk naar een fragment van 'Kulturzeit', een programma van de zender Sat3: Catherine Ann Berger in gesprek met de Duitse
literatuurcriticus Thomas Steinfeld over Die langen Linien der
Allmählichkeit, de nieuwe Duitse vertaling van Couperus' roman Langs
lijnen van geleidelijkheid (1900).
(15 december 2002)
Animale gevoelens
J.L. Heldring, de éminence grise van columnerend Nederland, wordt 85 en verhuist
binnenkort naar een serviceflat. Daar kan hij slechts een klein deel van zijn
bibliotheek onderbrengen, maar zijn Couperussen gaan in ieder geval mee. In
'zijn' NRC belijdt Heldring in een paginagroot
interview
zijn liefde voor het werk van Louis Couperus:
'Couperus is een goede schrijver, een van de grootste in
Nederland. [...] Hij is wijdlopig, maar zijn beschrijvingen van de psychologie
van zijn personages, van het typisch Haagse milieu waarin ze leven, van hun
drama's - die zijn goed.'
Heldring las twee keer aan zijn vrouw Langs lijnen van geleidelijkheid
voor. Vooral de beschrijving van de 'fysieke, bijna animale gevoelens' van de
hoofdpersoon kan hem wel bekoren:
'Couperus beschrijft het prachtig, maar zonder in details te
treden. Die kende hij waarschijnlijk niet. Zijn Engelse uitgever had bezwaar
tegen die laatste scène, als de vrouw in bed ligt te wachten op wat komen gaat.
Dat woord "bed" wilde hij er niet in hebben. Couperus schreef aan zijn vertaler:
maak er dan maar "sofa" van.'
(9 december 2002)
Wat is er tegen restauratie?
In de VPRO-gids
nr.47 staat een discussie afgedrukt tussen architect Herman Hertzberger en Wim
T. Schippers, die zich beijvert voor de herbouw van het
Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt. Couperus fungeert als argument:
Hertzberger: 'Prima, zo'n glaspaleis, maar bouw het op een
moderne manier. Je gaat toch ook niet een roman schrijven in de stijl van Louis
Couperus?'
Schippers: 'Het is alsof wij de resten van een roman van
Couperus hebben gevonden en die roman willen we reconstrueren. Het is geweldig
om dat schitterende gebouw op die plaats terug te zien, dat is het enige wat ik
wil. Wat is er tegen restauratie?'
(24 november 2002)