VI.
Babel, door Louis Couperus
Tusschen zijne romans in werpt Couperus af en toe, met vorstelijke verkwisting van gedachten en beelden, eene sproke, eene allegorie, die hij schijnt te bestemmen voor de élite zijner lezers - voor hen, wier hoogere zin minder naar de smakelijke schaal der vertelling, dan naar de diepe kern der beteekenis verlangt. Zulk eene was er Psyche, was er Fidessa. Zulk eene is er nu weder Babel. En met deze sproken geeft deze dichter loutere poëmen in proza, zuivere rondingen van litterarisch scheppen, in welke niets is van de strekkingen en de strijdvragen, de persoonlijkheden en de hartstochtelijkheden onzes tijds, - niets dan eene dichterlijke gedachte in het kleed eener dichterlijke taal. Daarom zijn dit in onze litteratuur klare kleinoodiën, wier rijke kleurengeflonker en diepte van licht nog blikken aantrekken en boeien zullen, wanneer het breedere en zwaardere, het meer materiëele drijfwerk der romans misschien reeds lang in een hoek der vergetelheid zal bestoven staan. Voor het groote kind Publiek, dat altoos aan de knieën van eene Moeder de Gans wil zitten, zijn deze poëtische intermezzo's kaviaar. Maar voor de litterarische fijnproevers zijn zij juist het êelste en
39
keurigste, wat deze voorname geest, die niet dan met edel metaal en edele
gesteenten te wrochten zich verwaardigt, hun voorzetten kan.
Babel. De naam alleen reeds wekt bij den
gewoonsten mensch voorstellingen van titanische hoogheid en stoutheid. Wat
wonder dus, dat hij den dichter Couperus vizioenen voortooverde van eene
immensiteit, wier proportiën slechts eene tamelijk hoog zich opwiekende
phantasie nog in het oog vermag te vatten?
Cyrus, een jonge held, staat op de uiterste piek van het
gebergte, waar zijn vader vorst over herdersvolken is, en tuurt uit over de
matelooze vlakte. En 'omdat hij sterk zag, meende hij te onderscheiden, aan de
kim achter de kim, aan den alleruitersten horizon-droomtint, iets als het rijzen
- heel laag, heel ver, heel ijl - van spitsen, fijn als naalden; en hij meende,
dat dáár de Stad zou zijn.
'Hij wees het zich met den vinger. En hij tuurde en spiedde
uit. En toen, in de wijde azuren, als een blauwe luchtzee boven het
naaldgewriemel der verre, verre torenstad, onderscheidde hij, vreemd, een
vierkante blauwte, even donkerder dan het luchtblauw, even afstekend tegen het
luchtblauw, als getrokken met de rechte streken van een penseel vol water en
blauw. En boven dit vierkant van gewasschen blauw rees een kleiner vierkant van
blauw weêr; daar boven weêr een, kleiner; daar boven weêr een, kleiner steeds, -
en weêr een, en weêr een, altijd kleiner en kleiner, zich dobbelsteenachtig
versmal-
40
lende, tot het werd, voor zijn steeds beter onderscheidenden blik, een blauwe
trap van etherische kubiekstapelingen, als een vreemde toren van blauwe
hoogmoedigheid, even penseelgewasschen tegen den trillenden hemel.'
Grootscher, dan zoo wazig klein van uit de blauwende verte,
heeft Couperus ons den Babeltoren niet kunnen doen zien, of liever doen voelen.
Niet wanneer hij ons in zijne nabijheid voert en ons eene maat tracht te geven
van des gevaartes geweldige afmetingen. Niet wanneer hij ons opleidt langs het
mijlenbreede fundament van trede op trede, van terras op terras, en ons doet
duizelen op de hoogst uitgeworpen luchtbrugbogen.
Cyrus wil naar Babel, wil mede Babel helpen opbouwen -
opbouwen tot het allerhoogste, waar Baäl troont tusschen zijne zeven zonnen, met
Astarte, de goddelijk schoone liefdegodin. De sterren lokken en wenken hem
daartoe, als met lachende oogen van goden......
'Cyrus, stijg Babel op! Bouw Babel op, hooger en hooger, bouw
meê met de Enochskinderen. Is het aan jou, Cyrus, te zingen op de veelrietige
fluit en te weiden het vee en te jagen het wilde gebeest langs de ruige klippen
van het berggesteente? Of is het aan jou, hoog te zijn en machtig, en Baäl
gelijk te streven?'
Hij gaat, vervloekt door zijnen vader. Hij komt. Hij wringt
zich heen door de millioenen volks, die wriemelen in de stad rondom den
torenbouw, de straten en de pleinen bedekkend met ellende en brallend in honderd
verwarde talen. Eene jonge vrouw, landsmannin, danseres in dienst van Astarte,
is hem tot gids naar de eerste hoogere terrassen.
Hij ziet de bouwmeesters, hooge gestalten, gebiedend
41
als koningen. 'Eene majesteit maakte edel hun bevelend gebaar, een glans lichtte
uit hunne oogen, een strevende drift sprak uit hunne stemmen, die bevalen de
honderden opzichters, onder welke de duizenden slaven zwoegden.' En Cyrus dacht:
'O, bouwmeester van Babel te zijn! Tot het allerhoogste, tot het allerhoogste!'
Cyrus hoort de priesters, die waarschuwen tegen den bouw,
dreigende met Baäl's verdelgende gramschap. Hij hoort de wijsgeeren, die leeren
dat de bouw ijdel en niets is, dat er geen andere bouw omhoog is, dan de bouw
der ideeën naar het ideaal. Hij hoort ook een lasteraar en nihilist, die geheel
Babel loochent, en Baäl, en die Astarte enkel goed genoeg acht om tot hare
uiterste bezoedeling ontheiligd te worden. Maar bij al wat hij hoort, en wáár
hij ook gaat, en hoe hoog hij ook stijgt, hoort Cyrus door alles heen en van
alomme eene ruischende, dreunende, kreunende klacht......
'Uit de diepte van den lagen nacht, naar de hoogte van den
vagen nacht, ruischte op een klacht als van duizenden. Uit de kilte van den
afgrond zwart, naar de hemelstilte, klaagde het op, bruischende. Als een
vloedgolf van klagen deinde het hooger, druischende. Dan zonk het neêr,
verstierf weg, verfluisterde weg, suizende'....
Het was de klacht der honderdduizend slaven, die zwoegden aan
den bouw, zich krommende onder de geeselen der opzichters. En deze klacht van
hopeloos wee wordt voor Cyrus eene stem van medelijden, gelijk de lokstem der
sterren tot bouwen aan Babel eene stem des hoogmoeds voor hem was geweest.
Tusschen die twee, hoogmoed en medelijden, wankelt zijne ziel.
42
Men maakt hem tot opzichter, omdat hij sterk van leden is.
Maar hij geeselt de geeselaars en verlost zijne slaven. Hij verlost ook uit
gevangenschap den kindvorst, dien de opperbouwmeesters gekerkerd hielden in zijn
weidsche paleis. Al kleiner daalt de hoogmoed, al sterker rijst het medelijden.
Zal Cyrus stijgen, of zal Cyrus dalen? In bangen tweestrijd schijnt gansch Babel
hem te drukken op de borst. Weer fluisteren lokkend tot hem de sterren:
'Cyrus, stijg tot ons op! Cyrus, bouw Babel hooger! Wat dwaal
je, Cyrus, en wat dwalen je gedachten toch telkens naar de lage terrassen? De
slaven lijden en de koningen lijden. Cyrus, laat alle leed! Als iedere trede van
Babel is een steen van ellende en van smart voor slaven en voor koningen en voor
allen wie tusschen hen treden - zie dan niet achter, Cyrus, maar stijg over ze
met lichten voet. Hef je blik, zwaai uit je bevel als een prins en een
bouwmeester van Babel. Vrees niet de bliksems: slinger ze Baäl terug. Cyrus,
wees Opperbouwmeester zelf! Cyrus, Cyrus, wees Baäl, wees god!'
Maar dan weêr druischte aan van uit de diepte de klacht,
suizende:
'Cyrus, Cyrus, zie niet naar de starren, die liegen en lokken
en lonken! Zie naar beneden.... Ons roode bloed vloeit! Ons bloed stroomt de
trappen van Babel af en golft een zee uit in de woestijn, een purperen zee
rondom Babel.... Cyrus, zie aan de kabelstelselen de kubieken rijzen en rijzen.
Hoor ons zwoegen, zie ons bezwijken, luister naar het spoelen van ons bloed. De
bazilisken der geesels striemen de lucht, sissende. Maar wij kunnen niet meer.
De centenaren donderen uit de systemen, te
43
zwaar .... Cyrus, kom tot ons! Daal! Loop tegemoet met je eigen lijf de
opstijgende smart der duizenden! Cyrus, daal af, hoû tegen! Wie goden te
bestormen vermag, kan ook stormen omlaag, tegen menschen in. Cyrus, daal af, hou
tegen!'
Moet hij stijgen? Moet hij dalen? - In zijn hart was niets
dan twijfel. 'In den eindeloozen nacht van sterren, die zongen, en afgrond, die
klaagde, waaide om hem heen als een storm de wanhoop, de wanhoop zwart.'
Daar komt tot hem de Opperbouwmeesteres Idonia, die schoon is
als eene Astarte op aarde. Zij neemt hem tot den hare, den jongen herder, die
een nieuw lied, een koele drank voor haar zal zijn, haar lust en haar genot. Zij
doorziet hem, doorziet wat gevaar van rebellie er in hem is, in hem die de
opzichters geeselde, de slaven bevrijdde en den Opperrechter versloeg voor den
troon van den gekerkerden kindvorst. Maar dit gevaar wil zij temmen, als een
welp aan hare voeten; zij wil er meê spelen, wil het kneden, als eene vlam, die
zij wringt in hare witte handen. En tevens wil zij den wellust smaken van hem te
ontgoochelen, hem te doen weten, dat Babel's bouwmeesters niets bouwen dan hun
egoïsme, dat op Babel alles huichelt, - den wellust van hem te toonen, dat Babel
niet hooger is dan nog een paar enkele terrassen op, - hem de laagte van Babel
te toonen.
Opwaarts sleept zij hem meê, terwijl een oordeel der
elementen reeds over Babel dreigt los te breken en de volkeren vluchten in de
woestijn, - opwaarts tot den allerhoogsten toren, die 'als een reine lelie
groeide naar boven, ranke stengel van hemelverlangen'. - Zie uit!
44
gebiedt zij hem. En Cyrus zag, dat de blanke toren droop van bloed, stond in
bloed, groeide uit bloed, terwijl bloed, in breeden val, als water stroomde van
de trappen van Babel. En wederom hoorde hij de klacht, daverend van omlaag,
druischend tegen hem aan.
'Idonia,' vraagt hij - 'wat is dit?'
En zij verklaart het hem, hoe het ideaal der bouwmeesters
oprees als een toren uit de ellende der millioenen. En zij vermaant hem om te
laten zijn wat is, om op te rijzen uit zijn medelijden, om te hooren naar de
sterren, en niet naar wat klaagt van omlaag. En zij toont hem de laagte van
Babel, de ijdelheid van der bouwmeesters hoogmoed, de machteloosheid van hun
streven om Baäl met torens te naderen. En nadat zij hem aldus geheel ontgoocheld
heeft van zijnen gouden waan omtrent Babel's hoogte, noodt zij hem lokkend in
hare armen, om te leven de illusie van zelven goden te zijn.... 'Cyrus, er is
geen Baäl - en Astarte, Cyrus, ben ik! Wees Baäl dan! Bliksem, vlam uit, bemin
mij! Kom, daal meê in mijn paleis!'.....
Maar Cyrus kan niet met haar gaan, omdat hij eene wolk van
handen rijzen ziet, milliarden handen, krampwringend om iets van genade, iets
van medelijden. En terwijl hij waant dat die rijzende handen, niet meer smeekend
nu, hen beiden grijpen en worgen zullen, slaat hij zelf, als krankzinnig, zijne
handen aan Idonia's hals, en worgt haar.
'Toen viel het vuur uit den hemel, en de donder rommelde als
de lach der goden.' En Astarte, die in een proloog met Baäl geschaterd had over
het nietige toren-
45
bouwen der hoogmoedige menschen, komt in een epiloog hare blijdschap voor Baäl
uitstorten, omdat er uit de zee van bloed om Babel's toren, op het harde graniet
van Babel's hoogmoedige treden, de bloem ontsproten is van eene nieuwe
menschelijkheid - de bloem van het Medelijden. Neerknielend aan de gouden voeten
van Baal, be- sproeit zij die bloem met hare tranen.
De triomf van de deernis over den hoogmoed,
van de massa der zwoegende en lijdende kleinen over den torenbouwenden
Uebermensch, - zóó dus zou men den zin van dit poëem hebben te verstaan.
Voor sommigen nu zal die poëtische zin - wel te onderscheiden
van eene didactische strekking -de hoofdzaak wezen; voor anderen, de ware
lezers, zal des dichters taal het zijn. Want die taal is der grootsche stof
volkomen waardig, haar aangegoten, praalvol, stapelend beeld op beeld en pracht
op pracht, gelijk men in Babel stapelde terras op terras en toren op toren. Ja,
in hare aanhoudende sublimiteit zou zij vermoeiend, bedwelmend kunnen werken,
indien niet hier en daar eene kleine stoornis van moderne vormloosheid, aan
Couperus eigen, eene neiging wekte tot meesmuilen, - ongeveer alsof men tusschen
de machtige akkoorden van eene gewijde muziek af en toe het toeteren hoorde van
een mirliton; of alsof men een van Babel's fiere bouwmeesters, die zwaaiden zoo
breed hun vorstelijk gebaar, zich even krabben zag naar een vlooiebeet.
46
Zij dit zoo; laat het bereiken der volmaakte harmonie tusschen gedachte en stijl
weggelegd blijven voor enkele genieën slechts. Weinig te minder daarom is dit
werk van Couperus eene heerlijke gave - een zuiver en vólbloedig stuk
litteratuur, edel van willen en groot van kunnen. Wie eene grootsche conceptie
in hare lijnen van wegdeinende breedheid en torenende klimming volgen kan, maar
vooral wie oor heeft voor muziek van taal en oog voor stoutheid van beelding,
die neme Babel binnen de wanden van een stemmig stil vertrek, of op
eene zonnige hoogte in de zomerlucht. Hem wacht een uitgezocht genot.
Juli, 1901.
(Uit: J. van den Oude. Uit de poppenkraam onzer romantiek (1903), p.38-46. Oorspronkelijk gepubliceerd in Het nieuws van den Dag 1901, 10 juli)