LOUIS COUPERUS'
BABEL
DOOR FRANS NETSCHER
Voor hen, die Couperus in zijn
geheelen ontwikkelingsgang als artiest gevolgd hebben, is er een eigenaardig
verschijnsel waar te nemen.
Maar 'eigenaardig' toch alleen in zóóverre, dat hij
waarschijnlijk de éénige Nederlandsche auteur is, die een duidelijk
bewijs van den cirkelgang der menschelijke aspiraties, óók bij den artiest,
geeft.
Buitenlanders hebben ons dat al vroeger laten zien.
Maar ónze auteurs schijnen dat nog onbewust in hun werk te
verbergen.
Laten we er eens enkelen als voorbeeld nemen.
En we noemen dan
Gorter, Henriette Roland Holst en Van Eeden. Bij al deze artiesten valt
hetzelfde waar te nemen. En wel het volgende.
Ze zijn begonnen met werk van pure fantasie, met het in woord
en klank brengen van hun zielsleven, van hun abstrakte sentimenten, van hun
buiten de realiteit
staande visies.
De 'Mei' van
Gorter, de 'Gedichten' van
Henriette Roland Holst
en 'De kleine Johannes' van Van
Eeden
ziin, wat hun konceptie-bron betreft, niet ontstaan uit het getroffen- zijn door
de dingen der realiteit rondom. Zij ontsprongen uit hun gevoel, uit hun
fantasie, uit hun zieleleven. En dat gevoel, die fantasie, dat zieleleven
brachten zij in klank, in woord, in beeld. Door die middelen, waarover de
letterkundige kunstenaar beschikt, was het hun mogelijk hun gevoel, hun
fantasie, hun zieleleven aan anderen mede te deelen. En zij trachtten hun lezers
te verblijden door hun tot kunst gemaakte fiktie.
Ze stonden buiten de realiteit; ala bron voor hun werk putten
zij niet
uit de rond hen levende, zichtbare en waarneembare wereld.
Maar langzamerhend is toen de realiteit over hen
vaardig geworden.
Men weet met welk gevolg: toen
Gorter
en Roland Holst eenmaal de
realiteit waren gaan zien, zijn zij de dingen der kunst gaan beschouwen als een
minder ernstig of belangrijk werk der ziel en van den geest, dat achter moest
staan bij het verzorgen van het menschelijk geluk door verbetering hunner
stoffelijke positie in de maatschappij; en zij zijn socialisten geworden. En
nadat voor Van Eeden de dingen van
het werkelijke en stoffelijke leven meer belangrijkheid hebben gekregen, en de
wetenschappelijke basis den ondergrond der pure fantasie in zijn kunst meer en
meer is gaan vervangen, is hij óver zijn brochures over sociale vraagstukken
héén, gekomen tot het harde realisme van zijn laatste boek, 'Van de koele
meren des doods', waaruit zoozeer de fantasie is gebannen om plaats te
maken voor de realiteit, dat dit boek een dokumenteering van een
wetenschappelijk gekonstateerd pathologisch geval in het proza van een artiest
gelijkt.
Maar deze drie artiesten toonen ons een bewust, gewild
gaan in een bepaalde richting, een overgaan van fantasie- in realiteitswerk,
zonder eenig berouw, zonder terugkeer.
Bij Couperus is
dat echter niet het geval.
Hebben Gorter, Van Eeden en Roland Holst zich geestelijk langs
rechte lijn voortbewogen, waarvan de beide eindpunten fantasie en realisme zijn,
de geestelijke beweging van Couperus
heel den cirkelgang gevolgd, waarvan de lijn over de fantasie heenloopt om zich
buigend af te ronden naar het realisme, om dan zijn eeuwigen cirkelgang over de
fantasie opnieuw te beginnen.
Maar dat 'eigenaardige' verschijnsel, gelijk we het al
noemden, is waarschijnlijk alleen waarneembaar voor hen, die
Couperus
in zijn gehéélen ontwikkelingsgang gevolgd hebben.
En we zeggen hier opzettelijk zijn 'gehéélen'
ontwikkelingsgang, omdat voor het groote publiek het artistieke leven van Couperus eerst met de verschijning van
zijn aan de realiteit ontleenden roman 'Eline Vere' begint. Maar aan
het tijdstip der verschijning van dezen roman is in zijn artistieke leven een
zeer belangrijke periode voorafgegaan. Het is de periode geweest, waarin hij
zuivere fantasie-kunst leverde, toen hij zijn liefde voor praal en
pracht, voor kleuren en fiktiewerelden bot kon vieren - de periode waaruit zijn
gedichten dagteekenen, die den invloed van Leconte de Lisle en van Potgieter op hem verraden - de periode
van de flonkering, van het precieuse woord, den exotischen zinsbouw, der bonte
fantasie.
En die periode is zóó belangrijk in het kunstleven van Couperus dat we durven te beweren, dat
hij, die deze niet kent, ook niet in staat is zijn werk te beoordeelen.
Want in die periode liggen nog de wortelen van al zijn fantasie-werk uit later
tijd vast. Ook die van zijn nieuwe boek, 'Babel', dat op het punt staat
te verschijnen.
Deze eerste ontwikkelings- of vormingsperiode - (de periode
der zuivere fantasie, die we in den aanvang der artistieke loopbaan van Gorter,
Van Eeden en Roland Holst
hebben aangegeven) was tijdelijk afgesloten door zijn 'Eline Vere'.
Evenals genoemde artiesten kwam hij met dit boek uit de fantasie tot
het realisme.
Maar nu is het verschil dit: dat bedoelde artiesten,
gelijk we reeds opmerkten, zich meer en meer naar den realistischen kant
ontwikkelden en met de hun inherente snelheid langs een rechtdoor gaande lijn in
één richting voortbewogen, terwijl
Couperus in zijn kunst een
beweging in rondgaande richting genomen heeft: een beweging die cirkelvormig
steeds door de twee punten van de fantasie en het realisme loopt.
Want wél is zijn 'Eline Vere' als realistische
kunst gevolgd door zijn 'Noodlot', 'Extaze' en 'Een
Illuzie', maar vlak daarna verviel hij weer in zijn eerste fantasie-periode
terug met zijn koningsromans 'Wereldvrede', 'Majesteit' en 'Hooge
Troeven'. Uit die fantasiejaren kwam hij met zijn 'Metamorphose'
opnieuw tot zijn realisme terug, om wéér eens in de pure fantasie-kunst te
geraken met zijn 'Psyche' en 'Fidessa'. Dit was dus zijn
derde fantasie-tijdperk, dat, aangezien dit steeds weer afwisselend gaat,
natuurlijk op haar beurt weer gevolgd moest worden door een periode van
realiteitskunst, die dan ook waarlijk aanbrak met zijn 'Langs lijnen van
geleidelijkheid' en zijn 'Stille kracht'.
Maar dit tijdperk is opnieuw met deze boeken gesloten.
En de vierde fantasie-periode schijnt voor hem
aangebroken. De cirkel draait en wentelt; de fantasie-helft is weer boven.
Deze nieuwe periode wordt door zijn 'Babel'
ingewijd.
En dit boek is het meest fantasmagoristische werk van al
hetgeen Couperus tot nu toe gepubliceerd heeft.
De Chimera, die in 'Pscyhe' de kleine, teere Psyche
op zijn rug nam en haar met zijn reuzenvlerken ver wegvoerde, heeft nu ook de
fantasie van Couperus van de aarde naar de thoogste
oppen der verbeelding gedragen.
Want hoe stout en wild de fantasmagoristische fantasien van Couperus en zijn vroegere boeken ook
waren, zij bleven toch altijd op een denkbeeldige aarde. In zijn koningsromans
brachten ze ons in denkbeeldige koningrijken; in 'Psyche' in een
denkbeeldig Rijk van het Verleden en in een denkbeeldig onderaardsch rijk, en
zelfs bij de hoogste vlucht van de Chimera blijft de kleine Psyche op zijn rug
toch beneden zich een kijk houden op de aarde.
Hóóger dan zóó hoog was
Couperus
met zijn fantasie nog niét gestegen.
Maar nú heeft hij dat denkbeeldig maximum toch eindelijk
overschreden en is hij in zijn fantasmagoristische extaze tot een nog stoutere
hoogte gestegen.
Zijn Chimera heeft hem tot bóven de wolken, tot in de hemelen
gestemd, waar de goden tronen.
In de Proloog van zijn 'Babel' bevinden we ons
dadelijk te midden dier godin Astarte, de godin, danst met 'goddelijke tred over
den starrenvloer', over 'de azuren glansvloeren als over een blauw ijs ijlde zij
met uitgestrekte armen', zij riep den god Baäl, die 'te peinzen zat te midden
van zijn zonnen'; haar roep was als een lach zoodat 'geheel het paradijs
weêrtrilde.' Astarte wilde dat Baäl eens kijken zou. 'Baäl zie'... schaterde zij
luid, en met een ambrozischen vinger wees zij uit de hoogten der hemelen naar
beneden, in de diepte der 'wendende aarde.' Daar waren de menschen aan het
steenen sjouwen en als 'vier vijf gladde keien door een spelend kind op elkaar
geplaatst, rees in het midden van een roerige kom, tusschen een rand van 'blauwe
golven in een woestijn tusschen gebergte - iets als een toren'.
Dat was de toren van Babel. En toen Baäl dit zag, lachte hij
om dit gewemel der kleine menschen daar beneden hem op aarde.
Dat is de Proloog.
En dan brengt Couperus'
fantasie ons bij en te midden van den torenbouw van Babel - dit werk van
menschelijken hoogmoed. Het is Cyrus, een zoon van een herdersvolk uit de
bergen, een edel schoone herdersprins, die zijn bergland verlaat en door de
woestijn trekt, om met de millioenen van slaven en bouwmeesters, en priesters en
schriftgeleerden, die bij den bouw van den toren werkzaam zijn, mede te arbeiden
aan de terrassen en trappen, welke hooger en hóóger naar den hemel, naar Baäl en
Astarte opklimmen.
En dán, als Cyrus met de schoone ldonia het hoogste punt
heeft bereikt, zóó hoog, dat het 'was als stonden zij op een regenboog, die zich
welfde over een berg van bouwwerk', valt het vuur uit den hemel en rommelt de
donder 'als een lach der goden'.
En wéér roept Astarte, nu in de Epiloog, gaande met
uitgestrekte armen over de 'azuren glansvloeren als over een blauw ijs', tot
Baäl die zit te midden van zijn zonnen, om te zien. 'Baäl, zie. En Astarte
weende van geluk.'
Het ligt voor de hand, dat
Couperus
in dit onderwerp en in deze stof gelegenheid heeft gevonden om den vrijen teugel
te vieren aan zijn liefde voor praal en pracht en schittering en kleur; zijn
fantasmagoristische neigingen vonden hier een terrein van wonderbaar onbeperkte
ruimte en wonderbaarlijken rijkdom.
Hóóger dan in dit boek is
Couperus' fantasie nooit gestegen.
'Babel' is de stoutste fantasmagorie ooit aan zijn
brein ontsproten.
Het is alsof hij met zijn fantasie hetzelfde heeft willen
doen als Cyrus langs de trappen en de terrassen van den toren van Babel: - de
Goden bestormen.
(Uit: Veen's Nieuws 1901, 1 juni.)