Index De berg van licht | Index Recensies
Louis Couperus. De Berg van Licht. Amsterdam. L. J. Veen.
De wetenschap dat aan de voorstanders der theorie van
l'art pour l'art protest van de zijde dergenen die den letterkundigen
kunstenaar aansprakelijk stellen voor het moreele karakter van zijnen arbeid,
gewoonlijk niet veel belang inboezemt, mag mij niet weerhouden aan het begin
deze korte aankondiging te verklaren dat in mijne oogen de verschijning van dit
boek eene ramp is - zoowel voor den Schrijver, als voor onze letterkunde en voor
onze kennis van Rome's verleden.
Het is een van de donkerste bladzijden der Romeinsche
Keizersgeschiedenis die aan den Schrijver zijne stof heeft gegeven. Toen in 217
na Christus de prefect Macrinus den door hem vermoorden
Caracalla
als Keizer verving, doodde zich de Keizerin-
315
Moeder, de begaafde Julia Domna en week hare zuster
Julia Moesa
uit naar hare geboortestad, het Phoenicische Emesa; haar vergezelden in deze
ballingschap hare dochters: Soaemis met haren veertienjarigen
zoon Bassianus, en Mammaea met haar zoontje
Alexander. Zonder veel moeite slaagde echter de schatrijke en
eerzuchtige Moesa er in onder de legioensoldaten te Emesa
gelegerd een opstand te verwekken ten gunste van haren kleinzoon
Bassianus, die, dank zij het Phoenicisch koningsbloed zijner
grootmoeder, op zoo jongen leeftijd reeds het opperpriesterschap van den te
Emesa vereerden 'Elah-Gabal', den Lichtgod des Bergs, bekleedde en 'dansende
voor het aangezicht des Baäls' door zijne schoonheid op de zinlijke verbastering
der troepen een zeldzaam sterken invloed wist te oefenen. Aan het hoofd der
legioenen trok deze knaap als Keizer in de lente van 219 Rome binnen, vergezeld
van zijnen God Elagabalus, en heerschte gedurende vier jaren onder den naam
M. Aurelius Antonius. In de lange ziektegeschiedenis van het Romeinsche
zedenverval zijn wellicht geen afschuwelijker dagen bekend. Al de ritueele
gruwelen van den Molochdienst, al de walging wekkende ontucht van het Oosten
vereenigde de Hoogepriester-Keizer Elagabalus met de meest
overspannen zucht naar telkens nieuwe weelde en te gelijk met een mystieke
vereering voor den God van Emesa aan wien hij nu eens het heilige Palladium van
den Vestatempel, dan weer het Salammbo-idool van Carthago
uithuwelijkte. En vier jaren lang verdroeg hem het volk van Rome, eerst met
nieuwsgierige sympathie, toen met geblazeerde gelatenheid, tot hij eindelijk in
een straatoproer neergestooten en in den Tiber gesleurd werd, een slachtoffer
van Rome's oververzadiging of voor een oogenblik herlevenden vrijheidszin.
Het raadselachtige feit, dat Rome, zelfs het Rome dat eenen
Commodus
en Caracalla verdragen had, zich vier jaren lang gebogen heeft
onder de tuchtelooze willekeur van eenen knaap, krankzinnig door de meest
walging wekkende hartstochten, is wel geschikt om eenen
psycholoog-romanschrijver te prikkelen tot nadenken. Couperus
geeft, in zijnen historischen roman al die vrijheden gebruikend die nu eenmaal
ten onrechte aan dat genre van literatuur geoorloofd worden geacht, van dit
zielkundig raadsel deze oplossing, dat hij en den Keizer, en zijn volk schildert
als volstrekt en zonder beperking overgegeven aan een roes van zinsgenot, aan
eenen zwijmel van de meest intense en de meest verbasterde sexueele - liefst
homosexueele - begeerte.
316
Het karakterbeeld van zijn 'keizertje' - op zoo weeïge,
tegenzin wekkende wijze bewonderd en begeerd door de schare - kan de
romanschrijver maar voor een deel 'naar historische gegevens' teekenen.
Cassius Dio en Herodianus
zeggen dienaangaande niet veel. Welkomer is hem dus Lampridius,
het zij hij diens opstapeling van ongelooflijkheden zelf heeft gelezen, het zij
hij uit een navolger put. En waar ook Lampridius te kort schiet
komt Couperus' eigen fantasie te hulp. Geen kleur is hem te
schel, geen stof te zwaar, geen taal te grof om zijne tafreelen te doortrekken
van de meest onbeperkte zinlijkheid. Hij schildert het offerfeest van den
Emesaanschen lichtgod, maar om dat echt zinlijk te maken leent hij daartoe de
kleur van den phoenicischen Astarte-dienst. Hij beschrijft den tempel van Emesa,
maar naast de priesterwoningen plaatst hij de huizing der 'tempeldeernen', hij
roept de volken van alle windstreken samen om den Baäl te dienen, maar maakt tot
het middenpunt hunner vereering het lichaam van den jongen ontuchtigen priester.
Om Elagabalus
verloochent de Indische gymnosofist zijne wereldverachting, de christen zijn
Heiland. En het strekt waarlijk niet tot veredeling van deze ziekte van
begeerten, dat de schrijver dit Oostersch sensualisme heeft overgoten met een
troebele saus van gnosticistische mystiek, en zoo met de magische wijsheid der
'hoogste Eenheid', met de phoenicische geheimleer der 'manlijke en vrouwelijke
Macht', met neoplatonische bespiegeling en christelijk geloof goochelt - kortom
met een mengelmoes van allerlei heterogene theologische stelsels - dat het den
lezer en misschien ook hem zelf groen en geel voor de oogen wordt.
Bij dit alles lang stil te staan ware onnut, indien het boek
niet was van een zoo begaafd schrijver en niet handelde over eene zoo
belangrijke periode. De gave van Couperus om eene groote stad
in haar verleden schitterend te doen herleven verloochent zich hier niet. Rome
leeft in dit boek: in de pracht der Palatijnsche paleizen en in de
weeldeschittering der Thermen van Caracalla; en het is
vergeeflijk dat ondanks de minutieuze studie door den Heer Couperus
aan het Rome van Helagabalus besteed, af en toe een kleine antiquarische
peccadillo zijne pen ontglipt, zoo als b.v. I. p. 168 waar hij de Arx Capitolina
in den ochtend hare schaduw laat werpen op het Tabularium - wat onmogelijk is
daar de Arx noordwestelijk van het Tabularium ligt -; of I. p. 185 waar hij aan
de Vestaalsche Maagden eene begeleiding geeft van lictoren met de bijlen in
de bundels. Tegenover de zorgvuldige stadsbeschrij-
317
ving hinderen dergelijke vergissingen weinig: zij zijn trouwens veel
onschuldiger dan opzettelijke wijziging van de historie. De roman verliest iets
van zijn historisch en daarom voor de psychologie van zijnen held belangrijk
karakter zoo vaak zich de schrijver willekeurig veroorlooft geschiedenisfeiten
om te zetten: Den opstand tegen den praefectus praetorio Julianus te verplaatsen
uit Azië naar Rome en van Macrinus' tijden in die van
Helagabalus, den Christenbisschop Papias Zephyrinus
wierook te doen strooien voor 's Keizers beeltenis, zonder dat de geschiedenis
van iets dergelijks weet, de fantastische beschrijvingen die we bij den
leugenachtigen Lampridius lezen omtrent het weeldeleven van den
Keizer op den Palatijn niet slechts over te nemen maar zelfs te verdubbelen, is
erger dan van eene toga laticlavia te spreken waar het eene tunica moest zijn.
Geeft dit alles ons recht, de verschijning van dit boek eene
ramp te noemen? Wat Couperus vermag, toont hij toch ook hier:
de kokende hartstochten van een oproerig volk, de heerlijkheid van een
Romeinschen zonnedag, beschrijven slechts weinigen zoo als hij dat kan! - Ja,
maar het is pijnlijk, te zien hoe ten slotte Couperus de
geesten die hij heeft opgeroepen niet meer meester blijft, hoe de modderstroom
van onkuischheid, vraatzucht, laffe levenszatheid, zonder ophouden golvend over
de straten van zijn Rome ook des schrijvers eigen talent overstelpt, hoe zijne
stem overslaat van de geëffemineerde Elagabalus-verheerlijking tot de grofste
matrozentaal. Dit is deprimeerend omdat het eigenlijk slechts eene uiting is van
bodemloos pessimisme. En daarom zou deze zeer duistere 'Berg des Lichts' ook
voor de lezers en vereerders van Louis Couperus noodlottig
kunnen worden; indien men namelijk zijn boek ging houden voor eene eenigszins
betrouwbare beschrijving van het Rome der derde eeuw. Wie een roman schrijft van
zooveel studie, van zooveel omvang, die bedoelt toch niet alleen zich met zijne
lezers te verdiepen in de ziektegeschiedenis van een enkelen pathicus en zijne
omgeving? Het is eene ietwat gemakkelijke oplossing van het psychologisch
vraagstuk aan dit boek ten grondslag gelegd, ter verklaring van een keizerleven
als van Elagabalus, stad en rijk voor te stellen als in haar
geheel kwijnend onder eene zelfde krankheid.
De schildering zondigt door eentonigheid. Tegenover de
schare, hossend en joelend in het duister van hare verbastering, had de
schrijver ons moeten doen gevoelen dat zijn Rome leeft in den tijd van
Origenes en Tertullianus, van Ulpianus
en Apulejus.
318
Hoe kunnen wij anders verstaan dat na Elagabalus
Alexander Severus heeft geheerscht?
K. K.*
(Uit: Onze Eeuw 6 (1906), dl.II, p.314-318.)
*K.K. = K. Kuiper