Index De boeken der kleine zielen | Index Recensies
'De boeken der kleine zielen' door Louis Couperus
Het Late Leven
Vèr van het woelige, dikwijls kwajongensachtige
vechtgewoel van de kleingeestige hollandsche litteratorenbent, voornaam en
ongenaakbaar in zijn granietsterk isolement, gaat Louis Couperus rustig voort
met arbeiden.
De 'voormannen' van 1880 willen hem niet erkennen, en de
jongste jongeren, wien zijn fijn aristocratisme en zijn gedistingueerd cachet
hinderen, schelden hem uit, terwijl de gunstigst gezinden bent 'niet tot de
literatuur' rekenen, en slechts een enkele hier en daar hem recht doet
wedervaren. Maar, onverstoorbaar, superieur zwijgend op alle aanvallen, kalm in
hooge ongenaakbaarheid, de aantijgingen van het literaire plebs niet eens
negeerend, want ze niet hoorend, werkt hij door, gestadig, dag aan dag, met een
eenparigen ijver en eene energie, die onze enkel aan spontane bevliegingen in
een zelf-opgeschroefden letter-roes gewende 'artiesten' versteld doet staan. -
In ietwat domme verwondering, half-ongeloovig, ziet men het aan, hoe elk half
jaar minstens één boek van Couperus
verschijnt, en wij zijn hier zóó weinig gewend aan regelmatig, energiek werken,
dat velen te goeder trouw denken, dat een schrijver zijn arbeid moet afroffelen,
en er niet genoeg zorg aan kan besteden, als hij zóó veel tegelijk aflevert in
één jaar.
Dit is een van de groote vergissingen, die er heerschen
omtrent het werk van Couperus,
omdat zijn arbeiden nu eenmaal niet is een fragmentarisch uitstuipen, hij
intermitteerende schokken, mar een regelmatig, kalm, wèlbewust optrekken, dag
aan dag, van zijn letterkundig oeuvre. En ik geloof niet, dat een schrijver, die
zóó arbeidt, meer dan drie bladzijden per dag behoeft te voltooien, om evenveel
goed werk te geven als Couperus. Dit is toch wáárlijk geen overhaast jagen,
zooals velen denken.
De Couperus, van wien ik altijd
het meest heb gehouden is die van 'Eline Vere' en ook van 'Extaze'. In die
boeken voelde ik het innigste wezen van den schrijver zelf, het aan hèm speciaal
eigen mooi, waaraan men hem dadelijk herkennen kan, zooals men aan zekere
gelaatstrekken een nobel ras herkent. In 'Psyche', 'Fidessa' en 'Babel' was ik
dien kwijt, en mijne waardeering steeg er hoogstens in tot bewondering, maar
werd niet warm. Ook leek mij de fantastische pracht er in meer geconstrueerd dan
van-zelf ontbloeid. Wat een blijdschap dus, toen in 'De Boeken der kleine
Zielen' opeens de oude, eigenlijke, echte
Couperus
van 'Eline Vere' en 'Extaze' weer voor mij stond, en ik hem terugvond na lange
jaren, met al de eigenaardigheden en verfijndheden, om welke velen hem haten,
voor wien ze vreemd en geaffecteerd lijken, omdat deze menschen uit een te grof,
onfijn milieu zijn gekomen, en in te grove, wilde dingen leven om ze te
apprecieeren. Zij begrijpen maar niet dat, wat in een ander affectatie zou zijn,
in hèm natuur is, en zien het verschil niet tusschen een met kunstige verven
beschilderde bloem, die men nu eens mooi heeft willen maken, en een orchidee,
met vreemde, exotische, allerfijnste kleuren, maar die toch geheel natuurlijk
zijn.
En in vele opzichten is
Louis Couperus in onze literatuur de teêre, wonder-kleurige, droomerige
orchidee, die daar vreemd en apart in staat van misschien wat zwakke, maar toch
zéér bizondere en exotische fijnheid.
De heer Hevermans en anderen zorgen er voor, en zij doen dit
met grove woorden en straat-manieren, dat wij zoo langzamerhand gaan begrijpen
waarom zij de tegenwoordige romans en verzen, als producten van een ten
ondergang gedoemde maatschappij, prullen en nuttelooze vodden vinden. Maar wat
ons zelf door hun als 'proletarische kunst' wordt voorgezet is meestal van dien
aard, dat wij er den neus bij dichtknijpen en onpasselijk worden.
Wat een genot, om nu, in theoretisch weten van al die
onwaardigheid, en die nutteloosheid, en die inferieurheid enz. enz. van zulke
'bourgeoiskunst' tóch heerlijk met een boek als het laatste van
Couperus
te gaan zitten, en al die fijne, subtiele, wonder-teere dingen te genieten,
zooals je savoueert de innige droom-essences van geconcentreerde rozen- en
viooltjesgeuren na eene benauwing van ongure, kwade reuken!
'Het late Leven' behandelt, in vervolg op 'De kleine
zielen', het verdere leven van Van der
Welcke en zijn vrouw, saâmgehouden door hun jaloersche liefde voor hun
zoon Addy, in het mondaine, Haagsche milieu
van 'Kleine Zielen' als de Van Naghel's,
de Saetzema's, de Van Lowe's enz. enz. Na het verschijnen
van het eerste deel van dit werk heb ik hier en daar in recensies gelezen, hoe Couperus hierin 'de grootste wereld' van
den Haag behandelt, maar dit is, dunkt mij, eene dwaling. Behalve de kleine
hof-clique van diplomaten me hun bijloopers en een paar, met den vinger aan te
wijzen dames en heeren, bestaat er in den Haag geen 'groote wereld'. Het milieu,
dat Couperus behandelt is niet dat der
'upper ten', maar dat van patricische families, waar indisch bloed door loopt,
met hier en daar eene tikje parvenu-heid er tusschen, zooals er in den Haag zo
véél zijn. In dat milieu van 'Kleine Zielen' behandelt hij de hoofdfiguren
Henri van der Welcke en zijn vrouw
Constance, wier mislukte levens wij uit het eerste deel van zijn werk
reeds kennen. Zij zijn beide, door het getob en de misère van hun ruzie-bestaan
heen, zoo langzamerhand door hun jeugd heengeleefd, en beginnen nu aan wat de
schrijver 'Het late Leven' noemt. Maar nú komt in dat late Leven - te laat -
over beiden de Illusie, die, ware zij vroeger gekomen, had kunnen ontbloeien tot
geluk en blijdschap om het bestaan, maar die nú niet meer tot rijpheid komen
kon, omdat dit late leven er geen atmosfeer voor heeft.
Henri is
eigenlijk altijd au fond een halve kwajongen gebleven, een soort student, die
b.v. als een kind naar een automobiel verlangt, en in dolle buien het uitgiert
van de pret om niets, en hij voelt zich nog jong met zijn jaren. Zijn nichtje
Marianne van Naghel wordt verliefd op hem, en hij op haar. Zij trokken
elkaar onweerstaanbaar aan door 'de sympathie van kleine ziel.... tot kleine
ziel'. Zij had lief het mondaine leven, met zijn kleinigheidjes en pretjes,
hatend het groote en gewichtige, en hij ook. Alleen
Louis Couperus
kan zóó juist in een paar zinnen het echte, onbeduidende, maar kwijnend-mooie
Haagsche dame-meisje weêrgeven als hier
Marianne:
'Hare zachtbruine oogen, met iets als van goudstof er
over, waren als chryzoliet, en zij dweepten op, sloegen den blik weer neer,
nerveus onder den schaduw der pinkers. Zij was bleek, net die bleeke anemie van
albast, van onze te veel uitgaande wereld-meisjes, en hare handen bewogen als
koortsig, onrustig, als telkens de vingers zoekende naar een doel, voor hunne
vlinderende bewegelijkheid.'
Men moet Hagenaar zijn, als
Couperus, om het treffende van deze beschrijving goed te doorvoelen.
Maar het allermooiste in het boek, is het ontwaken van Constance's ziel, door haar opkomende
liefde voor Brauws. Die
Brauws, een oude clubgenoot van
Henri uit Leiden, later jurist geworden, is een groote, een sterke, met
een bijna barbaarsch germaanschen kop, en iets roofdier-achtigs in zijn mooie
tanden, veel te natuurlijk en te 'breed tusschen de meubeltjes van
Constances salon', en hij spreekt over hevige, geweldige dingen van
grandioos perspectief. Hij was indertijd, geheel vrijwillig, dokwerker geworden
in Amerika, gloeiend van verlangen om één te zijn met de verdrukte, uitgebuite
arbeiders, maar het was hem niet gelukt, omdat zijn geheele leven, en zijn
herediteit zich er tegen verzetten. Hij zag ten laatste in, dat hij 'een
Zondagsarbeider bleef,' een dilettant, en had toen het werkmans-leven
opgegeven. Eindelijk was hij apostel geworden van den Vrede, en hield
geestdriftige lezingen over het vredesideaal, door geheel Europa, als apostel,
volle zalen electriseerend door zijn sonoor spreekgeluid en zijn bezielend
enthoesiasme. Maar au fond was deze groote en sterke altijd een hunkerende,
hongerende ziel gebleven, smachtend naar de ééne, de enkele ziel, die hem
begrijpen zou, en niet hem opleven in Liefde.
Brauws, de
hunkerende, die niet gevonden heeft, ontmoet
Constance, de nog niet bewuste, en uit deze ontmoeting ontstaat de teere,
subtiele beweging eener vrouwenziel, die door het contact met zijne hooge ideeën
omhoog wiegelt tot bewustzijn. En deze fijne ziele-evolutie is het, die mij 'Het
late Leven' tot een der allerdierbaarste boeken van
Couperus maakt, stijgend tot nog ijler sfeer dan in 'Extase' of 'het Boek
van Nirvana' uit 'Metamorfoze'.
Hij vertelt haar van zijn jongensleven, hoe hij over heuvels
en in bosschen zwierf, en droomde, van fantastische, wondere dingen. Maar
vooral, hoe hij droomde van een fee, een prinses, een meisje zooals hij een
jongen, in het wit, en met bloemen versierd, en hoe hij haar dan vóór zich zag,
en tot haar sprak en als hij dan inééns zag, dat zij er niet was, hoe hij
huilde, hoe hij huilde....
Maar zij was vroeger óók zoo'n meisje geweest als hij een
jongen. Zij had - in haar jeugd, in Indië, óók zoo gedroomd, toen zij, in een
wit gewaadje, met bloote voeten, over de rotsblokken liep in de stroomende
rivier, blond, prinses-achtig kindje, niet roode bloemen aan de slapen.
Later, in het harde leven, waren al die teere dingen verdrukt
en vergeten, en het was, of zij nooit hadden bestaan.
Maar toen Brauws
haar zoo innig weer van al dat fijne en gevoelige in zijn eigen jeugd vertelde,
kwam ineens die haar geheele wezen ontroerende vraag in haar op:
'Bestaan die dingen dan werkelijk?'
'Een oogenblik, snel, ging het door haar heen, dat zij
als een blinde geloopen was, heel haar leven, door den stikdonkeren nacht.... en
of vandaag plotseling een licht voor haar had uitgeschenen, en een rosse gloed
geschemerd had, door haar geslotene oogleden.'
Inééns komt het, na lange, lange jaren in haar op, dat zij
het allerkostbaarste verloren heeft wat ooit - in haar jeugd - in haar leven
was, iets van haarzelve, 'iets van poëzie', en of zij ná dien
jeugd-droom eigenlijk nooit geleefd had.
Maar vlak daarop voelt zij het verschrikkelijk tragische, dat
zoo iets niet terug kan komen, dat het toch niet gaaf ooit weer kan herleven,
met al die lange, stille jaren er om heen van 'dood zijn in het leven',
en dat het bijna belachelijk zou zijn, nú nog, in haar late leven van twee en
veertigjarige vrouw, te willen herleven.
Maar tóch blijft het teere proces doorwerken in haar ziel, en
een droom glansde voor haar uit, 'zacht en gestadig, als een heel kalme,
rustig schietende straal', en het was 'als een pad van zacht licht',
waarover iets van haar scheen te kunnen zweven 'naar hooger, naar wijder en
dan weer terug, tot waar zij zat.'
Door zijn opstuwing, door zijn hooge ideeën, en door hare
oprijzing tot een klaarder levens-sfeer in haar bewustwording, begon zij ook
ineens het kleine te zien van haar vroegere leven, en van al de pieterige,
kriewelende familie-menschjes om haar heen, in een klein, nauw kringetje,
terwijl zij zich opééns daar buiten de horizon zich wijder en wijder zag
uitbreiden, en in verre visioenen zag. En ineens verwonderde zij zich over haar
streven van ééns - in het eerste deel 'De kleine Zielen' beschreven, om door al
die familie ontvangen te worden, 'iets, wat zoo klein was, van zóó weinig
belang voor haar ziel - voor de wereld'. Zelfs voelde zij tegen géén hunner
rancune meer, omdat zij 'uit de laagte van die atmosfeer' was 'gegroeid
naar iets reiners en zuiverders van begrijpen'.
Voortreffelijk vind ik hierom de stijging van dit tweede deel
van Couperus' werk uit het eerste. Zonder
zelf te gaan bespiegelen of moraliseeren, waar de verleiding groot voor was,
laat de schrijver hier ééne uit het door hem in 't eerste deel zoo meesterlijk
beschreven milieu van kleine zielen door liefde-bewustwording omhoog stijgen tot
een zuiverder sfeer, van waaruit zij niet onbevangen blik op het gewriemel
beneden neerziet.
Het bizondere in
Couperus' beschrijving van de naar-elkaar-toe wiegeling dier zielen van Brauws en
Constance
is, dat het in beiden zwijgend, van-zelve gebeurt, maar zij nooit een woord van
liefde tot elkaar spreken. Het gebeurt alles in die broze, ijle sfeer, waarin
woorden, het teedere zouden breken. Maar, al zeggen zij elkaar niets, toch is er
contact tusschen de twee zielen, die elkaar raden. Ja, ook vroeger, toen die
menschen elkaar nog niet kenden, was er eigenlijk al een onbewuste aantrekking
geweest.
O! Hoe fijn is dit van
Couperus
gevoeld als hij háár dit laat denken:
'Hij speelde.... ik speelde.... bijna hetzelfde spel: hij
een jongen.... ik een meisje.... Het was alsof hij mij zocht.... Het was mij, of
ik in mijn kindersprookjes.... iets vermoedde van hem.... ver.... ver....
weg.... of er iets was van mij.... dat naar hem toe wilde.... iets van hem....
dat wilde naar mij....'
En haar ziel gaat aan 't droomen, aan 't droomen. Alle teere
en lieve dingen, die in de jeugd van haar leven niet uit konden komen, probeeren
nú, ineens, in dat late levens-seizoen, op te bloeien, en zij voelt, dat zij nú
ook pas voor het eerst liefheeft, 'als een meisje'. - Als een jong, onwetend
meisje, dat haar lessen leert, begint zij nu ook ineens alles te lezen over de
dingen, waar Brauws in opgaat, en holderdebolder door
leest zij over literatuur, over socialisme, over anarchisme, over kunst, alsof
zij haar schade van jaren nog gauw wil inhalen, enkel om met hèm er over te
kunnen praten. En het werd haar 'of overal voor haar starende oogen floersen
optrokken' en 'nieuwe revelaties van nooit nog ingeziene waarheden'
lichtten voor haar op.
Eén oogenblik schijnt het, of èn voor Van der Welcke èn voor Constance de zoo laat gekomen Illusie in
haar leven nog verwezenlijkt kan worden.
Constance, die ziet hoe ongelukkig
Henri en Marianne van Naghel zijn, die elkaar zoo
liefhebben, stelt hem eindelijk voor, te scheiden. Hij is er haar zóó dankhaar
voor, dat hij er haar, diep ontroerd, voor kust. Nu zou dus alles nog terecht
kunnen komen: Henri met
Marianne
samen leven, en zij met Brauws, al
is tusschen hen nooit een woord van liefde gesproken.
Maar in hun eerste opwelling hebben zij gerekend zonder.... Addy. En nu blijkt, dat de liefde van
den vader voor het kind hier toch sterker is dan die van de moeder, die door
haar liefde voor Brauws wordt overheerscht. Want, als het erop aankomt en hij
alles aan Addy gaat vertellen, wordt het idee, om
van den geliefden zoon te scheiden, Van
der Welcke
te machtig. En hij ziet in, dat het niet kan. Dit tooneel tusschen den vader en
den zoon is een van de mooiste uit het boek.
Addy gaat nu
zijn moeder zeggen, wat er tusschen hem en zijn vader besproken is, en nu ziet
ook zij in, dat het niet gaat, nú nog de scheiding, en dat 'de werkelijkheid van
haar leven', haar zoon, Addy, den droom met Brauws, den veel te laat opgebloeiden
droom in 'Het late Leven' in den weg staat. Er is niets meer aan te doen. Haar
leven is te ver voorbij den tijd, dat de illusie kan ontbloeien en werkelijkheid
worden.
Nog ééns ontmoet zij,
Brauws, buiten, op een wandeling. Zij vertelt hem, wat er tusschen Henri en haar is voorgevallen, hoe zij
bijna van elkaar waren gescheiden, maar hoe zij er, om
Addy, van hebben afgezien. Nóg spreken zij geen woord over de liefde, die
zij in elkaars zielen raden en vóór-gevoelen, maar tóch begrijpen zij, wat dit
besluit voor beiden is.
En zij zegt, dat zij nu de illusie heeft opgeofferd aan de
werkelijkheid, omdat, wat voor jonge menschen een illusie is die waarheid worden
kan, voor ouderen bijna belachelijk wordt en zeker onmogelijk.
'Wij torsen meê te veel verleden.... om jonge illuzies te
mogen hebben. Wij hebben geen recht meer... zelfs niet op herinneringen....'
Ook hij bekent, dat hij te oud is, en dat hij lang, lang
gezocht heeft, en eindelijk bijna heeft gevonden, maar...... tóen was het te
laat, en hij mocht de hand niet uitstrekken.
Beiden hadden zij te laat geleefd, te laat gedroomd.
Daarop scheiden zij voor goed en
Constance
leeft weer door de oude, triestige, eentonige dagen van vroeger. Maar tóch: 'zij
had iets behouden, iets van glans in haar kleine ziel nog'.
Om Constance
en Van der Welcke als hoofdpersoon
groepeert de schrijver weer de geheele, groote familie van 'Kleine Zielen' uit
het eerste deel, altijd kibbelend en canonneerend, maar nu en dan vreedzaam te
samen komend op de traditioneele partij bij grootmama
Van Lowe. Er wordt getrouwd en gescheiden, en gestorven, er breken
familie-schandaaltjes uit waar den Haag vol van is, en al die onbeduidende,
nietige leventjes krioelen door het boek. Maar de enorme verdienste van
Couperus is, dat hij 'De kleine Zielen' zóó beschrijft, dat zijn
werk er groot van wordt, een verdienste, die hij met grooten als
Balzac
gemeen heeft.
Jammer, dat in zijn stijl een aanwensel is gekomen, dat even
hinderdijk is als een aanwensel bij het spreken, en dikwijls den geheelen indruk
van een zin bederft. Ik bedoel het overmatig misbruik van het woordje 'als',
en veelal ook dat van 'scheen'. Als
Addy slaapt schrijft Couperus b.v. dat hij 'scheen'
te slapen, als Van der Welcke
terug komt van een roes van snel fietsen, dat hij 'scheen' terug te
komen; van een met schuim bedekten mond, dat hij 'als' met schuim
bedekt was, van iemand, die titanisch doet, dat hij 'als' titanisch,
enz. enz. En deze woordjes, hebbelijkheid geworden, komen op veel plaatsen op
hinderlijke wijze het mooie bederven. Voor fitterige critici zullen zulke dingen
erg welkom wezen, en zijn er nog wel meer zwakke punten te vinden, door
onnauwkeurige correctie blootgelaten, o.a. waar
Brauws
in een dorpje eenige weken blijft 'hangen'.
Het gegeven van 'Het late Leven', waarin de Illusie nog
wil opbloeien zal velen doen denken aan de novelle 'Vijftig' van Marcellus Emants. Maar welk een verschil
in de behandeling tusschen Emants,
den graniet-harden, solieden, massieven idealist en den droomerigen, ijlen,
subtielen Couperus! Ietwat apocrief moge het
klinken, maar zóó zou het te zeggen zijn: Bij
Couperus
is het mooie veelal dàt, wat er niet staat, wat je suggereert, wat hij laat
vóórgevoelen achter de kleine stippeltjes, waarmede hij stukjes van zinnen
onderbreekt, bij Emants is het
enkel en absoluut wat er staat, en wat er dan ook reëel en bijna materieel,
tastbaar staat, en niets meer.
Dat suggestieve, dat even, met een paar korte zinnetjes en
stippeltjes er tusschen, ietwat vaag wijzen naar sferen en ziels-toestanden, te
ijl en te subtiel voor woorden - waarmede hij somtijds tot het hoogste voert,
wat hiermede te bereiken is - was voor mij het mooiste uit
Couperus' laatste boek. Die met enkel woorden onmogelijk reëel weer te
geven ziels-stemmingen, dat vage, vóór-gevoelde, maar zelf nog niet helemaal in
Constance
bewuste, tóch suggestief den lezer to doen opschijnen door wat broze, fijne
zinnetjes, voorzichtig en ietwat weifelend, om toch voorál niet te breken, dát
is voor mij het echte, aparte Couperus-mooi,
waardoor hij zoo bizonder staat van fijn-heid in onze literatuur.
Henri Borel.
(Uit: Veen's Nieuws 1902, 7 juli.)
Redactionele ingreep:
het mooie bedorven > het mooie bederven