Index De boeken der kleine zielen | Index Recensies
Het heilige Weten.
Dit is het 4de der boeken: De Kleine Zielen, en ik moet
eerlijk bekennen, wat mij betreft begon ik er hartelijk naar te verlangen het láátste
dezer reeks onder de oogen te mogen krijgen.
Want, er is zoo heel veel moois in De Kleine Zielen, óók
weer nu in Het heilige Weten. En toch irriteeren ze je hoe langer hoe meer; toch
ga je, zelfs datgene wat je eerst mooi vond, nu, juist om het te véél ervan, leelijk
vinden; en je gaat krijgen een intensen hekel aan deze Kleine Zielen, die
eigenlijk zooals ze nu ten slotte geworden zijn in Het heilige Weten liever
heeten mogen 'Gekken-zielen'.
't Klinkt te kras wat ik daar zeg, want eigenlijk gek
zijn de van Lowes, die wij vereenigd vinden in het 'spookhuis' te Driebergen, nu niet
bepaald. Maar 't zijn dan toch allen zenuwlijders van de ergste soort. De gewone mondaine
zielen van 't eerste boek ontaardden van lieverlede in zeer ongewone, met
190
nevrose belaste, overspannen zieken naar ziel en lichaam.
Waarom?
M.i. heeft Couperus op dat: 'Waarom' geen antwoord gegeven; nergens
motiveert hij de wonderlijke verandering, die gemaakt heeft van de levenslustige,
aristocratische, Haagsche van Lowes een troep zenuwlijders en zielszieken! - Daardoor
krijgt de lezer min of meer den indruk, dat de auteur zoowat vergeten heeft wat hem
eigenlijk in het eerste deel voor oogen zweefde, dat hem de karakters der Kleine
Zielen van 't eerste boek van lieverlede zijn ontglipt, om te worden, eerst reeds in
het voorgaande boek Zieleschemering, en nu in Het heilige Weten, geheel
nieuwe menschen, met nieuwe eigenaardigheden; en die men bezien moet niet in verband met
hun verleden, maar opzichzelf beschouwd.
- Op zich zelf beschouwd nu heeft Couperus, met het talent dat hem
steeds meester doet zijn in karakterteekening, geschilderd een zenuw-overspannen familie,
bijna gek, een zeer eigenaardig en overspannen soort van zenuwdokter en een jonge, gezonde
vrouw, aan wie men 't, dunkt mij, heusch niet kwalijk kan nemen, dat zij zich ongelukkig
voelt in zulk een omgeving van onnatuur, angst, en zielsziekte! - Wie Het heilige
Weten leest als roman op zichzelf, die zal, als hij oog heeft voor de kunst van
karakterontleden, en meegevoel voor liet zeer eigenaardige en bijzondere dezer karakters,
zonder twijfel heel veel genieten kunnen van den inhoud en de
191
gedachten. Maar, in verband met de overige voorgaande boeken beschouwd, en zoo alleen
heeft Het heilige Weten toch eigenlijk zin, kan men niet anders dan zich verbazen
over de groote afwijking, die van lieverlede is ingeslopen in den opzet van de reeks, wat
de handelingen der personen betreft. Onwillekeurig vergeleek ik telkens De Kleine
Zielen van Couperus met het veel uitgebreider werk van Zola: Les Rougon Macquart;
en het valt niet te ontkennen, dat Couperus dan geheel is te kort geschoten in datgene,
waarin Zola zich juist meester toont: de logische ontwikkeling, en de gevolgen van feiten,
oorzaken, enz. Wie Les Rougon Macquart in hun geheel leest, met aandacht, die ziet en
voelt en tast, dat al deze menschen, kinderen, kindskinderen, in hun wijdvertakte familie,
niet anders worden, groeien, zich ontwikkelen, te gronde gaan konden, dan, zooals
zij 't doen in bladzijde op bladzijde van meesterlijk-uitgewerkte details. Maar bij
Couperus is er noch in de zoogenaamd hoogere liefde van Constance van der Welcke voor
Brauws (zie het Late Leven), noch in de abnormale verschijnselen van Gerrit en
Ernst van Lowe, en van sommige hunner neven en nichten, (zie Zielenschemering),
noch in de schepping van het spookhuis te Driebergen, eigenlijk een asyl voor de wijd en
zijd zich verspreidende zielsziekte der familie van Lowe, (zie Het heilige Weten),
bij Couperus is er in geen dezer dingen ook maar iets gemotiveerds of logisch
verklaarbaars. In liet eerste boek, De kleine Zielen, leeren we een typisch
192
Haagsche familie kennen, aristocratisch, en blufferig-ploerterig tegelijk, een schepping
tintelend van leven en van menschenkennis, maar die niets te maken had met
buitengewoon-gevoelige, overspannene, nevrose zielen. In Het late Leven wordt de
door en door wereldsche Constance van der Welcke uit De kleine Zielen, zonder
eenige voorafgaande aanleiding in haar karakter die daarop wees, in hoogeren zin
geïnspireerd en tot dieper leven geleid door Brauws, een man zonder capaciteiten, zonder
iets dat zijn invloed op haar rechtvaardigt; in Zielenschemering vertoont de tot
hiertoe geheel normale ritmeester Gerrit van Lowe verschijnselen van overspanning en
zenuwziekte, eindigend in zelfmoord, en waarmee zijn 'blonde kindertjes', ondanks hun
geheel normale moeder, nu ook maar metéén bedeeld worden! En in Het Heilige Weten
zijn wij nu zóóver gekomen, dat eigenlijk de heele familie van Lowe gek, of althans nagenoeg
gek is geworden, en bij elkaar wordt gehoopt, als in een vrijwillig asyl, in het
'spookhuis'; m.a.w. in het vaderlijk erfgoed van van der Welcke, Constances man, gelegen
te Driebergen.
Daar zitten ze hij elkaar, na den dood van Henri van der Welcke's
ouders, die hem, den eenigen zoon, rijk achterlieten: hijzelf, zijn vrouw Constance, zijn
zoon Addy, (de dokter, die deze familie-patienten zich heeft uitverkoren boven elke andere
praktijk), de negen kinderen van Gerrit, van den ritmeester van Lowe, die zichzelf van
kant maakte, en wiens overspanning geworteld blijkt
193
in zijn negen 'blonde kindertjes', hunne moeder Adeline, van een heel-alledaagsch vrouwtje
nu óók geworden een zenuwzieke, Emilie hun nichtje, de zielszieke wier merkwaardige
lotgevallen ons reeds in Zielenschemering zijn meegedeeld, en leidden tot hare
geestelijke afstomping, dan Ernst van Lowe, de aan vervolgingswaanzin lijdende oom,
Constances broer, Paul van Lowe, de jongste der broers, óók al aangetast door een manie,
die van het overal vuil te vinden, de oude moeder, mevrouw van Lowe, kindsch geworden,
weer een ander nichtje Marietje van Saetzama, 't jongste meisje van zuster Adolphine van
Lowe en van Saetzama, en eindelijk, de éénige tusschen al die gekken die zielsgezond is,
Addy's vrouw Mathilde. Want, ofschoon Couperus waarschijnlijk óók Addy gezond bedoelde,
kan ik in dezen pedanten, druilerigen, onnatuurlijken hypnotiseur-dokter, op zijn
zestiende jaar al honderdjarig-wijs, onmogelijk zien een normaal natuurlijk-aangelegd-man.
En evenmin vind ik de teekening normaal van van der Welcke-vader, met wiens vroeger
egoïst-wereldsch-doen het moeilijk te rijmen is, dat hij zich nu, erfgenaam-geworden van
zijn erfdeel en vaderlijk thuis, laat opdringen, op zijn ouden dag, de geheele verarmde
familie zijner vrouw, heel de bent der hem onsympathieke van Lowes, die er door hun
manieën en zielsziekten boven dien niet sympathieker op zijn geworden!!
Ook deze plotselinge verandering in het karakter van Henri van der
Welcke is niet gemotiveerd!
194
Ik vergat nog te zeggen, dat wij nu en dan -, even maar gelukkig -,
vergast worden op de verschijning van den onsympathieken Brauws, de held van Het late
Leven. Dat deze fraseur het 'zoeken' eraan heeft gegeven, en zich nu, levend van het
door zijn broer en vader zuur-verdiende quasi-verachte 'kapitaal', luierend neerzet als
klaplooper aan van der Welcke's disch, is een eind, te voorzien van een type als dezen
mislukten wereldverbeteraar! Veel minder gemakkelijk voorzien liet het zich dat uit het
normale luidruchtige huishouden van den joligen Gerrit, met de lieve moederlijke Adeline
en de negen blonde kindertjes, groeien zou de zenuwzieke bevolking van het 'Spookhuis' te
Driebergen, de geknakte Adeline, die haar heele gezin overlaat aan een zestienjarigen
gymnasiast-neef, de idiote Klaasje, de zwaarmoedige Alex, de ziekelijke Adèletje, etc.
etc.!
En waarom Marietje van Saetzama, wier ouders waarlijk niet laboreerden
aan te véél gevoel, nu in eens zoo'n hysterisch wezen wordt is al even weinig verklaard!
Ik vind bovendien een besliste fout in den opzet van den roman heel die
bevolking van het 'spookhuis' op zichzelf. Addy is zestien jaar als zijn egoïste,
levenslustige vader erft een familiegoed en fortuin. Op dien leeftijd beslist hij
dat de 9 kinderen van oom Gerrit in dat familiehuis zullen wonen voortaan, onder toezicht
van zijn ouders, later van hemzelf.
Alweer, waarom?
Al zijn die kinderen niet rijk, ze zijn toch niet dak-
195
loos! Welke Don Quischotterie, in een zestienjarig hoofd verklaarbaar, maar niet in dat
van den wereldwijzen van der Welcke-vader, kan oorzaak zijn dat de eindelijk in hun
luxe-begeerte bevredigde van der Welckes, man en vrouw, zichzelf onnoodig belasten met het
bij hen inwonen der kinderen van Lowe!?
En, neven die éérste tegenstrijdigheid, zijn er nog vele andere, de
rekbaarheid b.v. van het familiehuis te Driebergen, dat méér heeft van een Engelsch
kasteel, naar de fantastische voorstellingen van Couperus, dan van een oud-Hollandsche
villa! Dan het inwonen der bijna gekke Emilie, en het zich, zonder opheldering, naar
Driebergen laten vervoeren van Ernst, en het even ongemotiveerd in Driebergen komen wonen
van Paul.... En Adolphine Saetzama, die tien jaren lang kwaad bleef, en nu, ineens, - waar
't land overvol is van knappe zenuwspecialiteiten, - haar hulp en troost komt zoeken bij
Addy, haar jongen neef, den pasbeginnenden dokter! Terwijl het toch alom waarneembaar is,
dat juist onder eigen familie de medicus dikwijls 't minst wordt gewaardeerd, en ook het
minste invloed heeft!
Nu en dan rijst de vraag, als men al deze buitenissigheden bij elkaar
gestapeld ziet in dit boek, of Couperus misschien een loopje heeft willen nemen met zijn
lezers, of hij eens heeft willen kijken hoe ver hij gaan kon met het griezelig en angstig
maken. Daar is b.v. aan het einde van het eerste deel dat nachtelijk gesprek tusschen de
beide zusjes Marietje en Adèletje, beide
196
reeds zenuwzieken, en de derde Gerdy, nog gezond, over 't spoken van 'den Ouden Man' op de
achtertrap. Al die vreemdigheid doet je, wel een beetje denken aan een ouderwetschen
spookroman! En verhoogd wordt nog die indruk door het eigenaardig-onsamenhangende der
gesprekken! In het begin deedt je dat wel natuurlijk aan, die korte, afgebroken zinnetjes,
heelemaal zooals men spreekt in 't werkelijke leven! Maar van lieverlede krijgt men ook
hiervan 'des Guten zuviel', gaat men ernaar smachten dat al die halve gekken van Lowe nu
eindelijk eens gewoon uitzeggen wat ze hebben te zeggen, zich dwingen om het wat korter te
maken, in plaats van discoursen, eindeloos, op deze wijze:
'Ja maar Constance. ..' -
'Wat.....'
'Ik voel...'
'Wat voel je...'
Behalve 't vervelende op den duur van dit te vergedreven
realisme, komt de lezer, ongeduldig geworden door de 8 deeltjes 'kleine' en
gekkenhuis-zielen, die hij nu reeds heeft moeten doorworstelen, op den oneerbiedigen
inval, of het Couperus misschien ten slotte te doen is geweest vlug en goedkoop zijn met
den uitgever overeengekomen aantal vellen druks te vullen? Eén woord op een regel, dan
weer gedachtenstreepjes, dan weer één nieuw woord op een nieuwen regel, zóó ben je
gauw klaar.
't Héél mooie maar ook 't heel gevaarlijk-abnormale
197
in dezen roman, vind ik de schildering van de angst voor 't dreigen van 't 'Onbekende'....
De angst van Constance voor 'de dag die altijd kan komen', dag van smart, de treurigheid
in de vergáánde, ouderwordende dingen, de martelende angst voor wat komen zal van
nerveuse, overgevoelige, overteere menschenzielen, dit is het waardoor dit boek lééft,
in je trilt, in je doet nabeven van eigen opwellenden levens-angst.
198
II.
Addy.
Het eigenlijke thema van Het heilige Weten is de
behandeling der zenuwzieken en gekken door hun familielid, den dokter Addy van der Welcke.
We hebben dezen Addy al leeren kennen in het eerste der boeken De
kleine Zielen, als het oude-mannetje-figuur van eenig kind, tusschen de twistende
ouders Henri van der Welcke en Constance, geborene van Lowe. In de volgende boeken zien we
hem meer terloops dan in het eerste, opgroeiend van kind tot jongen, maar aldoor toch even
onnatuurlijk, hinderlijk-pedant! In Zielenschemering kondigt hij aan zijn vast
voornemen van niet in de diplomatie te gaan, maar te worden dokter. En nu, in Het
Heilige Weten, dat ons in eens tien jaar verder brengt, vinden we hem terug, een
dokter van zijn eigen, overspannen, gekwordende familie....
Uit een menschkundig oogpunt lijkt mij dit reeds een fout. Want, het is
strijdig niet alle gewone ervaringen
199
van weerszijden, dat een kind, opgegroeid tusschen alle ooms en tantes en neven en
nichten, later voor die, zijn nááste familieleden, de meest geschikte dokter zal kunnen
wezen! 't Feit dat juist heel knappe doktoren, en speciaal zenuwspecialiteiten, heel
dikwijls niet hun eigen verwanten kunnen behandelen is overbekend, sluit zich ook
gemakkelijk aan bij het niet minder bekende feit, da patienten niet gemakkelijk hun
intiemste gedachten en gevoelens toevertrouwen aan bloedverwanten, of tot hun naaste
familie behoorende geneesheeren, maar wel aan vreemden.
Intusschen, ware Addy nu maar een gewone krachtige persoonlijkheid, een
mooie schepping als dokter, dan zou men over dit bezwaar kunnen heenstappen!
Het had zoo mooi kunnen wezen: Addy als verpersoonlijking van den
waren, genezenden, helpenden, radenden, knappen dokter, staande uitgebeeld in dit boek van
ziekte, zorg, leed, hulpbehoefte!
Maar, in plaats daarvan, heeft Couperus goedgevonden van den genezenden
dokter-zelf te maken: een zenuwlijder, een hypnotiseur, een overspannen mensch, die
eigenlijk geen andere eerzucht heeft dan zijn familie te behandelen, die met Marietje van
Saetzama een eigenaardig leelijk spel drijft m.i., in één woord een dokter zooals er in
onzen overspannen, abnormalen tijd wel zijn, maar die allerminst sympathie opwekt, of
gelden kan als type van datgene wat hij moet voorstellen: de dokter in den goeden
zin.
200
Kan men het b.v. zijn gezonde, levenslustige vrouw Mathilde kwalijk
nemen, dat zij 't een vréémde plichtsopvatting vindt, wanneer hij, in plaats van zich
ergens te vestigen als arts, zijn intrek neemt in het 'spookhuis', en zijn praktijk
concentreert op zijn verslapte, zenuwzieke familie, terwijl zij ondertusschen op een
zitkamer boven in huis vegeteert, en zich ongelukkig voelt onder 'de negen blonde
kindertjes,' de kindsche grootmama, de oude schoonouders van der Welcke, de melancholieke
Emilie, de versufte tante Adeline, en de aan manieën lijdende ooms Ernst en Paul? Er is
niet de minste reden toe, dat Addy zijn 'blinde', en zijn genezende kracht speciaal alleen
verbruikt in dit ééne huis, en er háár, zijn vrouw, het slachtoffer van laat worden.
In een overigens heel-mooi geteekend tooneel tusschen man en vrouw, waarin de twist ten
slotte uitbreekt, laat Couperus 't zóó voorkomen, alsof Mathilde haar mans edele
aspiraties niet begrijpt, alsof zij niet návoelen kan het heel mooie in hem van niet te
willen wezen een Haagsch mode-doktertje, maar een helper en trooster!
Maar zóó zuiver staat de zaak niet. Als Addy woonde in Driebergen,
een gewone zenuwspecialiteit, en die, en passant, óók zijn familie behandelde, dan
zouden zijn verwijten aan Mathilde, omdat ze hem niet begrijpt, gerechtvaardigd zijn
geweest! Maar nu heeft zij gelijk, dat zij zich verzet tegen dit offeren van
háár jeugd, geluk, persoonlijke vrijheid, van hun kinderen en hun
201
fortuin, aan een door niets te rechtvaardigen hersenschim!
De waarheid is echter dat Addy zoo handelt en doet, omdat hij even
weinig 'gewoon' is, als de hééle familie waartoe hij behoort! 'Voor zichzelf wist hij
niet,' zegt Couperus van hem. 't Gehééle boek dóór handelt hij dientengevolge meer als
een zenuwlijder, dan als een geneesheer van zenuwtoestanden! Reeds op de
eerste bladzijden komt hij ten tooneele, terugkomend van een reis, met een ingehouden
somberheid, een merkbaar 'uit-zijn-humeur-zijn', waarvoor, blijkens 't vervolg, geen
enkele aanleiding bestond, maar waardoor geheel de van zijn 'fluide' afhankelijke familie
uit haar doen geraakt, en nerveus en verschrikt wordt! Sombere oogen, zwaarmoedige buien,
'niet weten voor zichzelf,' kleven hem 't hééle boek dóór aan! Nergens zien we hem
handelen en optreden als een flink, genezend, praktisch, zelfbeheerscht geneesheer, die
jong is, gezond, gelooft in zijn kunnen, en liefheeft zijn werk en wetenschap; maar overal
als een geheimzinnig, hypnotiseerend, met zijn 'fluide' schermend, overspannen
kwakzalvertje, die eigenlijk evengoed gèèn dokter had behoeven te zijn, daar zijn heele
genezing zich toch bepáált tot het 'geloof' in de 'fluide' die van hem uitgaat!
Nu is 't wel mogelijk dat Couperus here zoo en niet anders bedoeld
heeft! Ik, persoonlijk, vind dat heel jammer voor zijn roman, waarop hij daardoor als een
merk van onnatuur, nervositeit, en overspanning heeft
202
gedrukt, zòò alsof hij-zelf eigenlijk niet weet hoe gezonde menschen denken en voelen en
handelen! Maar het is zijn zaak wat hij in, dat opziet schilderen wil: een hypnotiseerende
kwakzalver, liever dan een gewonen, flinken dokter!
Veel bedenkelijker vind ik de episode met Marietje van Saetzama, omdat
de gedachten die hij dit 'kuische' meisje in den mond legt eenvoudig-weg vuil aandoen. Ik
moet bekennen, dat ik hier even dacht aan het zinnen-gekittel en prikkelen met schauwe
voorstellingen, waarin Henri Borel zoo meester is! 't Feit op zichzelf, dat Marietje van
Saetzama, eigen nichtje van Addy, komt onder diens behandeling zou niet zoo vreemd zijn,
als wij er niet bijwisten dat de moeder, Adolphine, geborene van Lowe, èn hare zuster
Constance èn diens zoontje Addy altijd heeft gehaat! Van dáár dat het dus gezocht is
wanneer zij, na tien jaren van brouillerie, ineens, al haar hoop en vertrouwen stelt in
dat pasbeginnend doktertje Addy; ook al heeft hij dan reeds een gunstige reputatie! Deze
dingen eenmaal zoo zijnde, vindt Couperus het noodig ons, geheel à la Borel, eerst
telkens weer opmerkzaam te maken op de zeer bijzondere 'kuischheid', 'lelieachtigheid'
enz. enz. van de zenuwzieke Marietje, om haar dan, ineens, 's nachts door huis te laten
dwalen met de volgende 'kuische' gedachten: 'En hoe verlangensloos ook, omdat Addy voor
haar het onmogelijk bereikbare bleef, bloeiden toch in haar zenuwleven teedere hysterieën
op, als vreemde orchidee-achtige
203
lelieën, die waren als wakende droomen, nietwetende meisjesdroomen over liefde, van zacht
en weemoedig liggen in elkanders armen, en aandruk voelen van borst tegen borst, of mond
tegen mond, en stroomingen door heel het extatische lichaam heen..... Dan verlangde
Marietje naar Addy, opdat hij haar zou leggen de hand op het hoofd.....' (blz. 158 deel
II).
't Geváár van 't hypnotisme lijkt mij hier in dit láátste
zinnetje blootgelegd, 't gevaar van 't hypnotisme voor hen die zijn: zenuw-overspannen
Marietjes. Immers, wáárdoor komt dit 'opbloeien van teedere hysterieën' in Marietje; niet
door een natuurlijken, vertrouwlijken, vriendschappelijken omgang van dokter en patient,
van neef en nicht, waardoor 't gezond-worden harer' ziel gunstig inwerken gaat op haar
zenuwziek lichaam, niet dáárdoor geschiedt de genezing, maar door een lichamelijk
beroeren van zijn hand, waardoor ze valt in een hypnotischen, dus in elk geval tegennatuurlijken
slaap, enz. enz.!
't Komt mij voor dat dit gevaarlijk spelletje met Marietje
allerminst leiden zal tot haar genezing der ziel, maar alléén tot het ontwaken en
overprikkelen harer zinnen. En, dat Addy dit niet inziet en ermee dòòr gaat,
bewijst alweer hoe weinig normaal hij-zelf is!
Geen wonder dat Mathilde, ook nadat zij haar wil heeft doorgezet en met
hem in den Haag woont, toch geen geluk vindt aan de zijde van dezen weinig bij haar
passenden echtgenoot. Geen wonder dat zij ein-
204
digt met een minlijke schikking met hem te treffen, volgens welke hij naar Driebergen,
'het spookhuis', en zijn gekkenfamilie zal terugkeeren, terwijl zij in den Haag blijft met
de kinderen. Het laatste, 't bij háár laten hunner kinderen, is een soort boete die hij
zichzelf oplegt, omdat hij begrijpt haar ongelukkig te hebben gemaakt. En hiermede, met
zijn terugkeer naar Driebergen, eindigt het vierde boek van: De boeken der Kleine Zielen.
't Laat ons staan met een groot vraagteeken, wat nu eigenlijk groeien
zou in het slot uit al deze verwarring. Zal Addy ten slotte ondergaan, of zal hij er in
slagen eindelijk ook 'te weten voor zichzelf?' Zooals 't nu is heeft Het Heilige Weten
heel veel van 'niet weten', van een chaos van begripsverwarringen, en
verstandsverbijsteringen!
Maar die te kunnen schilderen, al die phasen van angst en
vervolgingswaanzin te kunnen afmalen, dat is een aan Couperus niet te
ontzeggen talent, waarin hij zich meester toont, speciaal in dit boek. Men kan wee worden
van al die zenuwzieke, steeds over zichzelf redeneerende menschen, ongeduldig van den
'somberen' nietwetenden Addy, boos op de suffige Adeline, de gillerige Emilie, de
ziekelijke Adelètje, de idiote Klaasje, men kan zich afvragen hoe het mogelijk is dat de
schepper van Kleine Zielen (Boek I) afdreef met zijn mondaine, gewone Hagenaars
in deze overspannen, zenuwzieke richting tot naar 'het spookhuis' in Driebergen,
205
dat alles belet niet dat de karakterteekening, de stijl, de gesprekken, alles bij elkaar
genomen, het boek stempelen tot een van die eigenaardig-pakkende, roerende werken,
waardoor Couperus méér is in den lande dan 'artist', waardoor hij wordt méégeleefd en
nagevoeld in wat hij schrijft dòòr zijn lezers.
(Uit: Anne de Savornin-Lohman. Letterkundig Leven. Vennootschap Letteren en Kunst. Amsterdam z.j., p.189-205.)
Redactionele ingrepen:
-p.191:
Wie Les Rougon Macqaart > Wie Les Rougon Macquart
-p.192:
envrose zielen > nevrose zielen