Index De boeken der kleine zielen | Index Recensies
Het heilige Weten.
Dit is het 4de der boeken: De Kleine Zielen, en
ik moet eerlijk bekennen, wat mij betreft begon ik er hartelijk naar te
verlangen het láátste
dezer reeks onder de oogen te mogen krijgen.
Want, er is zoo heel veel moois in De Kleine Zielen,
óók weer nu in Het heilige Weten. En toch irriteeren ze je hoe langer
hoe meer; toch ga je, zelfs datgene wat je eerst mooi vond, nu, juist om het te
véél ervan, leelijk vinden; en je gaat krijgen een intensen hekel aan deze
Kleine Zielen, die eigenlijk zooals ze nu ten slotte geworden zijn in
Het heilige Weten liever heeten mogen 'Gekken-zielen'.
't Klinkt te kras wat ik daar zeg, want eigenlijk
gek
zijn de van Lowes, die wij vereenigd vinden in het 'spookhuis' te Driebergen, nu
niet bepaald. Maar 't zijn dan toch allen zenuwlijders van de ergste soort. De
gewone mondaine zielen van 't eerste boek ontaardden van lieverlede in zeer
ongewone, met
190
nevrose belaste, overspannen zieken naar ziel en lichaam.
Waarom?
M.i. heeft Couperus op dat: 'Waarom' geen antwoord gegeven;
nergens motiveert hij de wonderlijke verandering, die gemaakt heeft van de
levenslustige, aristocratische, Haagsche van Lowes een troep zenuwlijders en
zielszieken! - Daardoor krijgt de lezer min of meer den indruk, dat de auteur
zoowat vergeten heeft wat hem eigenlijk in het eerste deel voor oogen zweefde,
dat hem de karakters der Kleine Zielen van 't eerste boek van
lieverlede zijn ontglipt, om te worden, eerst reeds in het voorgaande boek
Zieleschemering, en nu in Het heilige Weten, geheel nieuwe
menschen, met nieuwe eigenaardigheden; en die men bezien moet niet in verband
met hun verleden, maar opzichzelf beschouwd.
- Op zich zelf beschouwd nu heeft Couperus, met het talent
dat hem steeds meester doet zijn in karakterteekening, geschilderd een
zenuw-overspannen familie, bijna gek, een zeer eigenaardig en overspannen soort
van zenuwdokter en een jonge, gezonde vrouw, aan wie men 't, dunkt mij, heusch
niet kwalijk kan nemen, dat zij zich ongelukkig voelt in zulk een omgeving van
onnatuur, angst, en zielsziekte! - Wie Het heilige Weten leest als
roman op zichzelf, die zal, als hij oog heeft voor de kunst van
karakterontleden, en meegevoel voor liet zeer eigenaardige en bijzondere dezer
karakters, zonder twijfel heel veel genieten kunnen van den inhoud en de
191
gedachten. Maar, in verband met de overige voorgaande boeken beschouwd, en zoo
alleen heeft Het heilige Weten toch eigenlijk zin, kan men niet anders
dan zich verbazen over de groote afwijking, die van lieverlede is ingeslopen in
den opzet van de reeks, wat de handelingen der personen betreft. Onwillekeurig
vergeleek ik telkens De Kleine Zielen van Couperus met het veel
uitgebreider werk van Zola: Les Rougon Macquart; en het valt niet te
ontkennen, dat Couperus dan geheel is te kort geschoten in datgene, waarin Zola
zich juist meester toont: de logische ontwikkeling, en de gevolgen van feiten,
oorzaken, enz. Wie Les Rougon Macquart in hun geheel leest, met aandacht, die
ziet en voelt en tast, dat al deze menschen, kinderen, kindskinderen, in hun
wijdvertakte familie, niet anders worden, groeien, zich ontwikkelen, te gronde
gaan konden, dan, zooals zij 't doen in bladzijde op bladzijde van
meesterlijk-uitgewerkte details. Maar bij Couperus is er noch in de zoogenaamd
hoogere liefde van Constance van der Welcke voor Brauws (zie het Late Leven),
noch in de abnormale verschijnselen van Gerrit en Ernst van Lowe, en van sommige
hunner neven en nichten, (zie Zielenschemering), noch in de schepping
van het spookhuis te Driebergen, eigenlijk een asyl voor de wijd en zijd zich
verspreidende zielsziekte der familie van Lowe, (zie Het heilige Weten),
bij Couperus is er in geen dezer dingen ook maar iets gemotiveerds of logisch
verklaarbaars. In liet eerste boek, De kleine Zielen, leeren we een
typisch
192
Haagsche familie kennen, aristocratisch, en blufferig-ploerterig tegelijk, een
schepping tintelend van leven en van menschenkennis, maar die niets te maken had
met buitengewoon-gevoelige, overspannene, nevrose zielen. In Het late Leven
wordt de door en door wereldsche Constance van der Welcke uit De kleine
Zielen, zonder eenige voorafgaande aanleiding in haar karakter die daarop
wees, in hoogeren zin geïnspireerd en tot dieper leven geleid door Brauws, een
man zonder capaciteiten, zonder iets dat zijn invloed op haar rechtvaardigt; in
Zielenschemering vertoont de tot hiertoe geheel normale ritmeester Gerrit
van Lowe verschijnselen van overspanning en zenuwziekte, eindigend in zelfmoord,
en waarmee zijn 'blonde kindertjes', ondanks hun geheel normale moeder, nu ook
maar metéén bedeeld worden! En in Het Heilige Weten
zijn wij nu zóóver gekomen, dat eigenlijk de heele familie van Lowe gek, of
althans nagenoeg
gek is geworden, en bij elkaar wordt gehoopt, als in een vrijwillig asyl, in het
'spookhuis'; m.a.w. in het vaderlijk erfgoed van van der Welcke, Constances man,
gelegen te Driebergen.
Daar zitten ze hij elkaar, na den dood van Henri van der
Welcke's ouders, die hem, den eenigen zoon, rijk achterlieten: hijzelf, zijn
vrouw Constance, zijn zoon Addy, (de dokter, die deze familie-patienten zich
heeft uitverkoren boven elke andere praktijk), de negen kinderen van Gerrit, van
den ritmeester van Lowe, die zichzelf van kant maakte, en wiens overspanning
geworteld blijkt
193
in zijn negen 'blonde kindertjes', hunne moeder Adeline, van een
heel-alledaagsch vrouwtje nu óók geworden een zenuwzieke, Emilie hun nichtje, de
zielszieke wier merkwaardige lotgevallen ons reeds in Zielenschemering
zijn meegedeeld, en leidden tot hare geestelijke afstomping, dan Ernst van Lowe,
de aan vervolgingswaanzin lijdende oom, Constances broer, Paul van Lowe, de
jongste der broers, óók al aangetast door een manie, die van het overal vuil te
vinden, de oude moeder, mevrouw van Lowe, kindsch geworden, weer een ander
nichtje Marietje van Saetzama, 't jongste meisje van zuster Adolphine van Lowe
en van Saetzama, en eindelijk, de éénige tusschen al die gekken die zielsgezond
is, Addy's vrouw Mathilde. Want, ofschoon Couperus waarschijnlijk óók Addy
gezond bedoelde, kan ik in dezen pedanten, druilerigen, onnatuurlijken
hypnotiseur-dokter, op zijn zestiende jaar al honderdjarig-wijs, onmogelijk zien
een normaal natuurlijk-aangelegd-man. En evenmin vind ik de teekening normaal
van van der Welcke-vader, met wiens vroeger egoïst-wereldsch-doen het moeilijk
te rijmen is, dat hij zich nu, erfgenaam-geworden van zijn erfdeel en vaderlijk
thuis, laat opdringen, op zijn ouden dag, de geheele verarmde familie zijner
vrouw, heel de bent der hem onsympathieke van Lowes, die er door hun manieën en
zielsziekten boven dien niet sympathieker op zijn geworden!!
Ook deze plotselinge verandering in het karakter van Henri
van der Welcke is niet gemotiveerd!
194
Ik vergat nog te zeggen, dat wij nu en dan -, even maar
gelukkig -, vergast worden op de verschijning van den onsympathieken Brauws, de
held van Het late Leven. Dat deze fraseur het 'zoeken' eraan heeft
gegeven, en zich nu, levend van het door zijn broer en vader zuur-verdiende
quasi-verachte 'kapitaal', luierend neerzet als klaplooper aan van der Welcke's
disch, is een eind, te voorzien van een type als dezen mislukten
wereldverbeteraar! Veel minder gemakkelijk voorzien liet het zich dat uit het
normale luidruchtige huishouden van den joligen Gerrit, met de lieve moederlijke
Adeline en de negen blonde kindertjes, groeien zou de zenuwzieke bevolking van
het 'Spookhuis' te Driebergen, de geknakte Adeline, die haar heele gezin
overlaat aan een zestienjarigen gymnasiast-neef, de idiote Klaasje, de
zwaarmoedige Alex, de ziekelijke Adèletje, etc. etc.!
En waarom Marietje van Saetzama, wier ouders waarlijk niet
laboreerden aan te véél gevoel, nu in eens zoo'n hysterisch wezen wordt is al
even weinig verklaard!
Ik vind bovendien een besliste fout in den opzet van den
roman heel die bevolking van het 'spookhuis' op zichzelf. Addy is zestien jaar
als zijn egoïste, levenslustige vader erft een familiegoed en fortuin. Op dien
leeftijd beslist hij
dat de 9 kinderen van oom Gerrit in dat familiehuis zullen wonen voortaan, onder
toezicht van zijn ouders, later van hemzelf.
Alweer, waarom?
Al zijn die kinderen niet rijk, ze zijn toch niet dak-
195
loos! Welke Don Quischotterie, in een zestienjarig hoofd verklaarbaar, maar niet
in dat van den wereldwijzen van der Welcke-vader, kan oorzaak zijn dat de
eindelijk in hun luxe-begeerte bevredigde van der Welckes, man en vrouw,
zichzelf onnoodig belasten met het bij hen inwonen der kinderen van Lowe!?
En, neven die éérste tegenstrijdigheid, zijn er nog vele
andere, de rekbaarheid b.v. van het familiehuis te Driebergen, dat méér heeft
van een Engelsch kasteel, naar de fantastische voorstellingen van Couperus, dan
van een oud-Hollandsche villa! Dan het inwonen der bijna gekke Emilie, en het
zich, zonder opheldering, naar Driebergen laten vervoeren van Ernst, en het even
ongemotiveerd in Driebergen komen wonen van Paul.... En Adolphine Saetzama, die
tien jaren lang kwaad bleef, en nu, ineens, - waar 't land overvol is van knappe
zenuwspecialiteiten, - haar hulp en troost komt zoeken bij Addy, haar jongen
neef, den pasbeginnenden dokter! Terwijl het toch alom waarneembaar is, dat
juist onder eigen familie de medicus dikwijls 't minst wordt gewaardeerd, en ook
het minste invloed heeft!
Nu en dan rijst de vraag, als men al deze buitenissigheden
bij elkaar gestapeld ziet in dit boek, of Couperus misschien een loopje heeft
willen nemen met zijn lezers, of hij eens heeft willen kijken hoe ver hij gaan
kon met het griezelig en angstig maken. Daar is b.v. aan het einde van het
eerste deel dat nachtelijk gesprek tusschen de beide zusjes Marietje en
Adèletje, beide
196
reeds zenuwzieken, en de derde Gerdy, nog gezond, over 't spoken van 'den Ouden
Man' op de achtertrap. Al die vreemdigheid doet je, wel een beetje denken aan
een ouderwetschen spookroman! En verhoogd wordt nog die indruk door het
eigenaardig-onsamenhangende der gesprekken! In het begin deedt je dat wel
natuurlijk aan, die korte, afgebroken zinnetjes, heelemaal zooals men spreekt in
't werkelijke leven! Maar van lieverlede krijgt men ook hiervan 'des Guten
zuviel', gaat men ernaar smachten dat al die halve gekken van Lowe nu eindelijk
eens gewoon uitzeggen wat ze hebben te zeggen, zich dwingen om het wat korter te
maken, in plaats van discoursen, eindeloos, op deze wijze:
'Ja maar Constance. ..' -
'Wat.....'
'Ik voel...'
'Wat voel je...'
Behalve 't vervelende op den duur van dit te
vergedreven realisme, komt de lezer, ongeduldig geworden door de 8 deeltjes
'kleine' en gekkenhuis-zielen, die hij nu reeds heeft moeten doorworstelen, op
den oneerbiedigen inval, of het Couperus misschien ten slotte te doen is geweest
vlug en goedkoop zijn met den uitgever overeengekomen aantal vellen druks te
vullen? Eén woord op een regel, dan weer gedachtenstreepjes, dan weer één nieuw
woord op een nieuwen regel, zóó ben je gauw klaar.
't Héél mooie maar ook 't heel gevaarlijk-abnormale
197
in dezen roman, vind ik de schildering van de angst voor 't dreigen van 't
'Onbekende'.... De angst van Constance voor 'de dag die altijd kan komen', dag
van smart, de treurigheid in de vergáánde, ouderwordende dingen, de martelende
angst voor wat komen zal van nerveuse, overgevoelige, overteere menschenzielen,
dit is het waardoor dit boek lééft, in je trilt, in je doet nabeven van eigen
opwellenden levens-angst.
198
II.
Addy.
Het eigenlijke thema van Het heilige Weten is de
behandeling der zenuwzieken en gekken door hun familielid, den dokter Addy van
der Welcke.
We hebben dezen Addy al leeren kennen in het eerste der
boeken De kleine Zielen, als het oude-mannetje-figuur van eenig kind,
tusschen de twistende ouders Henri van der Welcke en Constance, geborene van
Lowe. In de volgende boeken zien we hem meer terloops dan in het eerste,
opgroeiend van kind tot jongen, maar aldoor toch even onnatuurlijk,
hinderlijk-pedant! In Zielenschemering kondigt hij aan zijn vast
voornemen van niet in de diplomatie te gaan, maar te worden dokter. En nu, in
Het Heilige Weten, dat ons in eens tien jaar verder brengt, vinden we hem
terug, een dokter van zijn eigen, overspannen, gekwordende familie....
Uit een menschkundig oogpunt lijkt mij dit reeds een fout.
Want, het is strijdig niet alle gewone ervaringen
199
van weerszijden, dat een kind, opgegroeid tusschen alle ooms en tantes en neven
en nichten, later voor die, zijn nááste familieleden, de meest geschikte dokter
zal kunnen wezen! 't Feit dat juist heel knappe doktoren, en speciaal
zenuwspecialiteiten, heel dikwijls niet hun eigen verwanten kunnen behandelen is
overbekend, sluit zich ook gemakkelijk aan bij het niet minder bekende feit, da
patienten niet gemakkelijk hun intiemste gedachten en gevoelens toevertrouwen
aan bloedverwanten, of tot hun naaste familie behoorende geneesheeren, maar wel
aan vreemden.
Intusschen, ware Addy nu maar een gewone krachtige
persoonlijkheid, een mooie schepping als dokter, dan zou men over dit bezwaar
kunnen heenstappen!
Het had zoo mooi kunnen wezen: Addy als verpersoonlijking van
den waren, genezenden, helpenden, radenden, knappen dokter, staande uitgebeeld
in dit boek van ziekte, zorg, leed, hulpbehoefte!
Maar, in plaats daarvan, heeft Couperus goedgevonden van den
genezenden dokter-zelf te maken: een zenuwlijder, een hypnotiseur, een
overspannen mensch, die eigenlijk geen andere eerzucht heeft dan zijn familie te
behandelen, die met Marietje van Saetzama een eigenaardig leelijk spel drijft
m.i., in één woord een dokter zooals er in onzen overspannen, abnormalen tijd
wel zijn, maar die allerminst sympathie opwekt, of gelden kan als type van
datgene wat hij moet voorstellen: de dokter in den goeden
zin.
200
Kan men het b.v. zijn gezonde, levenslustige vrouw Mathilde
kwalijk nemen, dat zij 't een vréémde plichtsopvatting vindt, wanneer hij, in
plaats van zich ergens te vestigen als arts, zijn intrek neemt in het
'spookhuis', en zijn praktijk concentreert op zijn verslapte, zenuwzieke
familie, terwijl zij ondertusschen op een zitkamer boven in huis vegeteert, en
zich ongelukkig voelt onder 'de negen blonde kindertjes,' de kindsche grootmama,
de oude schoonouders van der Welcke, de melancholieke Emilie, de versufte tante
Adeline, en de aan manieën lijdende ooms Ernst en Paul? Er is niet de minste
reden toe, dat Addy zijn 'blinde', en zijn genezende kracht speciaal alleen
verbruikt in dit ééne huis, en er háár, zijn vrouw, het slachtoffer van laat
worden. In een overigens heel-mooi geteekend tooneel tusschen man en vrouw,
waarin de twist ten slotte uitbreekt, laat Couperus 't zóó voorkomen, alsof
Mathilde haar mans edele aspiraties niet begrijpt, alsof zij niet návoelen kan
het heel mooie in hem van niet te willen wezen een Haagsch mode-doktertje, maar
een helper en trooster!
Maar zóó zuiver staat de zaak niet. Als Addy woonde in
Driebergen, een gewone zenuwspecialiteit, en die, en passant, óók zijn familie
behandelde, dan zouden zijn verwijten aan Mathilde, omdat ze hem niet begrijpt,
gerechtvaardigd zijn geweest! Maar nu heeft zij gelijk, dat zij zich
verzet tegen dit offeren van háár jeugd, geluk, persoonlijke vrijheid, van hun
kinderen en hun
201
fortuin, aan een door niets te rechtvaardigen hersenschim!
De waarheid is echter dat Addy zoo handelt en doet, omdat hij
even weinig 'gewoon' is, als de hééle familie waartoe hij behoort! 'Voor
zichzelf wist hij niet,' zegt Couperus van hem. 't Gehééle boek dóór handelt hij
dientengevolge meer als een zenuwlijder, dan als een geneesheer
van zenuwtoestanden! Reeds op de eerste bladzijden komt hij ten tooneele,
terugkomend van een reis, met een ingehouden somberheid, een merkbaar
'uit-zijn-humeur-zijn', waarvoor, blijkens 't vervolg, geen enkele aanleiding
bestond, maar waardoor geheel de van zijn 'fluide' afhankelijke familie uit haar
doen geraakt, en nerveus en verschrikt wordt! Sombere oogen, zwaarmoedige buien,
'niet weten voor zichzelf,' kleven hem 't hééle boek dóór aan! Nergens zien we
hem handelen en optreden als een flink, genezend, praktisch, zelfbeheerscht
geneesheer, die jong is, gezond, gelooft in zijn kunnen, en liefheeft zijn werk
en wetenschap; maar overal als een geheimzinnig, hypnotiseerend, met zijn
'fluide' schermend, overspannen kwakzalvertje, die eigenlijk evengoed gèèn
dokter had behoeven te zijn, daar zijn heele genezing zich toch bepáált tot het
'geloof' in de 'fluide' die van hem uitgaat!
Nu is 't wel mogelijk dat Couperus here zoo en niet anders
bedoeld
heeft! Ik, persoonlijk, vind dat heel jammer voor zijn roman, waarop hij
daardoor als een merk van onnatuur, nervositeit, en overspanning heeft
202
gedrukt, zòò alsof hij-zelf eigenlijk niet weet hoe gezonde menschen denken en
voelen en handelen! Maar het is zijn zaak wat hij in, dat opziet schilderen wil:
een hypnotiseerende kwakzalver, liever dan een gewonen, flinken dokter!
Veel bedenkelijker vind ik de episode met Marietje van
Saetzama, omdat de gedachten die hij dit 'kuische' meisje in den mond legt
eenvoudig-weg vuil aandoen. Ik moet bekennen, dat ik hier even dacht aan het
zinnen-gekittel en prikkelen met schauwe voorstellingen, waarin Henri Borel zoo
meester is! 't Feit op zichzelf, dat Marietje van Saetzama, eigen nichtje van
Addy, komt onder diens behandeling zou niet zoo vreemd zijn, als wij er niet
bijwisten dat de moeder, Adolphine, geborene van Lowe, èn hare zuster Constance
èn diens zoontje Addy altijd heeft gehaat! Van dáár dat het dus gezocht is
wanneer zij, na tien jaren van brouillerie, ineens, al haar hoop en vertrouwen
stelt in dat pasbeginnend doktertje Addy; ook al heeft hij dan reeds een
gunstige reputatie! Deze dingen eenmaal zoo zijnde, vindt Couperus het noodig
ons, geheel à la Borel, eerst telkens weer opmerkzaam te maken op de zeer
bijzondere 'kuischheid', 'lelieachtigheid' enz. enz. van de zenuwzieke Marietje,
om haar dan, ineens, 's nachts door huis te laten dwalen met de volgende
'kuische' gedachten: 'En hoe verlangensloos ook, omdat Addy voor haar het
onmogelijk bereikbare bleef, bloeiden toch in haar zenuwleven teedere hysterieën
op, als vreemde orchidee-achtige
203
lelieën, die waren als wakende droomen, nietwetende meisjesdroomen over liefde,
van zacht en weemoedig liggen in elkanders armen, en aandruk voelen van borst
tegen borst, of mond tegen mond, en stroomingen door heel het extatische lichaam
heen..... Dan verlangde Marietje naar Addy, opdat hij haar zou leggen de hand op
het hoofd.....' (blz. 158 deel II).
't Geváár van 't hypnotisme lijkt mij hier in dit
láátste zinnetje blootgelegd, 't gevaar van 't hypnotisme voor hen die zijn:
zenuw-overspannen Marietjes. Immers, wáárdoor komt dit 'opbloeien van teedere
hysterieën' in Marietje; niet
door een natuurlijken, vertrouwlijken, vriendschappelijken omgang van dokter en
patient, van neef en nicht, waardoor 't gezond-worden harer' ziel gunstig
inwerken gaat op haar zenuwziek lichaam, niet dáárdoor geschiedt de
genezing, maar door een lichamelijk
beroeren van zijn hand, waardoor ze valt in een hypnotischen, dus in elk geval
tegennatuurlijken slaap, enz. enz.!
't Komt mij voor dat dit gevaarlijk spelletje met
Marietje allerminst leiden zal tot haar genezing der ziel, maar alléén tot het
ontwaken en overprikkelen harer zinnen. En, dat Addy dit niet inziet en
ermee dòòr gaat, bewijst alweer hoe weinig normaal hij-zelf is!
Geen wonder dat Mathilde, ook nadat zij haar wil heeft
doorgezet en met hem in den Haag woont, toch geen geluk vindt aan de zijde van
dezen weinig bij haar passenden echtgenoot. Geen wonder dat zij ein-
204
digt met een minlijke schikking met hem te treffen, volgens welke hij naar
Driebergen, 'het spookhuis', en zijn gekkenfamilie zal terugkeeren, terwijl zij
in den Haag blijft met de kinderen. Het laatste, 't bij háár laten hunner
kinderen, is een soort boete die hij zichzelf oplegt, omdat hij begrijpt haar
ongelukkig te hebben gemaakt. En hiermede, met zijn terugkeer naar Driebergen,
eindigt het vierde boek van: De boeken der Kleine Zielen.
't Laat ons staan met een groot vraagteeken, wat nu eigenlijk
groeien zou in het slot uit al deze verwarring. Zal Addy ten slotte ondergaan,
of zal hij er in slagen eindelijk ook 'te weten voor zichzelf?' Zooals 't nu is
heeft Het Heilige Weten
heel veel van 'niet weten', van een chaos van begripsverwarringen, en
verstandsverbijsteringen!
Maar die te kunnen schilderen, al die phasen van
angst en vervolgingswaanzin te kunnen afmalen, dat is een aan
Couperus niet te ontzeggen talent, waarin hij zich meester toont, speciaal in
dit boek. Men kan wee worden van al die zenuwzieke, steeds over zichzelf
redeneerende menschen, ongeduldig van den 'somberen' nietwetenden Addy, boos op
de suffige Adeline, de gillerige Emilie, de ziekelijke Adelètje, de idiote
Klaasje, men kan zich afvragen hoe het mogelijk is dat de schepper van
Kleine Zielen (Boek I) afdreef met zijn mondaine, gewone Hagenaars in deze
overspannen, zenuwzieke richting tot naar 'het spookhuis' in Driebergen,
205
dat alles belet niet dat de karakterteekening, de stijl, de gesprekken, alles
bij elkaar genomen, het boek stempelen tot een van die eigenaardig-pakkende,
roerende werken, waardoor Couperus méér is in den lande dan 'artist', waardoor
hij wordt méégeleefd en nagevoeld in wat hij schrijft dòòr zijn lezers.
(Uit: A. de Savornin-Lohman. Letterkundig Leven. Vennootschap Letteren en Kunst. Amsterdam z.j., p.189-205.)
Redactionele ingrepen:
-p.191:
Wie Les Rougon Macqaart > Wie Les Rougon Macquart
-p.192:
envrose zielen > nevrose zielen