Index De boeken der kleine zielen | Index Recensies
XVIII.
De Boeken der Kleine Zielen. - Het Heilige Weten, door Louis Couperus.
Een verzuim, eene vergissing, in elk geval voor mij een
ongeluk, heeft het zóó beschikt, dat mij van De Boeken der Kleine Zielen
het derde, Zielenschemering, niet in handen kwam. Natuurlijk moet ik
voor mijzelf trachten deze schade nog in te halen. Maar ik zag voor het
oogenblik in de omstandigheid geen reden om den draad mijner belangstelling te
beschouwen als afgebroken. Om de waarheid te bekennen, ik heb voor mijzelf dit
afbreken zóó weinig gevoeld, dat ik over de leemte, die er gaapte tusschen twee
en vier, met luttel bezwaar ben heengegleden en in dit vierde deel op bijna
niets ben gestuit, wat mij het eerste en het tweede niet verklaarden. Wel een
bewijs, hoe meesterlijk elk der schakels van deze keten op zichzelf is afgerond.
Vóór ik nu echter van dit boek iets anders zeg, moge het mij
van het hart, waarom mij dit boek vaak vermoeid heeft en geïrriteerd,
tegelijkertijd dat het mij boeide en doordrong: mij als met spelden heeft
geprikt, terwijl het mij ophief in hoogten van meêgevoelen.
Wanneer ik een edel muziekstuk hoor uitvoeren, geleid
220
door een excentrieken dirigent - excentriek, niet in muzikale opvatting, maar in
uiterlijk en gebaren -, dan kan ik mijne oogen sluiten en luisteren, zonder van
's mans grimassen hinder te hebben. Lees ik echter een edel boek, geschreven
door een excentrieken stilist - excentriek, niet in gedachtengang, maar in
taalbouw en uitingswijze -, dan staat mij geen redding open. Ik moet òf het boek
ongelezen laten, òf ik moet bij mijne lectuur al de kuren en grillen van des
schrijvers pen op den koop toe nemen.
Het is het onheil van de thans in onze schrijftaal
heerschende anarchie - eene anarchie, die misschien slechts door het optreden
van een nieuwen Beets zou kunnen gebroken worden -, het is het onheil, dat een
ieder, die litterarisch iets beteekenen wil, een Hollandsch meent te mogen of te
moeten schrijven op eigen hand en min of meer van eigen fabrikaat: met eene
manier, eigen gevonden, of meest naar die van anderen gevariëerd, de
echtheid zijner artisticiteit meent te moeten waarmerken. In het werk van
Couperus nu heeft de manier altoos eene bijzonder groote rol gespeeld;
en zij deed dit met de haar aangeborene onbestendigheid, veranderlijkheid. Hier
zelfs, in een cyclus, die een hoofdwerk belooft te worden - een cyclus, die,
juist als zóódanig, in al zijne geledingen, als door een buigzamen ruggewervel,
moest zijn aanééngeweld door éénheid van stijl -, zelfs hier nog verbaast en
hindert den taalkunstig proevenden lezer de wispelturige, onmannelijke en
onberekenbare gemaniereerdheid van Couperus als stilist. Uit eene kalme,
weldadige, veelbelovende rustigheid en soberheid in het eerste gedeelte,
verstuipte zich de stijl reeds in het tweede tot
221
eene nerveuse gestootenheid en verdraaidheid. En deze manier verkreeg in dit
vierde deel verder nog zóó de overhand, dat het genot des lezers van minuut tot
minuut er door wordt verstoord, en men netelig uitroept:
Wat heeft de man er toch aan - aan die woordverschikkingen en
zinverwrikkingen, die mij den eenen keer doen denken aan het hakkelen van eene
Hollandsch pratende 'nonna', den anderen keer aan een slangenmensch, wandelend
met het hoofd tusschen de beenen? En waarom stippelt en stokt hij voortdurend
zoo, dat het iemand kriebelig wordt in al de zenuwen? En wat doet hij dikwijls
zonderling - ook wel eens uitmuntend goed, maar zoo dikwijls ook verschroefd, of
stotterig, of geaffecteerd - met zijne dialogen! En wat herhaalt hij, in de
drukte van zijn woordenzwalm, in zijne uitbundigheid van iets-te-
voelen-willen-geven, vaak hetzelfde, vaak hetzelfde! - Moet in zulke
apartheidjes een schrijver als déze, moet een dichter als déze in zulke treekjes
en trucjes de expressie zoeken van zijne eigenlijkheid? - Ja, naar grootsche
brokken vraagt men bij Couperus nooit vergeefs: brokken natuurbeschrijving, van
stormnacht, wintergrauw en zomergloeiïng. Maar is ook dáárin niet, stilistisch
beschouwd, een tekort van die ware kracht, die véél geeft met weinigheid van
woorden? Siddert ook door die lang geademde perioden niet de nevrose, die
hijgend ineenzinkt na eene heftige overspanning, veel meer, dan de beheersching
der materie door het meesterschap? - Couperus vergelijkt de vazen van oom Ernst
met 'orchideeën van nevrozisme'. Slacht menig beeld, menige woordkunst van hem
zelf niet die vazen? Vreemd, dikwijls schoon, altijd nerveus. En
222
waar de stijl in drift van gang geraakt, in vaart van beschrijving, komt daar
niet somwijlen iets er in als van een asthma-lijder, die zich overhaasten moet
en dreigt te stikken in zwoeging?
Waarom, waarom dit alles? vraagt de rustige lezer. Is dit zoo
gewild als kunst? Of is het zoo geworden uit gemis van zelfbeheersching?.......
In elk geval - hoe jammer! hoe jammer! - -
Nu, de grief is hiermede dan afgeschoven - en de
waardschatting, de bewondering, zij komt aan het woord. Stijl, manier - wat
raakt het ons tenslotte? Met den geest hebben wij te doen, in dit boek vol
geestelijkheid.
*
* *
Voor hen die gaarne gebeurtenissen willen, zoogenaamde
handeling, is er weinig in dit vierde boek. Maar voor hen die vragen naar
gevoelsleven en gemoedswording, is er ontzaglijk veel. Ik wil daarom niets
navertellen of vóórvertellen, voor wie er lazen, of nog niet gelezen hebben. Ik
wil slechts kort het hoofdmoment benaderen, dat in den neventitel, 'Het Heilige
Weten', staat aangeduid, vertrouwende daardoor alléén reeds eene aansporing te
geven tot lezen en herlezen. Want indien het waar is, dat slechts zúlke boeken
waard zijn gedrukt te worden, die waard zijn te worden herlezen, dan was dit
boek het drukken waard.
Een nieuw geslacht is opgeschoten, en van het oude vinden wij
nog slechts de ruïnen. Al onze belangstelling, na een sprong over tien jaren,
concentreert zich nu om
223
Addy, den wonderknaap, van wien wij kort geleden nog vroegen: wat, in 's hemels
naam, moet daar van worden? wat zal hij er meê doen? - De rest is objectief, van
het half idiote Klaasje tot de kindsch gewordene grootmoeder. Alles - de vader
Henri en de moeder Constance, door den tijd elkaâr weêr nader gebracht; de nog
overgebleven ooms en tantes, tobbende, houvastlooze zielen; de opgroeiende neven
en nichten, - alles, het gansche hulpbehoevende troepje, beweegt zich om Addy,
als planeten om eene zon. Alléén nog zelfstandig, als eene macht van
afzonderlijke beweging, staat naast hem Mathilde, zijne vrouw.
Addy van der Welcke is namelijk zes-en-twintig jaar oud
geworden. Hij is arts. Hij heeft te Driebergen, in het groote huis van de oude
Van der Welcke's, dat zijn vader erfde, zijne door den zelfmoord van haren man
verweeuwde tante Adeline met hare negen onverzorgde kinderen opgenomen. Hij
verleent ook nog aan andere wrakken van familieleden daar asyl. En hij is
gehuwd. Dáárop komt het aan. Voor allen om hem heen, ouden en jongen, is hij de
helper, de voorlichter, de raadgever, de geestelijke méér nog dan de
lichamelijke arts. Voor allen - behalve voor zijne eigen vrouw. Alles zou effen
hebben kunnen loopen langs den eenmaal gegeven weg, indien Addy niet gehuwd
ware.
Misschien is thans de opvatting wel geoorloofd, dat Couperus
ons in Addy van der Welcke, tusschen al die kleine zielen in, het beeld heeft
willen geven, het strijdens- en lijdensbeeld, van den idealen mensch. Zulk een
mensch is, moet
zijn, een wezen van twee werelden, een dualisme.
224
Nu was Addy van der Welcke medicus geworden, uit roeping.
Maar, 'juist met de medische studies, die anders het materialisme voorbereiden,
was in hèm ontwikkeld een heldere mystiek, een vraag naar het leven van het
leven: de vraag, die niet de medische boeken beantwoordden. Sprak hij met
studievrienden, dan antwoordden zij hem met den spotlach van hun ontwikkelend
positivisme: dorre wijsbegeerte, die den meesten uit de medische studiën
bijkleeft, omdat zij alleen vragen naar de zichtbare openbaringen van het leven
en niet vragen naar de onzichtbare bron, de heilige levenswel, waaruit het àl
vloeit, in glans, die verduistert, tot de eerste glans niet meer zichtbaar
is.... Zóó was het zijn studievrienden gegaan, en hun loopbaan was geworden de
materialistische van de meeste doktoren. Hèm had de vraag altijd voor de oogen
geschemerd naar het leven van het leven, naar de levenswel van den glanzenden
oorsprong. Twee voelde hij zich: de gewone, normale, praktische, een beetje
vroeg-oude, ernstige jonge man van wetenschap en dokter, - en in die ziel zijne
tweede ziel van geheimzinnigheid, goddelijk onbegrijpelijk, een ziel vol van
mystiek, een ziel vol van ondoorgrondelijke kracht, uit welke een fluïde schoot,
dat heilzaam was aan velen.'
Juist echter omdat hij zich twee voelde, voelde hij
zich ook de gezonde, krachtige jonge man van vleeschelijkheid. Want 'wij moeten
zijn gezond van lichaam en normaal van lust, om te zijn gezond naar ziel, in het
leven van onze lichamen en lijflijke materialiteiten.' Daarom, toen Addy's oog
op Mathilde viel, zag hij in haar de
225
mooie, gezonde vrouw, die hem schenken zou gezonde kinderen, vooral niet
lijdende aan de nevrose, die de ziekte was van zijn gansche geslacht aan
moederszijde. En hij trouwde haar; en zij schonk hem kinderen, zooals hij had
gewenscht. Maar Mathilde, die weinig anders bezat dan hare schoonheid, hare
gezondheid, hare genotzucht, hare ijdelheid, en haar oppervlakkig, overigens
niet verdorven verstand, - Mathilde was een wezen van ééne wereld slechts. Dus
kon zij van haren man slechts het ééne leven verstaan, gelijk ook hij slechts
dit ééne leven met haar deelen kon. Het àndere ontsnapte haar. Zij voelde wel
dat het er was; maar zij kon het niet bevatten; en hij kon het haar niet geven.
'Voel met me!' - smeekt hij, wanneer zij weg wil, naar Den
Haag - weg uit het sombere huis te Driebergen, voor haar een ziekenhuis, een
gekkenhuis, een spookhuis, waar zij altoos vreemdelinge gebleven is. 'Voel met
me, dat ik geen mode-dokter kan zijn, maar dat ik eene groote praktijk heb, voor
wie ik nuttig ben. Probeer te voelen, dat ik mij niet afsloof voor
niets, omdat ik geen geld verdien!'
'Leer mij dat dan voelen!' antwoordt zij, omdat zij, naar
haar vermogen, hem toch liefheeft. 'Leer het mij !'
Hij echter ziet haar wanhopig aan. Want hij weet, dat hij
haar dit nooit, nooit zal kunnen leeren, omdat het niet in haar is, wat
er is in hemzelf.
Ziedaar in Addy het conflict. Hij heeft eene vrouw gehuwd,
die hij slechts met zijn ééne leven kon liefhebben, met de helft slechts van
zijn bestaan, terwijl hij haar niets kon geven van wat er dieper en heerlijker
in hem
226
werkte en weefde, het eigenlijke werk en weefsel van hemzèlven, dat haar
ontsnapte en altijd ontsnappen zou. Hierdoor heeft bij misdaan jegens zichzelf,
maar veel méér nog jegens háár. Was het eerst eene vage zelfonvoldaanheid, die
hem kwelde, - thans, nu hij het heeft ingezien, is het een schuldbewustzijn, een
pijnigend zelfverwijt. Hij lijdt er onder - en het offer gaat hij brengen. Hij,
die zoo goed geweten had voor ànderen, wat goed voor ànderen was; hij, die als
kind reeds, onbewust, geweten had de woorden van troost voor zijne ouders, en
later, bewust, in heilzaam en heilig weten, niet alleen voor vader en moeder,
maar voor ànderen, voor zoo velen, zoo velen, - ach, hij had niet geweten voor
zichzélf. Zijne eigen ziekte was de onvoldaanheid. Eens had hij zich twee
geweten. Nu wist hij niet meer wat en wie hij van die beiden was. Hij voelde
zich als verouderd en ziek, omdat zijn leven nu nog niet geraakt was in het
reine evenwicht zijner eigen twee zielemachten. Gekluisterd voelde hij zich aan
de eene, die hem trok omlaag, zonder dat de andere nog sterk genoeg was om hem
tot de zuivere hoogte van zijn zèlf op te beuren. Voor zichzelven wist hij niets
- niets meer.
*
* *
De afloop? - -
Er is er geen. Aan het slot staat, midden in de crisis nog,
een afwachtingsteeken, dat groot verlangen wekt naar der boeken vijfde.
Het kan slechts eene crisis zijn, die Addy van
227
der Welcke ondergaat; en hij moet het evenwicht nog vinden.
Maar het weten dan, het heilige, - zoo vraagt men -
wat is er van ? - -
'Het wordt.... het wordt alles van zelf.... en wij... wij
weten niets,' zegt Addy bij het scheiden van zijne vrouw, in de tijdelijke
verslagenheid zijner misgetast hebbende jeugd.
Maar Couperus zegt:
'Er is een heilig weten voor onszelf.... zóó heilig, dat wij
het weten alleen.... wanneer de toekomst geworden is.'
Dát weten vond er ééne op 't lest, na lang, geduldig
verbeiden.
Het was donker in de achterkamer, waar de grootmoeder was
ingedut. Daar riep een der kinderen verschrikt: 'O, tante, tante - kom
hier!'.... En allen zagen naar de oude vrouw. Zij zat als gewoonlijk, stil in
haar grooten stoel, de gerimpelde, aderige handen gevouwen in den zwarten
schoot. Het hoofd rustte achterover, wit in het witte haar omlijst. Zij wist
véél heilig weten, en haar oude mond glimlachte er om, bemoedigend.
*
* *
Een edel boek is dit.
Want, hoewel overvloeiende van de diepste levensdroefenis,
doortrokken van 's levens zwaarte en onvrede en wee, is het toch zoo vrij van
grimmigheid, van kortzichtige en verbitterde negatie, - zulk een hoog protest
tegen
228
het platte en laffe pessimisme. En door al deze miserie van menschelijke
kleinzieligheid heen, laat het lichtstralen breken van eene alles verklarende en
alles vergoedende bestemming, gelijk eene lange, eene lange en zeer donkere
gang, aan wier einde, in verst verschiet, blinkt eene wonderbare helderheid.
Juli, 1903.
(Uit: J. van den Oude. Uit de poppenkraam onzer romantiek (1903), p.219-228.)