Index De boeken der kleine zielen | Index Recensies
XI.
De Boeken der Kleine Zielen. - De Kleine Zielen, door Louis Couperus.
Het is wel opmerkenswaardig, den heer Couperus van Babel's
torentinnen nu weder te zien afgedaald in de laagte van eene Haagsche côterie.
Er zijn er in hem twee: de dichter, voor wiens stoute allegorieën aarde en hemel
nauwelijks gestalten en kleuren en vluchtruim genoeg hebben; en de waarnemer,
die doordringt in den mensch en hem blootlegt tot in zijn kleinste. Maar altijd
blijft hij aristocraat. Het ligt in zijne natuur, niet anders te kunnen.
Opmerkenswaardig is het ook, hoe Couperus ditmaal zijne taal
in harmonie gebracht heeft met zijn onderwerp: hoe hij zich hier wist te wachten
voor zijne oude zonde van weeldelievende uitbundigheid: hoe hij het treffende
zijner teekening zoekt en vindt in soberheid van woordenkeus en eenvoud van
constructie: hoe het zijn eigen Hollandsch is, en tevens het onze, dat hij hier
schrijft, - heel weinig gemoderniseerd, slechts zelden verdraaid.
82
Mevrouw Van Lowe, de te 's-Gravenhage wonende weduwe van een
Gouverneur-generaal, verzamelt elken Zondagavond, gelijk eene klokhen, al hare
familieleden om zich heen: kinderen, behuwdkinderen en kleinkinderen, ook
zusters en broêrs, voor zoover aanwezig, - al wat maar van de familie, of
familie van de familie is: in het geheel wel een veertigtal hoofden, oud en
jong, grijs en groen. Dit was van deze deftige dame zoo eene dierbare gewoonte,
voortgekomen uit een zeer ontwikkeld familiezwak. Het gezelschap is, zooals men
denken kan, door-en-door Haagsch, doorspekt met bureaucratische, militaire en
Indische elementen. Het groote beest, de banjer er in, is een minister van
koloniën.
Op een van die zondagsche familie-avonden nu maakt, na eene
veertienjarige afwezigheid, hare intrede Constance, de tweede dochter van de
oude mevrouw. Constance is het zwarte schaap in de familie; zij heeft eene
geschiedenis. Jong gehuwd met een bejaarden diplomaat, minister-resident te
Rome, had zij een misstap begaan met den secretaris der legatie, Henri van der
Welcke. De gevolgen van dien misstap waren geweest eene echtscheiding,
Constance's huwelijk met Van der Welcke, voor hèm eene gebroken carrière, voor
háár het zwervende leven van eene uitgestootene, en voor hen beiden een kind,
een zoon, Addy, een wonderkind van liefheid, kloekheid, rechtschapenheid en
verstand. Tusschen Van der Welcke en zijne vrouw was de verhouding, na hunnen,
minder uit eigen wensch, dan onder den moreelen drang van Henri's
streng-godsdienstige ouders voltrokken echt, uiterst onaangenaam geworden. Het
stroovuur der passie, in een noodlottig
83
oogenblik hel opgevlamd, voorgoed gedoofd; geen liefde meer, zelfs geen
oppervlakkige verdraagzaamheid; niets dan wederkeerige verwijtingen, altijd
disharmonie, het woord van den een eene ergernis voor de ander, elk gesprek een
strijd. Beiden aanbaden zij het kind, hun lieveling, hun oogappel, de éénige
genade van hun leven. Maar ook het kind vereenigde hen niet. Het was hun veeleer
eene reden tot ijverzucht op elkaâr; zij misgunden het elkander; hij werd bleek,
als zij het kuste; zij schreide van afgunst, als hij het eens meênam voor eene
wandeling. Toch dachten zij niet aan scheiding, omdat zij die gedachte voor
zichzelf belachelijk vonden. Zij zouden hunne kluisters samen dragen, tot hunnen
dood, in haat. Maar de onduldbaarheid van dit leven geleidde vanzelf in
Constance tot een heimwee naar Holland, naar hare familie. De laatste jaren in
Brussel waren zoo eenzaam, zoo droefgeestig, zoo verlaten, zoo bitter, zoo vol
strijd, haat en nijd geweest, dat zij smachtte naar een troost, naar iets van
liefde, dat tot haar komen zou met open armen, en haar begrijpen zou en
beklagen. En ook Van der Welcke begon het te voelen, dat 'vreemde heimwee, dat
terug wil naar het land van geboorte, van taal en van verwanten.' En Holland,
daarginds, zoo dichtbij, en toch zoo langen tijd onbereikbaar, werd hun beiden
als een land van belofte, een land van vrede, van laat na-geluk, waar zij alles
zouden vinden, voor zich en hunnen zoon, wat zij jaren en jaren gemist hadden:
ouders en familie, oude vrienden en kennissen, en dan nog, als een bijzonder
element, eene essence van Hollandsche atmosferen en luchten, iets onzegbaars
bijna, dat zij beiden gemist hadden
84
voor den honger en den dorst hunner zielen. Beiden vereenzaamd, hadden zij
eensklaps, hoe disharmonisch ook met elkaâr, als zéker geweten, dat 'om oud te
worden en te zijn ouders voor hun kind, zij terug moesten naar hun
land, waaraan zij verknocht waren met die geheimzinnige, vreemde en lang
onbewuste banden, die jaren te loochenen zijn, tot zij zich eenmaal weder gelden
laten - onontknoopbaar - altijd.'
Zoo zien wij dan Constance - haar man volgt later -, na
veertien jaren, met die vlek op haar verleden, ver schijnen in den ganschen
familiekring. Hiermede opent het drama. Om het conflict tusschen deze vrouw en
hare familie, en om het conflict tusschen deze vrouw en haren man - met Addy,
het kind, als bemiddelaar - beweegt het zich voort.
Een relaas laat zich er van niet geven. Dit is geen
geschiedenis die zich navertellen laat; want de fijnheid zoowel als de kracht,
de wreedheid zoowel als de waarheid er van zijn niet in de belangrijkheid, niet
in de eigenlijke tastbaarheid, van hetgeen er gebeurt, maar in de meesterlijke
détailteekening, in de ontwikkeling van het motief, dat is: de kleinzieligheid,
de kleinheid der zielen die daar òm ons zijn, tusschen welke wij leven, met
welke wij verkeeren, tot welke wij behooren. De kleinheid dezer zielen, die
Constance niet wilden zich laten opbeuren, - en de kleinheid ook van Constance
zelf.
Onder al deze zielen is er niet ééne slecht, zelfs de nijdige
zuster Adolfine niet. Er zijn er onder - de oude moeder, die trouwens als moeder
met hare goedheid niet meêtelt, en Paul en Gerrit en tante Ruyvenaer, - die,
85
goedig, wel goeds zouden willen. Maar in die goedigheid zelfs zijn zij klein.
Groot - naar de bescheidenste mate van grootheid ook slechts - is er geen
enkele, dan dat kind, dat daar als rustbewaarder staat, tusschen vader en
moeder, en dat dragen kan, op zijne stevige schoudertjes, rustig, het geheim van
den vloek hunner onmin, de bekentenis van hunne schuld.
En Constance, zelve klein, in hare verhouding tot haren man,
en in hare smeekende, schier kruipende afhankelijkheid van die kleine Haagsche
groote wereld, door welke zij weder in genade wenscht aangenomen te worden, -
Constance voelt wel hare eigen kleinheid. Tot driemaal toe hooren wij
van haar de verzuchting, den kreet:
'Hoe klein zijn wij allen! Wat zijn wij kleine menschen, en
wat hebben we kleine zielen!.... Waarom spreek ik zoo, denk ik zoo, wil ik
zoo?.... Wat doe ik klein, wat doe ik klein! Eigenlijk, ach, eigenlijk - wat kan
mij dat alles schelen - die menschen, en wat zij denken, en wat zij schrijven,
en wat zij praten?.... Om wat smeek ik? - Wat doe ik laagheden, en wat doe ik
klein, o God - wat doe ik vreeselijk klein !.... Is dát ernstig leven? - Is
alleen dát leven? - Of is er - iets anders?'
Maar zij kan er niet meer boven uit. Zij is er in geboren en
getogen. Zij moet er in ondergaan.
Addy alleen, de knaap, wanneer de gansche lievigheid van het
zondagsche familie-tafereel eensklaps omslaat in kabaal, wanneer zijn vader zich
aanstelt als een dolleman en zijne moeder in flauwte valt door het vlijmende
schimpwoord uit den mond eener half idiote tante, - Addy
86
alleen kan dan zijne lippen krullen tot een minachtenden lach, en zeggen bij
zichzelf:
'Het is alles om niets.'
. . . . . . . . . .
. . . . . . . . . .
Wèl een bedroevend boek is het, bedroevend en beschamend, dit
eerste van de Boeken der Kleine Zielen. Het is eene aanklacht tegen ons aller
kleinheid - de kleinheid van ons leven, van onze belangen, van ons zoeken en ons
denken, van ons geheele samenzijn. Is het waar dan? Zijn wij werkelijk zóó
klein, wij allen, door elkaâr geslagen?
Indien dit boek ons in eigen boezem blikken en tasten doet,
zoo zullen wij er in méér gelezen hebben, dan het nieuwste, zeer onderhoudende
werk van een gevierden schrijver, - méér, dan een grooten en in tallooze
kleinheden schitterende roman.
Wat het volgende dezer boeken ons brengen zal: of het iets
wezen zal van dat kalm grootere, dat reeds in Addy was, en van dat 'andere',
waarnaar handenwringend Constance vroeg, - wij hebben het af te wachten.
Dec., 1901.
(Uit: J. van den Oude. Uit de poppenkraam onzer romantiek (1903), p.81-86. Oorspronkelijk gepubliceerd in Het nieuws van den dag 1901, 7 december )