Index De verliefde ezel | Index Recensies

DE VERLIEFDE EZEL, door Louis Couperus. -
(Nijgh & Van Ditmar, Rotterdam 1918).

De Couperus-epidemie die zich steeds hardnekkiger in ons land verbreidde, had mij wrevelig en recalcitrant gemaakt. Iedereen leed aan Couperus-extase, menschen stikten er bijna in. Robbers nam een 'bad in Couperus', anderen waren litterair overleden van verrukking. - Kortom ik besloot kort en bondig aan die malligheid niet mee te doen. Als ge per se geen griep wilt krijgen - dan zijt ge immuun; de sterkte van uw wil staat als een desinfectie-harnas om u heen. Welnu, ik besloot, mij niet te laten besmetten door die banale opgewonden aanbidding.
Ten slotte is het toch zeer antipathiek - hield ik lijders voor - om in een tijd als deze: van daadkracht en vernietiging, van wording en bevrijding, van grootheid en historische kracht, waarin de evolutie door 'de locomotief der oorlogen' duizelingwekkend snel vooruitschiet - om in dezen tijd niet anders te doen dan een elegante levenshouding te demonstreeren en die in fraaie boekjes met sierlijke zinnen neer te schrijven!
Met booze oogen en een vastgesloten mond begon ik te lezen. Aha! Een sprookje! Nogal een tijd om sprookjes te lezen! Maar enfin... toch charmant die kinderlijke eenvoud en - 't is merkwaardig, maar... 't is net of 't me boeit!

30

Ik voel iets bewegen in mijn gezicht, mijn lippen springen los en glimlachen, mijn oogen beginnen te glanzen...
Iemand zegt iets tegen me, ik kijk op en tracht mijn vastberadenheid weer te vinden waarmee ik begon te lezen. Maar ik zink dieper in mijn stoel, mijn voeten schuiven naar den haardgloed, er gaat een huivering van genot door me heen! De eerste teekenen der epidemie doen zich hevig gelden.
Goden! Sta mij bij! Ik ben maar een weerlooze vrouw, niet bestand tegen Godentaal. Mijn wil is sterk, maar tegen overmacht kan ik niet op. Het omspint me als een zijden cocon, warm donzig en zacht... Het is alles zacht en geurig en toch sterk, als staal, en veerend. liet is vrouwelijk en toch zoo viriel vol scheppingsdrang...
Ik heb het zwaar te pakken! Laat ik me schrap zetten, dat ik niet sterf. Maar wat begin ik tegen zinnen als deze: (blz. 68).
'Als blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist ontslotene, smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het water, dat zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en bewoog in het riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op en schaduwde, even, teergrijs van vlucht in de honigblonde lucht'.
Glimlachend, in droom gewiegd, lees ik verder. Ik bekommer mij nergens meer om. Ik moet het afleggen, mijn lot is beslist als ik op blz. 123 lees:
'En in den stralenden zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug, beiden versierd met bloemen en blaren als voor een herdersfeest, den rood doorappelden bongerd tegemoet...'.
Het sprookje vertel ik u niet. Ieder moet dit boek bezitten en het hardop lezen en elk woord proeven en er zalig van worden! Ik wil wel sterven aan deze epidemie; door den Grootmeester van onze taal wil ik duizend dooden sterven. Want daardoor zal ik de zaligheid beƫrven!

emmy van lokhorst

(Uit: Den Gulden Winckel 18 (1919), nr.2, p.29-30.)